CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Toelichting

Raadsvergadering 24 november 2025, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan ‘Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 3e herziening (Uiterste Stuiver West 3)’17.020 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de van toepassing zijnde milieuaspecten.

4.2 Milieueffectrapportage Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.rbeoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. ad b.

Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ is op ongeveer 6,2 km van het plangebied gelegen. Vanwege de afstand leidt alleen stikstofdepositie tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied. Dit wordt in paragraaf 4.11.2 onderzocht en beoordeeld. Er heeft een vormvrije mer beoordeling plaatsgevonden (Bijlage 9). Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.

4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De inrichting binnen het initiatief valt onder SBI-code 46217, 4631 (groothandel in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen) waarvoor de volgende richtafstanden gelden; 30 meter geluid, 30 meter geur, 10 meter Stof en 50 meter Gevaar. De afstand van 50 meter voor gevaar bepaald dat de inrichting in milieucategorie 3.1 valt. Echter blijkt uit de ‘Onderbouwing milieucategorie van K+ adviesgroep, kenmerk QR/QR/M18 581.802.1, d.d.

24 oktober 2019’ (Bijlage 10) dat er binnen de inrichting geen opslag ruimte aanwezig is voor gevaarlijke stoffen en dat als koudemiddel voor de koeling een synthetisch middel wordt gebruikt. Voor dit koudemiddel geldt op basis van het activiteitenbesluit geen gevaarcontour. De contour voor gevaar komt hiermee te vervallen. De grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten geur en geluid worden dan bepalend. Volgens de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering geldt dat bij een richtafstand van

30 meter er sprake is van een milieucategorie 2 inrichting. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde uit de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbij gelegen burgerwoning is gelegen op circa 250 meter van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied is een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf aanwezig op circa 55 meter. Binnen de richtafstand van 30 meter liggen dus geen woningen of andere gevoelige bestemmingen. Voor de indirecte hinder is bij de bestaande woningen gekeken naar de geluidbelasting van de verkeersaantrekkende werking. Vanuit een worst-case benadering is hiervoor aangenomen dat alle verkeersbewegingen met zware motorvoertuigen van en naar de inrichting met vrachtwagens plaatsvinden. Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de schrikkelcirculaire niet zal worden overschreden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde bedrijfsfunctie op gepaste afstand van gevoelige functies in de omgeving is gelegen.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht De verantwoording van het toxisch scenario is beschreven in de notitie ‘Externe veiligheid, toxisch scenario spoor, kenmerk: QR/QR/M18 581.801.1, d.d. 24 oktober 2019’ (Bijlage 11).

Door de eisen die op grond van het bouwbesluit worden gesteld aan nieuwe gebouwen zal sprake zijn van goede bescherming tegen indringing van toxisch gas. De luchtbehandelinginstallatie zal worden voorzien van een veiligheidssysteem zodat de luchtbehandelinginstallatie met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Het plan voldoet aan de randvoorwaarden uit de beleidsvisie voor transportasgebieden. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

4.5 Kabels, leidingen en straalpaden Op 29 mei 2019 is een KLIC-melding gemaakt bij het kadaster, zie Bijlage 12. Hieruit blijkt dat er binnen en aan de randen van het plangebied enkele kabels en leidingen zijn gelegen. Bij de sanering van de bestaande bebouwing en bij de realisatie van de beoogde bebouwing zal rekening worden gehouden met deze kabels en leidingen. In of nabij het plangebied lopen geen planologisch relevante straalpaden.

4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding

van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Weg- en railverkeerlawaai Een bedrijfsgebouw met een industriefunctie en een kantoorfunctie is geen geluidgevoelige bestemming. Dit betekent dat in het kader van de Wet geluidhinder er geen eisen worden gesteld aan de optredende gevelbelastingen. Ook in het kader van het Bouwbesluit 2012 worden geen eisen gesteld met betrekking tot bescherming tegen geluid van buiten. Omdat het bedrijfsgebouw langs een drukke weg komt te liggen en in het plan ook werkruimten worden gerealiseerd is het wel wenselijk om te weten hoe hoog de geluidbelasting zal zijn en op grond daarvan desgewenst toch maatregelen te treffen zodat de geluidbelasting in de kantoren kan worden teruggebracht tot een acceptabel niveau en daarmee een fijn werkklimaat kan worden gerealiseerd. Ten aanzien van de te verwachten optredende gevelbelasting vanwege het wegverkeer is ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bedrijfsbestemming Uiterste Stuiver 3 West te Tilburg, kenmerk M18 581.401, d.d. 23 oktober 2018’ (Bijlage 13) uitgevoerd. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de kantoren de gevelbelasting maximaal 65 dB bedraagt. Er is sprake van een verhoogde geluidbelasting.

Om voor een prettig werkklimaat te kunnen zorgen wordt geadviseerd om een aanvullend akoestisch onderzoek te laten uitvoeren naar de treffen gevelmaatregelen. 4.6.2 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Ten aanzien van de geluidhinder afkomstig van de beoogde bedrijfsopzet is ‘Akoestisch onderzoek geluiduitstraling bedrijfsbestemming Uiterste Stuiver 3 West te Tilburg, kenmerk M18 581.401.1, d.d. 24 oktober 2019’ (Bijlage 14) uitgevoerd. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het bedrijf en het equivalent geluidniveau vanwege de verkeersaantrekkende werking voldoet aan de 50 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 2 van de VNG. Ter plaatse van de bestaande woningen voldoen de geluidbelastingen eveneens. Vanuit een worst-case benadering is hiervoor aangenomen dat alle verkeersbewegingen met zware motorvoertuigen van en naar de inrichting met vrachtwagens plaatsvinden. Hiermee is aangetoond dat bij de bestaande woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

4.6.3 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Binnen de inrichting kunnen op beperkte schaal emissies naar de lucht plaatsvinden. Dit betreft o.a. de het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische producten. In het Activiteitenbesluit milieubeheer dat van toepassing is op de inrichting zijn aan deze activiteiten voorschriften verbonden. Het aantal motorvoertuigbewegingen die de inrichting aandoen kunnen worden gekenmerkt als "niet in betekenende mate". Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Er worden geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3 wordt aan de richtafstand voor geur voldaan. Hiermee is in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.8.2 Agrarische geurhinder Er worden geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.

4.9 Volksgezondheid Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkveeen varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; - Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.

De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m 3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.

Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de

uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen. Naar aanleiding van het VGO-onderzoek heeft de provincie Noord-Brabant op 7 juli 2018 een tijdelijk geitenmoratorium ingesteld om te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Hieruit reist in het kader van een goede ruimtelijke ordening de vraag of er bij het ontwikkelen van nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, dan ook rekening gehouden moet worden met de omgekeerde werking.

Hoe kan immers een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoner geborgd worden en is het vanwege de risico’s voor de volksgezondheid wel wenselijk om nieuwe gevoelige functies op te richten nabij geitenhouderijen? Binnen een afstand van 2 kilometer van het plangebied zijn geen actieve geitenhouderijen gelegen. Aan de Heibloemstraat 1 te De Moer was in het verleden een geitenhouderij gevestigd, maar dit bedrijf houdt al geruime tijd geen geiten meer. Het bedrijf heeft op 13 januari 2011 een melding gemaakt in het kader van de AMvB opslag en transport ten behoeve van de statische opslag van caravans. Verder wordt er binnen het plangebied ook geen gevoelige functie opgericht. Het gaat om de realisatie van een niet-agrarisch bedrijf in het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische producten. Het geitenmoratorium en de omgekeerde werking ervan heeft dus geen effect op het initiatief.

4.10 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. In het kader van de geplande bestemmingsplanwijziging en herinrichting van de locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 15). Op grond van de beschikbare gegevens (resultaten vooronderzoek, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd: - In zowel de boven- als ondergrond zijn geen parameters in een verhoogd gehalte gemeten. Er bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond derhalve geen belemmering tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging. - In beide onderzochte bovengrondmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. Er bestaat ten aanzien van de asbest derhalve geen belemmering tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging.

- Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium bevat. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentratie geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. De gemeten concentratie overschrijdt de streefwaarde in geringe mate en vormt geen belemmering tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk. De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging.

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.11 Natuur en ecologie 4.11.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: - Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) - Overige inheemse broedvogels - Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn - Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.

In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) - Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.

Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de

gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw.

Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “jamitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.11.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ op circa 6,2 km van het plangebied. Gezien deze afstand zijn er geen storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling te verwachten. Om aan te tonen dat er met het initiatief geen sprake is van een toename in stikstofdepositie is vanuit een worst-case scenario middels het rekenprogramma AERIUS het gecumuleerde effect van de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling in één berekening bepaald. De resultaten hiervan zijn terug te vinden in Bijlage 16.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van het initiatief geen sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarnaast is het gecumuleerde effect van de realisatie en gebruiksfase van de ontwikkeling in één berekening in één en hetzelfde jaar doorgerekend. Daaruit bleek ook dat er geen sprake was van een toename van de stikstofdepositie. Daarmee kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling leidt tot de aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied en de betreffende instandhoudingsdoelen in gevaar komen. Een passende beoordeling hoeft derhalve niet opgesteld te worden. Natuurbescherming in Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het plangebied ligt buiten het NNB (voorheen Ecologische Hoofdstructuur), zoals begrensd op de kaarten van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op het NNB. Het plangebied ligt wel binnen de groenblauwe mantel. De hiermee beschermde landschappelijke en waterhuishoudkundige waarden worden beschermd door het plangebied te voorzien van een landschappelijke inpassing en voldoende waterbergingscapaciteit. Soortenbescherming Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is er in juli 2020 quickscan flora en fauna uitgevoerd.

In de notitie wordt het volgende geconcludeerd: Beschermde gebieden: Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zullen aantasten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig.

Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Beschermde soorten: In het plangebied zijn voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten afwezig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van – in dezen algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen of als essentieel functioneel leefgebied van habitatrichtlijnsoorten. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming betreffen de habitatrichtlijnsoorten is niet nodig.

Aangezien de reeds uitgevoerde quickscan flora en fauna gedateerd is, is er een nieuw onderzoek uitgevoerd. Brabant Eco heeft middels een bezoek aan het plangebied de eventueel aanwezige flora en fauna in beeld gebracht. De geactualiseerde quickscan flora en fauna is opgenomen in bijlage 17. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied nog steeds ongeschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen van habitatrichtlijnsoorten. Aanvullend onderzoek naar nationaal beschermde soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Tevens is het advies om sloop- en bouwwerkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren. 4.11.3 Landschappelijke inpassing Het bedrijf wordt landschappelijk ingepast in de omgeving, het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in onderstaande afbeelding, het volledige plan is opgenomen in bijlage 3. Het plangebied ligt gedeeltelijk in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Deze vormt onderdeel van een noordzuid-gerichte zone die het gebied ten zuiden van de snelweg verbindt met het gebied aan de noordzijde.

Deze verbinding is gebonden aan de waterloop die hier onder de weg doorloopt. Het beheertype van de ecologische verbindingszone naast de waterloop bestaat vooral uit ‘kruiden- en faunarijk graslanden’. Deze vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties: van de voedselarme kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. De landschappelijke inpassing bestaat daarom deels uit het inzaaien met een mengsel voor kruiden- en faunarijk grasland. Door verschralingsbeheer wordt een zo schraal mogelijke vegetatie nagestreefd. Er wordt aangesloten bij de beheertypen zoals de provincie die nastreeft in de Natuurbeheerkaart voor NNB. Een deel van het kruiden- en faunarijk grasland wordt gerealiseerd in de waterberging. Deze waterberging is vormgegeven met een dieper deel waar het eerste water in geborgen wordt, zodat bij de meeste buien de kruidenrijke vegetatie droog blijft. Het talud is aan de noordzijde flauw zodat er een gradient ontstaat van nat naar droog. Het zaadmengsel dat gezaaid wordt in de wadi is bestendig tegen korte overstromingen en langdurige droogte. Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Ook zijn in de omgeving de NNBbeheerstypen ‘houtsingel’ en ‘droog bos met productie’ aanwezig. Om hierop aan te sluiten is gekozen om binnen het plangebied een houtsingel met enkele bomen op te nemen.

Singels zijn vaak insectenrijk en vormen met het kruidenrijk grasland een gevarieerd jachtgebied voor vleermuizen. Bovendien zijn singels onderdeel van het leefgebied van diverse vogels en zoogdieren. Ten slotte zorgen deze natuurtypen ervoor dat de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen en voorzieningen verzacht worden: Ze worden geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Ook de toepassing van groene gevels draagt hieraan bij. Om de laanbeplanting te

versterken worden er op de ontbrekende locaties laanbomen aangeplant in de wegberm. De aanplant van deze laanbomen is opgenomen in de berekening kwaliteitsverbetering en wordt verzekerd middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Derhalve is het de verantwoordelijkheid van initiatiefnemers de laanbeplanting te versterken.

Afbeelding 10: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van 5.000 m2. De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 1: Gebiedskenmerken Kenmerk Stroomgebied Waterbeheerders

Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Bodem

Verhard oppervlak Riolering Oppervlaktewater

Beschermde gebieden

In plangebied Dongestroom Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: n.v.t., IBA Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta oostzijde: 6,1 m + NAP 120 cm –mv (4,9 m + NAP) Leemarm en zwak lemig fijn zand Toplaag is humusarm tot humeus met een dikte van 0,5 - 1 m 614 m2 dak 695 m2 terrein Vuilwater: afwezig, aangesloten op IBA Regenwater: omliggende gronden/oppervlaktewater A-water aan de zuidzijde langs het perceel, vervult een aan- en afvoerfunctie van overtollig water voor de direct omgeving. Op een gedeelte van het perceel is aan de oostzijde beschermd gebied waterhuishouding gelegen.

Afbeelding 11: Locatie plangebied ten opzichte van oppervlaktewaterlichamen 5.2 Beleidskader Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor waterbeheer op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners.

Kaderrichtlijn Water (KRW) De weging van het waterbelang omvat ook toetsing op basis van de KRW-doelstellingen zoals gesteld door de Europese Unie. Het toetsingskader uit het waterbeheerprogramma 2022-2027 (bijlage 7 – Toetsingskader VTH) is gebruikt voor de toetsing en hoe er omgegaan moet worden met wijzigingen die de KRW-doelstellingen (mogelijk) raken. Omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of melding Het waterschap heeft een eigen waterschapsverordening en Legger. Daarin staan verboden en geboden voor werkzaamheden die gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem, waterveiligheid of de waterkwaliteit. Daarnaast heeft het waterschap nog toegespitst beleid en beleidsregels op verschillende thema's uit het waterbeheerprogramma. Voor activiteiten die raken aan onze waterschapsverordening en/of Legger is veelal een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit noodzakelijk. In sommige gevallen vallen werkzaamheden onder een algemene regel, waardoor deze werkzaamheden onder voorwaarden vrijgesteld zijn van de vergunningplicht. De waterschapsverordening en de Legger zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Programma water en riolering 2024-2027 (PWR) In het PWR is het gemeentelijk beleid vastgelegd ten aanzien van Water en riolering.

Belangrijke uitgangspunten zijn dat hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater en het afkoppelen van verhard oppervlak. In het buitengebied wordt kleinschalige nieuwbouw aangesloten op de drukriolering of IBA’s (individuele behandelingssystemen afvalwater). Lozing van regenwater hierop is niet toegestaan. Voor een meer duurzame en milieuvriendelijkere inrichting van de afvalwaterketen wordt er gedacht aan hergebruik van afvalwater. Als gevolg van het veranderende klimaat is de bestaande situatie vaak niet bestand tegen hevige buien en langdurige droogte. Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een regenwateropgave. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. Per categorie van werkzaamheden worden criteria gesteld, voor ruimtelijke plannen gelden de volgende regenwateropgaves (zie ook onderstaande tabel): 1. Als totaal verhard oppervlak kleiner is dan 50 m2 is er geen waterbergingsopgave 2. Als het totaal verhard oppervlak tussen de 50 m2 en 200 m2 is wordt er onderscheid gemaakt tussen vervanging en toename. Voor “m2 vervanging” geldt een opgave van 10 mm voor “m2 toename” geldt een opgave van 20mm. 3.

Voor een totaal verhard oppervlak van meer dan 200 m2 geldt een waterbergingsopgave van 60 mm.

* De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niets mee gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave *** Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar) Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen De gemeente Tilburg wil dat elk nieuwbouwproject voorbereid is op de toekomst en dat er klimaatbestendig wordt gebouwd. In ‘Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen 2022’ zijn eisen opgenomen per wijktype. Hierbij wordt gestuurd op het minimaliseren van het aandeel verharding, het maximaliseren van het aandeel groen, schaduw op looproutes en buffering en infiltratie van regenwater. Elke nieuwbouwontwikkeling in de gemeente Tilburg moet voldoen aan deze klimaatscores. Voor het wijktype ‘bedrijventerrein’ worden de volgende klimaatscores gehanteerd:

-

Max. 90% oppervlakte verharding Minimaal 10% oppervlakte groen Schaduw van bomen op looproutes dient 30% te bedragen Verwerking van regenwater is 60 mm/m2

5.3 Duurzaam watersysteem Er vindt een verruiming van de bouwontwikkeling plaats. In het plan wordt het huidige bouwvlak vergroot waardoor het dakoppervlak vergroot wordt van 614 m 2 naar 1.500 m2. Ook wordt terreinverharding aangelegd. Het gehele plangebied kan worden voorzien van terreinverharding (3.500 m2). In dat geval neemt de afwatering van het verharde terrein toe. Bij veranderingen in de waterhuishouding van het plangebied moet er zoveel mogelijk regenwater vastgehouden en geborgen worden. Dat kan bijvoorbeeld door de een groot deel van het binnenterrein niet direct af te wateren naar de omliggende sloten, maar het regenwater opvangen in een retentiesloot of vijver, waar het water infiltreert in de bodem. Conform de waterschapsverordening dient er bij een toename van meer dan 500 m² oppervlakte bebouwing of erfverharding aangesloten op het oppervlaktewater, een bergingsvoorziening van minimaal 600 m³/ha netto oppervlakte te worden gerealiseerd, om te voorkomen dat het oppervlaktewatersysteem overbelast wordt. De eis van het gemeentelijk beleid is strikter, bij alle ontwikkelingen waar sprake is van toename verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden.

Bij eventuele bouwontwikkelingen zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: - De nieuwe vloerpeilen moeten bepaald worden, zodanig dat de minimale ontwateringhoogten 90 cm bedraagt, gemeten vanaf de onderkant van de vloerplaat; - De nieuwe terreinhoogten moeten aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); - De water- en vochtigheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; - Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen, als het regenwater valt op de afvoerende oppervlakten van daken en verharding en verder afstroomt; - De vuil- en regenwaterafvoer van nieuwe bouwdelen moet gescheiden worden aangeleverd; - De afvoer van het vrijkomende vuilwater wordt aangesloten op een IBA. Er wordt daartoe in opdracht van de gemeente een IBA geïnstalleerd op basis van eisen van het waterschap Brabantse Delta. De lozing daarvan kan naar de A-watergang van het waterschap. - Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; - Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreem neerslag (o.a.

voldoende bouwhoogte ten opzichte van GHG, zie ook PWR 2024-2027); - Het regenwater dat vrijkomt bij de nieuwe verharde oppervlakken moet binnen het plangebied worden vastgehouden voor infiltratie en/of vertraagde afvoer. Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthoudenbergen-afvoeren) in zijn weg tussen de afvoerende oppervlakken en de infra voor inzamelen (bergen) zoals de riolering, de blauwe aders, wadi's, enz. Mogelijkheden hiervoor zijn: - Zo weinig mogelijk afvoerende oppervlakken inrichten (ontharden); - Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; - Groene daken; - Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; - Waterdoorlatende verharding. - 'Alle beetjes helpen'; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. Enkele aspecten die verder van toepassing zijn op (de omgeving van) het plangebied: -

De bestaande watergangen direct ten noorden en ten zuiden van het plangebied vervullen een afwateringsfunctie voor de wegen en een ontwateringsfunctie voor het aangrenzende terrein. Dit betreffen grotendeels geen A- of B-watergang, enkel deels aan de zuidzijde van het plangebied is een A-watergang gelegen. Ten behoeve van de nieuwe westelijke inrit is een overkluizing over de

-

bestaande watergang ten zuiden van het plangebied benodigd. Met het initiatief wordt de overkluizing ten behoeve van de bestaande inrit over de A-watergang verwijderd. Hiermee wordt voldaan aan de vereiste compensatieplicht. Er ligt in de bestaande situatie een bestemming 'Water' midden over het perceel. Deze watergang is bij de aanleg van de rotonde heroverwogen en verplaatst naar de oostkant, langs het Natuur Netwerk Brabant. De bestaande A-watergang en poel aan de zuid- en oostzijde van het perceel behoren eveneens tot dit Natuur Netwerk Brabant. De A-watergang heeft tevens een ontwaterende functie. De poel en de watergang worden derhalve intact gelaten.

5.4 Watertoets Voor de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffe kunnen zich ophopen in het (bodem)watersysteem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de (bodem)waterkwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen zoveel mogelijk in acht worden genomen. Voor werkzaamheden aan waterstaatswerken of binnen de bijbehorende beschermingszones zal een watervergunning worden aangevraagd. Zo dient de bestaande inrit inclusief duiker verwijderd te worden uit de A-watergang, waarbij het A-water met omliggend profiel wordt hersteld. Met het initiatief vindt er een toename in verhard oppervlak plaats als gevolg van het nieuwe bedrijfsgebouw van 900 m2 en de extra erfverharding van maximaal 2.900 m 2. Binnen de projectlocatie zijn reeds bestaande verhardingen aanwezig welke bestaan uit 600 m 2 dakoppervlakte en 700 m2 erfverharding. Op grond van de gemeentelijke eis geldt hiervoor een bergingseis van 60 l/m 2 verhard oppervlak. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt deels voorzien van een sedumdak met een oppervlakte van 250 m2, waardoor er een verlichting geldt van deze bergingsplicht.

Conform de ‘Klimaatscores Nieuwbouwontwikkelingen 2022’ mag er voor een groen dak met sedum de mate waarin oppervlakte meetelt als verharding gecorrigeerd worden met 0,5, indien het dak een waterberging heeft tussen de 15 en 29 mm. Zodra de waterberging meer bedraagt dan 30 mm hoeft het sedumdak niet te worden aangemerkt als verharding. Worst-case wordt er gerekend met een sedumdak welke voor 50% wordt meegerekend in de verharding, 125 m 2 verharding in de plaats van 250 m2 ter plaatse van het sedumdak. Dit betekent dat er ten behoeve van de afwatering van het nieuwe bedrijfsgebouw voorzien moet worden in een waterberging van 29 m3 (= 475 m2 x 60 l/m2). Voor wat betreft de erfverharding moet worden voorzien in een waterberging van maximaal 174 m 3 (= 2.900 m2 x 60 l/m2). Dit is afhankelijk van het type en de oppervlakte van de erfverharding die uiteindelijk zal worden aangelegd. Mogelijk zal (gedeeltelijk) gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding, waardoor hemelwater wat hierop terecht komt ter plaatse, direct kan infiltreren in de bodem. Dit betreft dan halfverharding waar het hemelwater kan infiltreren, welke voor 50% mag worden meegeteld als onverhard oppervlak. Als worst-case scenario wordt ervanuit gegaan dat de aan te leggen erfverharding geen halfverharding betreft.

Ten behoeve van de afwatering van het hemelwater dat in de beoogde situatie op het verhard oppervlak terecht komt zal in combinatie met de ter plaatse voorziene landschappelijke inpassing een retentievoorziening worden aangelegd aan de westzijde van het plangebied. De retentievoorziening zal worden voorzien van een noodoverstort en eventueel een knijpvoorziening (wanneer de infiltrerende werking van de bodem onvoldoende blijkt te zijn) op de A-watergang aan de zuidzijde van het te bouwen bedrijfsgebouw, dit is ook aangegeven in het landschappelijk inpassingsplan. Bij de realisatie van de retentievoorziening zal rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit Afbeelding 12 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand in de groenstrook aan de noordzijde van het plangebied tussen 60 en 120 cm beneden maaiveld. Dit betekent dat de retentievoorziening bij een maximale bergingscapaciteit van 205 m3 een omvang moet krijgen van circa 228 m 2. De uitvoering van de waterberging is opgenomen in onderstaande afbeelding, deze situatietekening inclusief doorsnede van de waterberging opgenomen in bijlage 18.

Er is op de beoogde locatie dus voldoende ruimte op te voorzien in de benodigde waterberging.

Afbeelding 12: Uitsnede Bodematlas 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand' provincie Noord-Brabant

Afbeelding 13: Situatietekening retentievoorziening Naast hemelwater ontstaat er in de beoogde situatie ook huishoudelijk afvalwater. Uiteraard zullen de bedrijfsprocessen zodanig geoptimaliseerd worden dat de lozingen die hierdoor ontstaan tot een minimum beperkt worden. Zoals gezegd is binnen het plangebied momenteel alleen helemaal geen drukriolering aanwezig. De dichtstbijzijnde drukriolering waar op geloosd kan worden binnen de gemeente Tilburg ligt op circa 600 meter. De gronden tussen deze aansluiting en het plangebied zijn in eigendom van derden. Gezien de grote afstand en afspraken die gemaakt zullen moeten worden over beheer en onderhoud acht de gemeente Tilburg het niet wenselijk om het plangebied op de drukriolering aan te sluiten. Er is derhalve gezocht naar alternatieven. Het huishoudelijk afvalwater dat binnen de inrichting ontstaat zal worden geloosd via een minizuivering (IBA). Op locatie is reeds een grondwaterbron aanwezig en in gebruik, echter wordt de bestaande bron verplaatst ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Dit betreft een kleine onttrekkingsactiviteit met een doorloop van minder dan 10 m3/uur. Er is geen sprake van een nieuwe drinkwatervoorziening, alleen de bestaande grondwaterbron wordt verplaatst, zie onderstaande tekening.

Met de drinkwatervoorziening wordt er voldaan aan de eisen met betrekking tot volksgezondheid, dit wordt afgestemd met Brabant Water. Tevens wordt het

voorspoelwater aangevuld via deze grondwateronttrekking, waarbij de doorstroom van 10 m3/uur niet wordt overschreden.

Afbeelding 14: Situatietekening nieuwe locatie grondwaterbron Wat betreft de ‘Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen 2022’ worden er eisen gesteld aan een bedrijventerrein. Het plangebied bestaat in de beoogde situatie voor circa 50% uit verharding (dakoppervlak en (half)erverharding) en voor circa 50% uit grond welke bestemd is voor groen en natuur. Het aandeel aan groenvoorzieningen bedraagt minimaal 10% binnen het plangebied, waaronder een bomenrij welke zorgt voor schaduw. Bij een bedrijventerrein zijn er geen specifieke looproutes zoals bijvoorbeeld wordt gezien bij een woningbouwproject. Zoals bovenstaand getoetst wordt er gerekend met 60 liter per m2 aan verharding, waardoor wordt voldaan aan de gestelde bergingseis voor hemelwater. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch positief (her)ontwikkelen van Tilburg. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op .

6.2 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: - Bedrijf; - Groen; - Natuur; - Verkeer; - Waarde - Archeologie. Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: Functieaanduidingen: - Specifieke vorm van bedrijf – landbouwproducten verwerkend bedrijf; - Bedrijfswoning uitgesloten. Gebiedsaanduidingen: - Geluidzone – industrie; - Luchtvaartverkeerszone; - Veiligheidszone – aandachtsgebied vervoer gevaarlijke stoffen. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ mag een bedrijf met een milieucategorie 1 en 2 aanwezig zijn. Op de locatie is de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – landbouwproducten verwerkend bedrijf’ opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding mag een landbouwproducten verwerken bedrijf aanwezig zijn, zoals in de begripsbepalingen verder is omschreven. Binnen de bestemming mag geen bedrijfswoning aanwezig zijn. Dit wordt geborgd middels de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’. De bestemming ‘Groen’ is bestemd voor groenvoorzieningen zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan. De bestemming ‘Natuur’ is bestemd voor de instandhouding en versterking van de landschappelijke en natuurwaarde van het gebied. Binnen deze bestemmingen kunnen geen gebouwen worden gebouwd.

Binnen de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerszone’ mag, ter voorkoming van gevaar voor het luchtvaartverkeer van de vliegbasis Gilze-Rijen, niet hoger worden gebouwd dan 115 meter.

6.3 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

In de gebruiksregels van de bestemming 'bedrijf' is een gebruiksverbod opgenomen, waarmee het gebruik als bedrijf niet is toegestaan wanneer de landschappelijke inpassing niet is aangelegd dan wel in stand wordt gehouden.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Verder is in een exploitatie-overeenkomst afspraken vastgelegd over de reserve bovenwijkse voorzieningen, de grondverkoop en de kosten voor de wegverbreding. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 8 Burgerparticipatie en overleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 26 april 2019 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept-ontwerpbestemmingsplan wordt onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Hieronder volgt een lijst van instanties waarnaar het plan is gestuurd met datum verzending en datum ontvangst van een reactie. (p.m.) Hieronder wordt de overleginstantie met reactie weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders wordt vermeld. (p.m.)

8.3 Omgevingsdialoog De gemeente Tilburg heeft in november 2024 de richtlijn omgevingsdialoog gepubliceerd. Middels deze richtlijn wordt bepaald wat voor impact de ontwikkeling op de omgeving heeft, en welke doorwerking dit heeft op het infomeren van de omwonenden. Door de ontwikkelaar is de omgeving over de plannen geïnformeerd een en ander volgens hetgeen is opgenomen in de Richtlijn Omgevingsdialoog. De ontwikkelaar is bij de direct omwonenden langsgegaan in het voorjaar van 2021. Van de gevoerde gesprekken en beantwoording van de vragen is een verslag gemaakt. Het verslag is als Bijlage 19 toegevoegd aan deze toelichting. N.B. In verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de reacties in het kader van de burgerparticipatie geanonimiseerd weergegeven.

8.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gedurende zes werken ter inzage gelegen, te weten van 27 september tot en met 8 november 2021. Tijdens deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en beantwoord door de gemeente in de Nota van zienswijze, welke is opgenomen in bijlage 20. N.B. In verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen geanonimiseerd weergegeven.

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12: Bijlage 13: Bijlage 14: Bijlage 15: Bijlage 16: Bijlage 17: Bijlage 18: Bijlage 19: Bijlage 20:

Toets Ladder duurzame verstedelijking Berekening waardevermeerdering gronden Landschappelijk inpassingsplan Waarde kwaliteitsverbetering landschap Archeologisch bureauonderzoek Inventariserend veldonderzoek Maatregelen natuurinclusief bouwen Situatietekening met natuurinclusieve maatregelen Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Motivering bedrijven en milieuzonering Onderzoek externe veiligheid KLIC-melding Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Akoestisch onderzoek industrielawaai Bodemonderzoek Notitie stikstofverantwoording Notitie quickscan flora en fauna Situatietekening en doorsnede retentievoorziening Verslag omgevingsdialoog Nota van zienswijzen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16074706/2