Bijlage 1.3 Bijlagen bij Evaluatie beleid bestaanszekerheid Tilburg
Tekst van het document
Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg Vanuit het perspectief van inwoners en maatschappelijke partners
Rapport | augustus 2024
Partners in verbetering
Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg Vanuit het perspectief van inwoners en maatschappelijke partners
Rapport BMC
Dit document (inclusief eventuele bijlagen) is opgesteld door BMC en de (auteurs)rechten met betrekking tot de inhoud en het format van dit document berusten bij BMC. Dit document is uitsluitend bedoeld voor gebruik door de opdrachtgever en mag niet worden gepubliceerd of aan anderen ter beschikking worden gesteld zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van BMC
| 2 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Inhoudsopgave Bijlage 1 | Verantwoording van de aanpak
4
1.1 Aanleiding
4
1.2 Doel van de evaluatie
4
1.3 De aanpak
4
1.4 Ervaringen met de aanpak
9
Bijlage 2 | ‘De bedoeling’ van het beleid
12
2.1 Aanleiding herijking beleid in 2018
12
2.2 Inhoud van het beleid
12
2.3 Doelgroepenanalyse
14
2.4 Beoogde (maatschappelijke) impact
15
2.5 Samenspel met andere beleidsterreinen
15
2.6 Rolopvatting gemeente en relatie met de uitvoering
15
2.7 Doelen-Inspanningen-Netwerk 1
16
Bijlage 3 | Opgehaalde ervaringen
18
3.1 Wegnemen van oorzaken
18
3.2 Dempen van gevolgen
19
3.3 Nabijheid
21
3.4 Maatwerk
22
3.5 Activering en eigen kracht
23
3.6 Proces
23
3.7 Ervaringen van inwoners met hulp via medewerkers bestaanszekerheid
24
3.8 Selectie van aanbevelingen
25
Bijlage 4 | Evaluatie van evaluaties
28
4.1 Overzicht eerder uitgevoerde evaluaties
28
4.2 Evaluaties van aanpalende beleidsterreinen
33
4.3 Sociale Raad Tilburg
35
Bijlage 5 | Data en trends
39
5.1 Algemene cijfers
39
5.2 Gemeentelijke indicatoren
39
Bijlage 6 | Gesprekspartners
44
Bijlage 7 | Documentenoverzicht
48
7.1 Documenten gebruikt voor de bedoeling
48
7.2 Documenten gebruikt voor de evaluatie van evaluaties
48
7.3 Documenten gebruikt voor het onderdeel monitoring
49
7.4 Overige en landelijke documenten
49
Colofon
| 3 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
51
Bijlage 1 | Verantwoording van de aanpak In deze bijlage beschrijven we de aanleiding en het doel van de evaluatie, vervolgens de aanpak zoals we die voor de start van de evaluatie hebben ontworpen, en tot slot hoe de daadwerkelijke uitvoering eruit heeft gezien.
1.1 Aanleiding Het hoofddoel van de gemeente Tilburg is: ‘meer voor elkaar’. Samen met inwoners, ondernemers en partners werkt de gemeente Tilburg aan een stad waar mensen gezond en gelukkig kunnen zijn. De beleidsnota ‘Bestaanszekerheid, activeren vanuit nabijheid en maatwerk’ (hierna te noemen ‘beleidsnota’) is hier onderdeel van. Op 21 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Tilburg dit beleid vastgesteld. De beleidsnota liep tot 1 januari 2024 en is in afwachting van evaluatie verlengd tot 31 december 2024. Het ‘hoofdrapport’ (waar dit de bijlage van is) kan gebruikt worden om het huidige beleid te herijken. In de periode april tot en met augustus 2024 heeft BMC de evaluatie uitgevoerd. In deze bijlage beschrijven we het doel van de evaluatie, de onderzoeksvragen en de manier waarop we de evaluatie hebben vormgegeven.
1.2 Doel van de evaluatie Het doel van de evaluatie is inzicht geven in de resultaten die voortkomen uit de beleidsnota en het bijbehorende uitvoeringsplan. Centraal in de evaluatie staan de ervaringen van inwoners en maatschappelijke organisaties met het beleid. Hiertoe beantwoorden we in deze evaluatie de volgende hoofd- en deelvragen: Hoofdvragen 1. Is de richting die de gemeente gekozen heeft op het gebied van bestaanszekerheid nog passend voor de komende jaren? 2. Heeft de koerswijziging ten opzichte van het vorige beleid geleid tot de gewenste resultaten? Deelvragen 1. Wat hebben de inwoners van de gemeente Tilburg gemerkt van het nieuwe beleid en daarmee de nieuwe koers? 2. Welke indicatoren kunnen het beste gebruikt worden voor een monitor om te meten of de gewenste effecten bereikt kunnen worden voor de toekomst? 3. Welke aanbevelingen kunnen er gedaan worden op basis van de evaluatie, als vertrekpunt voor eventuele verbeteringen en aanpassingen voor nieuw beleid?
1.3 De aanpak Om antwoord te geven op vragen die centraal staan in deze evaluatie maken we gebruik van een gefaseerde aanpak die bestaat uit 3 fasen (figuur 1).
| 4 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Figuur 1. Schematische weergave aanpak Fase 1 - De bedoeling Deze fase begint, naast de voorbereidingen van de onderzoeksfase, met het nagaan van de bedoeling van het beleid. We brengen beknopt in kaart wat het gezamenlijke beeld van de gemeente en de stakeholders was toen het beleid in de periode 2018-2019 werd opgesteld. Dit doen we om de basis voor de evaluatie te bepalen, in overeenstemming met elkaar. De bedoeling stellen we in drie stappen op. Stap 1. ‘Wat staat er in de documenten?’ - Aan de hand van relevante (beleids)documenten schrijven we een eerste concept. Daarnaast maken we gebruik van een Doelen-Inspanningen-Netwerk (DIN)1 om de bedoeling visueel weer te geven. Stap 2. ‘Wat zeggen sleutelpersonen?’ - Aan de hand van het concept en het DIN gaan we in gesprek met sleutelpersonen (ambtelijke organisatie, de wethouder/portefeuillehouder en vertegenwoordigers van externe partners). In dit gesprek toetsen we of de concepten compleet en helder zijn. Op basis van de feedback passen we het concept en het DIN aan.
1
Aanpakken met impact | BMC en Reisgids Aanpakken met Impact | BMC
| 5 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Stap 3 - ‘Wat zegt de raad?’ - Aan de hand van het aangepaste concept en het aangepaste DIN gaan we in gesprek met de raad tijdens een ‘koffiekamergesprek’. Ook hier toetsen we of de concepten compleet en helder zijn. Aan de hand van deze feedback passen we de documenten, indien nodig, een laatste keer aan en stellen we de bedoeling vast voor gebruik in de evaluatie. Fase 2 - Onderzoeksfase evaluatie De onderzoeksfase bestaat uit vier delen. Deel 1 - Analyse van eerdere evaluaties, relevante beleidsstukken en overige documenten Omdat er al veel analyses zijn gedaan die betrekking hebben op (delen van) het bestaanszekerheidsbeleid, maken we een matrix waarin we schematisch weergeven welke onderzoeksvragen gesteld zijn en welke resultaten en adviezen daaruit voort zijn gekomen. Deze uitkomsten nemen we mee in de huidige evaluatie en gebruiken we om te bepalen welke informatie we nog moeten ophalen in deel 2 en deel 3 van deze fase. Ook kijken we naar de landelijke context op het gebied van bestaanszekerheid en wat dat betekent voor de gemeente Tilburg. Deel 2 - Het ophalen van ervaringen van inwoners Om inzicht te krijgen in hoe inwoners het beleid ervaren gaan we in gesprek met plusminus 40 inwoners. Dit doen we in de leefwereld van de inwoners en we werken cultuur- en stress-sensitief, gezien de gevoeligheid van het onderwerp. Indien noodzakelijk zetten we ook een tolk in.
We betrekken ervaringsdeskundigen en maatschappelijke partners bij het kiezen van de onderzoeksmethodes die we inzetten, van de locatie en bij het opstellen van de vragen voor de inwoners. We maken gebruik van drie verschillende methodes: 1. Levenslijnen - De inwoners tekenen een ‘grafiek’ met een 0-lijn als basis. Met pieken naar boven en naar beneden geven ze aan welke levensgebeurtenissen de afgelopen periode (bijvoorbeeld de periode van het beleid) een positiever of negatiever gevoel hebben gegeven over hun bestaanszekerheid. Dit kunnen bijvoorbeeld interventies zijn die de gemeente geïnitieerd heeft (bijvoorbeeld schoolontbijt) (+) of een onverwachte hoge energierekening (-), maar dit kan ook de hulp van iemand in het eigen sociale netwerk zijn (++). Deze methode hebben we toegepast in een opdracht om in kaart te brengen welke factoren van invloed zijn op de (over)belasting van mantelzorgers. Op deze wijze brengen we in kaart welke delen van het beleid invloed hebben gehad op het leven van de inwoner en wat deze invloed is geweest. 2. Gesprekken - We voeren gesprekken van maximaal één uur aan de hand van een semigestructureerde topiclijst, die in co-creatie is opgesteld en veel ruimte laat voor inwoners om uit te weiden over de onderwerpen die zij belangrijk vinden. Het gesprek vindt voor de inwoner in een vertrouwde omgeving plaats. 3.
Observaties en korte interviews- We sluiten aan bij afspraken die professionals van de gemeente hebben met inwoners. We observeren hoe de gesprekken verlopen
| 6 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
en na het observeren nemen we een kort interview af bij de inwoners, waarbij we ingaan op hoe zij de ondersteuning van de gemeente ervaren. We benaderen inwoners via de formele sociale basis, de persoonlijke sociale basis en de gemeentelijke organisatie. Waar mogelijk sluiten we aan bij momenten waarop inwoners elkaar al ontmoeten. Deel 3 - Het ophalen van ervaringen bij overige belanghebbenden Om inzicht te krijgen in hoe inwoners het beleid ervaren gaan we ook in gesprek met acht tot tien maatschappelijke partners en de professionals die dagelijks in contact zijn met de doelgroep. Zij vormen de verbinding tussen de leefwereld van de inwoners en de systeemwereld van het gemeentelijke beleid. We focussen vanuit verschillende invalshoeken op het beleid – wat zien de belanghebbenden in hun dagelijkse praktijk? Welk effect heeft de manier van werken op de inwoners? Wat zijn belangrijke belemmerende en bevorderende factoren van het beleid die invloed hebben op bestaanszekerheid? Deel 4 - Reflectiesessie Nadat we alle informatie hebben opgehaald zoals hierboven beschreven, reflecteren we in een gemeenschappelijke sessie met de ambtelijke organisatie, de professionals, maatschappelijke partners en ervaringsdeskundigen op de bevindingen. Dit heeft als doel de bevindingen te verifiëren en met elkaar te sparren over wat dit betekent voor de toekomst.
Fase 3 - Rapportage Aan de hand van de uitkomsten van bovenstaande onderzoeksactiviteiten beantwoorden we de twee hoofd- en drie deelvragen. Hierbij maken we gebruik van een ‘behoorlijkheidskader’ voor beleid. Gebaseerd op het rapport van de commissie Sociaal Minimum hebben wij een model ontwikkeld (en in meerdere gemeenten toegepast bij nieuw beleid) om af te meten of het beleid toegankelijk, voorspelbaar, uitvoerbaar en houdbaar is. De eerste twee aspecten zijn voor inwoners belangrijk, de laatste twee zijn voor de gemeente belangrijk. Parallel spoor: monitoring Het onderdeel monitoring vormt een parallel spoor in onze aanpak, waarin we in zes stappen (figuur 2) komen tot een advies over hoe de monitoring er voor bestaanszekerheid uit kan zien in Tilburg. Dit advies verwerken we in het eindrapport.
| 7 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Figuur 2. Aanpak monitoring in zes stappen Stap 1: Zicht op huidige monitoring en gewenste doorontwikkeling In deze stap inventariseren we aan de hand van gesprekken2, een kennisbijeenkomst en een documentanalyse de huidige situatie. De analyse van deze stap is in het deelrapport ‘Monitoring beleid bestaanszekerheid’ samengevat in hoofdstuk 2. Stap 2: Denkkader monitoren beleid en uitvoering bestaanszekerheid Met behulp van de informatie uit stap 1 stellen we een denkkader op dat handvatten biedt om de monitoring bestaanszekerheid verder te ontwikkelen. We besteden aandacht aan het monitoren op bestuurlijk en (beleids)uitvoerend niveau en laten de samenhang zien tussen doelen en indicatoren op de verschillende niveaus. Stap 3: Voorstel voor indicatoren, data en databronnen In de inventarisatie in stap 1 bleek dat er nog weinig gemonitord wordt op outcome. In deze stap hebben we verkend welke informatie-inzichten gewenst zijn en hebben we in afstemming met opdrachtgever voorstellen voor indicatoren, data en meetinstrumenten gedaan. Stap 4: Voorstel modelleren In het voorstel hebben we beschreven hoe aan de hand van verklarende en voorspellende analyses nieuwe inzichten toegevoegd kunnen worden aan de kennis over bestaanszekerheid.
Tijdens de inventarisatie werd duidelijk dat de gemeente Tilburg niet zozeer op zoek is naar nieuwe instrumenten of modellen, maar dat ze vooral wil werken aan het beter ontsluiten en gebruiken van data en data-inzichten. Hiervoor doen we een aantal suggesties. Ook geven we suggesties voor de doorontwikkeling van de monitor bestaanszekerheid. De voorstellen staan in paragraaf 3.3 van het eindrapport.
2
Zie voor een overzicht van de gesprekspartners bijlage 6.
| 8 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Stap 5: Kwalitatieve vormen van monitoring In de evaluatie bleek het belang van de ervaringen van inwoners en professionals. In de bestaande monitoring blijkt dit nog niet systematisch te gebeuren. Dit sluit aan bij ons voorstel om de monitoring niet uitsluitend te baseren op kwantitatieve inzichten. In het overzicht van outcome-indicatoren in paragraaf 3.2 doen we een aantal voorstellen voor het kwalitatief monitoren. Stap 6: Opleveren voorstel en advies Als laatste stap hebben we alle informatie gebundeld, een set aan outcome-indicatoren samengesteld, en aanbevelingen gedaan voor de ontwikkeling naar monitoren op outcome.
1.4 Ervaringen met de aanpak Tijdens de evaluatie van het beleid boden de beschreven fasen het onderzoek structuur en hielpen ze bij het verkrijgen van een compleet beeld van het beleid en de uitwerking ervan in de praktijk. Desalniettemin hebben we enkele aanpassingen in de fasen moeten doorvoeren toen we het onderzoek aan het uitvoeren waren. Hieronder geven we per stap de afwijking van het plan aan, lichten we toe waardoor de afwijking is ontstaan en benoemen we hoe we het wel hebben aangepakt. Fase 1 is verlopen zoals gepland. De enige afwijking van het oorspronkelijke plan is dat de tekst van de bedoeling langer is geworden dan twee pagina’s. Toen we de onderzoeksstappen uitvoerden, kwamen we erachter dat er zoveel relevante informatie in de bedoeling opgenomen moest worden om een kloppend beeld te krijgen, dat dit niet op twee pagina’s paste. Uiteindelijk zijn we uitgekomen op ongeveer vier pagina’s, zie bijlage 2. Fase 2 heeft wijzigingen ondergaan, doordat we in de uitvoering tegen uitdagingen aanliepen. In de oorspronkelijke planning liepen deel 2 en deel 3 gelijk met elkaar op. In de praktijk hebben we eerst voornamelijk met maatschappelijke organisaties gesproken (deel 3) en daarna met de inwoners (deel 2).
We kwamen erachter dat we om met de inwoners in contact te komen eerst ook informatie bij de maatschappelijke organisaties moesten ophalen, en dat we niet alleen via de maatschappelijke organisaties in contact wilden komen met de inwoners op dat punt in het onderzoek. De context en ervaring die de maatschappelijke organisaties deelden, maakten het makkelijker om de gesprekken met de inwoners goed in te steken. Uiteindelijk zijn we onder andere aangesloten bij een voedseluitgiftemoment, een inloopspreekuur, een koffiemoment en een lunch bij de maatschappelijke organisaties. Ook gaven we aan dat we met acht tot tien verschillende maatschappelijke organisaties zouden spreken. In de praktijk is dit opgelopen tot zestien organisaties, omdat we tijdens de gesprekken met maatschappelijke organisaties geadviseerd werden met nog een aantal andere organisaties te spreken. Zie bijlage 6 voor een overzicht van de organisaties waarmee we gesproken hebben. Hier zijn we op ingegaan, omdat deze aanvullende maatschappelijke organisaties mogelijk waardevolle informatie konden delen vanuit hun perspectief. Daardoor zou het beeld dat we probeerden te krijgen van het effect van het beleid op inwoners completer worden. Dit bleek in de praktijk ook zo te zijn.
| 9 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
In deel 2 van fase 2 hebben zich ook wijzigingen voorgedaan. Zowel op de ingezette methodes als op het aantal inwoners dat we gesproken hebben. Een van de methodes die we wilden inzetten was het optekenen van levenslijnen. In de praktijk merkten we dat het optekenen van de levenslijnen op dit onderwerp wel inzicht gaf in het persoonlijk leven van de inwoner, maar dat het niet direct meer inzicht gaf in het effect van het bestaanszekerheidsbeleid op de inwoner. De verdiepende interviews die we ook inzetten leverden meer informatie op voor de evaluatie, waren minder belastend voor de inwoner en namen voor ons als onderzoekers minder tijd in beslag. Daarom hebben we ervoor gekozen de levenslijnenmethodiek niet verder in te zetten en te focussen op de verdiepende interviews. Een andere methode die we wilden inzetten was het observeren van contacten die de gemeentelijke organisatie heeft met inwoners, gevolgd door een kort interview met de inwoner. In de praktijk bleek dat we dit beter uit elkaar konden trekken. Daarom zijn we mee geweest op huisbezoeken met medewerkers bestaanszekerheid, waar we uitsluitend hebben geobserveerd en hebben gelet op de ambities uit het beleid (nabijheid, maatwerk etc.) en hoe de inwoner daarop reageerde. Daarnaast hebben we een aantal telefonische interviews afgenomen bij inwoners die een traject bij de medewerker bestaanszekerheid hebben afgerond.
Daar stond centraal hoe de inwoners in contact waren gekomen met de medewerker bestaanszekerheid, welke hulpvraag ze hadden, hoe deze is opgelost en wat er daarbij goed ging en wat er beter kon. Ook trad na enige tijd verzadiging van informatie op in de gesprekken die we voerden. Dat betekende dat we geen nieuwe inzichten over het effect van het beleid opdeden, waardoor het niet nuttig was om door te blijven interviewen tot we het streefaantal van 40 inwoners zouden bereiken. Uiteindelijk hebben we met 37 inwoners gesproken. Een groep inwoners die we minder goed in beeld hebben gekregen in dit onderzoek is de groep ‘werkende armen’. Deze groep inwoners is voor ons lastiger te bereiken binnen onze aanpak waarin we via de maatschappelijke organisaties met inwoners in contact komen. Bij die maatschappelijke organisaties komen mensen die doorgaans al gebruikmaken van een voorziening en (indirect) in beeld zijn van de gemeente. De werkenden zijn minder vertegenwoordigd bij activiteiten van deze organisaties; hoogstwaarschijnlijk omdat zij dan aan het werk zijn. We hoopten deze inwoners alsnog te bereiken, bijvoorbeeld via de medewerkers bestaanszekerheid, maar het contact met deze medewerkers ontstond tegen het einde van het onderzoek. Er was daarom onvoldoende tijd om alsnog veel inwoners die werken te vinden en te spreken.
Uiteindelijk hebben we met een paar inwoners gesproken die wel werken. Hoewel deze groep in aantal ondervertegenwoordigd was, kwamen hun bevindingen wel overeen met hetgeen we al hadden gehoord van de andere inwoners die we gesproken hadden. Er was dus wel sprake van verzadiging. In bijlage 6 is meer informatie te vinden over de kenmerken van de inwoners die we gesproken hebben. In deel 4 van fase 2 hebben we een reflectiesessie georganiseerd. In de oorspronkelijke planning was het doel om de volledige dataverzameling af te ronden voordat de sessie zou plaatsvinden. Door opgelopen vertraging in het kunnen spreken van de inwoners is dit niet
| 10 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
gelukt. Aan de hand van de voorlopige bevindingen hebben we wel met elkaar kunnen sparren over deze bevindingen en de implicaties ervan voor de toekomst. Daardoor is het doel van de bijeenkomst wel hetzelfde gebleven en geslaagd. Monitoring Op hoofdlijnen is de aanpak zo verlopen zoals vermeld in het oorspronkelijke plan. Gezien de korte doorlooptijd van het onderzoek bleek het lastig om tot een proces van co-creatie te komen. Onze voorstellen zijn steeds getoetst bij een aantal medewerkers, maar het vraagt nog extra aandacht om de monitoring breder en beter te borgen in de organisatie (o.a. inbedden in werkprocessen). In (deel)rapport 2 zijn aanbevelingen opgenomen over hoe de monitoring verder vorm te geven en welke stappen gezet moeten worden om tot voor Tilburg passende indicatoren te komen.
| 11 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Bijlage 2 | ‘De bedoeling’ van het beleid In deze bijlage leest u de volledige bedoeling, zoals deze is opgesteld in fase 1 van het onderzoek. Het doel van ‘de bedoeling’ was om een gelijk, onderbouwd en gedragen ijkpunt te formuleren dat diende als basis voor de evaluatie. Wat was het gezamenlijke beeld van de gemeente en de belanghebbenden toen het beleid in de periode 2018-2019 werd opgesteld? Aan het einde van deze bijlage vindt u ook het Doelen-Inspanningen-Netwerk (DIN) dat we hebben opgesteld naar aanleiding van het abstraheren van de bedoeling van het beleid.
2.1 Aanleiding herijking beleid in 2018 Er is sprake van een groeiende tweedeling in de samenleving; er zijn toegenomen verschillen tussen jong en oud, gezond en ongezond, arm en rijk, theoretisch en praktisch opgeleiden. Relatief veel Tilburgers moeten rondkomen op of rond het sociaal minimum. Dit aantal blijft ten tijde van de voorgaande beleidsperiode3 ongeveer gelijk, waarbij plusminus de helft van deze huishoudens langdurig (>4 jaar) op dit inkomensniveau zit. In de evaluatie uit 2018, uitgevoerd door Panteia, is gebleken dat de ingezette maatregelen uit ‘Beleidskader Aanpak armoede 2013-2017’ en ‘Beleidsplan Schuldhulpverlening 2012-2016’ wel voor een groter bereik van inkomensondersteunende maatregelen hebben gezorgd, maar dat het niet zeker is of het perspectief van huishoudens onder de armoedegrens structureel verbeterd is. Dit hangt samen met het feit dat rond moeten komen op of rond het sociaal minimum impact heeft op diverse leefgebieden en niet alleen op iemands financiële omstandigheden. Wanneer basiswaarden zoals een fatsoenlijk dak boven je hoofd, voldoende eten, toegang tot goede en betaalbare zorg en onderwijs, rond kunnen komen en een invulling van je dag (deels) ontbreken, dan wordt leven ‘overleven’ en heeft de inwoner (veel) stress.
Daarbij komt ook dat er sprake kan zijn van multiproblematiek en intergenerationele armoede, dat een divers palet aan groepen te maken krijgt met bestaansonzekerheid, waaronder veel nieuwkomers, en dat de samenleving zeer complex is. Er wordt steeds meer verantwoordelijkheid bij inwoners zelf gelegd en zelfredzaamheid van inwoners verwacht, waardoor ze overvraagd kunnen worden. Alles bij elkaar zorgt dit bij de gemeente voor de overtuiging dat er meer impact en effect bereikt kan worden voor minima als het beleid zich richt op investeren aan de voorkant in brede zin (perspectief bieden), dan op focussen op dempen door gebruik van compenserende regelingen en ondersteuning aan de achterkant. Hiervoor is een beleidsherijking nodig.
2.2 Inhoud van het beleid De opgave die de gemeente voor zich heeft liggen gaat om het versterken van een sociaal en veerkrachtig Tilburg, door aan zeven thema’s4 te werken, waarvan bestaanszekerheid er een is. Naar aanleiding van de evaluatie van de voorgaande beleidsperiode en aanvullende activiteiten (zie procesbeschrijving) is ervoor gekozen niet alleen naar armoede en naar schulden te kijken, maar de scope van het beleid te verbreden en het brede begrip ‘Beleidskader Aanpak armoede 2013-2017’ en ‘Beleidsplan Schuldhulpverlening 2012-2016’ Bestaanszekerheid, positieve gezondheid, Sociale basis: wijk aan zet, Sport en bewegen, Integrale ouderenaanpak, Integrale jeugdaanpak, Werkagenda diversiteit (inclusie) 3 4
| 12 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
bestaanszekerheid als basis voor het nieuwe beleid te nemen. Bestaanszekerheid is een fundamenteel onderdeel binnen het sociaal domein; niemand mag door de bodem zakken. Er is sprake van bestaanszekerheid als er zekerheid is op inkomen en uitgaven5, participatie/meedoen in de samenleving6, gezondheid7, wonen8 en onderwijs en opleiding9. De ambitie van het nieuwe beleid is het verstevigen van deze vorm van bestaanszekerheid en het bieden van perspectief door het weghalen van oorzaken en het dempen van de gevolgen van een gebrek aan bestaanszekerheid. Hierbij wordt ingezet op nabijheid, maatwerk bieden, het activeren van inwoners en aanboren van hun eigen kracht, zodat ze echt stappen vóóruit kunnen zetten en hun bestaanszekerheid kunnen vergroten. Er zijn vijf sporen met bijbehorende doelen en inspanningen om deze ambitie te verwezenlijken: 1. In beeld: perspectief bieden vanuit nabijheid en maatwerk – generieke minimaregelingen verschuiven naar meer persoonlijk contact en doelgerichte ondersteuning (maatwerk), waarbij ook verder wordt gekeken dan alleen naar de financiële situatie. 2. Van compenserend achteraf naar kostenverlaging aan de voorkant – regels zijn complex, dat zorgt voor onrust en puzzelen om rond te komen. Daarom inzetten op vereenvoudigen en kosten aan de voorkant omlaag brengen. 3.
Preventie en vroegsignalering: breder dan alleen inkomen – door meer in te zetten op het voorkomen van problemen zijn mensen beter in staat zich staande te houden in de complexe maatschappij. Hierbij wordt zowel naar financiën als naar onderwijs, gezondheid en participatie gekeken. 4. Doorbreken van intergenerationele armoede – zowel investeren in meer mogelijkheden om mee te doen op de korte termijn als investeren in maximale ontwikkeling op lange termijn, zodat kinderen uit een situatie van armoede kunnen komen. 5. Ondersteuning vanuit voorzieningen en minimaregelingen - de huidige regelingen zijn goed en ze bereiken inwoners, maar een nóg groter bereik is wenselijk, evenals het omlaag brengen van de administratieve last van compensatieregelingen (bijdrage school/sport). Bij de vijf sporen wordt uitgegaan van een aantal onderliggende generieke uitgangspunten: het beleid is stevig onderbouwd en datagestuurd, er worden ervaringsdeskundigen betrokken en inwonersparticipatie is belangrijk, er wordt voortgebouwd op de goede onderdelen van het voorgaande beleid, nabijheid en vertrouwen als basishouding, activiteiten zijn gericht op
Voldoende besteedbaar inkomen voor noodzakelijke kosten, niet alleen vandaag maar ook morgen. Verstandig omgaan met inkomen. Geen dagtaak hebben om rond te komen. Ik heb geen stress over mijn inkomen etc. 6 Meedoen naar vermogen. Andere mensen ontmoeten wanneer je wilt. Voldoende sociale contacten etc. 7 Goed verzekerd tegen zorgkosten. Bijkomende kosten kunnen betalen. Drie gezonde maaltijden nuttigen. Voldoende toegang tot noodzakelijke zorg etc. 8 Een dak boven je hoofd. Veilig wonen. Woonlasten kunnen betalen. Basisinrichting voor een woning hebben. Een passende/toegankelijke woning. 9 Voldoende taalniveau/kunnen lezen en schrijven. Een startkwalificatie hebben. Toegang tot passend onderwijs. Volwaardig mee kunnen doen in onderwijs. 5
| 13 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
preventie, activiteiten bieden een duurzame uitweg uit armoede, wijkgericht waar het kan, gemeentebreed waar het moet.
2.3 Doelgroepenanalyse De doelgroepen waar het bestaanszekerheidsbeleid betrekking op heeft worden op twee elkaar aanvullende manieren beschreven in de verschillende documenten – cijfermatig en op basis van diverse verdiepende gesprekken. Hiervoor wordt een doelgroepdefinitie gebruikt die als voornaamste kenmerken de huishoudsamenstelling en de economische/inkomenssituatie van het huishouden omvat. Gecombineerd met de informatie over de inhoud van het beleid kun je in het algemeen zeggen dat er zowel een doelgroepen- als een maatwerkbeleid wordt gevoerd, beide gebaseerd op nabijheid en vertrouwen. Het gaat in de gemeente Tilburg, op het moment van het maken van het beleid, om 18.000 huishoudens die moeten rondkomen van een inkomen tot 130% van het sociaal minimum – 6.500 huishouden met een participatiewetuitkering en minimaal één minimaregeling, 7.500 huishoudens zonder participatiewetuitkering en minimaal één minimaregeling, en 4.000 huishoudens zonder uitkering en zonder minimaregeling.10 In de doelgroepenanalyse is aan de hand van verschillende varianten van de persona ‘Dirk’ gekeken naar de financiële situatie van huishoudens en wat de effecten van de hoogte van het inkomen zijn op het bedrag dat een huishouden aan het einde van de maand overhoudt.
Er is onder andere specifiek gekeken naar wat het effect zou zijn van het verlagen van de generieke grens voor minimaregelingen van 130% naar 120%. Uit die analyse kwam dat het voor de meeste betrokken huishoudens een behapbare wijziging zou zijn. Daarom is ervoor gekozen om de generieke grens voor het in aanmerking komen voor minimaregelingen te leggen op 120% van het sociaal minimum. Als inwoners meer dan 120% van het sociaal minimum aan inkomen hebben, zal er maatwerk geleverd worden als er ‘behoefte is aan ondersteuning. De uitzonderingen hierop zijn de individuele inkomenstoeslag (tot 110%) en de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen (tot 100%). Ook is er gekeken op welke andere punten hulp ingezet zou moeten worden om de situatie van de ‘Dirk’en’ te verbeteren. Hier komt uit naar voren dat er vooral ingezet moet worden op maatwerk met betrekking tot inkomensondersteuning en vergoeding van specifieke kosten, begeleiding naar (meer) werk, meedoenregelingen voor kinderen, het verminderen van bureaucratie door minder regelingen achteraf aan te moeten vragen en gezondheid, participatie en eenzaamheid. Uit de verdiepende gesprekken om de doelgroepen in kaart te brengen blijkt dat de diversiteit binnen de doelgroep minima groot is, maar dat er wel een aantal gemeenschappelijkheden te identificeren zijn.
Er ligt vaak een life event (scheiding, pensionering, werkloosheid) ten grondslag aan de problemen en signalering is belangrijk, want problemen blijven te lang onzichtbaar. Daarnaast ervaart de doelgroep druk van uitkeringsinstanties om te gaan werken/solliciteren, terwijl de doelgroep hier (nog) niet aan toe is. Ook is er een duidelijke Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat huishoudens met een participatiewetuitkering primair onder TiiP-beleid vallen (klantregisseur) en dat de overige twee groepen onder dit beleid vallen (medewerker bestaanszekerheid). 10
| 14 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
correlatie tussen armoede en gezondheid en zijn ontmoeting en mogelijkheden om mee te doen belangrijk voor het welbevinden van deze groep, evenals heldere communicatie en informatie over de verschillende vormen van ondersteuning en inkomensregelingen.
2.4 Beoogde (maatschappelijke) impact De beoogde maatschappelijke impact is dat Tilburgers het vermogen hebben om hun leven, zelf en in samenhang met hun omgeving, op een gelukkige en gezonde wijze in te vullen en om te gaan met veranderingen. Hiervoor hebben ze toegang tot de benodigde hulpbronnen. Daarnaast kunnen kinderen zich maximaal ontwikkelen om zo de intergenerationele overdracht van armoede te doorbreken. Door te investeren aan de voorkant en daardoor een duurzaam perspectief te bieden, moet het bestaanszekerheidsbeleid hieraan bijdragen. Het beleid is gericht op het creëren van een stevige financiële basis, het stimuleren van groei naar grotere (financiële) zekerheid en zelfstandigheid, en het onafhankelijk worden van gemeentelijke (financiële) ondersteuning.
2.5 Samenspel met andere beleidsterreinen Doordat het bestaanszekerheidsbeleid in zijn ambitie uitgaat van vijf basiszekerheden11, is het evident dat er een relatie is met andere beleidsvelden en -domeinen, en dat het onderwerp ook is opgenomen in overkoepelende agenda’s en akkoorden, zoals de kadernota 2020 - 2023 ‘Versterken sociaal en veerkrachtig Tilburg’, het bestuursakkoord 2018-2022 ‘Gezond en gelukkig in Tilburg’ en de agenda Sociaal 013 (2016). Daarnaast is er een zeer sterke verbinding met het reïntegratiemodel van de gemeente, ‘Tilburg investeert in Perspectief’ (TiiP - 2019), vallend onder de kadernota 2021-2024 ‘Bieden van passende ondersteuning’. De aanpak Tilburg Investeert in Perspectief (TiiP) vertoont raakvlakken met het bestaanszekerheidsbeleid, bijvoorbeeld door in de aanpak maatwerk, nabijheid en vertrouwen centraal te stellen. Tegelijkertijd vormt TiiP ook een uitzondering op het beleid bestaanszekerheid door de wettelijke taak die samenhangt met de aanpak; de gemeente is verplicht de Participatiewet uit te voeren en waar nodig inkomensondersteuning te bieden. TiiP vormt geen onderdeel van dit evaluatieonderzoek. Voor een volledig overzicht van de inrichting van het beleid binnen het sociaal domein en de onderlinge samenhang verwijzen we naar de factsheet ‘Bouwen aan een Inclusieve stad’12.
2.6 Rolopvatting gemeente en relatie met de uitvoering In de beleidsnota en het uitvoeringsplan wordt niet expliciet ingegaan op de rolopvatting van de gemeente. Als je echter naar de tekst kijkt, kun je daar een rolopvatting uit destilleren. Daarbij zet de gemeente in dit geval in op samenwerking om de doelstellingen van het beleid te behalen. De gemeente sluit aan bij wat er al is in de wijk en probeert dat te versterken of te versnellen. Daarin treedt ze steunend op, maar niet sturend. De opzet van het uitvoeringsplan, waarbij er wel activiteiten benoemd zijn maar er ook (veel) ruimte is om uit te breiden op basis van behoefte, is hier een voorbeeld van. 11 12
Inkomen en uitgaven, wonen, participatie/meedoen in de samenleving, gezondheid, onderwijs en opleiding Bouwen_aan_een_inclusieve_stad_interactieve_V8.pdf (tilburg.nl)
| 15 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
2.7 Doelen-Inspanningen-Netwerk 1 Het bij deze paragraaf horende DIN 1 is te vinden op de volgende pagina.
| 16 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
| 17 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Bijlage 3 | Opgehaalde ervaringen In deze bijlage gaan we dieper in op de ervaringen met het beleid die wij hebben opgehaald bij de inwoners en de maatschappelijke organisaties. Dit doen we aan de hand van de in het beleid aanwezige ambities: het wegnemen van oorzaken, het dempen van gevolgen, nabijheid, maatwerk en het activeren van eigen kracht. Aan de opgehaalde ervaringen bij inwoners die contact hebben gehad met de medewerkers bestaanszekerheid besteden we een aparte paragraaf.
3.1 Wegnemen van oorzaken Het nieuwe beleid lijkt voor de inwoners met wie we gesproken hebben niet geleid te hebben tot een verbetering in hun financiële situatie of vermindering van hun bestaansonzekerheid. Zo geeft het merendeel aan dat ten opzichte van een paar jaar geleden hun geldzorgen eerder zijn toegenomen dan afgenomen. Ze benoemen dat ze meer geld kwijt zijn aan hun vaste lasten en boodschappen en dat dit erin resulteert dat ze elke maand weer moeten ‘puzzelen’ welke rekeningen ze kunnen betalen en welke producten ze kunnen kopen. Voor sommigen geldt ook dat ze voorheen in aanmerking kwamen voor bepaalde regelingen of naar de Voedselbank mochten, maar daar nu door een minimale toename in hun inkomen geen recht meer op hebben. Daarnaast hebben levensgebeurtenissen zoals een scheiding of het overlijden van een partner bij een aantal ook een negatieve impact gehad op hun inkomen. Op basis van de interviews kunnen we concluderen dat inwoners de activiteiten die bij de sporen horen niet altijd herkennen en dat ook de doelen van de sporen niet herkend worden (bijvoorbeeld de doelen horend bij spoor 2, kostenverlaging aan de voorkant). Dit valt mogelijk te wijten aan het feit dat veel van de activiteiten die voortkomen uit de sporen niet bezocht worden of niet als zodanig herkenbaar zijn voor de inwoners.
Wel waren een aantal moeders zeer te spreken over het kinderontbijt en de hulp die Stichting Leergeld biedt. Laatstgenoemde hielp bijvoorbeeld bij de bekostiging van zwemlessen, gymspullen en computers, waardoor de kinderen konden studeren. Voor maatschappelijke organisaties geldt eveneens dat ze de sporen en de bijbehorende activiteiten vaak niet herkennen. Een aantal maatschappelijke organisaties vroegen zich af of bepaalde activiteiten überhaupt wel uitgevoerd werden.
| 18 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Inwoners geven aan het meest geholpen te zijn met geld. Op een enkeling na komen de inwoners niet rond van hun inkomen of uitkering13 en de regelingen waar ze voor in aanmerking komen. Dit resulteert erin dat ze stress ervaren en daardoor niet bezig zijn met hun gezondheid en hun toekomst. Beide zijn van ondergeschikt belang zolang ze hun rekeningen niet kunnen betalen. Dit wordt beaamd door de maatschappelijke organisaties. Daarnaast merken een aantal maatschappelijke organisaties op dat een groot deel van de inwoners die in bestaansonzekerheid leeft een taalbarrière of een beperking heeft, waardoor ze de communicatie van de gemeente niet (voldoende) begrijpen, wat ook tot extra stress leidt. Zo gaf een van de geïnterviewde inwoners aan dat ze het scherm waarop ze zich moest aanmelden op het gemeentehuis niet begreep. Dit gaf haar zoveel stress en onrust dat ze voortaan niet meer alleen naar het gemeentehuis durft. Daarnaast blijkt het voor inwoners lastig te zijn om hulp te vragen. Dit heeft meerdere redenen; sommigen weten niet waar ze terechtkunnen met hun hulpvraag en raken hierdoor gedemotiveerd om hulp te zoeken. Anderen weten überhaupt niet hoe ze hun hulpvraag moeten formuleren. Ook speelt mee dat inwoners schaamte ervaren of niet weten waar ze recht op hebben.
Maatschappelijke organisaties geven als voorbeeld de ‘werkende armen’; deze groep inwoners komt langzamerhand steeds meer bij hen in beeld en ze leven soms zelfs onder het sociaal minimum, omdat ze geen recht hebben op bepaalde regelingen of bepaalde regelingen niet weten te vinden. Een andere groep die moeite heeft met het formuleren van een hulpvraag en/of het zoeken van hulp is die van jongvolwassenen. Door een gebrek aan voorlichting thuis weten ze bijvoorbeeld niet dat ze recht hebben op zorgtoeslag of dat ze studiefinanciering kunnen aanvragen. Wanneer ze schulden krijgen, blijkt dat veel van hen het lastig vinden om hulp te vragen.
3.2 Dempen van gevolgen Bijna alle inwoners die we gesproken hebben maken gebruik van regelingen van de gemeente. De meest genoemde regelingen zijn de Meedoenregeling, de collectieve Zie bijlage 6 voor een beschrijving van de diverse vormen van inkomen van de inwoners die wij gesproken hebben. Het gaat onder andere om inkomen uit werk, bijstand, AOW en WIA. 13
| 19 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
zorgverzekering minima (CZM), de energietoeslag, de witgoedregeling en de bijzondere bijstand. Ze maken minder vaak gebruik van overige regelingen zoals kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, Stichting Ondersteuningsfonds Tilburg (TOF), de Voedselbank, Stichting Leergeld en gelijksoortige regelingen. De Meedoenregeling wordt voor diverse doeleinden ingezet. Het vaakst genoemd zijn een buskaart en diverse sporten. Daarnaast werden ook de bioscoop en diverse cursussen genoemd. De ervaringen met het aanvragen van regelingen lopen uiteen onder de inwoners. De energietoeslag wordt als prettig en toegankelijk gezien. Je hoeft daarvoor in de beleving van de inwoners niet veel documenten aan te leveren en als je een bijstandsuitkering hebt, krijg je de energietoeslag automatisch. De bijzondere bijstand daarentegen wordt door heel veel inwoners als zeer complex ervaren. Er moeten veel ondersteunende documenten aangeleverd worden bij een aanvraag en je krijgt vaak nee te horen. Het is ook niet iedereen duidelijk waarom een aanvraag wordt afgewezen. Ook het feit dat de bijzondere bijstand in bepaalde gevallen een lening is en dat het niet duidelijk is wanneer het een lening of een gift is, maakt dat mensen huiverig zijn om een aanvraag te doen. Dit beeld komt ook naar voren in de gesprekken met de maatschappelijke organisaties.
Ook zij zien dat inwoners het moeilijk vinden om regelingen aan te vragen en dat ze ze daarom ook regelmatig niet aanvragen. Maatschappelijke organisaties bieden om die reden, als ze dat kunnen, ondersteuning bij het aanvragen. Ze hebben niet het idee dat de administratieve last van de inwoners is gedaald de afgelopen jaren.
Inwoners weten regelmatig niet van het bestaan van de verschillende gemeentelijke regelingen. Er zijn zoveel verschillende regelingen en zoveel verschillende loketten waar je die regelingen aan moet vragen, dat inwoners hierin verdwalen. Sommige regelingen moet je aanvragen bij de gemeente, andere regelingen moet je weer aanvragen bij een externe partij zoals Stichting Leergeld of TOF. De ene inwoner is beter op de hoogte dan de andere inwoner. Bovendien komt bekendheid met de regelingen niet altijd door communicatie vanuit de gemeente, maar ook doordat inwoners iets van hun netwerk horen of van een van de maatschappelijke partners waarmee ze in contact zijn. Het beeld dat inwoners niet altijd voldoende op de hoogte zijn van het bestaan van de (gemeentelijke) regelingen en hoe deze aan te vragen komt ook naar voren in de gesprekken met de maatschappelijke organisaties. Maatschappelijke organisaties geven aan dat ze zelf graag beter op de hoogte gehouden willen worden van de regelingen en van de veranderende regelingen. Soms horen ze dat er iets is veranderd via het Platform Sociale Zekerheid, maar ze willen dit graag rechtstreeks van de gemeente horen, zodat zij hun mensen (inwoners, vrijwilligers, medewerkers) beter kunnen informeren en ook de inwoners beter kunnen ondersteunen bij het aanvragen van de regelingen.
Als de gemeente de maatschappelijke organisaties nog meer erkent als onderdeel
| 20 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
van het behalen van de resultaten van het beleid, dan hoort daar ook bij dat de maatschappelijke organisaties het beleid en afspraken goed kennen, zodat ze inwoners direct in de goede richting kunnen leiden. Ook met betrekking tot het dempen van gevolgen is het zowel bij de inwoners als bij de maatschappelijke organisaties niet altijd duidelijk welke activiteiten vanuit de sporen hierop worden ingezet, met uitzondering van de regelingen die onder spoor 5 vallen. Wat wel door sommigen genoemd wordt, zowel door inwoners als door maatschappelijke organisaties, is dat de verlaging van de grens om in aanmerking te komen voor regelingen (van 130% naar 120%) invloed heeft op inwoners. Inwoners die wel ondersteuning nodig hebben van een regeling krijgen die nu niet meer, bijvoorbeeld ouderen die niet meer in aanmerking komen voor de CZM. Ook de inhoud of de uitvoering van de regelingen is niet altijd passend, bijvoorbeeld de CZM voor jongeren zonder grote medische problemen of het bioscoopkaartje/ ov-abonnement waar prominent op staat dat het via de Meedoenregeling is verkregen. Dat zorgt voor schaamte.
3.3 Nabijheid Voor de inwoners met wie we gesproken hebben die contact hebben met een medewerker bestaanszekerheid of een verbindende schakel, geldt dat ze allen uitsluitend positieve ervaringen hebben. Een van de voorbeelden die genoemd werd betrof de voorlichting van twee verbindende schakels bij stichting MST over regelingen waar de inwoners mogelijk recht op hebben. Dit bood de aanwezigen inzicht en gaf hen tevens vertrouwen in de gemeente. Ze voelden zich geholpen. Over de medewerkers bestaanszekerheid gaf een van de inwoners aan dat ze met haar mee dachten en hielpen bij zaken waar ze in eerste instantie niet voor had gebeld. Daardoor voelde ze zich ‘gehoord, gezien en begrepen’. De andere inwoners die contact hadden met een medewerker bestaanszekerheid schetsen een soortgelijk beeld, waarbij een inwoner ook aangaf dat ze zich echt ‘een mens en geen nummer’ voelde. De positieve ervaringen kwamen voort uit het feit dat de medewerkers met hen naar het bredere plaatje keken en de tijd voor hen namen. De hulpvragen varieerden onder de inwoners met wie gesproken is, waarbij in ieder geval werd gekeken of de inwoners alle regelingen ontvingen waar ze recht op hadden. Het contact met de gemeente blijkt veelal hetzelfde gebleven voor velen. Hoewel veel inwoners de brieven nog steeds complex vinden, erkennen ze tegelijkertijd dat de brieven wel begrijpelijker zijn geworden.
Dit wordt bevestigd door diverse maatschappelijke organisaties. Ze benoemen dat het B1-taalgebruik tot een verbetering heeft geleid. Een paar organisaties voegen daaraan toe dat de bejegening in de gesprekken ook positief veranderd is. Wel plaatsen ze daar de kanttekening bij dat dit persoonsafhankelijk is. Daarnaast laten diverse maatschappelijke organisaties zich zeer positief uit over de verbindende schakels. Hun werkwijze wordt geprezen; volgens de organisaties stellen ze zich laagdrempelig op en weten ze snel zaken voor elkaar te krijgen. Dit zorgt ervoor dat inwoners een vertrouwensband met
| 21 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
hen krijgen en hen durven te benaderen met hun hulpvragen. Door hun werkwijze ervaren inwoners ‘nabijheid’. Desalniettemin blijkt uit de gesprekken die we hebben gevoerd dat er weinig vertrouwen is in de gemeente. Veel inwoners wantrouwen de gemeente. Ze hebben het idee dat de gemeente op elk moment ‘iets van hen kan afpakken’, waarmee de inwoners doelen op hun uitkering en/of regelingen. Door die angst ontstaat er ‘kortsluiting’ bij het lezen van brieven van de gemeente, zo beschrijft een van hen. Een andere inwoner benoemt dat hij alleen leest wat hij aan de gemeente moet betalen, de rest van de brief durft hij niet te lezen. De maatschappelijke organisaties herkennen het wantrouwen en de angst om terug te moeten betalen. Ze benoemen dat inwoners bang zijn dat ze ergens aanspraak op maken waar ze geen recht op hebben. Dit komt onder andere door ‘het woud van regelingen’. Het zijn er zoveel dat inwoners er geen zicht meer op hebben.
Wat verder het wantrouwen vergroot is dat veel inwoners de brieven en de website, ondanks dat deze in de afgelopen jaren al zijn versimpeld, niet geheel begrijpen. Dit komt onder andere door de eerder beschreven taalbarrière en beperking die een aantal inwoners hebben. Een van de maatschappelijke organisaties benadrukt dat een deel van deze inwoners de brieven en gesprekken met de gemeente nooit zal begrijpen en hier altijd ondersteuning bij nodig zal hebben. Dat is een gegeven waar onvoldoende rekening mee wordt gehouden, geeft de organisatie aan. De organisatie vermoedt dat dit komt doordat er nog veel onwetendheid is bij de gemeente over de signalen van een licht verstandelijke beperking.
3.4 Maatwerk Op de vraag wat maatschappelijke organisaties zagen in de praktijk op het gebied van maatwerk (zowel de verschillende maatwerkbudgetten die ingezet kunnen worden als de algemene manier van werken) gaven ze het antwoord dat het niet duidelijk is wat maatwerk nu precies is en hoe dat vorm krijgt in de praktijk. Ook merkte een van de organisaties op dat de term ‘maatwerk’ drempelverhogend kan werken voor inwoners. De gedachte ‘ik kom er toch niet voor in aanmerking’ speelt daarbij een belangrijke rol. Uit de gesprekken met de gemeente blijkt dat maatwerk als uitgangspunt wordt gebruikt voor de manier van werken die de uitvoerende professionals van de gemeente hanteren, zoals de medewerkers bestaanszekerheid. Daarnaast zijn er diverse maatwerkbudgetten beschikbaar binnen de gemeente, onder andere van de medewerkers bestaanszekerheid en de verbindende schakels. Deze budgetten kunnen ingezet worden op het moment dat generieke regelingen of mogelijkheden niet geschikt zijn voor de hulpvraag van de inwoner, en de
| 22 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
professionals hebben enige vrijheid in het inzetten van deze budgetten. Uit de beschikbare informatie over het gebruik van de maatwerkbudgetten blijkt dat deze vooral worden ingezet voor medische kosten, vervoer, kosten gerelateerd aan huisvesting of verblijf, en overige kosten. Ook is er geen volledige uitputting van het budget.
3.5 Activering en eigen kracht Het kunnen deelnemen aan activiteiten en/of het doen van vrijwilligerswerk is voor inwoners belangrijk. Een van de inwoners gaf bijvoorbeeld aan dat hij zich door zijn vrijwilligerswerk gewenst en nodig voelde, in plaats van alleen thuis te zitten. Het zijn sociale momenten die voor verbinding zorgen, mensen uit hun huis krijgen en voor de invulling van hun dag zorgen. Er zijn ook nog andere bijeffecten, bijvoorbeeld bij inwoners die bij maatschappelijke organisaties vrijwilliger zijn bij een kookactiviteit en daardoor zelf een warme maaltijd hebben, waar ze anders voor zichzelf niet in hadden kunnen voorzien wegens geldgebrek. Niet iedereen is in staat om mee te doen aan activiteiten of vrijwilligerswerk. Dit kan onder andere komen door gezondheidsklachten en de gevolgen daarvan, maar ook door het niet meer in aanmerking komen voor de Meedoenregeling, waardoor de financiële middelen voor de activiteit niet meer beschikbaar zijn. De stap van activiteiten/vrijwilligerswerk naar een betaalde baan is voor inwoners een complexe stap. Een deel van de inwoners die we gesproken hebben gaf aan dat ze wel willen werken of een opleiding willen doen, maar dat ze ook veel obstakels zien. Hierbij valt te denken aan te hoge kinderopvangkosten, mentale en/of fysieke gezondheidsproblemen of bijvoorbeeld een detentieverleden.
Ook noemden een paar inwoners de angst voor de financiële gevolgen met betrekking tot toeslagen en regelingen die het gaan werken met zich meebrengt. Als je gaat werken verandert er zoveel in je financiële situatie dat de kans dat je daardoor tegen problemen aanloopt (o.a. terugbetalen van toeslagen) in hun ogen groot is.
3.6 Proces De maatschappelijke organisaties die we gesproken hebben zijn over het algemeen te spreken over de nieuwe subsidiesystematiek, ook wel impactgericht subsidiëren genoemd. Organisaties zijn zich bewuster geworden van hun handelen en de impact die ze daarmee hebben. Het zorgt er tevens voor dat ze met meer focus naar hun aanbod van activiteiten kijken en kritisch nadenken over de doelen die ze willen bereiken. Opvallend is dat meerdere organisaties aangeven dat hun werkwijze en hun aanbod niet enorm veranderd is. Hooguit kunnen ze hun handelen beter onderbouwen. Wel worden een paar kanttekeningen geplaatst. Zo benoemen meerdere maatschappelijke organisaties dat voor kleine organisaties de nieuwe systematiek veel werk oplevert en dat ze daardoor te veel tijd kwijt zijn aan de verantwoording van hun werk. Verder geven ze aan dat impact niet altijd meetbaar is. Er werden diverse voorbeelden gegeven, zoals een uitje naar Beekse Bergen, het toebedelen van wc-papier, hulp bij het opbouwen van een sociaal netwerk en een lunch waar mensen voor een klein bedrag kunnen aanschuiven. Daarnaast kan het
| 23 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
jaren duren voordat de impact duidelijk is. Ook is het onduidelijk of inwoners wat merken van de nieuwe subsidiesystematiek. Enerzijds betwijfelen organisaties of inwoners er iets van merken, anderzijds heeft het bij een paar organisaties wel tot nieuwe ideeën en activiteiten geleid. Ook is er gesproken over de samenwerking tussen de gemeente en de maatschappelijke organisaties. Daarbij geven de maatschappelijke organisaties aan dat ze meer willen samenwerken. Ze geven aan dat de gemeente hen nu weinig raadpleegt, terwijl ze wel graag hun kennis willen delen. Door al hun kennis en ervaring en het grote netwerk dat ze hebben, denken de organisaties dat ze nog meer kunnen doen dan ze nu doen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het delen van inzichten en het signaleren van veranderingen in de doelgroep waar dit beleid zich op richt, maar ook voor het vertegenwoordigen van het perspectief van inwoners, het inbrengen van ervaringsdeskundigheid, en kennis delen over cultuursensitief werken. Maatschappelijke organisaties kunnen hierin veel betekenen.
3.7 Ervaringen van inwoners met hulp via medewerkers bestaanszekerheid Op de vraag hoe inwoners in contact zijn gekomen met de medewerker bestaanszekerheid kregen we diverse antwoorden. In sommige gevallen nam de medewerker bestaanszekerheid contact op naar aanleiding van een (aan)vraag voor hulp bij een andere afdeling van de gemeente. In andere gevallen werd de inwoner door een andere hulpverlener of een maatschappelijke organisatie doorverwezen naar de medewerker bestaanszekerheid. Medewerkers bestaanszekerheid krijgen regelmatig vanuit hun eigen netwerk tips over inwoners die hun hulp kunnen gebruiken. Daar gaan ze dan op af. De hulpvragen verschilden. De ene inwoner wilde hulp met het op orde krijgen van de eigen financiën en overzicht creëren, de andere inwoner wilde hulp bij een heel specifiek probleem (bijvoorbeeld tandartskosten, kind dat 18 wordt of TOF-aanvraag). De medewerker bestaanszekerheid sprong hier heel laagdrempelig op in. Er werd snel contact opgenomen met de inwoner om een afspraak te maken. Die snelheid werd als fijn ervaren. Deze afspraak vond vaak bij de inwoner thuis plaats. Dit vonden ze prettig. In sommige gevallen vond de inwoner het niet prettig thuis af te spreken en dan werd ergens anders afgesproken, bijvoorbeeld op het gemeentehuis of in een buurthuis.
De inwoners gaven aan dat ze de benadering van de medewerkers bestaanszekerheid erg prettig vonden. Ze hadden het gevoel dat er echt naar hen geluisterd werd, dat er tijd voor hen werd genomen, dat ze gezien werden als mens, en ze vonden het ook fijn dat de medewerker bestaanszekerheid verder keek dan alleen de vraag die ze stelden. Dat maakte het ook laagdrempeliger om andere vragen te stellen en meer hulp te accepteren. In een
| 24 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
enkel geval werd de inwoner ook doorgestuurd naar een andere hulpverlener binnen de gemeente, bijvoorbeeld een werkmakelaar om te kijken wat er op werkgebied gedaan kon worden om vooruit te komen. Dat de medewerker bestaanszekerheid in veel gevallen na enige tijd nog een keer contact opneemt om op te volgen bij de inwoner hoe het met diegene gaat wordt ook als prettig ervaren. Het biedt ruimte voor de inwoner om nieuwe vragen te stellen, verhoogt de tevredenheid over het contact met de gemeente en maakt dat ze zich echt gezien en gehoord voelen. Op de vraag wat er mogelijk beter kon in het traject werd aangegeven dat alles naar wens is verlopen. We kregen geen verbeterpunten terug op de inzet van de medewerkers bestaanszekerheid. Tijdens de huisbezoeken waarbij we aanwezig zijn geweest, zagen we de werkwijze van de medewerker bestaanszekerheid in de praktijk. Je zag de nabijheid die de medewerkers boden door het laagdrempelige contact via WhatsApp en via telefoon. Ook was zichtbaar dat de inwoners zich comfortabel genoeg voelden in het gesprek om hun zorgen en problemen op tafel te leggen. Ze voelden zich gehoord in hun zorgen. Voor hen was het prettig om een contactpersoon te hebben bij de gemeente die hun hulp kon bieden. Het feit dat we thuiskwamen bij deze inwoners vonden ze - net als de inwoners die we telefonisch geïnterviewd hebben - prettig.
3.8 Selectie van aanbevelingen In de gesprekken met de maatschappelijke organisaties en de inwoners hebben we ook gevraagd of ze aanbevelingen hadden voor toekomstig beleid14. Een selectie van de aanbevelingen, uitgesplitst in de twee categorieën ‘maatschappelijke organisaties’ en ‘inwoners’, vindt u hieronder. Bij het maken van de selectie is gekeken naar de haalbaarheid ervan, evenals of de aanbevelingen vaker genoemd werden en of ze niet al in de praktijk gebracht worden. Daarnaast keken we ook hoe de aanbevelingen aansloten bij onze eigen bevindingen. De organisaties noemden de volgende aanbevelingen: ➔ Er moet onderscheid gemaakt worden tussen inwoners die wel kunnen en inwoners die niet kunnen. Niet iedereen heeft de mogelijkheden om duurzaam onafhankelijk te worden van de gemeente. Door dit niet nadrukkelijk in het beleid op te nemen, negeer je de groep niet-kunners en kun je hun ook minder passende hulp bieden. ➔ De groep inwoners die gezien wordt als ‘werkende armen’ wordt steeds groter. Zij kunnen vaak net geen aanspraak maken op regelingen of zijn gericht op het ‘zelf kunnen’, en zijn daardoor ook niet zichtbaar. Volgens een paar maatschappelijke organisaties geldt voor een deel van deze mensen dat mensen die een bijstandsuitkering ontvangen het breder hebben. Deze groep kan beter in kaart gebracht worden, bijvoorbeeld door te kijken naar 14
Voor inwoners hebben we deze vraag anders geformuleerd: ‘Wat kan er beter?’.
| 25 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
sectoren waarin zij vertegenwoordigd zijn. Denk aan sectoren waarin alleen parttime of flexibele contracten afgegeven worden, waar veel zzp’ers werken en waar de lonen laag zijn. Wanneer deze groep in beeld is, kan gekeken worden wat hun behoefte is en hoe ze ondersteund kunnen worden in het vergroten van hun bestaanszekerheid. ➔ Spoor 4, het doorbreken van intergenerationele armoede, blijkt een complex spoor te zijn voor veel van de maatschappelijke organisaties waarmee we gesproken hebben. Families die in bestaansonzekerheid leven hebben vaak hulp nodig op diverse vlakken. Om te voorkomen dat de kinderen in de toekomst ook in bestaansonzekerheid zullen leven, wordt aanbevolen om nog meer in te zetten op preventie voor jongeren. Een specifieke aanbeveling daarbij is om jongeren op de middelbare school intensief voorlichting te geven over financiën en welke toeslagen ze kunnen aanvragen, zoals zorgtoeslag en studiefinanciering. Daarbij zou het ook gewenst zijn om hun onderwijs te geven over belastingaangifte, wat een registratie bij Bureau Krediet Registratie (BKR) is, et cetera. Veel van deze jongeren krijgen deze informatie thuis niet, wat eraan bijdraagt dat ze soms al op jonge leeftijd schulden hebben. Organisaties die werken met jongeren kunnen deze lessen verzorgen of scholen hierin adviseren.
Ze hebben laagdrempelig contact met jongeren en weten aan te sluiten bij hun leefwereld. Deze maatschappelijke organisaties kunnen middels subsidie blijvend versterkt worden, zodat ze deze rol op zich kunnen nemen. Daarbij kan de inzet van ervaringsdeskundigen ook helpen; zij weten ook wat er in de jongeren omgaat en welke handvatten ze nodig hebben bij het voorkomen of oplossen van financiële problemen. ➔ Inwoners moeten nog meer betrokken worden bij het opstellen van beleid. Hun ervaringen kunnen eraan bijdragen dat het beleid beter aansluit bij hun zorgen en behoeften. Ook kan het eraan bijdragen dat hun vertrouwen in de overheid toeneemt. ➔ De gemeente moet investeren in mensen die het beleid kunnen ‘vertalen’. Dit kunnen professionals zoals verbindende schakels of medewerkers bestaanszekerheid zijn. Ook kan er geïnvesteerd worden in zogenoemde sleutelpersonen. Van belang is dat deze mensen de sociale context begrijpen waarin een deel van de inwoners zich bevindt. Met de inzet van verbindende schakels en sleutelpersonen kan de gemeente meer wijkgericht werken, wat weer kan helpen bij vroegsignalering en preventie. ➔ Het aantal regelingen moet verminderen en dat wat er is moet meer in samenhang worden uitgevoerd. Dat betekent dus dat als een inwoner recht heeft op de Meedoenregeling, dat er dan meteen wordt bekeken of ook andere passende regelingen kunnen worden toegekend.
Ideaal zou zijn om met één aanvraag alle steun te verkrijgen die iemand nodig heeft. Uiteindelijk willen mensen geen regelingen, maar juiste hulp en steun, maar zolang de regelingen er zijn, die zo maximaal mogelijk uitnutten. ➔ Van jongeren wordt vaak verwacht dat zij digitaal vaardig zijn. In de praktijk blijkt dat een grote groep jongeren problemen ondervindt met zaken waarbij digitale vaardigheden gewenst zijn. Door hierbij stil te staan, kan aan deze groep tijdig hulp geboden worden.
| 26 | Bijlagen bij: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg
Aanbevelingen waar de gemeente al mee bezig is, die ook door de maatschappelijke partners genoemd zijn liggen op het vlak van verder investeren in medewerkers bestaanszekerheid, nog meer vanuit vertrouwen werken en medewerkers daar verder in trainen, en de minimaregelingen versimpelen en toegankelijker maken. Inwoners noemden de volgende aanbevelingen: ➔ Diverse inwoners hebben het idee dat er niet altijd oog is voor hun situatie en de zorgen die zij hebben. Ze wensen een 'luisterend oor’. Volgens hen is dat in de praktijk nu nog persoonsafhankelijk. ➔ Bij grote veranderingen in het leven van inwoners, bijvoorbeeld een kind dat 18 wordt, kan het prettig zijn als de gemeente contact opneemt om aan te geven dat er veranderingen op stapel staan die invloed hebben op het besteedbaar inkomen. Doe dit wel op tijd, bijvoorbeeld op het moment dat het kind 17 wordt. Dan heeft de inwoner nog een jaar de tijd om zich op de verandering voor te bereiden, door bijvoorbeeld te sparen of te kijken of er meer gewerkt kan worden. ➔ De gemeente moet oog hebben voor de achtergrond van mensen; als zij bijvoorbeeld uit een wetteloos, corrupt land komen, kan het lastig voor hen zijn om te begrijpen hoe de wetten hier werken. Door hierbij stil te staan en dit vervolgens aan hen uit te leggen, kan het begrip en de acceptatie toenemen.