CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving â "Ontwikkeling Den Herdgang Berlagehof 60, Tilburg"

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend adviesrecht Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Berlagehof 60, Den Herdgang24.643 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

42

andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAMOmgevingsverordening Noord-Brabant. Specifieke zorgplicht Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht.

De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij floraen fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt.

Wanneer de zorgplicht aan de orde is dient de gemeente hiervan te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezorgd worden naar een oplossing. Omgevingsverordening Brabant Naast genoemde wettelijke kaders vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de Omgevingsverordening en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening NoordBrabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap.

Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe waarden streeft de provincie naar een samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Binnen Groenblauwe waarden geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

43

Toetsing Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe waarden, zoals begrensd op de kaarten van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 2040 m van het plangebied. (Figuur 13). Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.31 van de Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Conclusie Er is geen effect op het Natuurnetwerk Brabant.

Figuur 13: Afstand tot Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe waarden (Bron: noord-brabant.tercera-ro.nl) 5.1.6 Bomenverordening en beleidsregels bomen 2024 Bomen staan steeds meer onder druk. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van stedelijke druk. Dat is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van nadrukkelijk belang voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken door o.. stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: • Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024 • Beleidsregels Bomen 2024 • Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart) • Kaart Monumentale Bomen Tilburg (KMBT) Deze documenten samen zorgen ervoor dat er een juiste balans is tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de leefbaarheid van de stad.

Bomenverordening 2024 en beleidsregels Bomen 2024 De Bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 bieden het particuliere en gemeentelijke bomenbestand bescherming met een velverbod met bijbehorende regels (vellen = rooien, kappen, verplanten of snoeien van meer dan 20% van de kroon of wortels). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime (zie BWZ-kaart en de KMBT). Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van de Bomenverordening en beleidsregels.

Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

44

Deze kaart geeft alle huidige openbare en particuliere houtopstanden in de gemeente Tilburg een waarde; er zijn zones met houtopstanden met een klimaat- , eco- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor bomen in deze zones zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria opgesteld o.a. over het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), compensatieverplichting en straatbeeld. Hoog beschermingsregime: monumentale bomen en bomen met een klimaat- of ecowaarde. Het is in principe verboden deze bomen te vellen. Een vergunning wordt alleen afgegeven als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de boom. Normaal beschermingsregime: dit zijn bomen met een basiswaarde of in de buiten-zone. Een omgevingsvergunning voor het vellen van deze bomen wordt verleend, tenzij er weigeringsgronden zijn op basis van natuur- en milieuwaarde, landschappelijke waarde, waarde voor straat- of stadsbeeld cultuurhistorische waarde, waarde voor recreatie of klimaatadaptieve waarde. Kaart Monumentale Bomen (KMBT) Op de KMBT staan alle monumentale bomen in de gemeente Tilburg (particulier en gemeentelijk). Voor deze bomen zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria en regels opgesteld, waardoor ze voldoende juridische bescherming krijgen.

Monumentale bomen vallen onder het eerder genoemde hoge beschermingsregime. Daarnaast hebben gemeentelijke monumentale bomen een hoge prioriteit bij het gemeentelijk beheer en onderhoud. Omgevingswet: bescherming houtopstanden buiten de bebouwde kom Naast de bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 kunnen de rijksregels volgens de Omgevingswet over vellen van bomen gelden. Deze rijksregels zijn van kracht in het buitengebied van Tilburg. Wat er precies onder buitengebied valt, is vastgelegd met de bebouwingscontour kap (deze wordt vastgesteld door de gemeenteraad). Waar deze contour/grens precies ligt, is op de boomwaarde zoneringskaart terug te vinden. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten de bebouwingscontour kap staan (dus in het buitengebied), geldt op grond van de rijksregels over vellen een verplichting; bij velling van groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij vellingen in een rij van meer dan 20 bomen geldt een meld- en herplantplicht bij het bevoegd gezag. Dit kan bijvoorbeeld de provincie zijn of het ministerie van LNNV. Zij kunnen een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de rijksregels de eis dat er ook weer een gelijk aantal bomen worden teruggeplant. Veel Tilburgse bossen maar ook andere terreinen met veel bomen vallen onder de rijksregels over vellen.

Voor bossen en andere terreinen die binnen de bebouwingscontour vallen (dus in het stedelijk gebied), zijn de rijksregels niet van kracht, maar de Bomenverordening 2024. In de buiten-zone (van de BWZ-kaart) kunnen naast de rijksregels ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen in de buiten-zone dus naast elkaar van toepassing zijn. Toets van de ontwikkeling aan de bomenverordening Op de locatie van het initiatief Den Herdgang blijven alle bestaande bomen behouden. Er vindt geen kap van bomen plaats. Zowel op het plangebied zelf als in de directe omgeving worden de groenstructuren intact gelaten, waardoor de bestaande ecologische en sociale functies van het groen behouden blijven. De aanwezige bomen dragen bij aan de beleving, het uitzicht, schaduwwerking en de biodiversiteit in de buurt. Conclusie De geplande herbestemming van het woonzorgcomplex heeft geen negatieve effecten op de bestaande bomen op het plangebied of in de directe omgeving en voldoet aan het beleid van Bomenverordening 2024. 5.1.7 Groen, klimaat en duurzaamheid Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is.

Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

45

2. 3.

het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn. Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur.

Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-072016).

Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad). Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

46

Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie noodzakelijk. Afwegingskader (openbare) verlichting Openbare verlichting is van groot belang voor de veiligheid en daarmee ook voor het gebruik en de beleving van de openbare ruimte. Het wordt vaak als vanzelfsprekend beschouwd dat wegen en paden verlicht worden. Maar op sommige plekken is verlichting juist niet gewenst. Veel kunstlicht is verstorend voor mensen en dieren. Met name nachtdieren worden onder andere bedreigd door te veel kunstlicht.

In het afwegingskader ‘mag het licht uit?’ wordt aangegeven waar vanuit ecologie de duisternis gewenst is en waar deze behouden of teruggebracht zal worden. Dat geldt in eerste instantie voor openbare verlichting. Het afwegingskader wordt ingezet bij projecten om een integrale afweging te maken voor wel of geen verlichting of zo nodig aangepaste verlichting. Bij een voorgenomen (nieuwbouw)project zal in een gebied dat aangeduid is op de donkertekaart, een integrale afweging van de belangen plaatsvinden. Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.

5.1.8 Energie en warmte Regionale Klimaat- en Energiestrategie (REKS) Transitievisie warmte Duurzaamheidsbeleid voor nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw Paragraaf is niet van toepassing 5.1.9 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Toetsingskader archeologie In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot uitdrukking in de Erfgoedwet. Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken. Toetsingskader cultuurhistorie Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen.

Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren,

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

47

ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen. In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op of de het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota. Historische geografie Toetsing De herbestemming vindt plaats in een bestaand gebouw, waardoor de historische structuur van het woonzorgcomplex en de omliggende buurt behouden blijft. Bij de verduurzaming van het complex blijft de historische geografie van de Bouwmeesterbuurt Noord onveranderd en wordt deze volledig gerespecteerd, zodat het karakter en de identiteit van de buurt behouden blijven. Conclusie Hiermee sluit het initiatief aan bij het gemeentelijk beleid voor historische geografie en voldoet het aan de geldende richtlijnen. Archeologie Toetsing Het plangebied voor de herbestemming van het woonzorgcomplex Den Herdgang bevindt zich in een gebied met lage archeologische verwachting volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart.

Omdat de geplande werkzaamheden zich binnen de bestaande bebouwing afspelen en er geen grootschalige grondroerende ingrepen worden uitgevoerd, is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Hiermee voldoet het initiatief aan het gemeentelijk archeologiebeleid. Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen Het gebouw Den Herdgang en de omgeving heeft geen beschermde status.

5.2

Milieu & gezondheid

5.2.1 Milieueffectrapportage In een milieueffectrapportage staat welke effecten de omgevingsplanwijziging op het milieu zal hebben. De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) staat in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Via bijlage V van het Omgevingsbesluit kan er worden bepaald of er voor de omgevingsplanwijziging een plan-m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan: een omgevingsvisie; een programma; een omgevingsplan; en een voorkeursbeslissing. Voor plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld, is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r. procedure verplicht is. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als de activiteit naar verwachting aanzienlijke milieugevolgen veroorzaakt. Een plan-m.e.r.

beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. Met een plan-m.e.r.-beoordeling kan worden getoetst of er sprake is van een plan met grote milieugevolgen.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

48

Deze toetsing vindt plaats aan de hand van de criteria uit bijlage III van de EU-richtlijn m.e.r, via de volgende hoofdcriteria: • kenmerken van het project; • plaats van het project; en • kenmerken van het potentiële effect. Toetsing Bijlage V van het Omgevingsbesluit bepaalt bij welke activiteiten een mer-(beoordelings)plicht geldt. Deze tabel moet in samenhang worden gelezen met de artikelen 11.6 - 11.8 van het Omgevingsbesluit. De eerste kolom van bijlage V van het Omgevingsbesluit beschrijft de activiteit. De tweede kolom geeft aan in welke gevallen de mer-plicht geldt. Deze mer-plicht volgt uit de aard van de activiteit en de invloed op het milieu. In de derde kolom zijn de gevallen opgenomen waarvoor de mer-beoordelingsplicht geldt. Het betreft activiteiten waarbij de omstandigheden waaronder ze worden verricht, bepalen of er mogelijke nadelige significante gevolgen zijn voor het milieu. Aan de hand van deze beoordeling zal het college besluiten of er al dan niet een MER moet worden opgesteld voordat een vergunning kan worden verleend. De vierde kolom geeft aan om welke besluiten het moet gaan, wil de mer-(beoordelings)plicht van toepassing zijn.

In dit geval gaat het om een activiteit die valt onder nummer J 11, te weten een stedelijk ontwikkelingsproject (kolom 1), waarbij in kolom 2 ‘Niet van toepassing staat’. In kolom 3 staat ‘aanleg, wijziging of uitbreiding’ waarbij in kolom 4 het omgevingsplan is benoemd. Dit betekent dus dat beoordeeld moet worden of een milieueffectrapport moet worden opgesteld voor deze ontwikkeling. Conform artikel 16:49 lid 3a wordt bij deze beoordeling rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn. In de bijlage bij deze toelichting is een aanmeldnotitie opgenomen. Hieruit blijkt dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten zijn. Conclusie Gelet op de kenmerken van de omgevingsplanwijziging en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Voor het aspect milieueffectrapportage is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. 5.2.2 Bedrijven en milieuzonering Volgens hoofdstuk 5 van het Bkl moet de gemeente in het omgevingsplan milieuwaarden en regels opnemen. De gemeente kan ook via milieuzonering extra regels opnemen in het omgevingsplan.

Hierdoor kan de gemeente ruimte maken voor milieuhinderlijke activiteiten, zonder het woon- en leefklimaat onevenredig aan te tasten. Hierbij krijgt een activiteit meer gebruiksruimte als het verder van een woonomgeving ligt. Een woonactiviteit wordt volgens de artikelen 5.55 lid 1 en 5.90 lid 1 Bkl niet gezien als milieuhinderlijk. Voor het invullen van de milieuzonering heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet’ gepubliceerd. Deze publicatie legt uit op welke manier de gemeente het toelaten van nieuwe bedrijven kan regelen. De gemeente moet hiervoor de

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

49

beschikbare milieuruimte per milieuhinderlijke activiteit beoordelen aan de hand van de concrete milieuwaarden. De gemeente kan hiervoor maximaal drie geluidszones en twee geurzones vaststellen: Zone geur basis en zone geur basis; Zone geluid verruimd en zone geur verruimd; Zone geluid beperkt. Van welke zone er sprake is en welke maximum afstanden er gehanteerd moet worden, is afhankelijk van het type gebied en van de afstand tot de woningen. Activiteiten in de zones mogen maximaal de richtwaarden aan geluid- en geurhinder veroorzaken op gevoelige gebouwen die binnen de zones vallen. De gemeente kan ervoor kiezen om af te wijken van deze zones en de bijbehorende richtafstanden. De publicatie maakt een onderscheid tussen twee soorten gebieden: • rustige woonwijk/rustig buitengebied. In deze gebieden staat de activiteit wonen centraal, maar in deze gebieden kunnen ook andere activiteiten plaatsvinden. Deze activiteiten zijn beperkt in aantal en veroorzaken over het algemeen weinig hinder.; • gemengd gebied. In dit gebied zijn meerdere functies toegestaan, waardoor er een zekere mate van hinder te verwachten valt. Hierdoor is er in deze gebieden meer ruimte voor activiteiten die geluiden/of geurhinder kunnen veroorzaken. Toetsing De omgevingsplanwijziging heeft betrekking op een rustige woonwijk / gemengd gebied.

De omgevingsplanwijziging maakt de functiewijziging van maatschappelijk naar gemengd mogelijk. Een dergelijke activiteit valt volgens de tabel uit de publicatie van de VNG, niet onder geluidruimte en geurruimte. Conclusie Voor het aspect ‘activiteiten en milieuzonering’ is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ‘activiteiten en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. 5.2.3 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid) In dit onderdeel wordt een beschrijving gegeven van de omgevingsrisico’s ter plaatse van het plangebied. Daarnaast wordt beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vanuit het aspect omgevingsveiligheid. Beoordelingskader De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze wet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) 3. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) 4. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Bij het beschouwen van omgevingsveiligheid bij ruimtelijke plannen zijn het Bkl en het Bbl van toepassing. Daarnaast kunnen vanuit het Bbl aanvullende bouwkundige maatregelen gelden. Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het voormalige Bevi, Bevt en Bevb.

Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Voor een aantal risicobronnen staat deze grenswaarde als veiligheidsafstand uitgewerkt in het Bal, maar voor een aantal activiteiten moet deze afstand rekenkundig worden bepaald. Ook moet het bevoegd gezag rekening houden met de kans op 10 of meer slachtoffers (groepsrisico). Deze kans hoeft in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling onder de Omgevingswet niet meer kwantitatief te worden bepaald. Als hulpmiddel bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied (BAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste10 kW/m2 is. • Explosieaandachtsgebied (EAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; of b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

50

•

Gifwolkaandachtsgebied (GAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling. Het gifwolkaandachtsgebied wordt per risicobron bepaald en is in het kader van ruimtelijke ordening begrensd op maximaal 1.500 meter. Voor brandaandachts- en explosieaandachtsgebieden kan de gemeente een brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen, waarbij extra bouwkundige eisen gelden (Besluit bouwwerken leefomgeving, art. 4.90–4.96). De gemeente is hiertoe niet verplicht en kan gemotiveerd afwijken. Alleen bij zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen of ziekenhuizen, geldt dit voorschriftengebied automatisch. Voor lokale wegen gelden geen brandaandachtsgebieden of explosieaandachtsgebieden. De gemeente Tilburg heeft wel de mogelijkheid om hierover in het Omgevingsplan een eigen afweging te maken. Dankzij deze aandachtsgebieden is het duidelijk waar mensen binnenshuis, zonder extra maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren van een risicovolle activiteit. Voor de afstanden die gelden voor de verschillende aandachtsgebieden wordt er verwezen naar bijlage VII van het Bkl. Binnen deze aandachtsgebieden moet er rekening worden gehouden met het groepsrisico.

De gemeente kan in het omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachtsgebied geldt, aanwijzen als voorschriftengebied. Dit is verplicht als er op die locatie zeer kwetsbare gebouwen toegestaan zijn. Binnen de voorschriftengebieden gelden er naast de standaardvoorschriften extra bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken. Het plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de minimale benodigde afstand die de initiatiefnemer aan moet houden tussen een risicovolle activiteit en de omgeving. Het plaatsgebonden risico geeft aan wat het maximale risico op overlijden in de buurt van een risicovolle mag zijn. Voor sommige activiteiten staat er in het Bkl een vaste afstand opgenomen. Voor andere activiteiten moet de initiatiefnemer de afstand berekenen aan de hand van het rekenvoorschrift dat is opgenomen in het Handboek Omgevingsveiligheid van het RIVM. Voor het plaatsgebonden risico maakt bijlage IV Bkl onderscheid in drie soorten gebouwen en twee soorten locaties: Zeer kwetsbare gebouwen. Hier moet in ieder geval een plaatsgebonden risico van één op de miljoen in acht worden genomen. Binnen het plaatsgebonden risico mogen geen zeer kwetsbare gebouwen gerealiseerd worden. Kwetsbare gebouwen en locaties: Ook hier geldt een plaatsgebonden risico van één op de miljoen. Hiervan kan worden afgeweken zolang het initiatief voldoet aan de voorwaarden uit het Bkl.

In dat geval kan er gedurende drie jaar maximaal een plaatsgebonden risico van één op de 100.000 gelden. Binnen het plaatsgebonden risico van één op de miljoen (of één op de 100.000) mogen geen kwetsbare gebouwen en locaties worden gerealiseerd. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. In principe geldt hier ook een plaatsgebonden risico van één op de miljoen. Er kan echter een andere afweging worden gemaakt. Bijlage VI van het Bkl legt uit in hoeverre een gebouw of locatie als kwetsbaar moet worden aangemerkt. Gebouwen met een woonfunctie worden bijvoorbeeld aangewezen als kwetsbaar. De indeling uit het Bkl is gemaakt aan de hand van de volgende afwegingen: 1. Hoeveel personen zijn er tegelijkertijd aanwezig? 2. Hoe lang zijn deze personen daar aanwezig? 3. In hoeverre kunnen deze personen zichzelf tijdens een incident in veiligheid brengen? Het groepsrisico Het Bkl legt uit dat grote groepen mensen ook beschermd moeten worden tegen de gevaren van een mogelijk ongeval bij een risicovolle activiteit. Dit wordt ook wel het groepsrisico genoemd. Het gaat hierbij om de kans dat er per jaar tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 lid 1 Bkl). Toetsing omgevingsrisico’s Op de Atlas Leefomgeving staan risicobronnen weergegeven.

Figuur 3 toont de ligging van de risicobronnen in de omgeving van de planlocatie en enkele zones daaromheen. Het gaat om de volgende risicobronnen:

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

51

Gifwolkaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. De spoorlijn ligt op circa 500 m afstand van het projectgebied. Het spoor kent een plaatsgebonden risico van circa 200 m. Daarnaast bedraagt het gifwolkaandachtsgebied circa 300 m. Het plangebied ligt buiten deze afstanden, waarmee deze risicobronnen voor het plangebied niet relevant zijn. Overige risicobronnen liggen op zodanige afstand dat zij voor de planlocatie niet relevant zijn.

Figuur 14: Risicobronnen in omgeving plangebied (bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie Alle risicobronnen liggen op zodanige afstand dat zij voor de planlocatie niet relevant zijn. De voorgenomen woningen zijn geen zeer kwetsbare gebouwen, zodat de voorschriftengebieden niet van rechtswege verplicht zijn. Voor gemeentelijke wegen zijn geen aandachtsgebieden aangewezen en daarmee ook geen (mogelijk) voorschriftengebied. Hierom bestaat geen wettelijke noodzaak tot het treffen van bouwkundige voorzieningen. Omgevingsveiligheid is geen belemmering om tot een evenwichtige toedeling van functies aan het plangebied te komen. 5.2.4 Geluid In de nieuwe situatie is geen sprake van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. Ter plaatse zijn geluidgevoelige bestemmingen al toegestaan en aanwezig in de vorm van zorgwoningen als onderdeel van het Zorgcentrum den Herdgang. Daarom is er geen (hernieuwde) toetsing noodzakelijk aan de standaard- en grenswaarde zoals gesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de nieuwe situatie is sprake van het transformeren van een bestaand vergund gebouw en geldt het van rechtens verkregen niveau op basis van de huidige gevelopbouw met dien verstande dat de bestaande, legale kwaliteit van het bouwwerk niet mag verslechteren.

Door DGMR is onderzoek gedaan naar de karakteristieke geluidwering van de bestaande als de nieuwe gevel op basis van het maatgevend appartement 0.14 gelegen aan de Kwaadeindstraat. Uit de berekeningen blijkt dat de nieuwe gevelopbouw voldoet aan het van rechtens verkregen niveau. 5.2.5 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

52

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden. Toetsing De activiteit dient te worden aangemerkt als een standaard geval NIBM zoals gesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit betekent dat er geen toetsing nodig is aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en fijn stof (PM10). Daarnaast blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat ter plaatse ruimschoots voldaan wordt aan de wettelijke omgevingswaarden.

Figuur 15: Luchtkwaliteit (bron: CIMLK) Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.2.6 Geur Paragraaf is niet van toepassing. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante agrarische of industriële geuremissie. Binnen het plan worden ook geen activiteiten mogelijk gemaakt met een relevante geuremissie naar de omgeving. Geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 5.2.7 Magneetvelden Paragraaf is niet van toepassing. De planlocatie ligt volgens de netkaart van het RIVM niet in de nabijheid van een hoogspanningslijn. 5.2.8 Trillingen Paragraaf is niet van toepassing. De locatie is op ruime afstand gelegen van het spoor. Trillingshinder vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. 5.2.9 Gezondheid Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. In het Bkl zijn een aantal instructieregels opgenomen, die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Er moet worden aangetoond dat de omgevingsplanwijziging geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Dit doet zich met name voor bij of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt de wijziging aan deze aspecten getoetst. Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de gezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

53

Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0". Hierin heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde opgenomen van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten zoals vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de provincie een geitenmoratorium ingesteld voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten. Dit betekent dat bestaande geitenhouderijen niet mogen uitbreiden en dat nieuwe geitenhouderijen niet zijn toegestaan. Aanleiding hiervoor vormden onderzoeken van het RIVM (VGO2 en vervolgonderzoeken, waaronder VGO3), waaruit blijkt dat mensen die binnen een straal van circa 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans hebben op longontsteking.

Vervolgonderzoek heeft deze relatie bevestigd, maar de exacte oorzaak is tot op heden niet vastgesteld. Om die reden wordt vanuit het voorzorgsbeginsel terughoudend omgegaan met nieuwe ontwikkelingen nabij geitenhouderijen. De provinciale regelgeving richt zich primair op de ontwikkeling van geitenhouderijen zelf. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient echter ook rekening te worden gehouden met de zogenoemde omgekeerde werking. Het initiatief betreft de herbestemming van een bestaand woonzorgcomplex en is gelegen binnen stedelijk gebied. In de omgeving zijn geen geitenhouderijen aanwezig binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied. Daarmee is het geitenmoratorium niet van invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Evenmin is er een andere veehouderij binnen 600 meter van het plangebied aanwezig. Spuitzones Bij boom- en fruitteelt worden er vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Door wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen, wordt er een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Er is in de wijde omgeving van het plangebied geen spuitzone aanwezig als gevolg van agrarische bedrijven waar bestrijdingsmiddelen gebruikt kunnen worden.

Hoogspanning De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Uit de kaart bovengrondse hoogspanningsleidingen met rekenafstand van de Atlas Leefomgeving blijkt dat de dichtstbijzijnde verbinding de lijn: Tilburg Noord – Best Deze 150 kV verbinding heeft een rekenafstand van 2x 90 meter maar ligt op circa 2,9 kilometer van het plangebied Tilburg Noord _ Tilburg West. Deze 150 kV verbinding heeft een rekenafstand van 2x 60 meter maar ligt op circa 2,9 kilometer van het plangebied Geertruidenberg - Eindhoven. Deze 380 kV verbinding heeft een rekenafstand van 2x 100 meter maar ligt op circa 3,4 kilometer van het plangebied.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

54

Figuur 16: Uitsnede kaart hoogspanningsleidingen Atlas Leefomgeving Hittestress Als gevolg van klimaatverandering neemt de frequentie en intensiteit van warme perioden toe. Dit kan leiden tot hittestress, met name in stedelijke gebieden waar verharding en bebouwing zorgen voor het vasthouden van warmte (het zogenoemde hitte-eilandeffect). Hittestress kan negatieve effecten hebben op de volksgezondheid, zoals hittestuwing, uitdroging en verergering van bestaande aandoeningen. Kwetsbare groepen, zoals ouderen en zorgbehoevenden, zijn extra gevoelig voor hittestress. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling betrekking heeft op een woonzorgfunctie, is dit aspect nadrukkelijk van belang. De mate van hittestress wordt beïnvloed door factoren zoals de aanwezigheid van groen, water, schaduw, ventilatiemogelijkheden en de mate van verharding. Binnen het plangebied is sprake van een bestaande stedelijke situatie. Bij de verdere uitwerking van het plan wordt, waar mogelijk, rekening gehouden met het beperken van hittestress, bijvoorbeeld door het toepassen van voldoende groen, het realiseren van schaduwplekken en het voorkomen van overmatige verharding. Daarnaast worden gebouwen gerealiseerd en/of aangepast conform de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarmee onder andere wordt voorzien in een adequaat binnenklimaat en voldoende ventilatiemogelijkheden.

Gelet op het voorgaande vormt hittestress geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en is sprake van een aanvaardbaar en gezond leefklimaat. Conclusie Voor het aspect gezondheid is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gezondheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. 5.2.10 Bodem Het grondbeleid van de Omgevingswet is gebaseerd op de volgende drie pijlers: 1. preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting van de bodem (algemene en specifieke zorgplicht); 2. toedeling van functies: de bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving; 3. beheer historische verontreinigingen: het duurzaam en doelmatig omgaan met historische verontreinigingen. Vaak maakt een omgevingsplanwijziging de bouw van nieuwe bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie mogelijk. In dat geval moet er op grond van artikel 5.89i Bkl via een onderzoek als bedoeld in artikel 5.7g Bal bewezen worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiervoor

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

55

moet de gemeente volgens artikel 5.89i in het omgevingsplan waarden opnemen die uitleggen wat de toelaatbare kwaliteit van de bodem moet zijn voordat er een bodemgevoelig gebouw gebouwd kan worden. Om dit te kunnen beoordelen, moet de gemeente volgens artikel 5.89i waarden in het omgevingsplan opnemen die aangeven wat de toelaatbare kwaliteit van de bodem is voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Er kan alleen van deze waarden worden afgeweken als er sanerende maatregelen worden getroffen. Een locatie is bodemgevoelig als het omgevingsplan of een omgevingsvergunning op die plek een bodemgevoelig gebouw toestaat. Een terrein dat aansluit aan een bodemgevoelige locatie, zoals een tuin aan een woning, is ook een bodemgevoelige locatie. Een gebouw is bodemgevoelig als het gebouw de grond raakt en als personen minstens twee uur per dag in dat gebouw aanwezig kunnen zijn. Conclusie Voor het aspect bodem is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan omdat er alleen intern verbouwd gaat worden en er komt geen gevoeligere functie in de bebouwing.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

56

6 Hoofdstuk 6 Adviesrecht 6.1

Adviesrecht gemeenteraad

Op 1 juli 2024 heeft de gemeenteraad besloten om categorieën van gevallen aan te wijzen, waarvoor de gemeenteraad een bindend advies dient uit te brengen ten aanzien van afwijking van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 16.15 Omgevingswet. De in het raadsbesluit aangewezen categorieën zijn gebaseerd op de raadsbesluiten van 15 juli 2021 en 14 november 2022 en overwegend beleidsneutraal omgezet naar categorieën waarop adviesrecht van toepassing is. Het advies van de raad is een bindend advies. Hoewel het woord ‘advies’ anders suggereert, is het oordeel van de raad bepalend: uit artikel 16.15 Omgevingswet volgt dat het college het advies van de raad in acht moet nemen. Daarvan mag niet worden afgeweken. Voor de volgende categorieën is een bindend advies van de gemeenteraad vereist voordat het college een besluit mag nemen over de aanvraag omgevingsvergunning: Woonactiviteiten Het toevoegen van meer dan 50 woningen, uitgezonderd tijdelijke woningen en/of onzelfstandige studentenhuisvesting voor een duur van maximaal 15 jaar en tot een maximum van 200 woningen, voor zover deze onderdeel uitmaken van het project ‘Tijdelijke woningen, gemeente Tilburg’. Overige activiteiten Het realiseren of uitbreiden van de volgende gebruiksactiviteiten: a. Agrarische activiteiten, voor zover deze niet in overeenstemming zijn met een vooraf door de gemeenteraad vastgesteld beleidskader; b.

Detailhandelsactiviteiten met een oppervlakte groter dan 500m² bvo; c. Maatschappelijke activiteiten, voor zover sprake is van een maatschappelijk gevoelig initiatief; d. Horeca-activiteiten, voor zo ver sprake is van grootschalige horeca (> 500 m² bvo); e. Bedrijfsactiviteiten, voor zo ver sprake is van: activiteiten buiten bestaande bedrijventerreinen die vallen in of vergelijkbaar zijn met de milieucategorie 3.1 en hoger volgens de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering, of; activiteiten buiten bestaande bedrijventerreinen met een oppervlakte groter dan 5.000 m² bvo, of; grootschalige opwek of opslag van energie. Uitzonderingen a. activiteiten genoemd onder categorie 1 of 2 die in overeenstemming zijn of rechtstreeks passen binnen de kaders van één van de volgende door de gemeenteraad geaccordeerde stukken: Koersdocument Spoorzone; Koersdocument Stappegoor; Masterplan Landschapspark Pauwels; Stedenbouwkundige visie gebiedsontwikkeling Piushaven. b. weigering van een omgevingsvergunning voor activiteiten genoemd onder categorie 1 of 2. Toetsing adviesrecht gemeenteraad Het initiatief voorziet in de herbestemming van een bestaand woonzorgcomplex naar circa 100 zelfstandige en onzelfstandige wooneenheden, bedoeld voor studenten, met behoud van maatschappelijke functies in het centrale deel van het gebouw.

Conform het gemeentelijke beleid is het adviesrecht van de gemeenteraad van toepassing bij woonactiviteiten die meer dan 50 woningen toevoegen, met uitzondering van tijdelijke onzelfstandige studentenhuisvesting voor een duur van maximaal 15 jaar binnen het project ‘Tijdelijke woningen, gemeente Tilburg’. In dit geval betreft het een permanente herbestemming en maakt het plan geen onderdeel uit van het gemeentelijke project voor tijdelijke studentenhuisvesting. Het initiatief valt daarmee niet onder de uitzondering en voldoet aan de criteria waarbij het adviesrecht van de gemeenteraad van toepassing is.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

57

Conclusie Het adviesrecht van de gemeenteraad is van toepassing op dit initiatief, aangezien sprake is van een permanente toevoeging van meer dan 50 (studenten)woningen binnen bestaand stedelijk gebied.

6.2

Adviesrecht provincie

Toetsing adviesrecht provincie Noord-Brabant Het initiatief betreft de herbestemming van een bestaand woonzorgcomplex binnen het stedelijk gebied van Tilburg. De ontwikkeling omvat geen nieuwe stedelijke uitbreiding, grootschalige infrastructuur of activiteiten die een provinciaal belang raken, zoals natuur, water, energie of landbouw. Daarmee valt het initiatief niet onder de activiteiten waarvoor het adviesrecht van de provincie Noord-Brabant van toepassing is. In de voorbereidingsfase is ambtelijk overleg gevoerd met de provincie, waarin is bevestigd dat de herontwikkeling past binnen de provinciale beleidskaders voor zorgvuldig ruimtegebruik en binnenstedelijke transformatie. Conclusie: Het adviesrecht van de provincie Noord-Brabant is niet van toepassing op dit initiatief. Wel is in overleg met de provincie afgestemd dat het plan past binnen de uitgangspunten van de provinciale Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

58

7 Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 7.1

Financieel economische haalbaarheid

Toetsing uitvoerbaarheid Maatschappelijk: Het plan voorziet in een breed gedragen woningbehoefte en draagt bij aan de leefbaarheid van de wijk door transformatie van leegstaand vastgoed. Tijdens de voorbereiding is overleg gevoerd met de gemeente en zijn omwonenden geïnformeerd. Verwacht wordt dat de ontwikkeling maatschappelijk acceptabel is, mede doordat de maatschappelijke functies deels behouden blijven. Economisch De initiatiefnemer draagt de kosten van de herontwikkeling en er wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de gemeente waarin kostenverhaal en eventuele planschade zijn geregeld. Voor de gemeente zijn er geen financiële risico’s verbonden aan dit project. Juridisch Het initiatief voldoet aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, sluit aan bij de Omgevingsvisie van gemeente en provincie en voldoet aan milieuwetgeving (geluid, luchtkwaliteit, bodem, natuur). Er zijn geen juridische belemmeringen geconstateerd. Dus het initiatief is maatschappelijk, economisch en juridisch uitvoerbaar. Conclusie Het initiatief is maatschappelijk, economisch en juridisch uitvoerbaar.

7.2

Kostenverhaal en nadeelcompensatie

Ten behoeve van de gemeentelijke plan- en apparaatskosten heeft de initiatiefnemer leges betaald. Voor het verhalen van een bijdrage aan de reserve bovenwijkse voorzieningen en het aanpassen van de openbare ruimte is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin zijn eveneens afspraken gemaakt over het kostenverhaal van eventueel uit deze omgevingsvergunning voortvloeiende nadeelcompensatie. De kosten zijn daarmee anderszins verzekerd en er zijn geen redenen om een exploitatieplan (in ontwerp) vast te stellen. Gelet op het voorgaande zijn hierdoor de gemeentelijke kosten gedekt en is het project economisch uitvoerbaar.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

59

8 Hoofdstuk 7 Belangenafweging en conclusie 8.1

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’ hoofdstuk 2). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling. Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) onderzocht en afgewogen. Conclusie Het initiatief voorziet in de herbestemming van een grotendeels leegstaand woonzorgcomplex naar een gemengde bestemming met wonen en maatschappelijke functies. Daarmee wordt voorzien in circa 100 nieuwe wooneenheden in de westvleugel, naast de 56 bestaande appartementen in de oostvleugel, terwijl het centrale deel behouden blijft voor maatschappelijke activiteiten.

De ontwikkeling vervult een duidelijke behoefte aan nieuwe woningen, voorkomt langdurige leegstand en versterkt de leefbaarheid in de wijk. Het initiatief sluit hiermee goed aan bij het gemeentelijke en provinciale beleidskader voor binnenstedelijke herontwikkeling en zorgvuldig ruimtegebruik. De effecten op de fysieke leefomgeving zijn positief: het plan benut bestaande bebouwing, beperkt verharding en versterkt de sociale structuur van de wijk. Eventuele nadelige effecten, zoals extra verkeer of parkeerdruk, blijven binnen aanvaardbare normen en kunnen met passende maatregelen worden opgevangen. Door de belangen van woningbouw, leefbaarheid, maatschappelijke continuïteit en ruimtelijke kwaliteit zorgvuldig tegen elkaar af te wegen, ontstaat een evenwichtige verdeling van functies op de locatie. Het initiatief versterkt de vitaliteit, duurzaamheid en sociale samenhang van de wijk en is daarmee ruimtelijk aanvaardbaar binnen de kaders van de Omgevingswet en het gemeentelijk beleid.

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving – Den Herdgang, Berlagehof 60 – 20260408

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16919429/2