Bijlage 2. Motivering ETFAL Rielseweg 861 Tilburg
Tekst van het document
Gelet op de aard van het initiatief aan de Rielseweg 861 te Tilburg, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren uitbreiding van het horecapand, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en het industrieterrein en woonbestemmingen grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is derhalve niet noodzakelijk.
6.4.3. Boom effecten analyse
In het kader van de voorgenomen herinrichting van het terrein aan de Rielseweg 861 te Tilburg is een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. In totaal zijn 38 bomen geïnventariseerd en beoordeeld op conditie, stabiliteit, groeiplaats en toekomstverwachting. Een rapportage van de BEA is bijgevoegd in Bijlage 6. De bomen bestaan uit een mix van soorten, waaronder zomereik ( Quercus robur), tamme kastanje (Castanea sativa), gewone beuk (Fagus sylvatica), Hollandse linde (Tilia × europaea), bolcatalpa (Catalpa bignonioides 'Nana') en walnoot (Juglans regia). De meeste bomen verkeren in goede conditie met een verwachte levensduur van minimaal 15 jaar. Er zijn geen monumentale bomen of wettelijk beschermde exemplaren binnen de projectlocatie. Bij zorgvuldig handelen en het uitvoeren van enkele groeiplaatsverbeterende maatregelen kunnen alle bomen duurzaam behouden blijven. Werkzaamheden vinden hoofdzakelijk plaats op verhard terrein, waardoor negatieve effecten op de bomen grotendeels uitgesloten zijn. De BEA adviseert om werkzaamheden binnen de bestaande verharding te houden, boomspiegels waar nodig te vergroten en voedingspijlers aan te brengen bij bomen met een beperkte standplaats. Bij uitvoering conform deze richtlijnen blijft de impact op de bomen beperkt en is instandhouding van het groenbestand haalbaar.
Aangezien aan de voorgaande voorwaarden zal worden voldaan, zijn er geen negatieve effecten te verwachten. 6.5. Activiteiten- en milieuzonering Het omgevingsplan van een gemeente bevat de regels voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. In het omgevingsplan worden regels gesteld voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen
Pagina 26 van 48
hebben voor de fysieke leefomgeving. Voor het gehele grondgebied van de gemeente bevat het omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze regels kunnen dus onder andere worden gesteld voor activiteiten. De handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een passende locatie ten opzichte van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de milieuwaarden en bijbehorende contouren in beeld te brengen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijke milieuaspecten geur en geluid. De handreiking geeft voor beide aspecten de milieuwaarden voor verschillende activiteiten.
Aan deze milieuwaarden kunnen contouren worden gekoppeld. Deze contouren zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype). Waar slechts (incidenteel) activiteiten (anders dan wonen) plaatsvinden. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. logistieke bedrijven, een bloemengroothandel en een loonwerkbedrijf. Een ‘café, restaurant en partycentrum’ behoort tot milieuwaarde FM (functiemenging) voor het aspect geluid en milieuwaarde FM voor het aspect geur.
Voor een bedrijf uit deze milieuwaarden, liggend in gemengd gebied, bedraagt de milieucontour 0 meter voor het aspect geluid en 0 meter voor het aspect geur. De dichtstbijzijnde woning van derden, aan de Rielseweg 865 te Tilburg, bevindt zich op een afstand van circa 20 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Rielseweg 861 te Tilburg. Aangezien er op de projectlocatie, binnen de uitbreiding van het bestaande horecapand ook activiteiten zullen worden uitgevoerd ten aanzien van het cateringbedrijf is ook getoetst aan de richtafstand voor een cateringbedrijf. Een cateringbedrijf behoort tot milieuwaarde 1 voor het aspect geluid en milieuwaarde FM voor het aspect geur. Voor een bedrijf uit deze milieuwaarden, liggend in gemengd gebied, bedraagt de milieucontour 10 meter voor het aspect geluid en 0 meter voor het aspect geur. De dichtstbijzijnde woning van derden, aan de Rielseweg 865 te Tilburg, bevindt zich op een afstand van circa 20 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Rielseweg 861 te Tilburg. Bovendien is de woning aan de Rielseweg 861 te Tilburg in eigendom van de initiatiefnemer. Er kan worden geconcludeerd dat er op grond van de activiteiten- en milieuzonering een evenwichtige toedeling van de functie op de locatie is.
Pagina 27 van 48
6.6. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Om een evenwichtige toedeling van de nieuwe functie op de locatie te waarborgen dient voor het aspect luchtkwaliteit enerzijds onderzocht te worden of de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Anderzijds moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
6.6.1. Toetsing normen luchtkwaliteit
Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO 2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht.
Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor het horecabedrijf dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Door de rijksoverheid is hiervoor een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht.
Pagina 28 van 48
Zoals blijkt uit de paragraaf verkeer zullen de verkeersbewegingen van en naar het bedrijf niet toenemen. De beoogde uitbreiding is enkel bedoeld voor het mogelijk maken van een breder aanbod en het vernieuwen van de locatie zodat er een toekomstbestendig bedrijf ontstaat. Het ‘openbare’ gedeelte van het horecabedrijf zal niet vergroot worden in de beoogde situatie. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
6.6.2. Woon- en leefklimaat
Indien aan de grenswaarden zoals beschreven in voorgaande alinea wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Jaarlijks wordt door RIVM onderzocht wat de achtergrondconcentratie is van verschillende stoffen. Het ruimtelijke patroon van de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 toont in het noorden van Nederland en in Zeeland lagere waarden dan in de rest van Nederland. De hogere bijdrage van buurlanden, de bijdrage van lokale bronnen (zoals industrie en intensieve veehouderij) en de hogere aandelen van secundair fijnstof zorgen voor hogere fijnstof concentraties in zuiden en oosten van Nederland. Secundair fijnstof is fijnstof dat in de lucht wordt gevormd uit bijvoorbeeld ammoniak en stikstofoxiden. De waarden van de verschillende stoffen worden door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gebruikt om Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) te maken. Volgens deze kaarten wordt in Nederland bijna overal aan de wettelijke grenswaarden voldaan. Lokaal kan de grenswaarde voor fijnstof wel overschreden worden op grote industrieterreinen zoals de Maasvlakte en TataSteel. Ook bij gebieden met een hoge concentratie aan pluimveehouderijen kan lokaal sprake zijn van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden.
In de omgeving van de projectlocatie zijn geen pluimveehouderijen of zware industrie te vinden. Hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie niet worden overschreden. Ten aanzien van de luchtkwaliteit is er ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.7. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de omgeving van de projectlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De projectlocatie ligt wel binnen het geluidszone van de Rielseweg. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig gebouw opgericht. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de projectlocatie. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Woon- en leefklimaat (geluid)
In het kader van geluid is het van belang dat wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed zal hebben op het woon- en leefklimaat van de omliggende functies. Enerzijds mag de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van het woon- en leefklimaat en anderzijds mag de beoogde ontwikkeling ook niet worden gerealiseerd in een niet aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om dit aan te tonen wordt aangesloten bij de normen met betrekking tot geluid van de handreiking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de ‘Activiteiten en milieuzonering’. Zoals blijkt uit paragraaf 6.7 van deze onderbouwing wordt er voldaan aan de richtafstanden. Er kan
Pagina 29 van 48
daarom vanuit worden gegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de activiteiten ten aanzien van de huidige situatie niet wijzigen, zoals reeds beschreven in de beoogde situatie. 6.8. Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd? Er is in de bestaande situatie geen geurgevoelig gebouw aanwezig binnen de projectlocatie en er wordt met het initiatief geen geurgevoelig gebouw gerealiseerd.
Omliggende bedrijven zullen daarom niet worden belemmert door de beoogde ontwikkeling. Naast het bovenstaande is het mogelijk dat het bereiden van voedsel op de locatie zelf kan leiden tot geuruitstoot. Echter zal dit ten opzichte van de bestaande situatie niet veranderen. Er zal op de locatie niet meer voedsel worden bereid dan in de huidige situatie het geval is. Zoals ook reeds in de beoogde situatie vermeld zal er enkel een breder scala van het aanbod worden mogelijk gemaakt en een optimalere indeling van de bebouwing. De uitstoot van geur zal daarom ten opzichte van de bestaande situatie niet wijzigen. Wel zal de keuken meer naar achteren op het perceel worden geplaatst ten opzichte van de bestaande situatie. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het bedrijf in de beoogde situatie toekomstbestendig wordt ingericht met nieuwe installaties. Deze nieuwe installaties zorgen er voor dat er ten allen tijde aan de wettelijke eisen in het kader van geur zal worden voldaan. Tevens wordt er voldaan aan de richtafstanden van de activiteiten en milieuzonering zoals vermeld in paragraaf 6.7. Er kan daarom worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn va geuroverlast ten aanzien van het horecabedrijf. 6.9. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines.
Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen (beperkt of zeer) kwetsbaar object of (beperkt of zeer) kwetsbare locatie opgericht. Momenteel is er namelijk al reeds aanwezig. Het horecabedrijf valt volgens de Bkl, bijlage VI onder een beperkt kwetsbare locatie met een kwetsbaar object. Met de ontwikkeling worden ook geen milieubelastende activiteiten gerealiseerd zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl.
Pagina 30 van 48
6.9.1. Beleid
Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 -6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde.
In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden.
Pagina 31 van 48
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Voorschriftengebied De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen.
Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brandof explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving en EV signaleringskaart. Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven.
Transportroutes De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico. Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen. Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten.
6.9.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Atlas leefomgeving, zie Afbeelding 14
Pagina 32 van 48
Afbeelding 14: Uitsnede Atlas leefomgeving, locatie rood omlijnd
Uit de Atlas Leefomgeving blijkt dat er een risicovolle inrichting is gelegen ten noorden van de locatie waar een PR10-6 contour voor geldt. Echter vindt de uitbreiding van de horeca niet plaats binnen deze contour. Daarnaast zijn er geen buisleidingen of transportroutes gelegen op de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. 6.10. Welstand Op 1 januari 2017 heeft de gemeente de welstandsnota Tilburg 2017 vastgesteld. De welstandstoets wordt –qua zwaarte- afgestemd op functie en karakter van de omgeving. Daarbij worden drie niveaus onderscheiden. De projectlocatie is gelegen binnen ‘niveau 2 – lichte welstandstoets’. Het uitgangspunt van de nota is dat middels de voorgestelde “schilbenadering” elke wijk, elk gebied, een zekere basiszorg voor ruimtelijke kwaliteit behoudt. Uitgangspunt bij de toetsing is altijd de bestaande architectonische kwaliteit (van zowel object als directe omgeving). De bestaande situatie is normstellend. Is er sprake van een nog gaaf architectonisch/ stedenbouwkundig totaalbeeld, dan is het doel die kwaliteit minimaal te behouden. Is er sprake van een minder gaaf totaalbeeld, waarin al een diversiteit aan ingrepen heeft plaatsgevonden, dan is meer vrijheid toegestaan.
Er wordt, in tegenstelling tot in het niveau 1 gebied, hier niet ingezet op een kwaliteitsimpuls maar op beheer en behoud. Niveau 2 omvat de overige stedelijke beheergebieden en het buitengebied. Het zijn gebieden waarvan de ruimtelijke structuur en de gebouwen in mindere mate beeldbepalend zijn voor de stad, ten dele wél voor buurt of wijk. Van nieuwbouwplannen in deze gebieden mag gevraagd worden dat zij niet alleen op zichzelf redelijk zijn, maar ook dat zij bestaande ruimtelijke kwaliteiten in de omgeving respecteren. Kortom: een voldoende kwaliteit is hier de norm. Voor nieuwbouw betekent dit toetsing aan de algemene criteria b t/m e, voor verbouwplannen aan c, d en e. Bij de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand zal door de Omgevingscommissie worden gelet op de volgende aspecten (dit kunnen ook algemene welstandscriteria worden genoemd):
a. De samenhang tussen de architectonische vorm, de plattegronden en de constructieve samenstelling van een gebouw. b. De balans tussen helderheid en complexiteit. c. De (her)kenbaarheid van de architectonische (totaal)expressie. d. De wijze waarop de architectonische middelen worden ingezet. 1. vorm, maat en schaal van bouwvolume(s), zowel op zichzelf als in relatie met elkaar en met de omgeving
Pagina 33 van 48
2. gevelindeling 3. materialisering en kleur 4. detaillering e. De relatie van het gebouw met het karakter (sfeer, identiteit) van reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context. Zoals hiervoor omschreven dient er voor verbouwplannen getoetst te worden aan de algemene welstandscriteria c, d en e. Zoals omschreven wenst initiatiefnemer een uitbreiding te realiseren van het bestaande horecapand. De te realiseren uitbreiding zal aansluiten bij de overige bebouwing op de projectlocatie. Gezien de ligging van de projectlocatie op een bedrijventerrein en omringd door een welstandsvrijgebied is de architectonische expressie van de uitbouw passend. De uitbouw sluit aan op de architectonische kenmerken van de bestaande bebouwing. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de criteria van de welstandnota van de gemeente Tilburg. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie voor het onderdeel welstand. 6.11. Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.
De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan.
6.11.1. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. In het omgevingsplan ligt de projectlocatie binnen niet binnen een bestemming ‘Waarde - Archeologie’ Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk.
6.11.2. Cultuurhistorie en landschap
Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie Afbeelding 15. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.
Pagina 34 van 48
Afbeelding 15: Uitsnede omgevingsverordening Noord-Brabant
De locatie ligt in ten zuiden van de A58 ten westen van het bedrijventerrein Katsbogten. Het ligt verder ingeklemd tussen het tracé van het Bels lijntje, het gehucht Zandeind (ten westen van het plangebied) en de bossen van Kwadenhoek. Het gebied Katsbogten ontleent zijn naam aan de Katsbogte, een waterloop die ontsprong bij de huidige samenkomst van de Rielseweg en de Oude Rielseweg waar zich vroeger een uitgestrekt drassig gebied bevond. Van de bron stroomde de beek door een vrij breed beekdal nagenoeg pal naar het oosten om ten zuiden van Broekhoven uit te monden in de Leij. Het westelijke deel van de locatie maakte deel uit van een moerassig gebied langs de rand van het beekdal van de rivier de Donge. In het laaggelegen gebied langs de Donge lag een aantal vennen, waaronder Het Rietven in het noordwestelijke deel van de locatie. Het (noord)oostelijke deel behoorde tot de westelijke uitlopers (bij Het Laar) van het grote, relatief hooggelegen akkercomplex van Tilburg dat in de vijftiende eeuw als akker in gebruik is genomen. Vanwege de drassige omstandigheden was het gebied moeilijk toegankelijk en kwamen alle wegen vanaf de hoge akkergronden in het zuidwesten van Tilburg samen bij de weg van Riel naar Tilburg (Rielsebaan of Rielseweg), die de locatie van het uiterste noordoosten naar het uiterste zuidwesten doorkruiste en daarmee de belangrijkste weg van het gebied vormde.
Evenwijdig aan de Katsbogte liep ook een aantal wegen en paden. In het midden van de achttiende eeuw was alleen het oostelijke deel van de locatie ontgonnen. De rest bestond uit heide en moeras. In het beekdal van de Katsbogte lagen de beemden, die bestonden uit laaggelegen, natte hooi- en weilanden, die gedurende natte perioden (gedeeltelijk) overstroomden. Aanvankelijk waren de beemden gemeenschappelijke, ongedeelde gronden, die in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw werden opgedeeld in smalle stroken die doorgaans haaks op de beek lagen. In de tweede helft van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is een groot deel van de locatie, met uitzondering van het zuidelijke deel, ontgonnen. Deze ontginningen bestonden voornamelijk uit bosaanplant. Rond 1870 is langs het noordelijke deel van de westgrens van het plangebied het Bels Lijntje aangelegd, een goederenspoorlijn van Tilburg naar Turnhout. In 1900 werd hiervandaan een zijlijn aangelegd naar Goirle die de oostgrens van de locatie vormt. In de eerste helft van de twintigste eeuw is het laatste deel van de locatie ontgonnen. Ter plaatse van de locatie kwam voor zover bekend geen bewoning voor. Alleen in de uiterste noord- en zuidoostelijke punt stond een enkele boerderij.
Pagina 35 van 48
Het bedrijventerrein Katsbogten wordt vanaf het midden van de jaren negentig van de twintigste eeuw aangelegd. In of in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen beschermde monumenten en MIP-panden. Ook zijn er in of in de directe nabijheid van de projectlocatie geen waardevolle objecten of structuren uit de wederopbouwperiode aanwezig. Beschermde gebieden zoals stadsgezicht en/of dorpsgezicht zijn niet van toepassing. De locatie werd doorsneden door een oude wegen- en padenstructuur, die deels nog herkenbaar is in het huidige wegenpatroon: de Oude Rielsebaan; de voormalige spoorlijn TilburgTurnhout (Bels Lijntje:1867) en Tilburg – Goirle (zijlijn Bels Lijntje: 1900). Historisch groen is daarnaast niet van toepassing op de locatie. Op de cultuurhistorische waardenkaart versie 2006, van de provincie Noord-Brabant is in het plangebied geen object of structuur als waardevol aangeduid, zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 16: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de uitbreiding van de horeca in de projectlocatie. 6.12. Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl) Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4)
Pagina 36 van 48
•
Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is bijgevoegd in Bijlage 7. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat nader onderzoek en/of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 6.13.
Weging van waterbelang In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
6.13.1. Waterrelevant beleid
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.
In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn
Pagina 37 van 48
economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt de projectlocatie in ‘Grondwaterbeschermingsgebied’. Zoals reeds uiteengezet in paragraaf 3.1.2 wordt er voldaan aan de instructieregels grondwaterbescherming zoals opgenomen in de Omgevingsverordening. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant.
Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer.
Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en
Pagina 38 van 48
uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 januari 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m 2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Gemeente Tilburg Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit.
Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen. Als gevolg van het veranderende klimaat is de bestaande situatie vaak niet bestand tegen hevige buien en langdurige droogte. Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een regenwateropgave. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. De volgende criteria bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden: Tabel 1: Regenwateropgave per type en schaal van ontwikkeling
De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad met het oog op de toenemende verdroging. Het Programma Water en Riolering 2024 - 2027 is in de regels van dit paraplubestemmingsplan doorvertaald door middel van een voorwaardelijke verplichting. Het bouwen van een (vergunningplichtig) bouwwerk met een oppervlakte groter dan 50 m 2 is uitsluitend toegestaan als er voorzien wordt in voldoende waterberging, overeenkomstig het gestelde in het Programma Water en Riolering 2024 - 2027. Er is een dynamische verwijzing opgenomen. Dat wil zeggen dat als het PWR wordt vervangen door andere, nieuwere regelgeving ook de waterbergingseis uit die nieuwe regels gaat gelden. Voor de regenwateropgave maakt het niet uit of het terrein voorheen onverhard (bijvoorbeeld groen waar gebouwd wordt) of al verhard was (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw). Hiermee gaat de
Pagina 39 van 48
gemeente verder dan het Hydrologisch-neutraal-ontwikkelen principe van de Brabantse waterschappen. Daar geldt dat alleen voor de toename van verharding een regenwateropgave geldt. De situatie blijft dan gelijk (neutraal). Dat is voldoende voor het regionale watersysteem maar niet voor bebouwd gebied. De gemeente hanteert daarom het verdergaande beleid van Hydrologisch-positief-ontwikkelen. Voor nieuw verhard oppervlak geldt altijd een wateropgave ook als het terrein voorheen ook al verhard was. Zo wil de gemeente de stad klimaatbestendiger maken.
6.13.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanaf de locatie enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. In de directe nabijheid van de projectlocatie zijn geen watergangen aanwezig, enkel tegenover de projectlocatie, zie Afbeelding 17.
Afbeelding 17: Uitsnede leggerkaart waterschap Brabantse Delta
Pagina 40 van 48
6.13.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen de projectlocatie. Door middel van de Waterschapsverordening (afdeling 2.6), die in werking is getreden op 1 januari 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De verordening schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie is er een toename van circa 220 m2 verhard oppervlak. Omdat er een toename verharding is van minder dan 500 m² dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Echter in volgens het gemeentelijke beleid dit er wel een berging plaats te vinden.
De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de volgende rekenregel: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x 0,06 (m) De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 523 m2 + 38 m2 = 561 m2 x 60 mm = 33,7 m3 In de voorschriften van de omgevingsvergunning zal geborgd worden dat ter plaatse van de projectlocatie voorzien moeten worden in een waterberging welke voldoet aan het gemeentelijke beleid zoals hiervoor beschreven. Het voornemen is om de perceelssloot tussen de Rielseweg en het perceel te gebruiken als retentiesloot. De sloot zal ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden verbreedt en verdiept. De breedte van de retentiesloot zal 1,5 meter bedragen en krijgt een diepte van 40 centimeter. De sloot is circa 130 meter lang, dit komt in het totaal neer op 39 m3 berging in de beoogde retentiesloot. Dit is ruim voldoende voor de benodigde compensatie. Met het realiseren van de sloot zal rekening worden gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).
De GHG ter plaatse van de beoogde retentiesloot bedraagt circa 94 cm, zie onderstaande afbeelding. De beoogde sloot komt ruim boven de gemiddelde hoogste grondwater stand. Dit zal daarom ook geen belemmeringen opleveren.
Pagina 41 van 48
Afbeelding 18: Uitsnede DINO-loket, retentiesloot aangegeven met rode pijl
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 6.14. Technische infrastructuur Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.
6.14.1. Ondergrondse leidingen
Op de EV-signaleringskaart en in het omgevingsplan dient gecontroleerd te worden of er aanduidingen zijn opgenomen voor riooltransportleidingen en/of watertransportleidingen. Riooltransportleidingen en watertransportleidingen betreffen leidingen die geen betrekking hebben op omgevingsveiligheid maar op technische infrastructuur. Binnen of nabij de projectlocatie zijn geen relevante (buis)leidingen aanwezig. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen binnen en nabij de projectlocatie in beeld te brengen. Derhalve zal de beoogde ontwikkeling geen gevaar opleveren voor aanwezige ondergrondse buisleidingen.
6.14.2. Hoogspanningslijnen
Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling.
Pagina 42 van 48
Afbeelding 19: Uitsnede RIVM-netkaart, projectlocatie zwart omcirkeld
Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig (Afbeelding 19). De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.
6.14.3. Radarverstoringsgebied
In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl.
Pagina 43 van 48
7. Adviesrecht gemeente Op 1 juli 2024 heeft de gemeenteraad besloten om categorieën van gevallen aan te wijzen, waarvoor de gemeenteraad een bindend advies dient uit te brengen ten aanzien van afwijking van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 16.15 Omgevingswet. De in het raadsbesluit aangewezen categorieën zijn gebaseerd op de raadsbesluiten van 15 juli 2021 en 14 november 2022 en overwegend beleidsneutraal omgezet naar categorieën waarop adviesrecht van toepassing is. Het advies van de raad is een bindend advies. Hoewel het woord ‘advies’ anders suggereert, is het oordeel van de raad bepalend: uit artikel 16.15 Omgevingswet volgt dat het college het advies van de raad in acht moet nemen. Daarvan mag niet worden afgeweken. Voor de volgende categorieën is een bindend advies van de gemeenteraad vereist voordat het college een besluit mag nemen over de aanvraag omgevingsvergunning: Woonactiviteiten Het toevoegen van meer dan 50 woningen, uitgezonderd tijdelijke woningen en/of onzelfstandige studentenhuisvesting voor een duur van maximaal 15 jaar en tot een maximum van 200 woningen, voor zover deze onderdeel uitmaken van het project ‘Tijdelijke woningen, gemeente Tilburg’. Overige activiteiten Het realiseren of uitbreiden van de volgende gebruiksactiviteiten: a.
Agrarische activiteiten, voor zover deze niet in overeenstemming zijn met een vooraf door de gemeenteraad vastgesteld beleidskader; b. Detailhandelsactiviteiten met een oppervlakte groter dan 500m² bvo; c. Maatschappelijke activiteiten, voor zover sprake is van een maatschappelijk gevoelig initiatief; d. Horeca-activiteiten, voor zo ver sprake is van grootschalige horeca (> 500 m² bvo); e. Bedrijfsactiviteiten, voor zo ver sprake is van: activiteiten buiten bestaande bedrijventerreinen die vallen in of vergelijkbaar zijn met de milieucategorie 3.1 en hoger volgens de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering, of; activiteiten buiten bestaande bedrijventerreinen met een oppervlakte groter dan 5.000 m² bvo, of; grootschalige opwek of opslag van energie. Uitzonderingen a. activiteiten genoemd onder categorie 1 of 2 die in overeenstemming zijn of rechtstreeks passen binnen de kaders van één van de volgende door de gemeenteraad geaccordeerde stukken: Koersdocument Spoorzone; Koersdocument Stappegoor; Masterplan Landschapspark Pauwels; Stedenbouwkundige visie gebiedsontwikkeling Piushaven. b. weigering van een omgevingsvergunning voor activiteiten genoemd onder categorie 1 of 2. Op de beoogde activiteiten op de projectlocatie is het adviesrecht van de gemeenteraad van toepassing, aangezien de beoogde ontwikkeling ziet op een horeca-activiteit die groter is dan 500 m2 bvo.
Pagina 44 van 48
8. Financiële haalbaarheid
De voorgestane ontwikkeling aan de Rielseweg 861, 5032 SB te Tilburg betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Pagina 45 van 48
9. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de uitbreiding van de horecafunctie aan de Rielseweg 861, 5032 SB te Tilburg. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het omgevingsplan. Door het aanvragen van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is de beoogde uitbreiding van de horecafunctie toch mogelijk (artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet). Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. In deze onderbouwing is getoetst aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant en de gemeentelijke omgevingsvisie. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem en geur tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is.
Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan de Rielseweg 861, 5032 SB te Tilburg doorgang vinden.
Pagina 46 van 48
10. Bijlagen Bijlage 1: Situatietekening Bijlage 2: Verslag omgevingsdialoog P.M. Bijlage 3: Notitie invoergegevens AERIUS-berekening Bijlage 4: AERIUS-berekening aanleg- en bouwfase Bijlage 5: Schetsplannen Bijlage 6: Boom effecten analyse (BEA) Bijlage 7: Bodemonderzoek
Pagina 47 van 48
Pagina 48 van 48