12 Regels OBP Lijnsheike 8_pdf
Tekst van het document
8.2 Hoofdtoegang woningen 8.2.1 Situering De hoofdtoegang van grondgebonden woningen, bovenwoningen en een complex van gestapelde woningen dient in de voor- of zijgevel van het gebouw te worden gesitueerd. 8.2.2 Binnenplans afwijken Het bevoegd gezag kan, indien er geen sprake is van grondgebonden woningen, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 8.2.1 mits; a. situering als bedoeld in 8.2.1 op redelijke en aantoonbare wijze niet mogelijk is; b. een andere situering van de hoofdtoegang op redelijke wijze aansluiting vindt bij het openbaar gebied, waarbij de afstand tot het openbaar gebied niet meer mag bedragen dan 30 m; c. de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; d. de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast; e. de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond.
8.3 Onbebouwd terrein bij gebouwen 8.3.1 Onbebouwd terrein bij woningen Bij een woning moet - gelet op de kwaliteit van de woonomgeving, zowel bezien vanuit de woning als vanuit de belendende percelen en de omgeving - een onbebouwd terrein aanwezig zijn dat tenminste een strook grond omvat die over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en een diepte heeft van -
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
26
gemeten vanaf het verst achterwaarts gelegen deel van het hoofdgebouw inclusief een eventuele aanbouw tenminste 5 m. 8.3.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: a. het bepaalde in 8.3.1, indien een gunstige andere indeling van het bouwperceel aanwezig is en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt; b. het bepaalde in 8.3.1, indien het plan voorziet in een gezamenlijke (binnen)tuin van voldoende grootte; c. het bepaalde in 8.3.1, indien dit geen beletsel vormt voor de bestemming van het gebouw en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.
8.4 Ruimte tussen bouwwerken 8.4.1 Begrenzing perceelsgrenzen Wanneer de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk niet in de zijdelingse grens van het bouwperceel wordt gebouwd, moet het bouwwerk zodanig zijn gelegen dat de ruimte tussen dit bouwwerk en de zijdelingse grens van het bouwperceel over de breedte van 1 m met een minimale hoogte van 2,2 m vrij toegankelijk is. Bebouwing van ondergeschikte aard wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 8.4.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 8.4.1, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
27
Artikel 9 Algemene gebruiksregels 9.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming Al dan niet in afwijking van het bepaalde in de bestemmingsregels van Hoofdstuk 2 wordt ter plaatse van een functie-aanduiding het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met die functie-aanduiding aangemerkt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
28
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Binnenplans afwijken t.b.v. geringe afwijkingen van maten Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de in het plan genoemde maten en afmetingen met ten hoogste 10%. Deze omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien: a. de met behulp van die toepassing toegestane bebouwing geacht kan worden in overeenstemming te zijn met de voor desbetreffende bestemming nagestreefde doeleinden; b. gelet op de omringende bebouwing geen overwegende stedenbouwkundige bezwaren bestaan; c. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; d. voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. de mogelijkheid voor binnenplans afwijken mag niet cumulatief worden gebruikt; 2. de mogelijkheid voor binnenplans afwijken mag niet tot gevolg hebben dat een nieuwe bouwlaag ontstaat.
10.2 Binnenplans afwijken t.b.v. geringe afwijkingen van grenzen Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de planregels ten behoeve van het in geringe mate afwijken van een vastgesteld onderdeel van een grens van een bouwvlak, bestemmingsvlak, functie-aanduidingsvlak of maatvoeringsvlak, indien bij het definitief ontwerp, bij definitieve uitmeting e.d. blijkt dat enige geringe afwijking in het belang van een bebouwing of inrichting is. Deze omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien: a. de met behulp van die toepassing toegestane bebouwing geacht kan worden in overeenstemming te zijn met de voor desbetreffende bestemming nagestreefde doeleinden; b. gelet op de omringende bebouwing geen overwegende stedenbouwkundige bezwaren bestaan; c. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
10.3 Binnenplans afwijken t.b.v. overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogten Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het plan ten behoeve van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van utiliteitsvoorzieningen.
10.4 Binnenplans afwijken t.b.v. aan-huis-verbonden beroep Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het plan voor wat betreft de voorwaarden, zoals beschreven in de begripsregels, waaronder overeenkomstig de desbetreffende bestemmingsomschrijving een aan huis verbonden beroep is toegelaten, indien door de aard van de werkzaamheden het beroep niet of bezwaarlijk anders dan aan huis of op de betreffende locatie kan worden uitgeoefend.
10.5 Binnenplans afwijken t.b.v. evenementen Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het plan ten behoeve van incidenteel en kortstondig afwijkend gebruik van particuliere percelen / bebouwing voor het plaatsen van tijdelijke onderkomens zoals (feest)tenten, kiosken e.d. ten behoeve van festiviteiten met een openbaar karakter (muziekfestival, zeskamp, sportwedstrijd, show/voorstelling, tentoonstelling, beurs, markt, e.d.) voor de duur van een aantal (aaneengesloten) dagen (over het algemeen 3 á 4), met dien verstande dat aan deze omgevingsvergunning voorwaarden kunnen worden verbonden ter beperking van onaanvaardbare overlast van de (woon)omgeving, onder meer voor wat betreft parkeren, geluidhinder, situering van tijdelijke onderkomens e.d.
10.6 Binnenplans afwijken t.b.v. bouwwerken van algemeen nut Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de bouwregels, opgenomen in de bestemmingsregels in Hoofdstuk 2, ten behoeve van het bouwen van bouwwerken van algemeen nut, met dien verstande dat: a. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen en; b. de oppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
29
Artikel 11 Algemene wijzigingsregels 11.1 Wijzigingsbevoegdheid bestemmingsvlakgrenzen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd: a. de in het plan begrepen bestemmingen die grenzen aan gronden met de bestemming 'Verkeer-Verblijf' (V-VB) te wijzigen voor de indeling van gronden zoals ten behoeve van een herinrichting, een asverschuiving, herinrichting kruispunten, aanleg (mini)rotondes e.d., met dien verstande dat: 1. de bestemmingen mogen worden gewijzigd voor een verschuiving van de bestemmingsgrenzen van maximaal 25 m; 2. de verwerkelijking van de in het plan begrepen bestemmingen gewaarborgd dient te blijven, dat wil zeggen dat de bestemmingen door de wijzigingen niet onevenredig mogen worden aangetast; b. bestemmingsgrenzen te wijzigen indien dit uit stedenbouwkundig oogpunt noodzakelijk is voor zover zulks het belang van een goede ruimtelijk ordening van het plan niet schaadt en zodanig dat de geldende oppervlakte van de bij wijziging betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt verkleind of vergroot
11.2 Wijzigingsbevoegdheid verwijderen aanduidingen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, zodanig dat een weergegeven aanduiding wordt verwijderd indien de binnen deze aanduiding toegelaten functie is beëindigd en wordt omgezet in een binnen het ter plaatse geldende bestemmingsvlak toegelaten functie.
11.3 Wijzigingsbevoegdheid bestemmingsvlakgrenzen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd: a. de in het plan begrepen bestemmingen die grenzen aan gronden met de bestemming ''Verkeer' (V), dan wel 'Verkeer - Verblijf' (V-VB) te wijzigen voor de indeling van gronden zoals ten behoeve van een herinrichting, een asverschuiving, herinrichting kruispunten, aanleg (mini)rotondes e.d., met dien verstande dat: 1. de bestemmingen mogen worden gewijzigd voor een verschuiving van de bestemmingsgrenzen van maximaal 25 m; 2. de verwerkelijking van de in het plan begrepen bestemmingen gewaarborgd dient te blijven, dat wil zeggen dat de bestemmingen door de wijzigingen niet onevenredig mogen worden aangetast; b. bestemmingsgrenzen te wijzigen indien dit uit stedenbouwkundig oogpunt noodzakelijk is voor zover zulks het belang van een goede ruimtelijk ordening van het plan niet schaadt en zodanig dat de geldende oppervlakte van de bij wijziging betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt verkleind of vergroot.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
30
Artikel 12 Algemene procedureregels Op het stellen van nadere eisen op grond van enige bepaling van de regels van dit bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
31
Artikel 13 Overige regels 13.1 Algemene regels inzake nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de afmetingen en situering van bebouwing op percelen die direct gelegen zijn naast percelen die in een beschermd dorpsgezicht, dan wel beschermd stadsgezicht vallen en percelen met de aanduiding gemeentelijk monument, dan wel rijksmonument, in verband met de ruimtelijke afstemming van deze bebouwing op het naastgelegen monument, met dien verstande dat advies wordt ingewonnen bij de omgevingscommissie, betreft uitsluitend woongebied met ondergeschikte kantoorruimte; b. de bereikbaarheid van gebouwen vanuit en de situering van de hoofdentree van gebouwen ten opzichte van de openbare ruimte; c. de situering en afmetingen van groenvoorzieningen; d. de situering en afmetingen van parkeergelegenheid, ook op eigen terrein; e. de situering van toegangswegen en -paden tot gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en open erven.
13.2 Parkeerregeling 13.2.1 Parkeren a. De gronden mogen enkel worden gebruikt onder voorwaarde dat ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is, zoals neergelegd in de op 14 november 2017 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'; b. het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, indien bij aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen en rekenmethode; c. De onder a. bedoelde plaatsen voor het stallen van voertuigen moeten afmetingen hebben die afgestemd zijn op gangbare (motor)voertuigen, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.
13.2.2 Laden en lossen Indien de bestemming van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen moet zijn verzekerd, dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen, zoals neergelegd in de CROW Kennisbank in ASVV 2012. 13.2.3 Afwijken van de regels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 13.2.1 en 13.2.2 indien: a. op andere wijze in de parkeerbehoefte en/of de nodige laad- of losruimte wordt voorzien; b. wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.
13.3 Algemene regels inzake omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.3.1 Werken en werkzaamheden nabij beschermwaardige bomen Het is verboden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren, binnen een afstand van 15 m tot het hart van een boom zoals weergegeven op de Boomwaardekaart die in de bijlage van deze regels is gevoegd: a. het ontgronden, bodem verlagen of afgraven, ophogen, verdichten, verplaatsen, afgraven of egaliseren van grond, inclusief het graven van sleuven en het leggen van (ondergrondse) leidingen; b. het wijzigen van het grondwaterpeil;
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
32
c.
het verrichten van werken of werkzaamheden die beschadigingen van wortels, stam of kroon van de betrokken boom tot gevolg kunnen hebben.
13.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in 13.3.1 is niet van toepassing indien: a. een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van de boom; b. de houtopstand om andere, van overmacht getuigende redenen reeds eerder is geveld, dan wel door een calamiteit teniet is gegaan; c. het gaat om werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of beheer betreffen; d. het gaat om werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis. 13.3.3 Toelaatbaarheid De werken en werkzaamheden als bedoeld in 13.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden of door de gevolgen daarvan geen onherstelbare schade aan de betrokken boom toegebracht wordt. Het bevoegd gezag is bevoegd om: a. voorwaarden te verbinden aan de in 13.3.1 bedoelde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ter vermindering of ter voorkoming van schade die de in 13.3.1 genoemde werken of werkzaamheden of de gevolgen daarvan aan de betrokken boom zouden kunnen toebrengen. Onder schade wordt tevens begrepen een vermindering of verslechtering van groeimogelijkheden; b. ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voor de onder 13.3.1 genoemde werken/werkzaamheden een BEA- onderzoek (=boomeffectanalyse) van een onafhankelijk boomtechnisch adviesbureau te eisen.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
33
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
34
Artikel 14 Overgangsrecht 14.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot; b. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; c. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; d. het bevoegd gezag kan eenmalig omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde onder a. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%; e. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
35
Artikel 15 Slotregel Dit plan wordt aangehaald als bestemmingsplan Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
36
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
37
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Boomwaardekaart Boomwaardekaart
3 0 1
1793
388 9 9
69
1 0 9 c
2816
7 9
1 0 9 d
3 9
1 0 9 e
2817
1 9
5 62
70
1794
1 0 9 f
71 73
2
1 0 9 g
1786 74 1 0 7 4 6
1 7 8 7
1566
390 391
8 8 a
Bomen 1e groote 1442
828
1538
Li j ns hei k e
Monumentale boom
Benat z k y s t r aat
1 2
4224
Plangebied
829 1 4
Plangebiedgrens 830
1 6
1247
1248
4 0
1249
1250
831
1251 1252
1 8
Boomwaardekaart 2 4 3
2271 2 0
1238
2274
2 3 9
2 3 7
1253 2 3 5
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
afdeling Ruimte
bijlage bij:
2 3 3
2 4 7
2272 2270 2 4
2 4 1
1239 2 4 9
2273 1240
2 3 1
schaal:
1:1000
formaat:
A3
model:
Boomwaardekaart
Boomwaardekaart
Tel. nr: 14013
bestandsnaam: NL.IMRO.0855.BSP2020004-a001.dgn
Postbus 90155
datum:
5000 LH Tilburg
21 april 2020
paraaf gemeente:
paraaf initiatiefnemer: