CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Nota van zienswijzen omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Hopliedenkade'

Raadsvergadering 8 juni 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Hopliedenkade14.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Notitie behandeling zienswijzen wijziging omgevingsplan ‘TAM omgevingsplan H22l Hopliedenkade’ en ontwerp omgevingsvergunning Hopliedenkade fase 1 De ontwerpbesluiten:  wijziging omgevingsplan ‘TAM omgevingsplan H22l Hopliedenkade’  ontwerp omgevingsvergunning Hopliedenkade fase 1 (Z2025-00008565) hebben van 27 oktober 2025 tot en met 8 december 2025 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Er zijn 5 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn tijdig ingekomen en zodoende ontvankelijk. Hierna volgt een zakelijke puntsgewijze samenvatting van de ingekomen zienswijzen en het standpunt van de gemeente hierover. Het standpunt is gebaseerd op de volledige tekst van de zienswijzen; er heeft een integrale beoordeling plaatsgevonden. N.B.: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van particuliere personen geanonimiseerd weergegeven. Er zijn zienswijzen tegen het ontwerp bestemmingsplan en/of ontwerp omgevingsvergunning ingediend door: Zienswijze 1

Bewoner Tamboerskade 8 5021 HK Tilburg

Zienswijze 2

Linssen CS advocaten namens bewoners Koopvaardijstraat 1-29 5017 BE Tilburg

Zienswijze 3

Bewoner Slotstraat 2 5021 BH Tilburg

Zienswijze 4

Bewoner Piushaven 36 5017 AP Tilburg

Zienswijze 5

Bewoner Vendeliersstraat 70 5021 HM Tilburg

Zienswijze 1 – Bewoner Tamboerskade 8 5021 HK Tilburg Zienswijze op het ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan ‘TAM omgevingsplan H22l Hopliedenkade’ en ontwerpbesluit omgevingsvergunning Hopliedenkade fase 1 (Z2025-00008565) 1.1

Zienswijze – ontwikkeling heeft een negatief effect op gebruik Piushaven

Reclamant is bewoner van een schip in de Piushaven. Reclamant stelt dat een gedegen windtunnelonderzoek ontbreekt en dat de windberekeningen en plaatjes enkel gericht zijn op het land en niet op het water. Reclamant stelt dat er ernstige hinder van wind gaat optreden op het water met name aan de noordzijde van de gebouwen en dat dit een negatief effect heeft op het gebruik van de Piushaven als haven. Reclamant stelt dat dit kan zorgen voor gevaarlijke situaties voor de scheepvaart in de haven en het verblijf aan boord van afgemeerde schepen.

Reactie gemeente

Conform het hoogbouwbeleid van de gemeente (Handreiking hoogbouw, mei 2017, reparatie juni 2023) is een windonderzoek gedaan om aan te tonen dat de negatieve effecten van de te verwachten windstromen in de openbare ruimte beperkt zijn. Het onderzoek is uitgevoerd met de Computational Fluid Dynamics (CFD) onderzoeksmethode. Hierbij is er getoetst aan richtwaarden van de windhinderklassen per beoogde activiteit van de voetganger conform de NEN 8100 (2006). Deze NEN norm wordt in Nederland algemeen gebruikt als beoordelingskader. Volgens deze NEN norm kan zowel een windtunnelonderzoek als de CFD onderzoeksmethode gebruikt worden. Uit dit onderzoek blijkt dat er een aanvaardbaar windklimaat per beoogde activiteit van de voetganger te verwachten is. . In het windonderzoek, dat is toegevoegd aan de onderbouwing van het Omgevingsplan, was het water buiten beschouwing gelaten gezien de reikwijdte van de NEN 8100. Het water is echter wel een onderdeel van de openbare ruimte en dient op grond van het Hoogbouwbeleid meegenomen te worden in de beoordeling van het windonderzoek. Er is

een oplegnotitie gemaakt waarbij het water is meegenomen. Uit het windonderzoek blijkt dat er een overwegend mild windklimaat op het water van de Piushaven heerst met overwegend de meest gunstige windhinderklasse A, beperkt B en een minimale hoeveelheid windhinderklasse C. Deze laatste klasse wordt beschouwd als goed geschikt voor de activiteit doorlopen en kan ook als maatgevend worden beschouwd voor activiteiten op het water, waardoor overwegend een zeer gunstig windklimaat aanwezig zal zijn. De oplegnotitie zal als bijlage bij de motivering van het omgevingsplan worden gevoegd.

Conclusie

Het windonderzoek is aangevuld. Uit het onderzoek blijkt dat ook op het water het windklimaat aanvaardbaar is. De motivering van het omgevingsplan wordt hiermee aangevuld.

Conclusie: De zienswijze is gedeeltelijk gegrond en leidt tot aanpassing van het omgevingsplan, in die zin dat het windonderzoek is aangevuld en in de motivering de gevolgen voor het water ten aanzien van wind wordt opgenomen. Zienswijze 2 – Linssen CS advocaten namens bewoners Koopvaardijstraat 1-29 5017 BE Tilburg Zienswijze op het ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan ‘TAM omgevingsplan H22l Hopliedenkade’ 2.1

Zienswijze – privacy, uitzicht en woongenot

Reclamanten zijn woonachtig in het penthouse op de bovenste verdieping van het complex De Koopvaardij dat is voorzien van een ruim terras aan de havenzijde. De woning en buitenruimten bevinden zich op 22-23 meter hoogte op een zeer korte afstand van circa 55 meter tot de ontwikkeling. De huidige bebouwing in de omgeving van de woning van cliënten is lager. Reclamanten hebben bezwaar tegen de hoogte van de woontorens 1, 3 en 4 met een bouwhoogte van respectievelijk 40, 51 en 32 meter. Momenteel hebben reclamanten een vrij uitzicht vanaf het terras met wellnessgedeelte naar de haven. Er is momenteel geen sprake van inkijk. De bouwhoogte van de nieuwe ontwikkeling heeft een enorm effect voor het uitzicht en privacy van reclamanten. Uit de toelichting op het ontwerpplan blijkt niet dat er rekening is gehouden met de situatie van reclamanten. Reclamanten stellen dat strijd is met het hoogbouwbeleid ‘Handreiking hoogbouw, mei 2017, reparatie juni 2023’ (hierna: Handreiking) waarin staat dat altijd getoetst moet worden op lokale effecten en expliciet naar uitzicht en privacy. Over uitzicht staat in de Handreiking dat het uitzicht vanaf omliggende

bebouwing inzichtelijk moet worden gemaakt middels kaartbeelden en fotocollages. Daarbij moet inzicht worden gegeven in de argumentatie van toelaatbaarheid en worden gemotiveerd hoe negatieve effecten kunnen worden beperkt. Dit alles ontbreekt over de situatie van reclamanten. Reclamanten stellen dat de 3D beelden die aan hen zijn getoond niet overeenkomen met de werkelijkheid en deze beelden ontbreken bij het voorliggende besluit. Voor wat betreft privacy had aan moeten worden getoond wat de effecten zijn van de beoogde nieuwbouw op de omliggende bebouwing en welke maatregelen worden getroffen om de privacy te beschermen. Er is echter enkel benoemd dat een afstand van 55 meter voldoende privacy waarborgt en een verdere motivering ontbreekt. Reactie gemeente

In de Handreiking hoogbouw, mei 2017, reparatie juni 2023 wordt een afstand van 25 meter genoemd als een afstand die relevant is voor nabijheid en privacy. Deze afstand is gebaseerd op het herkennen van gezichtsuitdrukkingen in de toneelwereld. 25 Meter wordt aangehouden als een maat waarbinnen wordt gevraagd om aan te tonen welke maatregelen genomen moeten worden om de privacy te beschermen. Nu reclamant op een afstand van meer dan 2x deze maat woonachtig is, stellen wij dat in het kader van de privacy de nieuwbouw ver genoeg van de woning van reclamant is gelegen. De afstand van de grens van het omgevingsplan tot het appartement van reclamant is circa 55 meter. De afstand tot het uitkragend terras van het laagste gebouw ligt verder, namelijk op minimaal 62m afstand vanaf het balkon van reclamant.

De minimale afstand tussen de “Koopvaardij” en de bouwvlakken van de hogere gebouwen 1, 3 en 4 is respectievelijk 130 meter, 86,5 meter en 82 meter.

Gebouw 1: - De kijkhoek ligt hoger, daarmee ook de afstand tot het bestaande terras. - Het gebouw is 40m maar de hoogste vloer ligt op 34m. Dit omdat de hoogte wordt gebruikt voor schuine daken (architectonisch) en geen werkelijke gebruiksverdieping is. - De afstand is ca. 5,2x zoveel als vereiste 25m conform hoogbouwbeleid.

Gebouw 3: - De kijkhoek ligt hoger, daarmee ook de afstand tot het gebouw - Het gebouw krijgt ligt 2,5, terug vanaf 10e laag - Afstand is ca. 3,6x zoveel als de vereiste 25m conform hoogbouwbeleid - De kijkafstand is op hoogste verdieping 91m

Gebouw 4: - De kijkhoek ligt min of meer op dezelfde hoogte - Er wordt niet op het terras neergekeken - Afstand is ca. 3,3x zoveel als de vereiste 25m conform hoogbouwbeleid Met de voorgestelde posities van de gebouwen is rekening gehouden met privacy en het uitzicht van de bewoners in de bestaande omgeving. Dit is redelijkerwijs gedaan zoals te verwachten is in dit dynamische stadsdeel. De impact op het uitzicht en privacy is reeds inzichtelijk gemaakt. In de motivering van het Omgevingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 “Regiedocument”. In dit document zijn diverse afbeeldingen opgenomen waarbij inzichtelijk is gemaakt hoe met de bebouwing de aansluiting op de omgeving wordt gemaakt. Er zijn hierbij diverse standpunten aangehouden. Op pagina 88/89 en 96 van het Regiedocument zijn

beelden opgenomen vanuit de noordoosthoek van het plan, waar onder ander het appartement van reclamant ligt. De in het Regiedocument opgenomen beelden zijn gemaakt op basis van een 3D model. Dit dynamische 3D model is als service aan reclamanten getoond, als aanvulling op de beelden die al in het regiedocument staan. In de motivering van het Omgevingsplan is aangegeven dat door de grote afstand tot de bebouwing aan de zijde van de haven de voorgestelde hoogte aanvaardbaar wordt geacht. Wij hebben de belangen afgewogen en vinden het belang van het voorzien in een grote behoefte aan woningen groter dan het belang van reclamanten tot eenzelfde uitzicht en privacy. Wij wijzen erop dat reclamanten woonachtig zijn in een dynamisch stedelijk gebied. Daarbij bestaat er op grond van vaste jurisprudentie geen blijvend recht op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld uitspraak van 20 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1159, onder 10). De afdeling heeft in haar uitspraak van 3 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4, onder 7) geoordeeld, dat met name bij een binnenstedelijke ontwikkeling er minder snel dan bij een buitenstedelijke ontwikkeling sprake is van een onevenredige schending van privacy en verlies van uitzicht. Enig verlies van privacy en uitzicht behoort daarmee tot het normale maatschappelijke risico, wanneer er wordt gebouwd in een omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid.

2.2

2.3

Conclusie

Het appartement van reclamanten is op ruim voldoende afstand gelegen van de nieuwe bebouwing. Enig verlies van privacy en uitzicht behoort tot het normale maatschappelijke risico.

Zienswijze – besluit is onzorgvuldig voorbereid

Reclamanten stellen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 jo. 3:4 jo. 3:46 Awb. Reclamanten stellen dat er geen belangenafweging plaats heeft gevonden.

Reactie gemeente

Wij delen de mening van reclamanten niet dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. De ontwikkeling is uitgebreid gemotiveerd waarbij ook is ingegaan op privacy en uitzicht. In de motivering is onder andere aangegeven dat de twee hoogste bouwvolumes zich respectievelijk op minimaal 86 meter en 130 meter afstand van de bestaande woningen bevinden en dat, gezien deze afstand, de impact op de privacy aanvaardbaar wordt geacht. Hiermee is ook de afstand van het appartement van reclamanten tot de beoogde nieuwbouw in overweging genomen. Zoals bij punt 1.1 aangegeven is deze afstand met 62 meter zodanig groot, dat verder ingaan op de privacy en het uitzicht vanaf het appartement en dakterras van het appartement van reclamanten conform het hoogbouwbeleid niet relevant is. Het feitelijk gebruik van het dakterras doet daar niets aan af. Dat niet het persoonlijke belang van reclamanten is benoemd in de motivering, neemt niet weg dat er een algemene belangenafweging plaats heeft gevonden, zoals is hoofdstuk 7 van de motivering is opgenomen. Uit de motivering is geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals hierboven reeds vermeld vinden wij het belang van het voorzien in een grote behoefte aan woningen groter dan het belang van reclamanten tot eenzelfde uitzicht en privacy.

Conclusie

Het besluit is voorzien van een uitgebreide en deugdelijke motivering en is daarmee niet in strijd met artikel 3:2, jo 3:4, jo 3.46 Awb genomen.

Zienswijze – aanpassingen aan de planregels

Reclamanten zijn van mening dat in de planregels had moeten worden bepaald dat een omgevingsvergunning enkel kan worden verleend indien wordt voldaan aan het gestelde in de Handreiking inzake uitzicht en

noodzakelijk

privacy, zoals ook voor bezonning en windhinder is gedaan. Daarnaast zijn reclamanten van mening dat artikel 13.3.7. c in de regels moet worden geschrapt, aangezien op grond van deze regel balkons nog eens 2,5 meter uit mogen steken en dus dichter op de woning van reclamanten kan worden gebouwd. Uit het plan blijkt nergens dat hier zorgvuldig naar is gekeken. In de planregels wordt een koppeling gemaakt met de kavelpaspoorten. Ook daaruit blijkt dat buitenruimten maximaal 2 meter mogen uitkragen ten opzichte van de uiterste rooilijn en is het concreet toegestaan om op de bovenste verdiepingen overal uitkragende balkons te realiseren. Reclamanten wijzen erop dat dat juist de verdiepingen zijn vanaf waar rechtstreeks uitzicht zal bestaan op de woningen van reclamanten. Zij zijn van mening dat balkons aan de noord- en westzijde van de gebouwen, op een grotere hoogte dan 20 meter zouden moeten worden uitgesloten, dan wel zouden daar afschermende maatregelen moeten worden getroffen. Het inrichtingsplan en de groene aankleding en inpassing van de gebouwen is op geen enkele wijze geborgd in het omgevingsplan. Het plan is om die reden gebrekkig.

Reactie gemeente

Wij delen de mening van reclamanten niet, dat in de regels een voorwaarde voor wat betreft uitzicht en privacy had moeten worden opgenomen. Het plan is op voorhand getoetst aan de gevolgen van de ontwikkeling op privacy en uitzicht op de omliggende woningen. Hierbij is geoordeeld dat de afstanden van de bouwvlakken in combinatie met de toegelaten bouwhoogten de privacy en uitzicht van omliggende woningen voldoende waarborgt. De bouwvlakken en hoogten zijn hier ook op afgestemd. Dat in de regels wél regels zijn opgenomen ten aanzien van windhinder en bezonning komt omdat windhinder, alsmede bezonning, mede afhankelijk is van de vorm van het gebouw en in deze ook toetsbaar is. Ook delen wij de mening van reclamanten niet dat artikel 13.3.7 sub c uit de regels zou moeten worden geschrapt. In artikel 13.3.7 sub k worden middels de kavelspaspoorten nadere eisen gesteld aan de posities van de balkons. De positie van de uitkragende balkons aan noord en westgevel vinden wij zoals aangegeven is in de kavelpaspoorten aanvaardbaar, ook ten opzichte van het appartement van reclamanten. Om de impact op privacy en uitzicht aan sommige zijden te beperken zijn er nadere regels in de kavelpaspoorten opgenomen. Op sommige plekken zijn geen uitkragende balkons toegestaan.

Wel wordt artikel 13.3.7 sub c gewijzigd in die zin dat, analoog aan de kavelpaspoorten, de balkons maximaal 2 meter mogen uitkragen. Ten onrechte is in artikel 13.3.7 sub d de verwijzing naar de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – balkon’ opgenomen, nu deze niet op de verbeelding voorkomt. Daarbij vloeit deze beperking voort uit de kavelpaspoorten waarin in artikel 13.3.7 sub k naar wordt verwezen. Artikel 13.3.7 sub d zal worden geschrapt uit de regels. Dit heeft echter geen gevolg voor de omgevingsvergunning voor fase 1, omdat deze regel overbodig was, nu ook wordt verwezen naar de kavelpaspoorten waarin ditzelfde is geregeld. Inderdaad is in het ontwerp omgevingsplan de groene aankleding van de gebouwen en het inrichtingsplan niet geborgd in de regels. Met de groene inrichting van de buitenruimte en het toepassen van gevelgroen wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke eisen t.a.v. de stadsnatuurkaart, het bomenbeleid, de klimaatscore tool, de nota biodiversiteit en het puntensysteem natuurinclusief bouwen. Hiervoor

worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Berging van regenwater 60 liter per m2 verhard oppervlak  Oppervlakte groen: minimaal de huidige oppervlakte + 40% van de oppervlakte van de ontwikkeling (conform rekenmethodiek klimaatscore tool)  Compensatie klimaatwaarde bomen: minimaal hetzelfde kroonvolume oppervlakte bij het vellen van een boom met een minimale omtrek van 40cm op 1,3m hoogte boven maaiveld  Schaduw: minimaal 40% op looproutes  Natuurinclusief bouwen: score van minimaal 21 punten van de maximaal te scoren punten, te weten 7 voor dak en gevel, 10 voor (dier)verblijven in gebouw en 13 voor omgeving van het gebouw waarbij rekening wordt gehouden met de beoogde gidssoorten. In de regels van het omgevingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarbij bovenstaande uitgangspunten als voorwaarde voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden gesteld. Hiermee wordt de inrichting van de buitenruimte en het gebruik van gevelgroen geborgd. Zie ook onze reactie bij zienswijze 2.10.

2.4

Conclusie

Het appartement van reclamanten is op ruim voldoende afstand gelegen van de nieuwe balkons. Artikel 13.3.7 sub c wordt gewijzigd naar 2 meter en artikel 13.3.7 sub d wordt uit de regels geschrapt. Er wordt een voorwaardelijke verplichting voor het gevelgroen en inrichting buitenruimte opgenomen.

Zienswijze – windhinder

Uit het windonderzoek volgt dat ter plaatse van de noordwesthoek van gebouw 3 en de noordzijde van gebouw 4 geen sprake is van een comfortabel windklimaat. Daarbij zijn de effecten enkel op voetgangersniveau in beeld gebracht en stellen reclamanten dat op de verdiepingen van de woontorens de effecten op het windklimaat nog groter zullen zijn. Uit het windonderzoek blijkt dat juist aan de noord- en westzijde van gebouw 3, de noordzijde van gebouw 4 en aan de westzijde van gebouw 1 zeer relevante effecten aan de orde zijn. Het realiseren van buitenruimten, en toch zeker uitkragende balkons, is volgens reclamanten, gelet op het windklimaat, ongeschikt. Ook gezien deze effecten hadden balkons aan deze zijden van de gebouwen uit moeten worden gesloten. Reclamanten wijzen erop dat artikel 13.3.7 van de regels, waarin is bepaald dat enkel een omgevingsvergunning mag worden verleend indien sprake is van een aanvaardbaar windklimaat rondom het gebouw, niet is voorzien van objectieve en toetsbare normen. Bovendien is niet voorzien in de toetsing van de effecten van wind op de buitenruimten behorende bij de gebouwen.

Reactie gemeente

Wij delen de mening van reclamanten niet dat het realiseren van buitenruimten en met name de uitkragende balkons gelet op het windklimaat ongewenst is. Reclamant geeft aan dat relevante effecten ten aanzien van wind op bepaalde plaatsen rondom het gebouw aan de orde zijn. Dit is echter enkel getoetst op maaiveldniveau en niet op hoogte. Wij wijzen erop dat het hoogbouwbeleid zich op het windklimaat in de openbare ruimte (op maaiveld) richt. Het windklimaat op hoogte (bijvoorbeeld balkons) is geen toetsingskader. Terecht wordt door reclamanten opgemerkt dat de term ‘aanvaardbaar’ onvoldoende objectief en toetsbaar is. De NEN 8100:2006, op grond waarvan het windonderzoek is uitgevoerd, spreekt over

windhinderklassen. Een windklimaat met een minimale kwaliteitsklasse C voor verblijf en D voor doorlopen achten wij een aanvaardbaar windklimaat in de openbare ruimte. Overigens betekent ‘slecht’ niet dat er sprake is van een onveilige situatie. De norm in NEN8100:2006 geeft enkel aan hoe windhinder en windgevaar worden geclassificeerd, maar niet wanneer iets acceptabel is. De Handreiking hoogbouw, mei 2017, reparatie juni 2023 kent op zich geen eisen wanneer het windklimaat acceptabel (aanvaardbaar) kan worden bevonden. Dat neemt niet weg dat wij, voor dit plan, minimaal windhinderklasse D eisen. Met het opnemen in de regels van deze windhinderklasse achten wij dit voldoende objectief en toetsbaar. Dit heeft echter geen gevolg voor de omgevingsvergunning voor fase 1, omdat hieraan wordt voldaan.

2.5

Conclusie

Het windhinderklimaat wordt enkel op de begane grond in de openbare ruimte getoetst. In artikel 13.3.7 sub j. van de regels wordt ‘aanvaardbaar’ aangevuld met ‘minimaal windhinderklasse C voor verblijf en D voor doorlopen’.

Zienswijze – uitgangspunten stikstof niet reëel

In de stikstofmemo is voor de bouwfase als uitgangpunt genomen dat de uitvoering van het bouwproject uitsluitend met elektrisch materieel zal worden verricht. Reclamanten zijn van mening dat dit geen reëel en aannemelijk uitgangspunt is gelet op de enorme omvang van het bouwproject. Daarnaast is in de regels nergens geborgd dat in de bouwfase gebruik zal worden gemaakt van elektrisch materieel en is derhalve niet deugdelijk onderbouwd dat het plan geen significante gevolgen heeft voor een nabijgelegen Natura 2000 gebied.

Reactie gemeente

Reclamant vindt het uitgangspunt dat de uitvoering van het project uitsluitend met elektrisch materieel zal worden verricht niet aannemelijk gezien de enorme omvang van het project. In de memo stikstof van 1 oktober 2025 zijn de uitgangspunten voor de bouwfase benoemd. Naast dat hierin is aangegeven dat het bouwproject uitsluitend met elektrisch materieel wordt verricht, zijn als worst-case de trilplaat, minigraver en grondwals op benzine of diesel ingevoerd en is rekening gehouden met een post onvoorzien van 200 uur voor werktuigen met een vermogen > 75 kW, met gemiddeld verbruik van 15 liter diesel per uur en 6% AdBlue. Daarnaast is voor stationair draaiende wegvoertuigen en het manoeuvreren van wegvoertuigen in de berekening ten behoeve van de emissie Nox en NH3 de methode gehanteerd die in de ‘instructie gegevensinvoer’ van BIJ12 staat beschreven. Wij vinden deze uitgangspunten redelijk en zien geen redenen om te twijfelen aan de aannemelijkheid hiervan. Wij wijzen op de uitspraak van 10 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4335). In deze uitspraak stelt de afdeling dat zij geen reden zien om niet uit te mogen gaan van hetgeen in de stikstofberekening als uitgangspunt is ingeschat, zoals de elektrische toepassing van mobiele werktuigen.

De Afdeling ziet in deze dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de stikstofemissies vanwege de bouwfase van de in het plan voorziene woningen in het stikstofonderzoek zijn onderschat. Reclamanten verwijzen naar een uitspraak van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3228) waarin het gebruik van elektrisch materieel is geborgd in de planregels. Naar aanleiding van deze opmerking van reclamant borgen wij in de regels dat voldaan moet worden aan de uitgangspunten uit het stikstofonderzoek, dat als bijlage bij de regels zal worden gevoegd. Dit heeft echter geen gevolg voor de omgevingsvergunning voor fase 1, omdat hieraan wordt voldaan.

Conclusie

Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de uitgangspunten zoals opgenomen in het stikstofonderzoek. In de regels van het omgevingsplan wordt geborgd dat voldaan moet worden aan de uitgangspunten uit het stikstofonderzoek.

Zienswijze op het ontwerpbesluit omgevingsvergunning Hopliedenkade fase 1 (Z2025-00008565) 2.6

Zienswijze – privacy, uitzicht en woongenot

Reclamanten zijn het niet eens met de voorgenomen bouwhoogte van gebouw 1. Het gebouw met een hoogte van 39 meter, raampartijen op 37 meter en balkons op ruim 33 meter is significant hoger dan de huidige bebouwing (de Residentie) en vormt een onevenredige aantasting van de privacy en uitzicht van de woning van reclamanten. Reclamanten wijst op het ontwerp van noord- en westgevel, waarbij op de 6 e tot en met de 9 e verdieping is gekozen voor uitkragende balkons en de noordgevel waarbij op de bovenste verdiepingen veel ramen zijn voorzien. Reclamanten zijn van mening dat hierdoor direct zicht ontstaat op hun woning. Reclamanten stellen dat op geen enkele wijze rekening is gehouden met de gevolgen voor hen. Zij zijn van mening dat de uitkragende balkons op een hoogte van meer dan 20 meter aanpassing behoeven.

Reactie gemeente

In de Handreiking hoogbouw, mei 2017, reparatie juni 2023 wordt een afstand van 25 meter genoemd als een afstand die relevant is voor nabijheid en privacy. Deze afstand is gebaseerd op het herkennen van gezichtsuitdrukkingen in de toneelwereld. 25 Meter wordt aangehouden als een maat waarbinnen wordt gevraagd om aan te tonen welke maatregelen genomen moeten worden om de privacy te beschermen. Nu reclamanten op een afstand van ruim 130 meter tot gebouw 1 en 128 meter van de uitkragende balkons woonachtig zijn, stellen wij dat in het kader van de privacy de nieuwbouw ver genoeg van de woning van reclamant is gelegen. Deze afstand is zodanig groot, dat verder ingaan op de privacy en het zicht op het appartement en dakterras van het appartement van reclamanten niet relevant is. Het uitzicht vanuit het appartement verandert. Zoals hierboven reeds vermeld vinden wij het belang van het voorzien in een grote behoefte aan woningen groter dan het belang van reclamanten tot eenzelfde uitzicht. Wij wijzen erop dat reclamanten woonachtig zijn in een dynamisch stedelijk gebied. Daarbij bestaat er op grond van vaste jurisprudentie geen blijvend recht op vrij uitzicht.

2.7

2.8

Conclusie

De afstand van 130 meter tot gebouw 1 is zodanig groot, dat verder ingaan op privacy en uitzicht vanaf het appartement niet relevant is.

Zienswijze – geen plint met maatschappelijke en kantoorfuncties nodig

Reclamanten wijzen erop dat binnen het omgevingsplan het mogelijk is om te kiezen voor een lager gebouw. Zij wijzen er daarbij op dat de begane grond en eerste verdieping is voorzien van ontmoetingsruimten en kantoor. Zij twijfelen aan de noodzaak om 2 verdiepingen in te richten met maatschappelijke functies en kantoren. Zij stellen dat het gebouw lager had kunnen worden uitgevoerd door deze plint niet op te nemen.

Reactie gemeente

Het laten vervallen van het programma in de plint is ongewenst. Een plint met andere functies dan wonen draagt bij aan openheid, een vriendelijke uitstraling in het gebied en het bevorderen van leefbaarheid. Daarbij wordt de sociale cohesie in de buurt met een levendige plint bevorderd en worden in de plint voorzieningen voor wijk en buurt gesitueerd. Op de onderste 2 lagen van de noordzijde van het gebouw worden gemeenschappelijke ontmoetingsruimten voor bewoners en het havenkantoor gesitueerd. Het havenkantoor is noodzakelijk voor een goed functionerende haven. De gemeenschappelijke ruimtes voor bewoners is een integraal onderdeel van het woonconcept voor een oudere doelgroep. Aan de zuidzijde van het gebouw komen op de begane grond en eerste verdieping woningen.

Conclusie

Het laten vervallen van het programma in de plint is ongewenst.

Zienswijze – gebrekkige besluitvorming

Reclamanten stellen dat er sprake is van een gebrekkige besluitvorming, nu bij het ontwerpbesluit geen tekeningen zijn gevoegd waaruit blijkt hoe het gebouw wordt gepositioneerd binnen het bouwvlak. Hierdoor kunnen reclamanten niet nagaan of de balkons buiten het bouwvlak zijn gepositioneerd. Indien dit wel het geval is, verzetten reclamanten zich daartegen.

Reactie gemeente

Het is niet gebruikelijk om een tekening met situering van bebouwing ten opzichte van het omgevingsplan bij het besluit te voegen. Wij bestrijden dat hierdoor sprake is van een gebrekkige besluitvorming. Wij hebben de aanvraag omgevingsvergunning secuur getoetst aan het omgevingsplan.

Reclamanten onderbouwen niet waarom de toets in deze onjuist zou zijn uitgevoerd. Evenwel zien wij geen bezwaar om, nu reclamant hierom vraagt, de tekening waarin het bouwplan voor fase 1 over de verbeelding van het omgevingsplan is gelegd, toe te voegen aan deze notitie behandeling zienswijzen. Wij wijzen erop dat balkons het bouwvlak mogen overschrijden zoals gesteld in artikel 13.3.7c van de regels van dit omgevingsplan.

2.9

2.10

Conclusie

De door reclamant gevraagde tekening wordt als bijlage bij deze notitie gevoegd.

Zienswijze – Windhinder

Reclamanten stellen dat er sprake is van een gebrekkige besluitvorming, omdat het bij het ontwerpbesluit behorende windonderzoek, enkel de effecten op voetgangersniveau en dan ook enkel voor de openbare ruimte heeft onderzocht. Reclamanten stellen dat het effect op het windklimaat groter zal zijn. Zij zijn van mening dat op grond van het huidige onderzoek blijkt, dat het realiseren van buitenruimten, en toch zeker uitkragende balkons aan de westzijde van de woontoren, ongeschikt is. Daarbij stellen zij dat, indien nader onderzoek zou worden gedaan, niet uitgesloten is dat balkons aan de noordzijde van de woontoren ongeschikt zijn.

Reactie gemeente

Wij wijzen op onze beantwoording bij punt 2.4 van deze zienswijze. Terecht gaat het windonderzoek enkel uit van de effecten van wind in de openbare ruimte op voetgangersniveau. Het hoogbouwbeleid richt zich uitsluitend op het windklimaat in de openbare ruimte. Het windklimaat op de balkons vormt geen weigeringsgrond voor de vergunning. Uit het windonderzoek blijkt een minimale windhinderklasse C voor verblijf en D voor doorlopen, hetgeen voldoende is voor een aanvaardbaar windklimaat in de openbare ruimte.

Conclusie

Het hoogbouwbeleid stelt dat het windhinderklimaat enkel op de begane grond in de openbare ruimte hoeft te worden getoetst.

Zienswijze – Groene gevels en inpassing

Onderdeel van het ontwerpbesluit omgevingsvergunning is het inrichtingsplan. De uitvoering, realisatie en instandhouding van dit inrichtingsplan is echter op geen enkele wijze geborgd, nu hiervoor in het ontwerpbesluit geen vergunningvoorschrift is opgenomen. Reclamanten stellen dat het besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en gebrekkig is. Voor wat betreft de groene aankleding van het gebouw stellen reclamanten dat op de tekeningen bij de omgevingsvergunning niet overal hetzelfde wordt weergegeven en dat de beelden niet overeenkomen met het regiedocument. Daarmee voldoet het besluit niet aan het zorgvuldigheidsbeginsel.

Reactie gemeente

Met de groene inrichting van de buitenruimte en het toepassen van gevelgroen wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke eisen t.a.v. de stadsnatuurkaart, het bomenbeleid, de klimaatscore tool, de nota biodiversiteit en het puntensysteem natuurinclusief bouwen. Hiervoor worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Berging van regenwater 60 liter per m2 verhard oppervlak  Oppervlakte groen: minimaal de huidige oppervlakte + 40% van de oppervlakte van de ontwikkeling  Compensatie klimaatwaarde bomen: minimaal hetzelfde kroonvolume oppervlakte bij het vellen van een boom met een minimale omtrek van 40cm op 1,3m hoogte boven maaiveld  Schaduw: minimaal 40% op looproutes  Natuurinclusief bouwen: score van minimaal 21 punten van de

maximaal te scoren punten, te weten 7 voor dak en gevel, 10 voor (dier)verblijven in gebouw en 13 voor omgeving van het gebouw waarbij rekening wordt gehouden met de beoogde gidssoorten. In het ontwerpbesluit omgevingsvergunning hebben wij de volgende voorwaarde opgenomen: Ecologie Uiterlijk 3 weken voor de start van de (bouw)werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol met maatregelen voor verblijfsplaatsen, een definitief inrichtingsplan van de daktuin, het toe te passen gevelgroen en een beheer- en instandhoudingsplan ter beoordeling en goedkeuring ingediend worden. Met de werkzaamheden mag pas gestart worden na goedkeuring van genoemde documenten. Met dit voorschrift borgen wij dat er nog een definitief plan voor het toe te passen gevelgroen en inrichting openbare ruimte, met een plan voor het beheer en de instandhouding, ter beoordeling en goedkeuring ingediend wordt. Hiermee wordt geborgd dat het gevelgroen en de groene inrichting van de openbare ruimte niet alleen aangelegd wordt, maar ook duurzaam in standgehouden wordt. Zie ook onze reactie bij zienswijze 2.3. Conclusie

Door het stellen van het voorschrift is het aanleggen en in standhouden van de groene inrichting van de buitenruimte en het toepassen van gevelgroen afdoende geborgd.

Conclusie: De zienswijze is gedeeltelijk gegrond en leidt tot aanpassing van het omgevingsplan, in die zin dat  Artikel 13.3.7c wordt gewijzigd naar maximaal 2 meter  Artikel 13.3.7d wordt geschrapt  In artikel 13.3.7 sub j. van de regels wordt ‘aanvaardbaar’ aangevuld met ‘minimaal windhinderklasse C voor verblijf en D voor doorlopen’.  Een voorwaardelijke verplichting voor het toepassen van gevelgroen en inrichting buitenruimte wordt opgenomen.  Wordt geborgd dat alleen mag worden gebouwd indien wordt voldaan uit het uitgangspunten van het stikstofonderzoek De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het besluit omgevingsvergunning Hopliedenkade fase 1.

Zienswijze 3 – Bewoner Slotstraat 2 5021 BH Tilburg Zienswijze op het ontwerpbesluit omgevingsvergunning Hopliedenkade fase 1 (Z2025-00008565) 3.1

Zienswijze – ontwerpbesluit onvoldoende gemotiveerd

Reclamant stelt dat in het ontwerpbesluit onvoldoende is gemotiveerd waarom aan de nota parkeernormen 2023 is voldaan. Het is onduidelijk welke uitgangspunten zijn gebruikt en waarom de voorgestelde parkeeroplossing akkoord is bevonden. Niet duidelijk is of alle belangen, waaronder die van de omgeving, zijn afgewogen.

Reactie gemeente

In de motivering van het omgevingsplan en de bijlage Parkeerbalans is toegelicht en te zien hoe de parkeerberekening tot stand is gekomen op basis van de normen uit de nota parkeernormen 2023 (uitgaande van zone B). Inmiddels is echter de nieuwe Nota parkeernormen 2026 vastgesteld, waarbij het plangebied/Hopliedenkade in zone A ligt. Hierdoor zijn er uiteindelijk minder parkeerplaatsen nodig. In de bijlage bij

het omgevingsplan wordt een parkeerbalans met als uitgangspunt zone A conform de nota parkeernormen 2026 opgenomen. Wij hebben de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan de normen uit zone B conform de nota parkeernormen 2023 (conform de overgangsregeling uit de nota parkeernormen 2026). Aangetoond is dat in de parkeerbehoefte zoals berekend voor zone B kan worden voorzien door middel van de nieuwe parkeergarage en gebruik van bestaande parkeerplaatsen in openbaar gebied (regeling ‘oud voor nieuw’) voor bezoekers, aangezien ook bezoekers van het huidige complex in de openbare ruimte moeten parkeren. Echter, met toepassing van de normen voor zone A zijn bij de realisatie van fase 2, minder parkeerplaatsen in het openbaar gebied en/of in de parkeergarage nodig. Hierdoor kunnen de parkeerplaatsen in de parkeergarage worden geoptimaliseerd en komt extra parkeercapaciteit ten gunste van publieke parkeerplaatsen in de garage. Daarmee zijn minder extra parkeerplaatsen in het openbaar gebied nodig, wat positief uitwerkt voor de ruimte voor groen en verblijfsgebied, hetgeen het woon- en leefklimaat ten goede komt. De parkeerbalans voor fase 1 is gebaseerd op de Nota parkeernormen 2023 en wordt opgenomen in het definitieve besluit voor de omgevingsvergunning.

De benodigde parkeerplaatsen voor fase 1 zijn aangemerkt op de inrichtingstekening van de tijdelijke inrichting van het openbaar gebied en is bijlage bij de omgevingsvergunning. Wij wijzen erop, dat bewoners en bezoekers niet in aanmerking komen voor enig parkeerproduct voor parkeren op straat.

3.2

3.3

Conclusie

De parkeerbalans ten aanzien van de parkeerberekening wordt opgenomen in het besluit omgevingsvergunning. In het omgevingsplan wordt de nota parkeernormen 2026 als uitgangspunt genomen. Bewoners komen niet in aanmerking voor een parkeerproduct op straat.

Zienswijze – adressen op BROP-lijst

In het ontwerpbesluit wordt aangegeven dat de adressen op de BROP (beperkt recht op parkeerproduct) worden geplaatst en verderop dat de appartementen op de BROP lijst worden geplaatst. Reclamant wijst erop dat volgens de parkeernota er dient te worden gesproken over adressen. Daarbij wijst reclamant erop, dat conform de parkeernota het uitgangspunt is dat adressen die op de BROP lijst staan niet aan aanmerking komen voor een gemeentelijk product. Reclamant verzoekt om in de vergunning dit expliciet op te nemen, waaronder geen parkeervergunning voor bewoners en geen bezoekersregeling voor bezoekers.

Reactie gemeente

Na het besluit tot vergunningverlening worden de adressen van dit complex op de BROP-lijst gezet, waardoor geen parkeeroverlast in de omgeving wordt veroorzaakt. In het definitieve besluit wordt de tekst “appartementen” gewijzigd in “adressen”.

Conclusie

De adressen worden op de BROP-lijst geplaatst..

Zienswijze – parkeernorm voor commerciële functies onduidelijk

In het ‘overzicht programma appartementen plan residentie Tilburg’ d.d. 18 juli 2025 wordt gerekend met een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per 100m2 voor commerciële functies. Reclamant vindt het onduidelijk waar deze norm van 0,6 vandaan komt en kan deze niet herleiden naar enige norm in de nota parkeernormen Tilburg 2023. Reclamant wijst erop dat binnen het omgevingsplan ook een sportschool/dansschool is toegestaan hetgeen leidt tot een parkeernorm van 2,3 parkeerplaats per

100m2 en wijst erop dat zolang de daadwerkelijke invulling van ‘commercieel’ niet bekend is er uit zou moeten worden gegaan van de maximale invulling op grond van het TAM omgevingsplan, hetgeen zal leiden tot een hogere parkeernorm als uitgangspunt. Reclamant wijst erop, dat dit onverkort geldt op de totale parkeerbalans waarin ook de blokken 2 t/m 5 zijn opgenomen.

3.4

Reactie gemeente

De initiatiefnemer heeft in het document ‘overzicht programma appartementen plan Residentie Tilburg’ per abuis de norm voor commerciële functies uit zone A opgenomen, terwijl het gebied in zone B ligt. De juiste norm voor het havenkantoor in zone B is 0,9 pp / 100m2. Vanwege het dubbelgebruik heeft dit echter geen invloed op de totale parkeerbehoefte van commerciële functies. Hoewel inderdaad volgens het omgevingsplan ook een andere commerciële functie zou kunnen worden gevestigd in het pand, blijkt duidelijk uit de aanvraag omgevingsvergunning dat hier sprake is van een havenkantoor en een ontmoetingsruimte voor de eigen bewoners, waarvoor geen extra parkeernorm geldt. De aanvraag om omgevingsvergunning wordt aan de feitelijk aangevraagde situatie getoetst. Wij wijzen reclamant erop dat het gebruik voor een andere commerciële functie moet voldoen aan de nota parkeernormen 2026 (of zijn opvolger), zoals in artikel 5 van het TAM-omgevingsplan is gesteld. Daarbij zijn volgens de regels van het omgevingsplan de activiteiten ‘exploiteren van een bedrijf’ en ‘binnensport- en recreatie onderneming’ omgevingsplanactiviteiten, hetgeen inhoudt dat deze activiteiten niet zonder omgevingsvergunning mogen worden uitgeoefend, waarbij als voorwaarde bij een aanvraag omgevingsvergunning een verkeer- en parkeeronderzoek is gesteld.

Conclusie

Het ‘overzicht programma appartementen plan residentie Tilburg’ wordt aangepast naar zone B conform de Nota parkeernormen 2023.

Zienswijze – inzet van deelauto’s

Reclamant wijst op de reductie van 36,9 parkeerplaatsen die is toegepast vanwege de inzet van 10,9 deelauto’s. Hij wijst erop dat de inzet van 10,9 auto’s niet mogelijk is (geen rond getal) en vindt het onduidelijk hoe tot dit getal is gekomen. Daarbij ontbreekt in het ontwerpbesluit een motivering van de inzet van de deelmobiliteit en zou de inzet van 11 deelauto’s ook als vergunningvoorschrift op moeten worden genomen.

Reactie gemeente

De reductie van 11 deelauto’s is voor de gehele ontwikkeling en is enkel genoemd in het omgevingsplan. In de nota parkeernormen 2026 is opgenomen dat 1 deelauto per 25 woningen mogelijk is; derhalve 272/25 = 10,9 en afgerond 11. Toepassing van deelmobiliteit heeft als doel om het autobezit en autogebruik te verminderen. Zeker bij bepaalde doelgroepen en planlocaties dicht bij het centrum en overige voorzieningen is een deelauto een goed alternatief. Voor de aanvraag omgevingsvergunning voor fase 1 betekent dit dat er bij ingebruikname 3 deelauto’s beschikbaar moeten zijn (getoetst aan de nota parkeernormen 2023). Dit is gebaseerd op de tijdelijke situatie, waarbij 73 woningen in gebruik zijn genomen. In de definitieve situatie worden 76 woningen in gebruik genomen, hetgeen neerkomt op 4 deelauto’s voor fase 1 (onderdeel van de complete behoefte van 11 deelauto’s.). Er is hierbij geen verschil in norm tussen de nota parkeernormen 2023 en de nota parkeernormen 2026. In het definitieve besluit wordt de motivering aangevuld en wordt een voorschrift opgenomen dat er bij oplevering van de woningen van fase 1

voorzien moet worden in 3 deelauto’s. Wanneer alle 76 woningen zijn opgeleverd is er sprake van een verplichting tot 4 deelauto’s. Dit is echter pas nadat fase 2 wordt opgeleverd, omdat in de tijdelijke situatie 3 woningen in worden gezet voor bergingen ten behoeve van de huidige bewoners.

3.5

3.6

3.7

Conclusie

Bij oplevering van de woningen van fase 1 moeten er 3 deelauto’s beschikbaar zijn. In het definitieve besluit wordt de motivering aangevuld en hiervoor een vergunningvoorschrift opgenomen.

Zienswijze – Reductie deelmobiliteit uit zone A wordt toegepast

In het ‘overzicht programma appartementen plan residentie Tilburg’ d.d. 18 juli 2025 wordt aangegeven dat de reductie van deelmobiliteit uit zone A wordt toegepast. Reclamant stelt dat dit niet correct is, nu de locatie in zone B is gelegen. Daarbij wijst reclamant erop dat de toegepaste reductiepercentages de maximale percentages die aangegeven zijn in de bandbreedte opgenomen in de parkeernota. Niet is gemotiveerd waarom de maximale reductie percentages worden toegepast. Reclamant is van mening dat vanwege de ruime loopafstand van de locatie tot bushaltes (10 minuten) en treinstation (20 minuten) de minimale reductie percentages meer realistisch zouden zijn.

Reactie gemeente

In het genoemde document staat inderdaad per abuis zone A, maar de aangegeven percentages gelden wel degelijk voor zone B, dit leidt daarmee niet tot een wijziging in de parkeerbalans. De toepassing van de maximale of minimale reductie is een vrije keuze voor een initiatiefnemer. De maximale reductie is gebaseerd op bereikbaarheid van het intercitystation (te voet, per fiets of bus) en de aanwezigheid van betaald parkeren. In dit geval wordt, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde intercitystation, de maximale reductiefactor voor zone B toegepast. Wij hebben het document ‘overzicht programma appartementen plan residentie Tilburg’ aan laten passen op zone B.

Conclusie

Het ‘overzicht programma appartementen plan residentie Tilburg’ wordt aangepast naar zone B.

Zienswijze – gemeente is verantwoordelijk voor deelmobiliteit

Volgens de parkeernota is de gemeente verplicht om zorg te dragen voor de volledige aanwezigheid van deelmobiliteit. Reclamant vindt deze rol van de gemeente opmerkelijk en wijst er op dat de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst met een aanbieder van deelmobiliteit aangaat, zodat initiatiefnemer kan voldoen aan hetgeen publiekrechtelijk is geregeld in het omgevingsplan en de omgevingsvergunning.

Reactie gemeente

Deze opmerking nemen wij voor kennisgeving aan. Deze rol van de gemeente is zowel in de Nota parkeernormen 2023 als in de Nota parkeernormen 2026 vastgelegd. Het betreft hier vastgesteld beleid door het college.

Conclusie

De rol van de gemeente in deze is zowel in de Nota parkeernormen 2023 als de Nota parkeernormen 2026 vastgelegd.

Zienswijze – overeenkomst deelmobiliteit

Bij het ontwerpbesluit is geen overeenkomst met een aanbieder van deelmobiliteit toegevoegd, waardoor er geen garantie is dat een aanbieder hiertoe bereid zal zijn. Reclamant stelt dat daarmee niet is aangetoond dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor reductie van het aantal parkeerplaatsen en vindt het onduidelijk hoe op dit punt tot een

positief besluit kan worden gekomen. Reclamant vraagt zich af hoe erop toe kan worden gezien dat de benodigde deelauto’s ook aanwezig zijn en blijven.

3.8

3.9

Reactie gemeente

Wij nemen bij de vergunningverlening de verplichting op ons om deelmobiliteit tijdig te realiseren, zoals bedoeld in de Nota parkeernormen 2026. Momenteel zijn wij bezig met de contractvorming met de partij die het deelvervoer gaat verzorgen. Op het moment van in gebruik name van de gebouwen dragen wij er zorg voor dat het vereiste aantal deelauto’s beschikbaar is voor de toekomstige bewoners. In de Nota parkeernormen 2023 zijn de regels, voorwaarden en onderbouwing over de inzet van deelmobiliteit nader uitgewerkt.

Conclusie

De verplichting tot realiseren van deelmobiliteit wordt in het besluit opgenomen als voorschrift.

Zienswijze – gevolgen aanpassen deelmobiliteit

In de parkeernota is opgenomen dat na 12 maanden het aanbod van deelmobiliteit kan worden aangepast aan de vraag. Dit betekent volgens reclamant dat het aanbod verlaagd kan worden tot onder de 11 deelauto’s die vereist zijn voor de reductie van 36,9 parkeerplaatsen. Reclamant stelt dat de initiatiefnemer dan alsnog deze parkeerplaatsen moet realiseren op eigen terrein. Reclamant vraagt zich af hoe de gemeente achteraf gaat afdwingen dat de initiatiefnemer alsnog de benodigde parkeerplaatsen realiseert. Reclamant wijst er nog op dat andersom hetzelfde geldt, bij de inzet van meer deelauto’s dienen hiervoor parkeerplaatsen aan te worden gelegd.

Reactie gemeente

De mogelijkheid tot het heroverwegen van het aanbod in deelmobiliteit is opgenomen in zowel de Nota parkeernormen 2023 als de Nota parkeernormen 2026. Als na 12 maanden blijkt dat er minder behoefte is aan deelauto’s kan het aantal aangepast worden aan de vraag. Dit leidt echter niet tot een grotere parkeerbehoefte of parkeeroverlast in de omgeving aangezien er niet meer parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de garage en geen vergunning op openbaar gebied kan worden aangevraagd (BROP-lijst). Wij hebben deze mogelijkheid in de Nota parkeernormen opgenomen omdat het mogelijk is dat het autogebruik lager uitpakt dan theoretisch berekend, vanwege voldoende alternatieve vervoerswijzen en de nabijheid van (winkel)voorzieningen.

Conclusie

Conform de Nota parkeernormen kan na 12 maanden het aanbod in deelmobiliteit worden heroverwogen.

Zienswijze – reductie bestaande parkeerplaatsen in openbaar gebied

In het ‘overzicht programma appartementen plan residentie Tilburg’ d.d. 18 juli 2025 wordt uitgegaan van een reductie van 18 parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Reclamant is van mening dat dit niet correct is en wijst erop dat in de bestaande parkeerkelder 96 parkeerplaatsen aanwezig zijn voor 120 woningen voor ouderen. Wanneer, aan de hand van de parkeernota van 2023, een parkeerberekening zou worden gemaakt voor het bestaande programma van 120 ouderenappartementen zouden 36 (120 x 0,3) parkeerplaatsen voor bewoners en 18 (120 x 0,15) parkeerplaatsen voor bezoekers benodigd zijn. Nu voor het bestaande programma 36 + 18 = 54 parkeerplaatsen nodig zijn, terwijl er 96 parkeerplaatsen aanwezig zijn, is er sprake van overcapaciteit en hoeft er in de huidige situatie geen aanspraak te worden gemaakt op de parkeercapaciteit in het openbaar gebied. Hiermee is de reductie van 18 parkeerplaatsen op de nieuwe parkeerbehoefte onterecht toegekend.

3.10

Reactie gemeente

Wij verwijzen naar onze beantwoording bij zienswijze 3.1. Wij wijzen er op dat in de huidige parkeergarage van het complex ‘Residentie’ geen bezoekers kunnen parkeren. Bij het opstellen van de parkeerbalans worden de parkeerplaatsen voor bezoekers in de bestaande situatie in mindering gebracht (oud voor nieuw). Deze worden op dezelfde wijze berekend als de benodigde nieuwe parkeerplaatsen. Dit houdt in dat ingevolge de Nota parkeernormen 2023, van de 31 bestaande parkeerplaatsen in het openbaar gebied er 18 (120x 0,15) zijn toegekend aan de Residentie. De overige 13 parkeerplaatsen zijn ten behoeve van de woningen aan de Tamboerskade.

Conclusie

Het parkeren van bezoekers vindt nu ook plaats in het openbaar gebied. De reductie is daarmee terecht.

Zienswijze – onduidelijk of bestaande parkeerkelder wordt gesloopt

Het is voor reclamant onduidelijk of de parkeerkelder, gelegen onder het gedeelte van de bestaande bebouwing die in fase 2 gesloopt wordt, tijdens de werkzaamheden in fase 1 in tact blijft. Ook is onduidelijk of er genoeg parkeerplaatsen in de kelder resteren om te blijven voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de resterende bestaande appartementen. Reclamant vraagt zich af welke tijdelijke parkeervoorziening hiervoor wordt getroffen.

Reactie gemeente

Tijdens de bouw van fase 1 blijft de parkeergarage van het bestaande pand intact. In de bestaande parkeergarage zijn voldoende parkeerplaatsen voor de overgebleven bewoners tijdens de bouw van fase 1. De (fiets)bergingen in het bestaande pand die gesloopt worden ten behoeve van de realisatie van fase 1 worden tijdelijk in het bestaande gebouw ingepast. Hiervoor worden tijdelijk 3 woningen in gebruik genomen. Bestaande bewoners die na oplevering verhuizen naar een woning in fase 1 behouden hun parkeerplaats op een tijdelijke parkeerplaats op maaiveldniveau. Deze parkeerplaats wordt voorzien van een bord ‘privé terrein’ en de parkeerplaatsen worden voorzien van beugels. Hiermee wordt ook in de tijdelijke situatie voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Met toepassing van reductie en deelgebruik conform de nota parkeernormen 2023 zijn voor de 73 woningen uit fase 1, 34 parkeerplaatsen voor bewoners nodig (zie parkeerbalans fase 1). Daarnaast zijn 9 parkeerplaatsen (73 x 0,15) voor bezoekers en 3 parkeerplaatsen voor deelauto’s nodig. In totaal worden in fase 1 (de tijdelijke situatie) 31 (ten behoeve van vervanging van bestaande parkeerplaatsen) + 28 = 59 parkeerplaatsen

voor bezoekers en bewoners aangelegd, waarvan er 13 (woningen Tamboerskade) + 9 (bezoekers fase 1) + 3 (deelauto’s) = 25 openbaar toegankelijk zijn. 34 parkeerplaatsen voor bewoners fase 1 worden privé, door middel van beugels. Zie onderstaande figuur:

3.11

3.12

Conclusie

De parkeerkelder onder fase 2 blijft tijdens de bouw van fase 1 intact. Tijdens de bouw van fase 2 is sprake van een tijdelijk parkeerterrein voor bewoners van fase 1.

Zienswijze – voor de tijdelijke situatie moeten 56 parkeerplaatsen aan worden gelegd

Reclamant wijst erop dat nergens uit de stukken blijkt dat in de tijdelijke situatie al sprake is van inzet van deelmobiliteit. Zoals bij punt 3.9 omschreven stelt reclamant eveneens dat de reductie van 18 bestaande parkeerplaatsen in het openbaar gebied onterecht is. Reclamant stelt daarom dat, nu er op geen enkele wijze reductie plaatsvindt in de tijdelijke inrichting, er 56 parkeerplaatsen extra aangelegd moeten worden in de tijdelijke situatie. Daarbij komen 31 parkeerplaatsen in het openbaar gebied te vervallen. Reclamant stelt daarom dat er in de tijdelijke situatie 31 + 56 = 87 parkeerplaatsen aanwezig zouden moeten zijn. In de tijdelijke situatie zijn slechts 59 parkeerplaatsen beschikbaar, naar de mening van reclamant 28 parkeerplaatsen te weinig.

Reactie gemeente

Wij verwijzen naar onze reactie bij zienswijze 3.3, 3.4, 3.9 en 3.10. Ten onrechte stelt reclamant dat er 87 parkeerplaatsen in de tijdelijke situatie aanwezig zouden moet zijn. In de tijdelijke situatie worden de bestaande 31 parkeerplaatsen teruggebracht en 28 nieuwe parkeerplaatsen voor fase 1 aangelegd. Dit is op dezelfde wijze en met dezelfde uitgangspunten (inclusief 3 deelauto’s) berekend als het totale programma, alleen nu alleen voor het aantal opgeleverde woningen in fase 1. Dit betekent dat voor 73 appartementen, inclusief gebruikmaking van dubbelgebruik, reductie in het kader van deelmobiliteit en met gebruikmaking van oud voor nieuw er nog 28 extra plaatsen nodig zijn, tezamen met de vervanging van 31 bestaande parkeerplaatsen in het openbaar gebied. In totaal worden voor de tijdelijke situatie 59 parkeerplaatsen aangelegd. Hiermee wordt voldaan aan de nota parkeernormen 2023.

Conclusie

In de tijdelijke situatie worden 59 parkeerplaatsen aangelegd. Dit is met dezelfde uitgangspunten berekend als voor het totale programma.

Zienswijze – er wordt afgeweken van de parkeernota in de tijdelijke situatie

Nu een parkeeroplossing in het openbaar gebied wordt geboden, wordt, naar de mening van reclamant, in de tijdelijke situatie niet voldaan aan het uitgangspunt van de parkeernota 2023, dat een ontwikkelaar op eigen terrein dient te voldoen aan te parkeereis. In het ontwerpbesluit is niet gemotiveerd waarom een tijdelijke oplossing in het openbaar gebied acceptabel is en dat hiermee af wordt geweken van de parkeernota. Daarbij is ook niet gemotiveerd waarom een tijdelijke parkeeroplossing op eigen terrein niet mogelijk zou zijn.

Reactie gemeente

Er is te beperkte ruimte op eigen terrein om het beoogd aantal woningen te bouwen en het parkeren voor fase 1 op te lossen. De Nota parkeernormen 2023 biedt de mogelijkheid om in die gevallen de parkeereis op een andere manier in te vullen. In dit geval door tijdelijk extra parkeerplaatsen in openbaar gebied te realiseren. Daarbij is voldoende zicht dat aansluitend fase 2 en de parkeergarage gebouwd worden met de definitieve parkeeroplossing. Op grond van paragraaf 5.5.1 van de nota parkeernormen 2023 is het mogelijk vrijstelling te verlenen van het uitgangspunt om op eigen terrein

te parkeren, wanneer de gemeente samen met de ontwikkelende partij in een specifiek gebied tot een passende en kostendekkende oplossing komt. Wij stellen dat de parkeeroplossing voor de tijdelijke situatie recht doet aan de benodigde parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers van fase 1. Wij wijzen er op, dat na oplevering van fase 2, de parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers in de parkeergarage onder fase 2 worden gerealiseerd, waarbij de 31 plaatsen in het openbaar gebied weer terug komen. Zie ook onze reactie bij 3.15.

3.13

3.14

3.15

Conclusie

Er is een passende oplossing gevonden, waarmee in de tijdelijke situatie voldoende parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers van fase 1 worden aangelegd.

Zienswijze – adressen op BROP lijst

Reclamant verzoekt om ook voor de tijdelijke situatie in het besluit expliciet op te nemen dat de adressen (van blok 1) op de BROP lijst worden geplaatst en niet in aanmerking komen voor een gemeentelijk parkeerproduct.

Reactie gemeente

Zie onze reactie bij zienswijze 3.2. Wij wijzen erop, dat het bestaande complex ‘Residentie’ nu al op de BROP lijst staat en dat in wezen de situatie hetzelfde blijft.

Conclusie

Net als in de huidige situatie worden de adressen op de BROP lijst geplaatst. Reclamant vindt het onduidelijk hoe de tijdelijke parkeerplaatsen in het openbaar gebied exclusief toegankelijk worden gemaakt ten behoeve van de adressen in Blok 1 zonder dat hiervoor een gemeentelijk parkeerproduct wordt uitgegeven.

Zienswijze – tijdelijke parkeerplaatsen niet openbaar toegankelijk

Reactie gemeente

De tijdelijke parkeerplaatsen voor bewoners worden voorzien van een bord ‘privé terrein’ en de parkeerplaatsen worden voorzien van beugels. Er hoeven geen gemeentelijke parkeerproducten te worden afgegeven.

Conclusie

De 34 tijdelijke parkeerplaatsen voor bewoners worden enkel privé toegankelijk.

Zienswijze – besluit herzien

Reclamant verzoekt om het besluit te herzien, deugdelijk te motiveren en, zowel in de definitieve als de tijdelijke situatie, zorg te dragen voor voldoende parkeergelegenheid conform de parkeernota 2023 ter voorkoming van parkeeroverlast in de omgeving van het plangebied.

Reactie gemeente

Wij verwijzen naar onze reacties op de afzonderlijke zienswijzen zoals vermeld bij 3.1 t/m 3.14. Wij stellen dat de omgevingsvergunning voor fase 1 voldoet aan de Nota parkeernormen 2023 en dat zowel in de tijdelijke als de definitieve situatie sprake is van voldoende parkeerplaatsen conform de norm en hiermee geen sprake kan zijn van een onaanvaardbare parkeerdruk in de omgeving. In de figuren hieronder maken wij nog duidelijk hoeveel parkeerplaatsen in de bestaande, de tijdelijke en de definitieve situatie aan worden gelegd.

Het besluit wordt aangepast in die zin dat het overzicht programma appartementen plan Residentie Tilburg wordt aangepast, in plaats van appartementen de adressen op de BROP lijst worden geplaatst en in het besluit wordt aangegeven dat er bij oplevering van de woningen voor fase 1 een verplichting voor 3 deelauto’s geldt. Conclusie

Het plan voldoet zowel aan de Nota parkeernormen 2023 als 2026.

Conclusie: De zienswijze is gedeeltelijk gegrond en leidt tot aanpassing van de motivering in de omgevingsvergunning en het document ‘overzicht programma appartementen plan residentie Tilburg’.

Zienswijze 4 – Bewoner Piushaven 36 5017 AP Tilburg Zienswijze op het ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan ‘TAM omgevingsplan H22l Hopliedenkade’ en ontwerpbesluit omgevingsvergunning Hopliedenkade fase 1 (Z2025-00008565) 4.1

Zienswijze – schending

Reclamant wijst erop dat gebouw 5 met een goothoogte van 19,5 meter

privacy

en een nokhoogte van 21,5 meter ruim anderhalf keer zo hoog is als het bestaande gebouw Residentie (met een hoogte van 13,6 meter). Hoewel de afstand van het nieuwe gebouw tot de woning van reclamant op de onderste laag 2,5 meter verder weg ligt, geldt dat vanaf de eerste verdieping tot het dak het nieuwe gebouw juist 2,5 meter dichterbij de woning ligt dan het bestaande gebouw. Daarbij wijst reclamant erop dat het bestaande gebouw slechts enkele kleine raamopeningen aan deze zijde had, terwijl het nieuwe gebouw volgens het plan uit substantieel meer ramen, deuren en balkons moet gaan bestaan. Hierdoor wordt de privacy en het gevoel van veiligheid van reclamant onaanvaardbaar aangetast vanwege inkijk vanuit het terrasbalkon (zijde Hopliedenkade), de uitkragende balkons (zijde Hopliedenkade), de ramen (zijde Piushaven straatzijde) en balkons (zijde Piushaven straatzijde). Reclamant stelt dat het oppervlak dat rechtstreeks uitzicht heeft op zijn woning vele malen groter wordt en dat met name in de woonkamer en in de werkkamer op zolder dit grote impact heeft. Reclamant maakt zich zorgen over eventuele inkijk in de achtertuin en kan dit op basis van de getoonde afbeeldingen in de stukken niet goed beoordelen. Reclamant verzoekt een tekening of doorsnede waaruit de situatie duidelijk wordt.

Reactie gemeente

Wij wijzen erop dat het realiseren van meer raamopeningen en het maken van balkons ook op grond van het nu geldende ‘tijdelijk deel van het omgevingsplan’ (voorheen bestemmingsplan) mogelijk is. Daarnaast is de voorgestelde inpassing niet strijdig met de privaatrechtelijke bescherming zoals benoemd in artikel 5:50 BW, waarbij ramen op 2 meter van de erfgrens ramen mogen liggen. In zijn algemeenheid geeft een Omgevingsplan de positie en de maximale afmetingen van een bouwvolume / de bouwmassa aan. In een Omgevingsplan zijn al aan alle zijden van het gebouw raamopeningen mogelijk tenzij dit door regels nadrukkelijk begrensd is. Het huidige gebouw heeft nu in de westgevel op een beperkt aantal plaatsen ramen. Dit aantal ramen is niet in het vigerende ‘tijdelijk deel van het omgevingsplan’ beperkt. Ook op grond van deze regels is het mogelijk om meer ramen in de westgevel te plaatsen. Daarnaast biedt het vigerende plan de mogelijkheid aan alle zijden van het gebouw uitkragende balkons te maken van maximaal 1,5m diepte (Omgevingsplan, Bestemmingsplan Piushavengebied 2009, artikel 17.4.1.f). Het vigerende omgevingsplan staat tegenover Piushaven 36 bebouwing tot 13 meter hoog toe. Vanuit dit bouwvolume is direct zicht tot diep in de woning mogelijk. Vanaf een grotere hoogte zal door de kijkhoek de inkijk minder diep zijn.

In de bestaande situatie ligt een deel van de bebouwing van de Residentie op ongeveer 18 meter afstand van de voorgevelrooilijn van de woningen aan de Piushaven. Een ander deel ligt op 23,5m afstand. De beoogde nieuwe positie van de bebouwing ligt op ongeveer 20,8m afstand. Voor enkele woningen wordt de afstand groter, ter plaatse van Piushaven 36 wordt de afstand kleiner. Bij het bepalen van de hoogtes is er zorgvuldig gekeken naar de inpassing binnen de bestaande context. Gebouw 5 is het laagste gebouw van het complex. Dit gebouw is lager en heeft ook een schuine kap zodat dit gebouw in volume aansluit op de bestaande kleinschaliger woonbebouwing. Met de grotere hoogte ten opzichte van de bestaande woonbebouwing wordt ook stapsgewijs de schaalsprong naar het hoogste gebouw (gebouw 3) gemaakt. De rooilijn van gebouw 5 is aan de zijde van de Piushaven (noordzijde) meer naar het zuiden gelegd. Hoewel er bij gebouw 5 ook aan de noordzijde uitkragende balkons mogelijk zijn, zal er vanuit Piushaven 36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16700874/2