CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Besluiten Belastingverordeningen 2025

Raadsvergadering 14 november 2024, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Belastingverordeningen 202523.721 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

45

Netto kosten taakveld

2025

222

235

173

222

235

Overhead incl. omslagrente

78

63

66

BTW

17

17

18

Totale kosten

268

302

319

Opbrengst heffingen

939

819

974

Saldo

671

517

655

Toe te rekenen kosten:

Bijlage 6

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 227 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Binnenstad 2025. Artikel 1 Definities 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. jaar: een kalenderjaar; b. maand: een kalendermaand; c. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg, mag hebben; d. exploitant: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn beroep of bedrijf maakt van het ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van openbare aankondigingen op door hem daartoe beschikbaar gestelde oppervlakten; e. openbare weg: de weg als bedoeld in hoofdstuk II van de Wegenwet; f. onroerende zaak: de onroerende zaak zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. g. WOZ-waarde: de op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar. Artikel 2 Gebiedsomschrijving De verordening is van toepassing binnen het gebied genaamd 'Binnenstad' en zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart.

Artikel 3 Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt binnen het in artikel 2 van deze verordening aangegeven gebied een directe belasting geheven ter zake van het hebben van een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg. Artikel 4 Belastingplicht 1. De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondigingen worden aangetroffen. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg de reclamebelasting geheven van degene aan wie de vergunning is verleend. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de reclamebelasting ter zake van openbare aankondigingen die door tussenkomst van een exploitant zijn aangebracht, geheven van die exploitant. Artikel 5 Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingschuld ontstaat bij aanvang van het belastingtijdvak, of zo dit later is, op het tijdstip waarop het hebben van een openbare aankondiging een aanvang neemt.

2.

3.

Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht aanvangt in de loop van het kalenderjaar, bedraagt de belasting zoveel twaalfden van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na aanvang van de belastingplicht nog volle maanden van het kalenderjaar resteren. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Ontheffing Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht eindigt voor het verstrijken van het belastingtijdvak, wordt op verzoek van belastingplichtige ontheffing verleent over zoveel twaalfde gedeelten van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden van het belastingtijdvak resteren. Artikel 8 Tarief en berekening van de belasting 1. De belasting wordt geheven van elke onroerende zaak met een aankondiging van meer dan 0,25 m². 2. Het tarief van de reclamebelasting bedraagt bij een vastgestelde WOZ-waarde:

3.

4.

5.

6. 7.

8.

a. tot

€ 50.000

€ 331,10

€ 331,089

b.

van

€ 50.000

tot

€ 200.000

€ 386,30

€ 386,25

c.

van

€ 200.000

tot

€ 400.000

€ 441,50

€ 441,52

d.

van

€ 400.000

tot

€ 600.000

€ 496,70

€ 496,685

e.

van

€ 600.000

tot

€ 800.000

€ 551,80

€ 551,849

f.

van

€ 800.000

tot

€ 1.000.000

€ 607,00

€ 607,013

g.

van

€ 1.000.000

tot

€ 1.200.000

€ 662,20

€ 662,178

h.

van

€ 1.200.000

tot

€ 1.400.000

€ 717,40

€ 717,446

i.

van

€ 1.400.000

tot

€ 1.600.000

€ 772,60

€ 772,610

j. k.

van van

€ 1.600.000 € 1.800.000

tot tot

€ 1.800.000 € 2.000.000

€ 827,80 € 882,90

€ 827,774 € 882,938

l.

vanaf

€ 2.000.000

€ 993,40

€ 993,371

Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken. Indien de vastgestelde WOZ-waarde voor het betreffende jaar naar beneden wordt bijgesteld, wordt de aanslag ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag voor de reclamebelasting. Indien er sprake is van meerdere openbare aankondigingen worden, bij de berekening van de belasting, de oppervlakten van deze afzonderlijke aankondigingen bij elkaar opgeteld en gerekend als één openbare aankondiging. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen worden gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg, wordt voor de berekening van de reclamebelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij artikel 7 van overeenkomstige toepassing is.

Indien er sprake is van deelgebruik van één onroerende zaak en er voor deze delen, volgens de wet WOZ, geen waarde wordt toegekend, is elke belastingplichtige een tarief verschuldigd zoals vermeld in artikel 8, lid 2a, € 331,10.

Artikel 9 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor: a. het hebben van openbare aankondigingen, waarvan de aanwezigheid ingevolge wettelijk voorschrift moet worden gedoogd; b. door de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB of een overeenkomstig lichaam aangebrachte of geplaatste openbare aankondigingen uitsluitend ten behoeve van een vlotte doorstroming van het verkeer of ten dienste van openbare ruimten; c. openbare aankondigingen, die uitsluitend het openbaar belang dienen; d. openbare aankondigingen, die door publiekrechtelijke rechtspersonen zijn aangebracht of geplaatst, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de aan dit orgaan opgedragen publiekrechtelijke taak; e. openbare aankondigingen die door (semi) overheden of cultureel-maatschappelijke instellingen zijn aangebracht of geplaatst en die betrekking hebben op door hen georganiseerde tijdelijke activiteiten met een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang; f. openbare aankondigingen waarvoor op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst reeds betaling aan de gemeente moet geschieden; g. losse, niet permanent aanwezige openbare aankondigingen, die direct verplaatst kunnen worden; h. openbare aankondigingen binnen het inwendig gedeelte van een bedrijf of een gedeelte daarvan, welke niet zijn gericht op het zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; i.

onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanig onroerende zaken die dienen als woning; j. openbare aankondigingen betrekking hebbend op openbare verkoping, verkoop of verhuur van een onroerende zaak, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke aanwezigheid van de te verkopen dan wel te verhuren zaak. Artikel 10 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.

Artikel 11 Termijnen van betaling 1.

2. 3.

4.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels verstreken zijn. Dan is het gehele openstaande bedrag direct opeisbaar.

Artikel 12 Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 13 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking; 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025; 3. De 'Verordening reclamebelasting Binnenstad 2024 van 9 november 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan; 4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening reclamebelasting Binnenstad 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2024

de griffier,

de voorzitter,

Kaart gebied Binnenstad

Memorie van toelichting behorende bij de ‘Verordening reclamebelasting Binnenstad 2025 Tarieven De tarieven 2025 zijn door indexering gestegen met 4,28% ten opzichte van 2024. Kosten en opbrengsten De opbrengst van de reclamebelasting wordt, na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten, overgemaakt aan het Ondernemersfonds Binnenstad Tilburg. Het ondernemersfonds is een initiatief van de samenwerkende partijen in de binnenstad, te weten: Binnenstad Management Tilburg (B.M.T.), Winkeliersvereniging Binnenstad Tilburg (W.B.T.) en Stichting Horeca Concentratiegebied Tilburg (H.C.G.). Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Rekening

Begroting

Begroting

2023

2024

2025

Totale kosten

263

285

298

Totale opbrengsten

263

285

298

Saldo

0

0

0

Bijlage 7

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 227 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Linten 2025. Artikel 1 Definities 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. jaar: een kalenderjaar; b. maand: een kalendermaand; c. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg, mag hebben; d. exploitant: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn beroep of bedrijf maakt van het ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van openbare aankondigingen op door hem daartoe beschikbaar gestelde oppervlakten; e. openbare weg: de weg als bedoeld in hoofdstuk II van de Wegenwet; Artikel 2 Gebiedsomschrijving De verordening is van toepassing binnen de hierna genoemde gebieden en zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten: 1. Gebied C (Korvel) 2. Gebied D (de Besterd) Artikel 3 Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen de in artikel 2 van deze verordeningen aangegeven gebieden, een directe belasting geheven ter zake van het hebben van een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg. Artikel 4 Belastingplicht 1.

De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondigingen worden aangetroffen. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg, de reclamebelasting geheven van degene aan wie de vergunning is verleend. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de reclamebelasting ter zake van openbare aankondigingen die door tussenkomst van een exploitant zijn aangebracht, geheven van die exploitant. Artikel 5 Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingschuld ontstaat bij aanvang van het belastingtijdvak, of zo dit later is, op het tijdstip waarop het hebben van een openbare aankondiging een aanvang neemt. 2. Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht aanvangt in de loop van het kalenderjaar, bedraagt de belasting zoveel twaalfden van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na aanvang van de belastingplicht nog volle maanden van het kalenderjaar resteren.

3.

In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Ontheffing Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht eindigt voor het verstrijken van het belastingtijdvak, wordt op verzoek van belastingplichtige ontheffing verleent over zoveel twaalfde gedeelten van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden van het belastingtijdvak resteren. Artikel 8 Tarief en berekening van de belasting 1. De belasting als bedoeld in artikel 3 bedraagt bij een vastgesteld aantal vierkante meters van: a. meer dan 0,25 in het gebied C € 463,10 b. meer dan 0,25 in het gebied D € 463,10 2. Indien er sprake is van meerdere openbare aankondigingen worden bij de berekening van de belasting, de oppervlakten van deze afzonderlijke aankondigingen bij elkaar opgeteld en gerekend als één openbare aankondiging. 3. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen worden gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. 4. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg, wordt voor de berekening van de reclamebelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan.

In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij artikel 7 van overeenkomstige toepassing is. Artikel 9 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor: a. het hebben van openbare aankondigingen, waarvan de aanwezigheid ingevolge wettelijk voorschrift moet worden gedoogd; b. door de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB of een overeenkomstig lichaam aangebrachte of geplaatste openbare aankondigingen uitsluitend ten behoeve van een vlotte doorstroming van het verkeer of ten dienste van openbare ruimten; c. openbare aankondigingen, die uitsluitend het openbaar belang dienen; d. openbare aankondigingen, die door publiekrechtelijke rechtspersonen zijn aangebracht of geplaatst, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de aan dit orgaan opgedragen publiekrechtelijke taak; e. openbare aankondigingen die door (semi) overheden of cultureel-maatschappelijke instellingen zijn aangebracht of geplaatst en die betrekking hebben op door hen georganiseerde tijdelijke activiteiten met een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang; f. openbare aankondigingen waarvoor op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst reeds betaling aan de gemeente moet geschieden; g. losse, niet permanent aanwezige openbare aankondigingen, die direct verplaatst kunnen worden; h.

openbare aankondigingen binnen het inwendig gedeelte van een bedrijf of een gedeelte daarvan, welke niet zijn gericht op het zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; i. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; j. openbare aankondigingen betrekking hebbend op openbare verkoping, verkoop of verhuur van een onroerende zaak, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke aanwezigheid van de te verkopen dan wel te verhuren zaak.

Artikel 10 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 11 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels verstreken zijn.

Dan is het gehele openstaande bedrag direct opeisbaar. Artikel 12 Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 3. De 'Verordening reclamebelasting Linten 2024 van 9 november 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening reclamebelasting Linten 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2024

de griffier,

de voorzitter,

Kaart gebied Korvel

Kaart gebied Besterd

Memorie van toelichting behorende bij de 'Verordening reclamebelasting Linten 2025 Tarieven De tarieven 2025 zijn door indexering met 4,28% gestegen ten opzichte van 2024. Kosten en opbrengsten De opbrengst van de reclamebelasting wordt, na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten, overgemaakt aan de Stichting de Tilburgse Linten. Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Rekening

Begroting

Begroting

2023

2024

2025

Totale kosten

79

*87

91

Totale opbrengsten

79

87

91

Saldo

0

0

0

Bijlage 8

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 227 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Bedrijventerreinen 2025'. Artikel 1 Definities 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. jaar: een kalenderjaar; b. maand: een kalendermaand; c. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg, mag hebben; d. exploitant: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn beroep of bedrijf maakt van het ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van openbare aankondigingen op door hem daartoe beschikbaar gestelde oppervlakten; e. openbare weg: de weg als bedoeld in hoofdstuk II van de Wegenwet; f. onroerende zaak: de onroerende zaak zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. g. WOZ-waarde: de op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar. h. deelgebruik: de situatie waarbij een of meerdere niet-zelfstandige gedeelten van één onroerende zaak in gebruik zijn gegeven. Artikel 2 Gebiedsomschrijving De verordening is van toepassing binnen de hierna genoemde bedrijventerreinen en zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten. 1. Het Laar 2.

Kanaalzone Noord 3. Kanaalzone Zuid 4. Katsbogten 5. Kraaiven 6. Kreitenmolen 7. Loven 8. Vossenberg Artikel 3 Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen de in artikel 2 van deze verordening aangegeven gebieden, een directe belasting geheven ter zake van het hebben van een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg. Artikel 4 Belastingplicht 1. De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondigingen worden aangetroffen. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg de reclamebelasting geheven van degene aan wie de vergunning is verleend. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de reclamebelasting ter zake van openbare aankondigingen die door tussenkomst van een exploitant zijn aangebracht, geheven van die exploitant.

Artikel 5 Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingschuld ontstaat bij aanvang van het belastingtijdvak, of zo dit later is, op het tijdstip waarop het hebben van een openbare aankondiging een aanvang neemt. 2. Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht aanvangt in de loop van het kalenderjaar, bedraagt de belasting zoveel twaalfden van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na aanvang van de belastingplicht nog volle maanden van het kalenderjaar resteren. 3. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar. Artikel 7 Ontheffing Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht eindigt voor het verstrijken van het belastingtijdvak, wordt op verzoek van belastingplichtige ontheffing verleent over zoveel twaalfde gedeelten van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden van het belastingtijdvak resteren.

Artikel 8 Tarief en berekening van de belasting 1. De belasting wordt geheven van elke belastingplichtige met een openbare aankondiging. 2. Het tarief van de reclamebelasting bedraagt bij een vastgestelde WOZ-waarde per object per bedrijventerrein:

WOZ-waarde

Deelgebruik geen WOZwaarde

tot

Bedrijventerrein Het Laar

€

150,90

€

301,80

€

603,60

€

1.207,20

Kanaalzone Noord

€

150,90

€

301,80

€

603,60

€

1.207,20

Kanaalzone Zuid

€

150,90

€

301,80

€

603,60

€

1.207,20

Katsboghten

€

150,90

€

301,80

€

603,60

€

1.207,20

Kraaiven

€

150,90

€

301,80

€

603,60

€

1.207,20

Kreitenmolen

€

125,00

€

250,00

€

500,00

€

1.000,00

Loven

€

150,90

€

301,80

€

603,60

€

1.207,20

Vossenberg

€

150,90

€

301,80

€

603,60

€

1.207,20

3.

4.

€

€ 250.000 tot € 1.000.000

250.000

vanaf € 1.000.000

Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken. Indien er sprake is van deelgebruik van één onroerende zaak en er voor deze delen, volgens de wet WOZ, geen waarde wordt toegekend, is elke belastingplichtige een tarief verschuldigd zoals vermeld in artikel 8, lid 2 (Deelgebruik, geen WOZ-waarde).

5.

6.

Indien de vastgestelde WOZ-waarde voor het betreffende jaar naar beneden wordt bijgesteld, wordt de aanslag ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag voor de reclamebelasting. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg, wordt voor de berekening van de reclamebelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij artikel 7 van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 9 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor: a. het hebben van openbare aankondigingen, waarvan de aanwezigheid ingevolge wettelijk voorschrift moet worden gedoogd; b. door de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB of een overeenkomstig lichaam aangebrachte of geplaatste openbare aankondigingen uitsluitend ten behoeve van een vlotte doorstroming van het verkeer of ten dienste van openbare ruimten; c. openbare aankondigingen, die uitsluitend het openbaar belang dienen; d. openbare aankondigingen, die door publiekrechtelijke rechtspersonen zijn aangebracht of geplaatst, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de aan dit orgaan opgedragen publiekrechtelijke taak; e. openbare aankondigingen die door (semi) overheden of cultureel-maatschappelijke instellingen zijn aangebracht of geplaatst en die betrekking hebben op door hen georganiseerde tijdelijke activiteiten met een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang; f. openbare aankondigingen waarvoor op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst reeds betaling aan de gemeente moet geschieden; g. losse, niet permanent aanwezige openbare aankondigingen, die direct verplaatst kunnen worden; h. openbare aankondigingen binnen het inwendig gedeelte van een bedrijf of een gedeelte daarvan, welke niet zijn gericht op het zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; i.

openbare aankondigingen die zijn aangebracht op scholen of zorginstellingen, die betrekking hebben op de functie van het gebouw en waarbij de oppervlakte van de openbare aankondiging kleiner of gelijk is dan 0,25m²; j. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; k. openbare aankondigingen betrekking hebbend op openbare verkoping, verkoop of verhuur van een onroerende zaak, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke aanwezigheid van de te verkopen dan wel te verhuren zaak. Artikel 10 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 11 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand).

4.

Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels zijn verstreken dan is het gehele openstaande bedrag direct invorderbaar.

Artikel 12 Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 3. De 'Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2024' van 9 november 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2025'.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2024

de griffier,

de voorzitter,

Kaarten Bedrijventerreinen

Het Laar

Kanaalzone-Noord

Kanaalzone-Zuid

Katsbogten

Kraaiven

Kreitenmolen

Loven

Vossenberg

Memorie van toelichting behorende bij de 'Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2025 Tarieven De tarieven 2025 zijn op verzoek van Stichting TOF op zeven bedrijventerreinen met 4,28% gestegen ten opzichte van 2024. Deze methodiek wordt niet toegepast voor het bedrijventerrein Kreitenmolen. Voor 2025 is met stichting TOF een tarief van € 150,90 overeengekomen inzake "Deelgebruik - geen WOZwaarde"(artikel 8, lid 2) voor de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Loven & Vossenberg. Kosten en opbrengsten De opbrengst van de reclamebelasting wordt, na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten, overgemaakt aan Stichting TOF. Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Rekening

Begroting

2023 Totale kosten Totale opbrengsten Saldo

Begroting

Begroting

2023

2024

2025

600

600

627

652

600

600

627

652

0

0

0

0

Bijlage 9

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 227 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Spoorzone 2025’. Artikel 1 Definities 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. jaar: een kalenderjaar; b. maand: een kalendermaand; c. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg, mag hebben; d. exploitant: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn beroep of bedrijf maakt van het ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van openbare aankondigingen op door hem daartoe beschikbaar gestelde oppervlakten; e. openbare weg: de weg als bedoeld in hoofdstuk II van de Wegenwet; f. onroerende zaak: de onroerende zaak zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. g. WOZ-waarde: de op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar. Artikel 2 Gebiedsomschrijving De verordening is van toepassing binnen het gebied genaamd ‘Spoorzone’ en zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart.

Artikel 3 Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt binnen het in artikel 2 van deze verordening aangegeven gebied een directe belasting geheven ter zake van het hebben van een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg. Artikel 4 Belastingplicht 1. De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondigingen worden aangetroffen. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg de reclamebelasting geheven van degene aan wie de vergunning is verleend. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de reclamebelasting ter zake van openbare aankondigingen die door tussenkomst van een exploitant zijn aangebracht, geheven van die exploitant. Artikel 5 Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingschuld ontstaat bij aanvang van het belastingtijdvak, of zo dit later is, op het tijdstip waarop het hebben van een openbare aankondiging een aanvang neemt. 2. Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht aanvangt in de loop van het kalenderjaar, bedraagt de belasting zoveel twaalfden van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na aanvang van de belastingplicht nog volle maanden van het kalenderjaar resteren. 3. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar. Artikel 7 Ontheffing Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht eindigt voor het verstrijken van het belastingtijdvak, wordt op verzoek van belastingplichtige ontheffing verleent over zoveel twaalfde gedeelten van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden van het belastingtijdvak resteren. Artikel 8 Tarief en berekening van de belasting 1.

De belasting wordt geheven van elke onroerende zaak met een aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg. 2. De belasting als bedoeld in artikel 3 bedraagt bij een vastgesteld aantal vierkante meters per unit: - tot 50m2 € 469,30 - vanaf 50 m2 € 782,10 3. Indien er sprake is van meerdere openbare aankondigingen worden, bij de berekening van de belasting, de oppervlakten van deze afzonderlijke aankondigingen bij elkaar opgeteld en gerekend als één openbare aankondiging. 4. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen worden gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. 5. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg, wordt voor de berekening van de reclamebelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij artikel 7 van overeenkomstige toepassing is. Artikel 9 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor: a. het hebben van openbare aankondigingen, waarvan de aanwezigheid ingevolge wettelijk voorschrift moet worden gedoogd; b.

door de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB of een overeenkomstig lichaam aangebrachte of geplaatste openbare aankondigingen uitsluitend ten behoeve van een vlotte doorstroming van het verkeer of ten dienste van openbare ruimten; c. openbare aankondigingen, die uitsluitend het openbaar belang dienen; d. openbare aankondigingen, die door publiekrechtelijke rechtspersonen zijn aangebracht of geplaatst, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de aan dit orgaan opgedragen publiekrechtelijke taak; e. openbare aankondigingen waarvoor op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst reeds betaling aan de gemeente moet geschieden; f. losse, niet permanent aanwezige openbare aankondigingen, die direct verplaatst kunnen worden; g. openbare aankondigingen binnen het inwendig gedeelte van een bedrijf of een gedeelte daarvan, welke niet zijn gericht op het zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; h. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanig onroerende zaken die dienen als woning;

i.

openbare aankondigingen betrekking hebbend op openbare verkoping, verkoop of verhuur van een onroerende zaak, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke aanwezigheid van de te verkopen dan wel te verhuren zaak.

Artikel 10 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 11 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, tenzij de termijnen genoemd in het eerste lid inmiddels verstreken zijn.

Dan is het gehele openstaande bedrag direct opeisbaar. Artikel 12 Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 3. De ‘Verordening reclamebelasting Spoorzone 2024’ van 9 november 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening reclamebelasting Spoorzone 2025’.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2024

de griffier,

de voorzitter,

Gebiedsafbakening Spoorzone Het doelgebied wordt omsloten door de Burgemeester Brokxlaan (Noord en Zuid). De Gasthuisring (Oostkant). De Spoorlaan van de Gasthuisring tot aan de Willem II passage (Noordkant) en het NS-plein tot de Burgemeester Brokxlaan (Westkant).

Memorie van toelichting behorende bij de ‘Verordening reclamebelasting Spoorzone 2025 Tarieven De tarieven 2025 zijn door indexering gestegen met 4,28% ten opzichte van 2024. Kosten en opbrengsten De opbrengst van de reclamebelasting wordt, na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten, overgemaakt aan het Ondernemersfonds Binnenstad Tilburg. Het ondernemersfonds is een initiatief van de samenwerkende partijen in de binnenstad, te weten: Binnenstad Management Tilburg (B.M.T.), Winkeliersvereniging Binnenstad Tilburg (W.B.T.) en Stichting Horeca Concentratiegebied Tilburg (H.C.G.). Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Rekening

Begroting

Begroting

2023

2024

2025

Totale kosten

Nvt

53

56

Totale opbrengsten

Nvt

53

56

Saldo

0

0

0

Bijlage 10

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2025'. Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam 'toeristenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 1. 2. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 1. 3. Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot verblijf, is degene belastingplichtig die verblijf houdt als bedoeld in artikel 1. Artikel 3 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor het verblijf: 1. van degene die verblijft in een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet Toelating Zorginstellingen; 2. van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in artikel 1 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers; 3.

van degene die verblijft in het Ronald McDonald Huis Tilburg. 4. degene die als arbeidsmigrant tijdelijk werkzaam is binnen het grondgebied van Tilburg en in een speciaal onderkomen verblijft voor arbeidsmigranten. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven over de vergoeding die voor het verblijf in rekening wordt gebracht en daarbij niet inbegrepen de toeristenbelasting. 2. Indien omzetbelasting verschuldigd is, wordt als vergoeding aangemerkt het bedrag dat als verschuldigd wegens het houden van verblijf met overnachten aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen. Artikel 5 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt 3,5% van de verblijfsvergoeding zoals bedoeld in artikel 4. 2. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen toeristenbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 8 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 dient de aanslag te worden betaald in één termijn welke termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn. Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van toeristenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 10 Aanmeldingsplicht De belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, is gehouden, voordat deze voor de eerste maal na het in werking treden van de verordening gelegenheid tot verblijf verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren zoals bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 3. De 'Verordening toeristenbelasting 2024' van 9 november 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening toeristenbelasting 2025'.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2024

de griffier,

de voorzitter,

Memorie van toelichting behorende bij de 'Verordening toeristenbelasting 2025' Tarieven Ten opzichte van 2024 is het tarief van de toeristenbelasting ongewijzigd, namelijk 3,5%. Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Jaarrekening

Begroting

Begroting

2023

2024

2025

Heffing en invordering

38

30

30

Totaal kosten

38

30

30

Opbrengst toeristenbelasting

949*

783

809

Totaal opbrengsten

949

783

809

Saldo

911

753

779

*) In de jaarrekening 2023 zit ook een nagekomen effect over 2022 van € 200.000.

Bijlage 11

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en de Parkeerverordening 2011;

Besluit vast te stellen de “Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025”. Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; b. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; b. c. houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken, ten tijde van het parkeren, was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; a. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; b.

centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente Tilburg een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon; c. belanghebbendenplaats: een parkeerplaats, niet zijnde een parkeerapparatuurplaats, die is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 al dan niet voorzien van een onderbord, of gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; c. g.vergunninghoudersplaats: een parkeerapparatuurplaats waarop het tevens is toegestaan om er met een vergunning te parkeren; d. vergunning: een van gemeentewege verleende (parkeer)vergunning voor het parkeren op een vergunninghouderplaats of belanghebbendenplaats; e. autodelen: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder; f. hulpverlenersvergunning: speciale vergunning ten behoeve van personen die werkzaam zijn als huisarts of verloskundige in een in Tilburg gevestigde praktijk dan wel als hulpverlener bij een professionele zorg- of hulpverlenersinstelling zoals nader geregeld in de 'Beleidsregels parkeervergunningen Tilburg'; g.

terreinvergunning: een parkeervergunning voor de parkeerapparatuurplaatsen gelegen op één van de parkeerterreinen zoals opgenomen in de beleidsregels parkeervergunningen; h. 5-daags zakelijke vergunning: een parkeervergunning voor uitsluitend overdag op werkdagen ten behoeve van voertuigen die worden ingezet voor met het bedrijf verbonden activiteiten; i. bezoekersApp: een parkeerrecht bestaande uit een digitale aanmelding van een kenteken in de centrale computer dat is verkregen via de 'BezoekersApp'; j. cityring: de ring rondom het stadscentrum van Tilburg, gevormd door de straten Spoorlaan (deels), Heuvelring, Paleisring, Schouwburgring en Noordhoekring; k. deelauto vergunning: vergunning ten behoeve van aanbieders van deelauto's; l. maandvergunning: Een tijdelijke vergunning geldig voor een maand, waarmee op alle parkeerapparatuurplaatsen geparkeerd mag worden;

m.

n.

dagkaart: uit parkeerapparatuur, internet, belparkeren of via app verkregen parkeerrecht voor het parkeren voor de duur van een aaneengesloten periode van maximaal 24 uur voor het parkeren op een parkeerapparatuurplaats. digitaal parkeerrecht GPK-systeem: het systeem waarmee de houder van een gehandicaptenparkeerkaart via een app of via een klantcontactcentrum een digitaal parkeerrecht kan aanmaken en beëindigen.

Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting terzake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting terzake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 2. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a. degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; b.

zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat: 1e indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd; 2e indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op voet van het tweede lid, onderdeel b als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Artikel 4 Maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel 5 Wijze van heffing 1.

De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door via het gebruik van een (stads)pas, een telefoon, webapplicatie of vergelijkbare producten, inloggen op de centrale computer; 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 7 Termijnen van betalen 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij aanvang van het parkeren. 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door via het gebruik van een (stads)pas, een telefoon, webapplicatie of vergelijkbare producten inloggen op de centrale computer. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b moet overeenkomstig de aangifte worden betaald voorafgaand aan de verstrekking van de vergunning. 4. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. Artikel 8 Bevoegdheid tot aanwijzing van parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a en b, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. Artikel 9 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling 1. Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het motorvoertuig ook een wielklem worden aangebracht, waardoor wordt verhinderd dat het motorvoertuig wordt weggereden. 2.

Het college van burgemeester en wethouders wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast. 3. Indien na het aanbrengen van de wielklem 48 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld. Artikel 10 Digitaal parkeerrecht GPK-systeem 1. De houder van een gehandicaptenparkeerkaart krijgt in afwijking van hetgeen elders in deze verordening is bepaald, uitsluitend vrijstelling van het betalen van parkeerbelasting, indien de houder de gehandicaptenparkeerkaart heeft aangemeld in het digitaal parkeerrecht GPK-systeem, zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel r. Het tonen van de papieren gehandicaptenparkeerkaart kan hier niets aan afdoen en geeft niet alsnog recht op vrijstelling van het betalen van parkeerbelasting. 2. Het college kan nadere regels stellen omtrent de controle op aanwezigheid van een vrijstelling. Met deze controle wordt bedoeld de controle langs elektronische weg met parkeerapparatuur op de aanwezigheid van een aan de houder van een gehandicaptenparkeerkaart toekomende vrijstelling van parkeerbelasting en kunnen regels over de technische werking van de parkeerapparatuur bevatten. 3.

Hetgeen in lid 1 is vermeld geldt niet voor gehandicaptenparkeerplaatsen aangegeven met verkeersbord E06. Voor die gehandicaptenparkeerplaatsen is de papieren gehandicaptenparkeerkaart het geldend bewijsmiddel. 4. Dit artikel treedt in werking op een nader door het college te bepalen datum. Artikel 11 Kosten 1. De kosten van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. 2. De kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van deze verordening zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. 3. De kosten voor de overbrenging en bewaring, als bedoeld in artikel 9, derde lid, van deze verordening zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. 4. Het bedrag van de ingevolge het tweede en derde lid in rekening te brengen kosten wordt bij beschikking vastgesteld.

Artikel 12 Kwijtschelding Bij de invordering van deze belasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 3. De 'Verordening parkeerbelasting 2024" met bijbehorende tarieventabel van 9 november 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening parkeerbelastingen 2025'.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2024 de griffier,

de voorzitter,

De tarieventabel zoals bedoeld in artikel 4 van de Verordening parkeerbelastingen 2025 Hoofdstuk 1 Parkeerapparatuur plaatsen 1.1 De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van deze verordening voor het parkeren op parkeerapparatuur plaatsen in onderstaande tariefzones bedraagt: Tariefzone Tarief

1 € 3,50 per uur *1

2 € 3,50 per uur

3 € 1,00 per uur

Dagkaart tarief BezoekersApp tarief per uur

4 € 1,00 (€ 0,50 voor een half uur ) € 1,00 n.v.t.

5 € 1,00 per uur (eerste 15 minuten gratis) € n.v.t. € 0,20 per uur, betalen per minuut

€ 25,00 € 25,00 n.v.t. € 0,20 € 0,20 € 0,20 per uur, per uur, per uur, betalen per betalen per betalen per minuut minuut minuut *1. Het tarief van € 3,50 is alleen van toepassing ingeval een naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt opgelegd. Het parkeertarief op straat betreft een dagkaart tarief van € 25,00. 1.2 Voor de parkeerplaatsen gelegen in tariefzone 5, geldt dat de eerste 15 minuten parkeren gratis zijn, mits parkeerder een parkeertransactie start (Stop&shop). 1.3 Een uitbreiding van een parkeerrayon valt onder tariefzone 3, tenzij de gemeenteraad daarover middels separaat voorstel anders besluit. Hoofdstuk 2 Parkeervergunningen 2.1 De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van deze verordening voor het parkeren met een vergunning of kaart bedraagt: Overige parkeerrayons niet zijnde Parkeerrayon B parkeerrayon B Per kwartaal: 1e bewonersvergunning

€ 40,00

€ 12,00

Mantelzorgvergunning

€ 40,00

€ 12,00

e

n.v.t.

€ 24,00

e

n.v.t.

€ 48,00

e

€ 90,00

€ 48,00

e

2 volledig zakelijke vergunning

n.v.t.

€ 65,00

5-daagse zakelijke vergunning

€ 168,00

€ 40,00

2 bewonersvergunning 3 bewonersvergunning 1 volledig zakelijke vergunning

Per kwartaal: Terreinvergunning

€ 96,00

Hulpverlenersvergunning

€ 30,00

Deelauto vergunning

€ 12,00

Maatschappelijke vergunning

€ 12,00

Per stuk: Maandvergunning 2.2

€ 99,00

De bewonersvergunning en volledig zakelijke vergunning als bedoeld in hoofdstuk 2.1, met een toeslag van € 65,- per kwartaal, maakt het mogelijk om ieder willekeurig kenteken aan de vergunning te koppelen en/of onbeperkt het kenteken te wijzigen (voorheen betrof dit de 'vergunning op naam').

Hoofdstuk 3 Administratieve handelingen en restitutie 3.1 Bij opzegging van de vergunning wordt restitutie verleend over de volledige maand(en) die resteren na het moment van opzegging. Hoofdstuk 4 Kosten naheffingsaanslag en wielklem-/wegsleepregeling 4.1 De kosten van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a en b, van deze verordening bedragen in 2025: € 48,93 plus heffing van het geldende parkeertarief. 4.2 De kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, bedragen € 333,00 4.3 De kosten voor de overbrenging en bewaring van het voertuig (<3.500 kg), als bedoeld in artikel 11, derde lid, bedragen: a. van het overbrengen van een voertuig naar het bewaarterrein van P1 bedragen € 252,-. b. voor het bewaren van een voertuig op het bewaarterrein van P1 bedragen € 12,00 per dag. c. In geval het voertuig niet naar de plaats van bewaring is overgebracht, worden de volgende werkzaamheden onderscheiden, waarvoor de volgende tarieven gelden: I. als de sleepwagen reeds onderweg is en kan worden afgebeld: € 110,-. II. als de sleepwagen is gearriveerd op de plaats van de overtreding en het voertuig nog niet is opgetakeld: € 110,-. III. als de sleepwagen is gearriveerd en het optakelen van het voertuig al in gang is gezet: € 252,-. IV.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14720593/3