Bijlage Toelichting
Tekst van het document
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van een niet-agrarisch bedrijf in het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische producten aan de Uiterste Stuiver-West 3 in Tilburg. Het betreft het perceel sectie Tilburg AG, nummers 7634, 7636, 7793, 7798 en 8076 gedeeltelijk. Met dit plan wordt de bestaande agrarische bestemming omgezet naar een bedrijfsbestemming. De bestaande agrarisch loods op het perceel (600 m2) wordt gesloopt waarna een nieuw bedrijfsgebouw gebouwd wordt voor de nieuwe niet-agrarische doeleinden. De omvang van het beoogde bedrijfsoppervlakte bedraagt 5.000 m2. Het beoogde bedrijfsgebouw heeft een omvang van maximaal 1.500 m 2. Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied Het plangebied omvat het agrarisch bouwvlak met de omliggende gronden aan de Uiterste Stuiver-West 3 in Tilburg. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Vierbundersweg (N632) ten noorden/oosten en de Uiterste Stuiver-West ten zuiden/westen. Ten oosten van het plangebied liggen tot natuur bestemde gronden.
Afbeelding 1: Ligging plangebied
1.3 Voorgaande plannen Voor het plangebied gelden twee bestemmingsplannen. Op een klein gedeelte in het noorden van het perceel geldt het bestemmingsplan ‘Noordwesttangent (Dalem Zuid – Vossenberg West)’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Tilburg op 12 oktober 2009. Voor het grootste gedeelte behoort het perceel tot het voormalige grondgebied van de gemeente Dongen. Het geldende bestemmingsplan aldaar betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Dongen op 5 november 2009. Het gedeelte van het perceel in het bestemmingsplan ‘Noordwesttangent (Dalem Zuid - Vossenberg West)’ heeft onder andere de bestemming ‘Verkeer’. Het gedeelte van het perceel in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ heeft onder andere de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Verkeer’ en ‘Water’. Ter plaatse van de
bestaande loods op het terrein is een bouwvlak aangegeven (1.217 m2). De bestemming ‘Water’ midden op het perceel betreft een voormalige watergang die bij de aanleg van de rotonde heroverwogen en verplaatst is naar de oostkant. Het beoogd bedrijf in het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische producten betreft een niet-agrarische functie en is derhalve in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Ook is uitbreiding van de bedrijfsfunctie tot 5.000 m2 met een maximum bebouwd oppervlak van 1.500 m2 niet rechtstreeks toegestaan binnen het vigerend planologisch regime.
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplannen ‘Noordwesttangent (Dalem Zuid – Vossenberg West)’ en ‘Buitengebied’
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur Ruimtelijke structuur Het plangebied Uiterste Stuiver-West 3 maakt deel uit van het buitengebied van Tilburg. Het perceel ligt op korte afstand van de Burgemeester Letschertweg (N260) en bedrijventerrein Vossenberg. Ten noorden van het perceel ligt de rotonde Uiterste Stuiver/Vierbundersweg. De Vierbundersweg is de verbindingsweg tussen de Burgemeester Letschertweg en het dorp Dongen. De Burgemeester Letschertweg, Vierbundersweg, en de zuidelijker gelegen Wilhelminakanaal zijn dominante elementen in de hoofdstructuur. De Burgemeester Letschertweg vormt een harde grens tussen bebouwd stedelijk gebied en het agrarische buitengebied. Door de aanleg van de Burgemeester Letschertweg, de rotonde en de aansluiting van de Vierbundersweg op de Burgemeeste Letschertweg is het gebied veranderd. Het perceel is hierdoor ingeklemd geraakt tussen Vierbundersweg, Uiterste Stuiver en Uiterste Stuiver-West. Functionele structuur In de directe omgeving bevinden zich diverse agrarische-, agrarisch verwante- en niet-agrarische bedrijven.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.
Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. In dit kader is het initiatief getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zie Bijlage 1. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder is derhalve niet noodzakelijk.
2.2 Provincie 2.2.1 Structuurvisie Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Inhoud van de Structuurvisie Deel A Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken. Uitwerking van de Structuurvisie De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied. 2.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening is op 1 augustus 2023 voor het laatst gewijzigd. In deze Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels m.b.t.
de fysieke leefomgeving samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. In de Interim omgevingsverordening staan omgevingswaarden, algemene regels die de gemeente rechtstreeks binden (rechtstreeks werkende regels) en regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen (instructieregels). In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Interim omgevingsverordening de gemeenten wèl rechtstreeks. Specifiek voor het plangebied geldt: “Landelijk gebied”.
Toets van het plan aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het perceel aan de Uiterste Stuiver-West 3 is gelegen in het Landelijk gebied. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geeft voor de locatie het werkingsgebied ‘groenblauwe mantel’ aan. In de IOV (Interim Omgevingsverordening) worden agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven alleen passend geacht binnen het Gemengd Landelijk Gebied (artikel 3.61 Iov). Hieruit kan impliciet worden afgeleid dat vestiging van dergelijke functies niet passend is binnen het gebied met groenblauwe waarde welk gebied hier van toepassing is. In de toelichting van de Iov is echter bij artikel 3.61 opgenomen dat binnen de groenblauwe mantel toch agrarisch-technische bedrijven toelaatbaar zijn, mits sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en voldaan wordt aan de eisen van artikel 3.73. Dit artikel heeft betrekking op de vestiging van een niet-agrarische functie (niet zijnde een agrarisch technische of agrarisch verwant bedrijf) in het landelijk gebied.
Artikel 3.73 - Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: Lid 1 - de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: o een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; o welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; o hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. - er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; - overtollige bebouwing wordt gesloopt; - de vestiging heeft geen betrekking op: o een kantoor met baliefunctie; o lawaaisport; o mestbewerking.
Lid 2 - er wordt geborgd dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: o over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; o welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; o dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; o dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. De beoogde ontwikkeling van het landelijke gebied betreft een gemengde plattelandseconomie met in hoofdzaak een agrarische economie met daarbij passende bestemmingen. Het bedrijf is sterk aan het landelijk gebied gebonden, doordat het zich richt op het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische landbouwproducten. Deze producten worden vanaf het land, rechtstreeks met trekker en oplegger of per vrachtwagen naar de het bedrijf gebracht. Het ligt daarom in de rede om het bedrijf in het landelijk gebied te vestigen, omdat er op bedrijfsterreinen niet altijd is voorzien in de bereikbaarheid met agrarische machines en werktuigen. Deze zijn langzamer dan bijvoorbeeld vrachtverkeer en hebben veel manoeuvreerruimte nodig. Dit belemmert de aldaar gelegen industrieën aanzienlijk in de doorstroming en veiligheid van hun transportbewegingen.
Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein. Als vuistregel houdt de provincie hiervoor nog steeds een maximale omvang van 5.000 m2 en een bedrijfsfunctie tot maximaal milieucategorie 2 aan. De vestiging van het agrarisch technisch hulpbedrijf is kleinschalig. Weliswaar is er sprake van een behoorlijke oppervlakte, maar de oppervlakte is fors kleiner dan de op grond van de Iov maximaal toegestane oppervlakte van een agrarisch-technisch bedrijf. In het bestemmingsplan is een bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ opgenomen met
een omvang van 5.000 m2. Hierin wordt voorzien in de realisatie van een bedrijfsgebouw met een omvang van ten hoogste 1.500 m2. Daarnaast is er geen verdere groei van het bedrijf mogelijk, zowel met betrekking tot de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing als met betrekking tot de oppervlak van de bestemming ‘Bedrijf’. De bedrijfsbestemming is immers ingeklemd tussen verkeers-, natuur- en groenbestemmingen en kan dus niet meer groeien. Daarnaast is ook de aard van het bedrijf (een bedrijf in categorie 2) vastgelegd zodat omschakeling naar een zwaarder agrarisch-technisch bedrijf niet mogelijk is. Hiermee is de vestiging van dit bedrijf gewaarborgd. Welke effecten de ontwikkeling heeft op andere aspecten en hoe het initiatief bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit wordt verderop in deze toelichting uiteen gezet. Het betreft een bestaand bedrijf dat niet wordt gesplitst in twee of meer zelfstandige bedrijven. Er is geen overtollige bebouwing op het perceel aanwezig. Het bedrijf heeft geen zelfstandige kantoorfunctie met balie en betreft geen lawaaisport en/of mestbewerking. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat er aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.73 van de Iov wordt voldaan. In bovenstaande verantwoording is onderbouwd dat aan de voorwaarden van artikel 3.73 van de Iov wordt voldaan.
Het gaat erom dat er in groenblauwe mantel geen nieuwe grootschalige bedrijvigheid plaatsvindt. Hier wordt met deze ontwikkeling invulling aan gegeven. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering landschap Zoals omschreven in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant dient Iedere ontwikkeling in Landelijk gebied gepaard te gaan met kwaliteitsverbetering landschap. Over de wijze waarop hieraan kan worden voldaan zijn door gemeente en provincie gezamenlijk afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in het document ' werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap' . Er dient een investering van 20% van de waardevermeerdering van de grond te worden gedaan. Deze investering dient te worden gedaan in landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap. Door de gemeente is een berekening opgesteld om de waardevermeerdering van de grond te bepalen, zie Bijlage 2. Deze berekening is gebaseerd op de grondprijzen zoals deze door de gemeente zijn vastgesteld. Er kan op meerdere manieren invulling worden gegeven aan kwaliteitsverbetering van het landschap. In dit geval is gekozen voor de optie: landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken. Landschapselementen die worden toegevoegd om de beeldkwaliteit en de overgang naar het omliggende landschap te versterken, mogen hierin meegenomen worden.
Hoe de bebouwing en het bestemmingsvlak landschappelijk worden ingepast blijkt uit het stedenbouwkundig- en landschappelijk inpassingsplan dat als Bijlage 3 aan deze toelichting is toegevoegd. Een meer uitgebreide beschrijving van de stedenbouwkundige aspecten is te vinden onder paragraaf 3.2. Uit Bijlage 4 blijkt de waarde die deze investering in kwaliteitsverbetering vertegenwoordigd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing resulteert in een ruime extra kwaliteitswinst bovenop de kwalitatieve investering van 20% die redelijk wordt geacht. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de bestemming ‘Groen ’ op de verbeelding en door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.
2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving. Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: - de Brabantstrategie; - de Regiostrategie; - de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen.
Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken. De vier stedelijke knooppunten: - Binnenstad van de 21e eeuw; - Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en –toepassing; - Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven; - Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant. De drie stadsregionale parken zijn: - Stadsregionaal park Moerenburg – Koningshoeven; - Stadsregionaal park Stadsbos013; - Stadsregionaal park Noord. De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien.
En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn: - Bedrijvenpark Zuid; - Zorgcluster Leijpark; - Duurzaam energielandschap Noord. De twee ecologische verbindingszones: - Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied;
-
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: - Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten; - Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig; - Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk; - Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding; - Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners; - Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal; - Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar; - Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen; - Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers; - Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken. Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief.
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. Toets van het plan aan de Omgevingsvisie Het plangebied is gelegen in een overgangsgebied tussen het Modern Industrieel Cluster Vossenberg – Loven en een agrarisch gebied dat is aangewezen als ecologische verbindingszone, nabij en een regionale verbinding met knooppunt. De regio Hart van Brabant is gelegen op een belangrijke logistieke corridor in Europa. Vanwege de ideale ligging ten opzichte van weg, spoor en water vormt de regio een (inter)nationale ‘hub’ (logistieke hotspot). De logistieke sector is dan ook van groot economisch belang voor de regio. Het biedt werkgelegenheid en trekt veel aanverwante bedrijvigheid aan. Het is de ambitie om de hotspot en hubfunctie verder uit te bouwen. De kwaliteit van de aan te trekken logistieke activiteiten is daarin belangrijk. Het gaat niet om de ‘doorgeeffunctie’, maar om de toegevoegde waarde. De value added logistics en services zijn van belang om de kwetsbaarheid op de langere termijn te verkleinen. Het beoogde bedrijf behoort tot de value added logistics en services. De focus van het bedrijf ligt op het vinden van een perfecte match tussen klant, biologisch product en teler.
Die zoektocht vindt plaats over de hele wereld en heeft zodoende geleid tot internationale samenwerkingsprojecten. Vanwege de centrale ligging van Tilburg in de Benelux, Frankrijk en Duitsland en de goede bereikbaarheid vanuit de havens van Rotterdam, Antwerpen en Hamburg sluit de vestiging van het bedrijf ter plaatse dan ook goed aan bij de omgevingsvisie voor het Modern Industrieel Cluster Vossenberg – Loven. Door het bedrijf zorgvuldig landschappelijk in te passen, wordt de overgang van het cluster naar de ecologische verbindingszone geoptimaliseerd.
Afbeelding 3: uitsnede Omgevingsvisie Tilburg 2040 (plangebied wit omcirkeld)
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.2.1 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. De locatie aan de Uiterste Stuiver valt onder categorie ‘buitengebied’ ’niveau 2’. Dit houdt in een lichte welstandstoetsing , op basiskwaliteit. De bestaande situatie is hierin normstellend. Van nieuwbouwplannen in deze gebieden mag gevraagd worden dat zij niet alleen op zichzelf redelijk zijn, maar ook dat zij de bestaande ruimtelijke kwaliteit in de omgeving respecteren. Kortom een voldoende kwaliteit is hier de norm. 3.2.2 Stedenbouwkundige motivering Als nadere uitwerking van het principeverzoek uit 2015 is ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit een onderzoek Flora&Fauna uitgevoerd en een stedenbouwkundige plan gemaakt. In deze analyse zijn het plangebied van 7.800m² en de directe omgeving op diverse aspecten geanalyseerd en is een stedenbouwkundig ontwerp opgesteld. Het stedenbouwkundig plan is tot stand gekomen in overleg met de stedenbouwkundige en de secretaris van de welstandscommissie van de gemeente Tilburg.
De ruimtelijke kwaliteit in deze variant blijft gewaarborgd omdat: - de oorspronkelijke verkavelingsstructuur bepalend blijft voor de inrichting van het terrein en de situering van de gebouwen; - het door trekken van de groenstructuur aan de oostzijde zorgt voor versterking en afscherming van de ecologische verbinding; - de oriëntatie van het gebouw op de rotonde blijft, waardoor de rotonde stedenbouwkundig begeleid wordt door het gebouw; - er een groene wand aan de zuidkant van de Vierbunderweg/Uiterste Stuiver ontstaat waar het gebouw dan een accent is, waardoor de plek van de rotonde wordt benadrukt en verbijzonderd.
Afbeelding 4: (definitieve) stedenbouwkundig plan Architectuur De gekozen uitgangspunten voor een hoogwaardige inpassing en uitstraling op deze zichtlocatie dienen te worden doorgezet in de architectonische uitwerking van het gebouw. Bij welstandstoetsing gaat men onder andere uit van een zogenaamde ‘schilbenadering’; een beoordeling van de naar het publieke domein gekeerde zijden. Over het algemeen gaat dit over de voorzijde van een gebouw, normaliter zijn de achterzijde en zijgevels minder relevant. Gezien de ligging en benadering van deze locatie zijn meerdere zijden gericht naar de openbare ruimte en daarmee beeldbepalend. Hiermee is rekening gehouden in het ontwerp van het nieuwe bedrijfsgebouw. Het archetype van de agrarische loods heeft ten grondslag gelegen aan de planvorming. Aspecten als een fraaie eigentijdse vormgeving passend in een landelijke context op deze zichtlocatie spelen een belangrijke rol. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van een strakke, sobere detaillering en een natuurlijk en duurzaam materiaalgebruik.
Afbeelding 5: impressie nieuw bedrijfspand aan de Uiterste Stuiver-West 3
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.3.1 Historische geografie Ligging: De planlocatie ligt in het westen van de gemeente Tilburg in het gebied ‘De Wildert’; Geografie: Het terrein ligt van oudsher aan de rand van een groot heidegebied. Deze voormalige Tilburgsche Heide vormde het middendeel van een uitgestrekt heidegebied ten westen van Tilburg tussen de gemeenten Loon op Zand, Dongen, Hulten en Riel. Het glooiende heidegebied met lokale landduinen was van oorsprong doorspekt met grote, relatief ondiepe vennen zoals de Blaak, de Witten Brand, De Hoge en lage Witsie, het Zwartven en het Leikeven, evenals talrijke kleinere drassige laagten zoals de Stoorblaak bij het Kraaiven. De
eerste grote (her)ontginning van de heide vond plaats ca. 1760 met de inrichting van het landgoed van Charles de Rey (Rey´s Hof), De nattere gronden langs de Donge, waren eertijds ruigte en werden gaandeweg in gebruik genomen als grasland. Het perceel ligt op een dekzandrug waar van oudsher landbouw mogelijk was omdat deze gronden hoger gelegen zijn. Geomorfologie: Het terrein is gelegen op een dekzandrug (oud bouwlanddek). Bodemgesteldheid: veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Historisch grondgebruik: in de eerste helft van de twintigste eeuw ligt de planlocatie nog op een oud bouwlanddek met ten noorden en zuiden heidegronden. Vanaf medio twintigste eeuw neemt het agrarisch gebruik toe en na WOII ontstaan als gevolg van ruilverkavelingen steeds grotere aaneengesloten kavels. Vanaf de Middeleeuwen is men op kleine schaal begonnen het gebied ten zuiden van het plangebied te ontwateren door het middel van sloten. Ontginningen bestonden uitsluitend uit het creëren van wei- en hooilanden. De grootschalige ontginningen en de bouw van boerderijen vonden pas in het begin van de twintigste eeuw plaats, nadat het waterpeil was verlaagd. Aan het einde van de jaren zeventig van de twintigste eeuw is begonnen met de aanleg van het stadsdeel De Reeshof bedrijventerrein Vossenberg, waarna het gebied in hoog tempo is volgebouwd.
De westelijke rondweg (Burgemeester Letschertweg) werd in 2012 voltooid. Huidig grondgebruik: Het terrein is in gebruik voor agrarische functies. 3.3.2 Archeologie Om de archeologische verwachting van het plangebied te specificeren is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vervat in het rapport ‘Tilburg, Uiterste Stuiver West3. Gemeente Tilburg (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO), kenmerk: Transect-rapport 2544, d.d. 02-03-2020’ (Bijlage 5). Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting geldt op het aantreffen van (nederzettings)resten uit het Jong-Paleolithicum B tot en met de Late Middeleeuwen. Voor wat betreft de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Binnen het plangebied hebben destructieve en diepgaande landbouwtechnieken plaatsgevonden, die de ondergrond tot een diepte van circa 1,5 tot 2,0 m onder het maaiveld (-Mv) hebben aangetast. Ter plaatse van de huidige bebouwing is de bodem tot funderingsdiepte (circa 60 cm -Mv) geroerd. Op basis van het bureauonderzoek is echter niet vast te stellen tot welke diepte de ondergrond daadwerkelijk is verstoord en of het voor archeologie relevante niveau daarmee is verstoord.
Resten uit het Jong-Paleolithicum B kunnen namelijk dieper in het Pleistocene dekzand worden verwacht. Om dit vast te stellen is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd de vorm van een archeologisch booronderzoek. De resultaten hiervan zijn vervat in het rapport ‘Tilburg, Uiterste Stuiver West3. Gemeente Tilburg (NB). Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, kenmerk: Transect-rapport 2697, d.d. 12-06-2020’ (Bijlage 6). Op basis van het booronderzoek is te concluderen dat het plangebied zich op een dekzandwelving bevindt. Het archeologisch relevante niveau wordt gevormd door de top van het pleistocene zand. De top van het pleistocene zand bevindt zich tussen 70 en 110 cm -Mv. Als gevolg van de herontwikkeling in het plangebied vinden verstoringen tot 80 en 160 cm -Mv plaats met een totaaloppervlak van 2650 m2. Deze bevinden zich grotendeels in de zone waar sprake is van een archeologische verwachting. Ook onder de bestaande bebouwing kunnen nog intacte archeologische resten aanwezig zijn. Deze is namelijk tot 60 cm -Mv gefundeerd. Gezien de diepte van de toekomstige verstoringen (80 – 160 cm -Mv) en de diepteligging van het archeologisch relevante niveau (70-110 cm -Mv) zal de herinrichting tot een onevenredige aantasting van mogelijk aanwezige archeologische resten kunnen leiden.
Er wordt door het archeologisch onderzoeksbureau geadviseerd om ter plaatse van de beoogde bodemverstoringen een vervolgonderzoek uit te voeren. Gezien de verwachting op met name grondsporen kan dit het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voor een dergelijk onderzoek moet een Programma van Eisen worden opgesteld, die door de bevoegde overheid (de gemeente Tilburg) moet worden goedgekeurd. De bevoegde overheid (de gemeente Tilburg) onderschrijft het advies van het archeologisch onderzoeksbureau dat op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is in het kader van de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden. Als daarbij een behoudenswaardige vindplaats wordt aangetroffen dienen de archeologische resten ter plekke van de voorgenomen bodemverstoring vervolgens in de bodem te worden behouden of te worden opgegraven. Het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek wordt gekoppeld aan de aanvraag omgevingsvergunning bouwactiviteit. 3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen In het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten. De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP).
In het plangebied komen geen panden voor uit die periode. Historische structuren: Binnen het plangebied liggen geen historische structuren. Het plangebied ligt aan de Uiterste Stuiver-West. Deze weg gaat mogelijk terug op een zeer oud padenpatroon. Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig. 3.3.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. Voor wat betreft de archeologie dient er een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden hiertoe is een dubbelbestemming waarde archeologie opgenomen.
3.4 Groen en speelruimte 3.4.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: - Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024; - Beoordelingscriteria houtopstanden; - Nota 'overige houtopstanden'; - Boomwaarde zoneringskaart 2024; - Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen. Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco- of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen.
Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Toets van het plan aan het Bomenbeleid Tilburg De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. Blijkens de BWZ-kaart zijn in het plangebied geen bomen met een eco- en hoofdwaarden en monumentale bomen aanwezig. Bovendien worden met het initiatief geen bomen geveld, uitsluitend aangeplant. Vanuit het bomenbeleid van de gemeente Tilburg zijn er dus geen bezwaren tegen de geplande ontwikkeling.
Afbeelding 6: BWZ-kaart 2024 gemeente Tilburg (plangebied rood omcirkeld) 3.4.2 Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de ‘Stadsnatuurkaart’ die samen met de ‘agenda groen in de stad’ in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt.
Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een agrarisch bouwvlak met een beperkte gebruikskwaliteit en biodiversiteit. Middels het zorgvuldig gekozen landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied wordt aansluiting gezocht bij de ecologische zone die langs de tangent loopt richting het noorden. Het oostelijk deel van het plangebied vormt op die manier een stapsteen naar de overkant van de Uiterste Stuiver en verder. De kop van de locatie – aan de westelijke zijde – krijgt een groen en blauw accent. Door de bomenlaan aan de zuidzijde van het plangebied wordt een verbinding gelegd tussen de oostelijke en westelijke groenstructuren. Door een combinatie van landschapselementen en een gebouw met een groen dak/gevel ontstaat langs de Vierbundersweg/Uiterste Stuiver een robuuste groene wand, waarin het gebouw een accent is. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040.
Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
Afbeelding 7: uitsnede kaart Stadsnatuur 2040 (plangebied rood omcirkeld) Conform de kaart Stadsnatuur 2040 ligt het plangebied niet in of nabij ecologische structuren of zones, stapstenen of ecologische corridors. Zoals reeds is toegelicht in voorgaande paragraaf ligt ten oosten van het plangebied echter wel degelijk een ecologische zone die langs de tangent loopt richting het noorden. Middels het zorgvuldig gekozen landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied wordt hierbij aansluiting gezocht. In de keuze voor het sortiment en de aantallen is rekening gehouden met de biodiversiteit. De groenstrook aan de noordzijde van het plangebied wordt gecombineerd met een waterberging om het hemelwater in op te vangen dat terecht komt op het verhard oppervlak. Hierdoor wordt een hydrologisch positieve bijdrage geleverd aan de klimaatadaptatie. Het initiatief sluit hiermee goed aan bij de ‘Stadsnatuurkaart 2040’. 3.4.3 Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden.
Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.
De beoogde ontwikkeling voorziet op de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw, hiervoor wordt middels het puntensysteem berekend hoeveel groen- en natuurinclusieve maatregelen er genomen moeten worden. Om te bepalen wat het ambitieniveau (de te behalen punten) is, worden de volgende 4 stappen doorlopen. 1.
Bepalen wijktype/stadzones De locatie is gelegen in het buitengebied.
2.
Bepalen omgang en reikwijdte project De ontwikkeling betreft een nieuwbouwproject met een oppervlakte aan bebouwing van circa 1.500 m2 en een bouwhoogte van circa 11 meter. Hierdoor wordt de omvang van het project ingedeeld als ‘middelgroot project’.
3.
Bepalen ambitie De ambitiescore bij een ‘middelgroot project’ betreft minimaal 50% van het totaal te behalen punten. Dit wil zeggen voor het gevel/ dak gebouw een score van minimaal 5 punten, voor verblijven in de gebouwen minimaal 7 punten en voor de omgeving van het gebouw minimaal 9 punten.
4.
Bepalen maatregelen en score Per maatregelen kunnen tussen de 1 en 5 punten worden behaald met het uitvoeren van de beschreven minimale inspanning. Hier bovenop kunnen extra punten behaald worden door het uitvoeren van extra inspanning. Een verplichte maatregel is het laten opstellen van een ecologisch advies met bijhorend beheerplan, dit advies is opgesteld met beheermaatregelen.
De natuurinclusieve maatregelen met nadere onderbouwing en beheerplan is opgenomen in bijlage 7. De maatregelen zijn tevens weergegeven op een situatietekening van de beoogde inpassing inclusief puntentelling, zie bijlage 8. De te nemen maatregelen zijn goed voor een totaal van 26 punten, waardoor ruimschoots wordt voldaan aan de benodigde puntenscore van 21.
3.5 Bedrijvigheid 3.5.1 Nota Verspreide Bedrijvigheid Verspreide bedrijven zijn bedrijven die niet op bedrijventerreinen, binnenwijkse bedrijventerreinen of in het centrum zijn gevestigd. Het gaat dus om bedrijven in woongebieden of gemengde gebieden (nota Verspreide Bedrijvigheid, 2002). Verspreide bedrijvigheid is van wezenlijk belang voor de Tilburgse economie. Daar werken veel mensen en voor de zakelijke dienstverlening zijn woonmilieus en gemengde milieus zelfs de belangrijkste vestigingsplaats. Daarom is behoud en versterking van deze vestigingsplaatsen vanuit economisch oogpunt zeer gewenst. Vanuit de woonfunctie bezien blijkt dat de aanwezigheid van die typen bedrijvigheid tussen woningen goed is in te passen en maar weinig overlast veroorzaakt. Voor een bepaalde groep woonconsumenten geldt dat ze een duidelijke voorkeur hebben voor een woonmilieu met meer functiemenging en allerlei voorzieningen in de omgeving. De grootste bijdrage van de gemeente aan het ontstaan en behoud van passende bedrijvigheid is het voeren van een planologisch beleid dat zoveel mogelijk ruimte biedt voor bedrijvigheid, zonder problemen in de woonomgeving te veroorzaken. Drie zaken zijn hierbij bepalend: - de aard van het bedrijf, en daarmee samenhangend de te verwachten hinder voor de omgeving; - het gewenste woonmilieu ter plaatse; - ruimte op basis van het bestemmingsplan.
De Nota verspreide bedrijvigheid maakt bij nieuwe bestemmingplannen in dit opzicht onderscheid in verschillende soorten woongebieden: - woongebieden met lage functiemenging; - woongebieden met gemiddelde functiemenging; - woongebieden met hoge functiemenging; - concentratiegebieden. In geografische zin wordt ernaar gestreefd om in élke woonwijk plekken aan te wijzen waar kleinschalige bedrijvigheid de ruimte krijgt. Onder andere bufferzones tussen woongebieden en bedrijventerreinen, de
directe omgeving van winkelcentra of voorzieningenclusters en geluidsbelaste locaties zijn logische plekken waar bedrijvigheid kan worden toegelaten. Om tot concretisering van functiemenging te komen is een ´basiskaart functiemenging wonen en verspreide bedrijvigheid´ uitgewerkt, waarop zogenaamde ´kansenzones´ voor ruimtelijk-functionele mogelijkheden voor functiemenging zijn weergegeven. Deze kansenzones zijn bestaande straten of woonblokken waarin functiemenging met verspreide bedrijvigheid nadrukkelijk gewenst is. Op basis van deze informatie kan de gemeente nog gerichter sturen op een grotere functiemenging in die gebieden die zich daar voor lenen. Aangezien het plangebied niet is gelegen in een woongebied is de locatie niet benoemd in de nota verspreide bedrijvigheid. Wanneer de kenmerken van de verschillende typen kansenzones worden beschouwd kan echter worden geconcludeerd dat de omgeving van het plangebied het meest overeen komt de kansenzone Ringbanen. De kenmerken van deze kansenzone worden beschreven als: ‘De Ringbanen vormen een zichtlocatie voor auto- en fietsverkeer. De bereikbaarheid is goed. Omdat deze wegen een belangrijke stroomfunctie hebben is parkeren langs de weg veelal niet wenselijk of niet mogelijk.
Daar waar sprake is van ventwegen of waar parkeerplaatsen op een andere manier aanwezig zijn (via een uitrit of zijweg) en waar mogelijkheden zijn tot inbreiding/ herstructurering, kunnen bedrijven worden ingepast.’ Het plangebied heeft een agrarische bedrijfsbestemming, die met het initiatief wordt herbestemd tot een bedrijfsfunctie richt op het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische landbouwproducten. In paragraaf 2.2.2 is reeds uiteen gezet waarom vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein niet in de rede ligt en waarom het dus zeer wenselijk is om het bedrijf in het landelijk gebied te vestigen. Verder betreft de Uiterste Stuiver-West een ventweg, die aansluit op de Vierbundresweg/Uiterste Stuiver. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te parkeren. De stroomfunctie van de rondweg zal met het initiatief dus niet verloren gaan. Hier wordt in navolgende paragraaf verder op ingegaan. Door een zorgvuldig gekozen stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing wordt er voor gezorgd dat het zicht vanaf de Vierbundersweg/Uiterste Stuiver op de locatie wordt vormgegeven als een robuuste groene wand, waarin het gebouw een accent is. Hierdoor zorgt de herstructurering van de locatie voor een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit.
Vestiging van het niet-agrarische bedrijf ter plaatse is dus passend in de Nota verspreide bedrijvigheid.
3.6 Verkeer en parkeren 3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september. Mobiliteitsaanpak plangebied De locatie is vanaf de Vierbundersweg bereikbaar via de Uiterste Stuiver.
Op basis van de informatie is het uitgangspunt dat de logistiek wordt afgewikkeld door trekkers met oplegger of per vrachtwagen, beide zware motorvoertuigen. Daar komt het personenautoverkeer dan nog bij. Met behulp van de rekentool van het
CROW is berekend dat het aantal verkeersbewegingen per dag 116 is. Voor deze ontwikkeling is dat aantal als volgt opgebouwd: - 34 zware motorvoertuigen (trekker en oplegger/vrachtwagen) per dag = 68 verkeersbewegingen - 24 lichte voertuigen per dag = 48 verkeersbewegingen Fietsroute: De weg is de fietsverbinding tussen de lokale hoofdfietsroute Vierbundersweg en de sternetfietsroute Voldijk op Vossenberg. Voor fietsers is op deze straat een fietstunnel onder de Vierbundersweg, daar waar deze aansluit op de Letschertweg, aanwezig. Het is onderdeel van het hoofdfietsroute. Het is daarmee een belangrijke schakel voor fietsverkeer tussen Dongen en Tilburg.
Afbeelding 8: Fietsroute Rijbaan uiterste Stuiver: De Uiterste stuiver is een smalle weg van nog geen 5 meter breed. Zowel de aansluiting op de Vierbundersweg als de bocht in de Uiterste Stuiver zelf zijn te krap voor zowel een trekker met oplegger als een vrachtwagen. De aansluiting op de Vierbundersweg is uitgevoerd als een krappe zijstraat aansluiting.
Afbeelding 9: Ontsluiting Uiterste Stuiver Om het passeren van twee vrachtwagens/trekkers met opleggers mogelijk te maken en voldoende veiligheid voor de fietsers te garanderen moet de rijbaan worden verbreed tot minimaal 6,5 meter. Gezien de lage kans op ontmoetingen van tegemoetkomend verkeer kan de bestaande rijbaan worden verbreed door bijvoorbeeld graskeien. Met deze verbreding wordt ook de bocht in de Uiterste Stuiver voldoende breed voor zware motorvoertuigen. Voorwaarde is dat de berm niet kapot wordt gereden bij het passeren. Voor fietsers moeten op de rijbaan voldoende ruimte blijven. Zware motorvoertuigen moeten de fietsers op een veilige manier kunnen passeren, ook daarvoor is voldoende wegbreedte noodzakelijk. Manoeuvreerruimte: Binnen het plangebied wordt voldoende manoeuvreerruimte aangelegd om zware motorvoertuigen op een zo efficiënt mogelijke manier toegang te geven tot de laaddocks. Het is voor initiatiefnemer namelijk wenselijk dat de laad- en losperiode zo kort mogelijk is. Dit houdt in ieders geval in dat er voldoende ruimte wordt gecreëerd om de zware motorvoertuigen vanaf de Uiterste Stuiver vooruit het terrein op te kunnen laten rijden en eveneens bij het verlaten van het terrein vooruit weg te kunnen laten rijden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd is.
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.
De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: - Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; - In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; - Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; - Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; - Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.6.3 Nota Parkeernormen 2023 In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen. Bij het hanteren van
de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen. In de Nota Parkeernormen 2023 is de locatie aan de Uiterste Stuiver-West 3 voor wat betreft het bepalen van de parkeernorm gelegen in zone D in Tilburg. Daarnaast wordt er geparkeerd op eigen terrein, het dient voorkomen te worden dat er wordt geparkeerd in de openbare ruimte. Voor een arbeidsextensief bedrijf geldt voor deze zone een parkeernorm van 0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo.
Voor een bedrijf met een maximale oppervlakte van 1500 m2 zijn 12 parkeerplaatsen benodigd. Op het perceel is voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren. In totaal zullen er op het terrein 18 parkeerplaatsen als zodanig worden aangelegd.