Bijlage 2. Motivering ETFAL Rielseweg 861 Tilburg
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Rielseweg 861 Tilburg
Colofon
Projectlocatie:
Rielseweg 861, 5032 SB Tilburg
Datum:
01-09-2025
Opgesteld door:
Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Kenmerk:
BK/EH/23211.BA007
Pagina 2 van 48
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding ...................................................................................................... 5
1.2.
Projectlocatie ................................................................................................. 5
1.3.
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) ................... 5
1.4.
Leeswijzer ...................................................................................................... 6
2. Huidige en toekomstige situatie ...................................................................... 7 2.1.
Huidige situatie – ruimtelijk en functioneel ........................................................ 7
2.2.
Toekomstige situatie ....................................................................................... 8
3. Participatie ..................................................................................................... 14 3.1.1.
Participatie omgeving .............................................................................. 14
4. Toetsing aan algemene beleidskaders ........................................................... 15 4.1.
Provinciaal beleid ........................................................................................... 15
4.1.1. 4.1.2. 4.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant ................................................................ 15 Omgevingsverordening Noord-Brabant ..................................................... 16
Gemeentelijk beleid ....................................................................................... 20
4.2.1.
Omgevingsvisie – Tilburg 2040 ................................................................ 20
5. Toetsing aan het omgevingsplan ................................................................... 21 6. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ...................................................... 22 6.1.
M.e.r.-beoordeling ......................................................................................... 22
6.2.
Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................. 22
6.3.
Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren .................................................... 23
6.3.1. 6.3.2. 6.4.
Verkeer.................................................................................................. 23 Parkeren ................................................................................................ 23
Natuur .......................................................................................................... 24
6.4.1. 6.4.2. 6.4.3.
Gebiedsbescherming ............................................................................... 24 Soortenbescherming ............................................................................... 25 Boom effecten analyse ............................................................................ 26
6.5.
Activiteiten- en milieuzonering ........................................................................ 26
6.6.
Luchtkwaliteit ................................................................................................ 28
6.6.1. 6.6.2.
Toetsing normen luchtkwaliteit ................................................................ 28 Woon- en leefklimaat .............................................................................. 29
6.7.
Geluid ........................................................................................................... 29
6.8.
Geur ............................................................................................................. 30
6.9.
Omgevingsveiligheid ...................................................................................... 30
6.9.1. 6.9.2.
Beleid .................................................................................................... 31 Toetsing aan beleid ................................................................................ 32
Pagina 3 van 48
6.10.
Welstand ...................................................................................................... 33
6.11.
Archeologie, cultuurhistorie en landschap ........................................................ 34
6.11.1. 6.11.2.
Archeologie ............................................................................................ 34 Cultuurhistorie en landschap .................................................................... 34
6.12.
Bodem .......................................................................................................... 36
6.13.
Weging van waterbelang ................................................................................ 37
6.13.1. 6.13.2. 6.13.3. 6.14.
Waterrelevant beleid ............................................................................... 37 Bestaande waterhuishoudkundige situatie................................................. 40 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ................................................... 41
Technische infrastructuur ............................................................................... 42
6.14.1. 6.14.2. 6.14.3.
Ondergrondse leidingen .......................................................................... 42 Hoogspanningslijnen ............................................................................... 42 Radarverstoringsgebied ........................................................................... 43
7. Adviesrecht gemeente.................................................................................... 44 8. Financiële haalbaarheid ................................................................................. 45 9. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties .......................................... 46 10. Bijlagen .......................................................................................................... 47
Bijlage 1: Situatietekening ......................................................................................... 47 Bijlage 2: Verslag omgevingsdialoog P.M. .................................................................... 47 Bijlage 3: Notitie invoergegevens AERIUS-berekening .................................................. 47 Bijlage 4: AERIUS-berekening aanleg- en bouwfase ..................................................... 47 Bijlage 5: Schetsplannen ............................................................................................ 47 Bijlage 6: Boom effecten analyse (BEA)....................................................................... 47 Bijlage 7: Bodemonderzoek ........................................................................................ 47
Pagina 4 van 48
1. Inleiding
In dit hoofdstuk komen de inleiding, de aanleiding voor het opstellen van een Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding Op de locatie aan de Rielseweg 861 te Tilburg wordt een horecabedrijf geëxploiteerd, genaamd de ‘Commanderie’. De eigenaar van voornoemde locatie en van voornoemd horecabedrijf wenst de horecafunctie ter plaatse van de Rielseweg 861 te Tilburg te vergroten. Deze vergroting is noodzakelijk voor het creëren van een toekomstbestendige horecalocatie. Het is namelijk de wens om ter plaatse van de uitbreiding van de horecafunctie een uitbreiding van het bedrijfspand te creëren waar onder andere ruimte is voor opslag van de spullen van het cateringbedrijf, ondergeschikt aan de horecafunctie. Naast de uitbreiding van de horecafunctie is het ook wenselijk dat het bebouwingspercentage vergroot wordt, zodat de locatie toekomstbestendig wordt ingericht. De gemeente Tilburg heeft schriftelijk kenbaar gemaakt medewerking te willen verlenen aan de vergroting van de horecafunctie. Aangezien de ontwikkeling niet rechtstreeks is toegestaan op grond van het geldende omgevingsplan, wordt middels onderhavige onderbouwing een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. 1.2.
Projectlocatie Het horecabedrijf aan de Rielseweg 861 te Tilburg is gelegen op het bedrijventerrein Katsbogten aan de zuidwestzijde van Tilburg en daarmee op steenworp afstand van de gemeentegrens. Het object wordt omgeven door enkele burgerwoningen, een loonwerkbedrijf en een groothandel voor bloemisterij en interieurartikelen. Tevens zijn aan de noord en oostzijde diverse grootschalige bedrijven gevestigd op het bedrijventerrein. De projectlocatie omvat de kadastrale percelen gemeente Tilburg, sectie E, nummers 2194 en 2314. Op circa 520 meter ten zuidwesten van de projectlocatie is de woonkern van Riel gelegen, zie Afbeelding 1. De woonkern van Tilburg is op circa 1,2 kilometer van de projectlocatie gelegen.
Afbeelding 1: Ligging projectlocatie
1.3. Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Voor het gewenste initiatief wordt een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de (afwijkings)regels van het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend:
Pagina 5 van 48
a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); b. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) geldt doorgaans de reguliere procedure. De beslistermijn voor de reguliere procedure is maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken (artikel 16.64 Omgevingswet). Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het besluit na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. 1.4. Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding van de omgevingsplanactiviteit is beschreven. Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt de functionele ontwikkeling, ruimtelijke uitstraling en inpassing van de toekomstige situatie beschreven. Tot slot wordt ingegaan op de resultaten van de omgevingstafel, het vooroverleg en het participatietraject.
In hoofdstuk 3 wordt het geldende beleid uiteengezet waarbij gemotiveerd wordt op welke wijze de ontwikkeling past binnen de geldende kaders en visie/doelen voor het gebied. Daarna wordt in hoofdstuk 4 het voorgenomen plan getoetst aan het geldende omgevingsplan en worden de strijdigheden met het omgevingsplan in beeld gebracht. In hoofdstuk 5 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. Hiermee wordt de evenwichtige toedeling van functies aan locaties getoetst. Hoofdstuk 6 bevat de financiële haalbaarheid van het initiatief waarna in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de planologische afweging van het initiatief.
Pagina 6 van 48
2. Huidige en toekomstige situatie
In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie. 2.1. Huidige situatie – ruimtelijk en functioneel De projectlocatie is, zoals eerder beschreven, gelegen aan de Rielseweg 861 te Tilburg. Dit betreft een locatie op het bedrijventerrein van de gemeente Tilburg. De omgeving kenmerkt zich als typisch bedrijventerrein, de projectlocatie wordt omgeven door enkele burgerwoningen, een loonwerkbedrijf en een groothandel voor bloemisterij en interieurartikelen. Tevens zijn aan de noord en oostzijde diverse grootschalige bedrijven gevestigd op het bedrijventerrein. Daarnaast bevindt zich op de projectlocatie het horecabedrijf de ‘Commanderie’. De projectlocatie omvat de kadastrale percelen gemeente Tilburg, sectie E, nummers 2194 en 2314 en heeft een totale grootte van 5.624 m2. Momenteel is er 1.344 m2 aan bebouwing aanwezig binnen de locatie. Op onderstaande luchtfoto is de ligging van de projectlocatie in de omgeving weergegeven.
Afbeelding 2: Ligging projectlocatie
Zoals omschreven bevindt zich op de locatie het horecabedrijf de ‘Commanderie’. Het verhaal van De Commanderie begint in 1906 met de allereerste speeltuin van Tilburg. In de decennia die volgden bouwde De Commanderie zichzelf steeds verder uit tot het full service evenementenbureau met eigen catering en locatie zoals het nu is. De Commanderie bestaat uit een vast team van horecaprofessionals, met 10 eigen koks en 75 vaste medewerkers.
Pagina 7 van 48
Op de locatie aan de Rielseweg 861 te Tilburg is een horecagedeelte aanwezig. Daarnaast zijn er enkele lokale particulieren en bedrijven die ter plaatse van de locatie aan de Rielseweg 861 te Tilburg evenementen laten organiseren door De Commanderie. Tevens organiseert De Commanderie met hun cateringbedrijf vele evenementen op plaatsen van derden. In de praktijk houdt dit in dat de medewerkers van het horecabedrijf daarom vaak op locaties van derden aan het werk zijn en niet op de locatie aan de Rielseweg 861 te Tilburg. Ter plaatse van de locatie aan de Rielseweg 861 te Tilburg vindt de bereiding van eten en de opslag van materiaal plaats voor de te organiseren evenementen op de locatie zelf en op locaties van derden. 2.2. Toekomstige situatie Gezien de geschikte locatie van de projectlocatie, op het bedrijventerrein in Tilburg, en de beschikbare ruimte op locatie, is het wenselijk dat de horecafunctie ter plaatse wordt uitgebreid ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande bedrijfsgebouw. De vergroting van de horecafunctie is cruciaal voor de toekomstbestendigheid van het horecabedrijf, aangezien de marktontwikkelingen en veranderende consumententrends vragen om een flexibel en breder aanbod.
Door het uitbreiden van de bebouwing en diversiteit van de horecafunctie kan het bedrijf beter inspelen op de groeiende vraag naar unieke en gevarieerde eet- en drinkervaringen, wat de concurrentiepositie versterkt. Daarnaast zorgt de vergroting voor schaalvoordelen, waardoor kosten kunnen worden geoptimaliseerd en er ruimte ontstaat voor investeringen in kwaliteit en innovatie (in attributen en installaties), wat op de lange termijn essentieel is voor het waarborgen van de winstgevendheid en continuïteit van het bedrijf. Daarbij valt op te merken dat de bestaande locatie verouderd is en er is her en der in de loop der tijd bebouwing bij gekomen op de locatie. Het geheel geeft momenteel een rommelige uitstraling. Dit is uiteraard niet wenselijk voor het horecabedrijf en de evenementen welke worden gerealiseerd. De locatie is bovendien een visitekaartje van het bedrijf. Gezien het voorgaande is het voornemen ontstaan om de locatie te vernieuwen. Samen met de veranderende vraag is het idee ontstaan om een deel van de bestaande bebouwing te saneren en hiervoor in de plaats één nieuw, groter gebouw te realiseren. Dit nieuwe gebouw zorgt voor een verfraaiing van de locatie en zorgt er voor dat er een toekomstbestendig bedrijf kan worden geëxploiteerd.
De uitbreiding is verder noodzakelijk om niet alleen de groeiende vraag naar kwalitatieve en diverse horecadiensten te kunnen bedienen, maar ook om de synergie met het ondergeschikte evenementenbureau te versterken. Door de horecafunctie uit te breiden, wordt de capaciteit vergroot om een breder scala aan evenementen te faciliteren, wat direct bijdraagt aan de aantrekkelijkheid en veelzijdigheid van het horecabedrijf. Tegelijkertijd is voldoende opslagruimte voor materialen essentieel om het evenementenbureau efficiënt te laten opereren. Met adequate opslag kunnen materialen snel en ordelijk worden ingezet, wat resulteert in een verbeterde dienstverlening en lagere operationele kosten. Dit draagt tevens bij aan de toekomstbestendigheid van het bedrijf. De gecombineerde uitbreiding van zowel de horecafunctie als de opslagruimte draagt daardoor bij aan een optimaal functionerende en toekomstbestendige bedrijfsvoering, waarbij beide onderdelen elkaar versterken en gezamenlijk zorgen voor een stabiele groei. De uitbreiding van de horecafunctie heeft geen nadelige gevolgen voor de omgeving qua aantrekkende werking, aangezien de vergroting van de horecafunctie en de bedrijfsbebouwing enkel bedoeld is voor de opslag van materiaal, de keuken en het evenementenbureau/cateringbedrijf.
De vergroting van de bebouwing leidt niet tot het organiseren van meer evenementen (noch op de eigen locatie als op locaties van derden), maar een breder scala voor het aanbod aan evenementen en een vernieuwing van de locatie. Kortom zal de huidige situatie op het bedrijf niet wijzigen. De gewenste uitbreiding van de horecafunctie en de inpassing daarvan is weergegeven op Afbeelding 3. De situatietekening is tevens, op schaal, bijgevoegd als Bijlage 1.
Pagina 8 van 48
Afbeelding 3: Situatietekening
De uitbreiding van de horecafunctie bestaat uit het anderen van een gedeelte van de bebouwing en daarvoor in de plaats een nieuwbouw te realiseren van 523 m2. In het totaal bestaat de bebouwde oppervlakte uit 1.564 m2 in de beoogde situatie. Dit komt neer op een bebouwingspercentage van 30%. Het voornemen is stedenbouwkundig passend in de omgeving. De omgeving bestaat voornamelijk uit grotere bedrijven binnen het bedrijventerrein. De bebouwing rondom de locatie is daarom voornamelijk kolossaal. De uitbreiding van het horecapand is daarom stedenbouwkundig passend in de omgeving. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is het van belang dat het bebouwingspercentage van 25% wordt uitgebreid naar een bebouwingspercentage van minimaal 30%. De uitbreiding van het bebouwingspercentage voor de horecafunctie met cateringbedrijf van 25% naar minimaal 30% is essentieel voor de toekomst van het bedrijf vanwege de groeiende vraag naar ruimte en capaciteit. In de huidige markt is er een toenemende behoefte aan diversificatie van diensten, waaronder grotere evenementen, betere opslagfaciliteiten en een uitgebreider keukengedeelte om aan de hogere eisen van klanten te voldoen. Bovendien stelt de uitbreiding het bedrijf in staat om efficiënter te werken door modernere apparatuur en technologieën te integreren, wat cruciaal is om concurrerend te blijven.
Zonder deze uitbreiding loopt het bedrijf het risico marktaandeel te verliezen aan concurrenten die beter zijn uitgerust om aan de veranderende vraag te voldoen. Daarom is de vergroting van het bebouwingspercentage een strategische noodzaak om de continuïteit en groei van het bedrijf te waarborgen. Echter naast de hierboven beschreven noodzakelijke uitbreiding tevens behoefte naar een flexibel in te vullen bebouwingspercentage van circa 10% (500 m2 bebouwing). In het totaal komt dit neer op een bebouwingspercentage van 40%. Deze 10% flexibel in te vullen bebouwing is noodzakelijk voor het bedrijf indien er bijvoorbeeld een tent opgesteld moet worden voor een evenement wat wordt georganiseerd op de eigen locatie. Er zullen zoals reeds vermeld geen andere, extra evenementen of evenementen op andere plekken plaatsvinden op de locatie. Maar de ervaring leert dat een enkele keer een tent noodzakelijk is bij een evenement in verband met weersomstandigheden (denk aan felle zon of regenval). Indien deze tent niet aanwezig kan/mag zijn, kunnen soms evenementen geen doorgang vinden door bijvoorbeeld regen, dit kan voorkomen worden. Derhalve is een enkele keer een tent op het terrein een noodzakelijke ontwikkeling voor de ondernemer. De tent zoals hiervoor omschreven kan worden vergeleken met een parasol zoals deze worden gebruikt op een horeca terras.
Het op deze manier borgen van het bebouwingspercentage voorkomt handhavingszaken omdat deze tent dan ook passend is binnen het maximaal toegestane bebouwingspercentage. In de beoogde situatie zal daarom een bebouwingspercentage van 40% worden vastgelegd waarvan 30% compleet vaststaat zoals geregeld in onderhavige aanvraag en 10% in te vullen is indien noodzakelijk.
Pagina 9 van 48
Stedenbouwkundige inpassing
De projectlocatie ligt op bedrijventerrein de Katsbogten waar verschillende veelal zeer grote logistieke bedrijven zijn gevestigd. Dit vertaald zich in de schaal en omvang van deze bebouwing, zie onderstaande afbeelding (rechter afbeelding Topotijdreis 2024).
Afbeelding 4: Topotijdreis 1994
Topotijdreis 2024
Van oorsprong was dit meer buitengebied met een kleinschaliger bebouwing en kleinschaligere verkaveling. Dit ‘kleinschalig’ karakter was in de jaren ’90 nog steeds aanwezig (zie linker afbeelding hierboven Topotijdreis 1994). Pas vanaf 1999 groeit het bedrijventerrein in zeer korte tijd tot de omvang zoals deze reeds aanwezig os. De oudere, oorspronkelijke, fijnmazige bebouwing die nog aanwezig is, (waaronder projectlocatie) valt door de enorme schaalverschillen (en ook diversiteit) in het niet. Van enige samenhang met projectlocatie is geen sprake. De enige structuur op stedenbouwkundig niveau die van oudsher aanwezig en herkenbaar is, is de groene laanstructuur van de Rielseweg.
Afbeelding 5: Laanstructuur Rielseweg
Bedrijfsvolumes achter projectlocatie van resp. 14 m en 31 m hoogte
Ook op de schaal van de projectlocatie komt de bebouwing wat versnipperd en rommelig over. De aanwezige bebouwing bestaat uit een diversiteit aan kleinere bouwvolumes die tegen elkaar aan geplaatst lijken te zijn, veelal wel onderling met elkaar verbonden. Met de voorgenomen verbouwing/uitbreiding zal een aantal kleinere volumes, containers etc. aan de achterzijde van het pand verdwijnen en geclusterd worden en in een iets groter volume worden samengevoegd, zie onderstaande afbeeldingen. Door deze bundeling van ruimtes ontstaat meer samenhang en minder versnippering op de locatie zelf en kan tegelijk een kleine ‘opmaat’ / schaalovergang gemaakt worden richting de belendende hogere bouwvolumes achter de projectlocatie.
Pagina 10 van 48
Afbeelding 6: Aanwezige versnippering in aangebouwde bebouwing
Afbeelding 7: Beoogde ‘geclusterde’ verbouwing / uitbreiding
Pagina 11 van 48
Afbeelding 8: Bestaand straatbeeld met achterliggende bedrijfshallen van respectievelijk 14 m en 31 m
Afbeelding 9: 2-laags uitbreiding ‘camoufleert’ hoge bedrijfshal linksachter (14m). Groengrijze kleurstelling en groene gevels passend in laanstructuur
Vanwege de belendende kolossale bebouwing in de directe omgeving wordt deze 2-laagse uitbreiding aan de achterzijde aanvaardbaar geacht. In het straatbeeld vanaf de voorzijde van de Commanderie is te zien dat uitbreiding ondanks de beperkte hoogte een ‘opmaat’ vormt naar de 2 veel hogere bouwvolumes erachter. Vanaf straat wordt in de gewenste situatie de grote hal linksachter uit het zicht onttrokken. Op gebouwniveau is het plan verder verfijnd om het zo goed mogelijk aan te sluiten bij de bestaande bebouwing op de eigen locatie en te beter te laten integreren in de omgeving. Om die reden is in het ‘blokvolume’ op de verdieping een horizontale band aangebracht. Deze band bestaat deels uit kozijnen voor voldoende lichttoetreding en deels uit dichte gevelpanelen in dezelfde donkere kleurstelling.
Pagina 12 van 48
Deze band zorgt voor een duidelijke maar fijne geleding van het volume waardoor het minder hoog oogt, aansluit op de bestaande bebouwing en vriendelijker oogt. Daarnaast zijn er bewuste keuzes gemaakt in de materialisatie en kleurstelling van de uitbreiding. Hierbij is goed gekeken naar de omgeving. In plaats van de tegenwoordig veel toegepaste ‘standaard’ grijze of donkergrijze gevelpanelen wordt hier gekozen voor een groengrijze variant. Te denken valt aan de kleurstelling olijfgrijs of mosgrijs (RAL 7002 of RAL 7003 o.g., zie onderstaande afbeelding). De Rielseweg is aan beide zijden voorzien van veel bomen die dit stuk industrieterrein toch een enorm groene uitstraling geven. Om hierop aan te sluiten worden de geveldelen die in het zicht of bovendaks zijn, zoals de voorgevel en de linker zijgevel voorzien van gevelgroen direct tegen de gevel. Dit groen zal via spankabels of netten aan de gevels houvast krijgen om langs omhoog te groeien. Hierdoor zullen deze gevels een steeds groener, natuurlijker en levendiger uitstraling krijgen wat het beeld vanaf straat verder verfraait.
Bron: Roes Steel & Green
Bron: gevelgroen.be
Afbeelding 10: Sfeerimpressie gevelgroen
Pagina 13 van 48
3. Participatie
Voorafgaand aan het indienen van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is overleg gevoerd met de gemeente Tilburg. Onderhavig initiatief is in eerste instantie beknopt beschreven waarna de gemeente een positief standpunt heeft ingenomen op onderhavige ontwikkeling.
3.1.1. Participatie omgeving
In de Omgevingswet is opgenomen dat participatie een belangrijk onderdeel is van projecten in de fysieke woon- en leefomgeving. De gemeente Tilburg vindt het belangrijk dat inwoners optimaal betrokken worden bij plannen en projecten. Het is namelijk de taak van de gemeente om bij initiatieven te beoordelen hoe de omgeving is betrokken. Door participatie wordt ervoor gezorgd dat alle belangen, meningen, kennis en creativiteit direct op tafel komen. Door bezwaren, maar juist ook goede ideeën met elkaar te bespreken, kan het initiatief beter worden gemaakt en is er meer kans op betrokkenheid. Conform het beleid van de gemeente is er een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden. Het verslag van dit dialoog is bijgevoegd als Bijlage 2. Uit het verslag omgevingsdialoog blijkt dat de omwonenden positief tegenover de beoogde ontwikkeling staan. Uit het dialoog zijn geen vragen en/of opmerkingen naar voren gekomen, waardoor naar aanleiding van de omgevingsdialoog geen aanpassingen zijn doorgevoerd in het plan.
Pagina 14 van 48
4. Toetsing aan algemene beleidskaders
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het initiatief toegelicht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 4.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Daarnaast creëert de beoogde ontwikkeling een bijdrage aan het gebrek aan voldoende horecagelegenheid in de buurt. Met de beoogde ontwikkeling wordt een horecagelegenheid uitgebreid. Door de sloop van verouderde en verspreidde bebouwing en de realisatie (uitbreiding) van een nieuw bedrijfsgebouw op het perceel wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
Pagina 15 van 48
4.1.2. Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Omgevingsverordening (Ov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Ov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Ov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een omgevingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de projectlocatie ligt. In dit geval ligt de projectlocatie in de werkingsgebieden ‘Grondwaterbeschermingsgebied’, ‘Waterwinning voor menselijke consumptie’, ‘Stedelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 11.
Afbeelding 11: Uitsnede omgevingsverordening Noord-Brabant, plangebied rood omlijnd
Met de beoogde ontwikkeling wordt de horecafunctie ter plaatse van de projectlocatie uitgebreid. Er zal hierna worden getoetst aan de artikelen: - 5.17 Grondwaterbeschermingsgebied; en - 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling.
Pagina 16 van 48
In artikel 5.16 zijn aanvullende regels opgenomen met betrekking tot waterwinning voor menselijke consumptie. Het plan heeft geen betrekking op het waterwingebied, waardoor dit artikel derhalve niet van toepassing is. In artikel 5.66 zijn de afwijkende regels ten aanzien van de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ opgenomen. Het initiatief ziet niet op een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren. Het artikel is derhalve niet van toepassing op het initiatief. De projectlocatie is gelegen op circa 1 kilometer van het werkingsgebied Natuur Netwerk Brabant (NNB). De concrete ambities voor het NNB staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Aangezien de projectlocatie op grote afstand van NNB is gelegen heeft de ontwikkeling geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan. Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Ov getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 5.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Ov nader uitgewerkt in de artikel 5.8 t/m 5.10.
Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 5.11). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8) Conform artikel 5.8 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 5.129g, onder 2 van het Bkl (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling waarbij geen toetsing aan de ladder noodzakelijk is. De beoogde ontwikkeling wordt voor zover mogelijk uitgevoerd binnen het bestaande bouwperceel. Echter is het niet mogelijk om het nieuwe horecagebouw (ofwel de uitbreiding van het bestaande horecagebouw) binnen het bestaande horecabestemmingsvlak te realiseren omdat er onvoldoende ruimte is binnen het bestemmingsvlak. Het bestemmingsvlak wordt daarom met onderhavige ontwikkeling vergroot, waarbij de huidige naastgelegen woonfunctie wordt verkleind.
Op deze manier wordt het bestaande bouwperceel ten behoeve van het horecabedrijf vergroot binnen de bestaande bouwmogelijkheden en wordt de beoogde ontwikkeling geconcentreerd binnen het bouwperceel. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en
Pagina 17 van 48
goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 5 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 5.10) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In deze BOPA wordt meerwaarde gecreëerd door de uitbreiding van het horecabedrijf te combineren met een verkleining van de huidige woonfunctie.
Daarnaast wordt de belevingswaarde van de omgeving versterkt doordat de verspreidde bebouwing op het perceel gesaneerd zal worden en het bestaande horecagebouw wordt uitgebreid, dit zorgt voor een verfraaiing van de omgeving. Artikel 5.17 Grondwaterbeschermingsgebied
Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Grondwaterbeschermingsgebied strekt mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. Lid 2 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, stelt regels die: a. het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen; b. de ontwikkeling van functies en activiteiten die risico's geven voor de kwaliteit van het grondwater beperkt, zoals stedelijke ontwikkeling, het houden van evenementen en milieubelastende activiteiten waarbij schadelijke stoffen worden gebruikt; en c. het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal verbieden. Lid 3 Als schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal wordt in ieder geval aangemerkt: a. zink, lood, koper; b. gewolmaniseerd hout; c. teerbitumen. De projectlocatie is gelegen ter plaatse van een grondwaterbeschermingsgebied. De beoogde ontwikkeling ziet niet op een ontwikkeling van functies en activiteiten die risico’s geven voor de kwaliteit van het grondwater. Wel wordt het bestaande horecagebouw op locatie uitgebreid. Voor de uitbreiding van het horecagebouw zal géén gebruik gemaakt worden van schadelijke uitloogbare bouwmaterialen. In de voorschriften van de omgevingsvergunning zal dit geborgd worden. Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling
Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen , wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; en
De ontwikkeling op de projectlocatie betreft de uitbreiding van een bestaande horecafunctie, waarbij sprake is van een optimalisering van de bestaande functie. Er is geen sprake van een
Pagina 18 van 48
nieuwe ontwikkeling, waardoor toetsing aan Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken niet noodzakelijk is.
b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Bij de uitbreiding van het horecagebouw zullen materialen worden gebruikt die milieuvriendelijke zijn, zoals bijvoorbeeld gerecycled hout, duurzame verf en energiezuinige verlichting. Daarnaast zal er, voor zoveel mogelijk, rekening worden gehouden met de installatie van energiezuinige apparaten, zoals koelsystemen en keukenapparatuur, en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen zoals zonnepanelen. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling een duurzame stedelijke ontwikkeling betreft.
Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als: a. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met een veilige en gezonde leefomgeving; De ontwikkeling ziet enkel op de uitbreiding van een bestaande horecafunctie. Er zal ter plaatse geen nieuwe functie worden gecreëerd, waardoor geconcludeerd wordt dat er voor wat betreft veiligheid en gezondheid geen wijzigingen ontstaan.
b. toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
Door de uitbreiding van de horecafunctie wordt de bestaande nabij gelegen woonfunctie ter plaatse verkleind. Er is daarom sprake van een uitbreiding binnen het bestaande bebouwde gebied. Hierdoor is er sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.
c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
Zoals omschreven zal er, waar mogelijk, invulling worden gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie, door bijvoorbeeld de aanleg van zonnepanelen.
d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
Op locatie wordt enkele bestaande bebouwing gesaneerd en wordt het horecapand uitgebreid, hierdoor zal de uitbreiding aan bebouwing kleinschalig zijn. Bovendien is er op locatie voldoende ruimte voor de opvang en infiltratie van water.
e. de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en
Op locatie zal ruimte worden gecreëerd voor het opladen van elektrische auto’s en fietsen, waardoor de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut.
f.
wordt bijgedragen aan een duurzame, concurrerende economie.
Door de uitbreiding van de horecafunctie wordt bijgedragen aan een duurzame en concurrerende economie.
Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, stelt het omgevingsplan regels over: a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; en
De Commanderie is reeds vele jaren gevestigd op de projectlocatie. Gezien de combinatie van het restaurant met zalencomplex en met de cateringfunctie is de functie passend binnen het bedrijventerrein. Daarnaast is de beoogde uitbreiding van de horecafunctie een kleinschalige uitbreiding, waardoor de uitbreiding qua kavelomvang passend is bij de aard van het bedrijventerrein.
b. het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, zoals: 1. bedrijfswoningen;
Pagina 19 van 48
2. bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden, tenzij die bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; 3. voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden, tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.
De uitbreiding van de Commanderie betreft géén ontwikkeling die een effectief gebruik van het bedrijventerrein zal beperken. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor de beoogde ontwikkeling. 4.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke Omgevingsvisie.
4.2.1. Omgevingsvisie – Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert en welke prioriteiten daarbij gelden. Vrije tijd wordt steeds belangrijker in de maatschappij, het biedt mensen tijd en ruimte voor reflectie en ontspanning en levert hen nieuwe energie op. Mensen willen de vrije tijd die ze hebben optimaal en efficiënt benutten. Ondanks, of misschien wel dankzij, de individualisering bestaat de behoefte om ‘samen’ de vrije tijd door te brengen. Er is behoefte aan meer variatie en ‘beleving’ in de vrijetijdsbesteding. De vraag naar recreatievoorzieningen groeit dan ook. Groei in de recreatiemarkt zit in de clustering van voorzieningen, bijvoorbeeld rond thema's als natuur, entertainment, gezondheid, rust en ruimte.
Verder ziet de gemeente een groeiende belangstelling voor gezondheid, met meer aandacht voor de waarde van groen, onthaasting en zingeving. Dit leidt tot nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding, een ruimer aanbod van activiteiten en een veranderend ruimtebeslag. Of mensen in de toekomst meer vrije tijd krijgen is de vraag. De AOW-leeftijd stijgt, maar daar staat tegenover dat ook de levensverwachting toeneemt. Ook de trend van toenemende zorgverlening aan naaste familie of vrienden kan effect hebben op de hoeveelheid vrije tijd. Ook de economische betekenis van recreatie groeit. De bestedingen in de sector nemen toe. Door de geringe innovatie blijven de economische prestaties echter achter bij andere economische sectoren. Mensen gaan gemiddeld korter en vaker op vakantie (short stay) of gaan er een dagje op uit, dichter bij huis. Stedentrips winnen aan belang. Dit vertaalt zich in een toenemend mobiliteitspatroon en bijbehorende infrastructurele voorzieningen. Het aantal arrangementen in de vrijetijdsbesteding groeit. Onderhavige ontwikkeling past binnen de omgevingsvisie Tilburg 2040. Het veranderen van een bestaand bouwvlak op betreffende locatie is een vorm van kleinschalige aanpak, waarbij het aanbod wordt afgestemd op de behoefte. Middels de vergroting van de horecafunctie wordt ingespeeld op de behoefte aan de horecavoorzieningen binnen de gemeente.
Pagina 20 van 48
5. Toetsing aan het omgevingsplan
Het omgevingsplan van de gemeente Tilburg bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat. In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan dit omgevingsplan en worden de strijdigheden beschreven. Voor de projectlocatie is het omgevingsplan ‘Bedrijventerrein Katsbogten 2008’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: Kadastraal perceel met nummer 2194: - Enkelbestemming: - Bouwvlak: - Functieaanduiding: - Functieaanduiding: - Maatvoering:
‘Horeca’; ‘Bouwvlak’; ‘Bedrijfswoning’ (gedeeltelijk); ‘horeca tot en met horecacategorie 2’ (gedeeltelijk); ‘maximum bebouwingspercentage terrein: 25% Maximum bouwhoogte: 12 m’.
Kadastraal perceel met nummer 2314: - Enkelbestemming: ‘Wonen’; - Functieaanduiding: ‘erf’; - Maatvoering: ‘maximum bebouwingspercentage terrein: 25% Maximum bouwhoogte: 10 m’.
Afbeelding 12: Uitsnede omgevingsplan ‘Bedrijventerrein Katsbogten 2008’
In het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Er is ook geen afwijkingsbevoegdheid opgenomen om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Om deze reden wordt een omgevingsvergunning voor een BOPA aangevraagd voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 21 van 48
6. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.1. M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over projecten. Het gaat hierbij enkel om projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor dergelijke projecten moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Indien een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van de horecafunctie ter plaatse. De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in Bijlage V van het omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r. beoordeling is daarom niet noodzakelijk. 6.2. Ladder voor duurzame verstedelijking In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken.
Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:
‘ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling omdat het niet de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening betreft. Wel wordt er in de beoogde situatie een horecafunctie vergroot met circa 1.200 m2. Tevens vindt er een vergroting van het bebouwd oppervlakte plaats met circa 220 m2. De uitbreiding van het horecabedrijf is noodzakelijk vanwege de veranderende vraag zoals reeds in de beoogde situatie is beschreven. De verfraaiing van de locatie zal leegstand en verloedering ter plaatse tegen gaan. De uitbreiding van het horecabedrijf voorziet gezien het voorgaande in een aantoonbare behoefte, gaat ongewenste leegstand tegen en wordt op een toekomstbestendige wijze ingepast in de bestaande omgeving.
Pagina 22 van 48
6.3. Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.
6.3.1. Verkeer
De projectlocatie ligt aan de Rielseweg te Tilburg. De ontsluiting van het perceel is gelegen aan de Oude Rielsebaan, welke direct is aangesloten op de Rielseweg. Beide wegen betreffen wegen die voornamelijk worden gebruikt door het vrachtverkeer wat op het industrieterrein moet zijn. In de beoogde situatie duidelijk is geworden, dat naar aanleiding van de beoogde ontwikkeling geen toename zijn in het aantal verkeersbewegingen. De beoogde uitbreiding is enkel bedoeld voor het mogelijk maken van een breder aanbod en het vernieuwen van de locatie zodat er een toekomstbestendig bedrijf ontstaat. Het ‘openbare’ gedeelte van het horecabedrijf zal niet vergroot worden in de beoogde situatie.
6.3.2. Parkeren Naast het aspect verkeer dient tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn binnen de projectlocatie. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de ‘Parkeernomen Tilburg 2023’ van de gemeente Tilburg, zoals deze zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Tilburg, Parkeerregeling 2023’. Zoals blijkt uit de afbeelding ‘zone-indeling parkeernormen’ is de projectlocatie gelegen in zone C. Zoals reeds vermeld voorziet de uitbreiding van het horecabedrijf enkel op het mogelijk maken van een breder aanbod en het vernieuwen van de locatie zodat er een toekomstbestendig bedrijf ontstaat. Hierdoor zal de vloeroppervlakte van de uitbreiding in beginsel niet meegenomen hoeven te worden in de berekening voor de parkeervoorzieningen, aangezien dit gedeelte van het bedrijf niet openbaar toegankelijk is. Echter voor de vaste gebruikers zal er wel worden gekeken naar de uitbreiding van het vloeroppervlakte. Aangezien de uitbreiding van de keuken circa 40 m2 bedraagt, zal er een toename van 1 parkeerplaats voor vaste gebruikers zijn. Ter plaatse van de parkeerplaats op het perceel is voldoende ruimte om nog één auto extra te parkeren. In de onderstaande afbeelding is te zien dat de locatie voldoende parkeervoorzieningen heeft ter plaatse van het eigen terrein. Er kunnen in totaal circa 100 auto’s worden geparkeerd.
Daarbij valt op te merken dat wanneer er evenementen op de locatie zelf worden georganiseerd dat deze een sterk lokaal karakter kennen. Veel mensen zullen carpoolen of zelfs met de fiets naar de locatie komen.
Pagina 23 van 48
Afbeelding 13: Uitsnede Kadastrale Kaart, parkeersituatie
Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 6.4. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
6.4.1. Gebiedsbescherming
De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000-
Pagina 24 van 48
gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Regte Heide en Riels laag, dat op een afstand van circa 1 kilometer ligt. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is er een berekening van de aanleg- en bouwfasefase gemaakt.
Aangezien de gebruiksfase niet zal veranderen door de beoogde ontwikkeling is hiervan ook geen berekening uitgevoerd. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er wel rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden zijn, namelijk 0,01 mol/ha/jr op het Natura 2000-gebied; ‘Regte Heide & Riels Laag’. Echter blijkt ook uit de berekening dat op de relevante hexagonen geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Daarom wordt middels onderhavige notitie en de bijgevoegde AERIUSberekeningen een ecologische voortoets uitgevoerd. De berekening en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen, zie Bijlage 3 en 4.
Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Regte Heide en Riels laag leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
6.4.2. Soortenbescherming
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
Pagina 25 van 48
3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.