10 Bijlage 7 Aanvullend participatietraject agrarische en natuurpartijen voorjaar 24
Tekst van het document
Met de partijen Natuurmonumenten, Brabants Landschap, BMF en B-team Oisterwijk is separaat een gespreksessie gepland op 17 april a.s. ----------------------
16
4. Verslag sessie natuurorganisaties 17-4-24 Verslag
Gesprek gemeenten met natuurorganisaties inzake koersdocument Oostflank, thema’s water, natuur en landbouw
Datum Locatie
Woensdag 17 april 2024 (19.00-21.00 uur) Roots, Holtstraat 3a te Haaren
Deelnemers Natuurmonumenten Midden-Brabant: Brabants Landschap: Brabantse Milieu Federatie: Biodiversiteitsteam Oisterwijk:
Pieter van Geel, onafhankelijk gesprekleider
Gemeente Oisterwijk:
wethouder Anne Cristien Spekle en wethouder Eric Logister # (projectleider)
Gemeente Tilburg:
Adviseur:
wethouder Rik Grashoff # (gebiedsontwikkelaar) # (landschapsarchitect) # (programmamanager stedelijke ontwikkeling) # (stedenbouwkundige Kempenadvies)
Verslag:
#
# # en # # # en #
1. Inleiding Gespreksleider en voorzitter Pieter van Geel opent de bijeenkomst met een korte inleiding. Op verzoek van de beide gemeenteraden van Tilburg en Oisterwijk en met instemming van de vertegenwoordigers van de belanghebbende landbouworganisaties begeleidt de heer Van Geel onderhavig proces dat moet uitmonden in een addendum en eventuele wijzigingen in het koersdocument Oostflank. In dit proces is voorzien dat ook de natuurorganisaties betrokken worden. De landbouworganisaties hebben zich kritisch uitgesproken over de communicatie en participatie in het voortraject naar het koersdocument, over de status en de (beleidsmatige en juridische) impact van het koersdocument. Voorts gaven zij aan dat stad en platteland gezamenlijk de vraagstukken moeten oppakken die er in het buitengebied spelen op het gebied van water, natuur en landbouw. Ter aanvulling op de agenda: BMF en Natuurmonumenten wensen graag ook een verdieping t.a.v. natuur in combinatie met recreatie; dit onderwerp is ook in hun zienswijzen op het koersdocument ingebracht. 2. Doel en aanleiding bijeenkomst Wethouder Rik Grashoff geeft nadere uitleg aangaande het proces. Op het koersdocument zijn van de natuuren milieuorganisaties over het algemeen positieve reacties ontvangen. Vanuit de agrarische sector (m.n.
ZLTO en Treeport(belangenorganisatie boomkwekers)) daarentegen zijn stevige bezwaren ingebracht wat geleid heeft tot het verzoek vanuit beide gemeenteraden Tilburg en Oisterwijk een deel van het proces over te doen. Dat is de reden dat nu deze gespreksessies plaatsvinden met de landbouworganisaties ZLTO en Treeport waarbij de stichting Duinboeren op verzoek van de gemeenten zijn aangehaakt. Met deze gesprekken worden afspraken voorbereid voor aanpassing van het koersdocument op onderdelen. Over de vanuit de eerste twee gesprekken met de landbouworganisaties reeds voorgestelde aanpassingen willen de wethouders in dit gesprek met de natuur- en milieuorganisaties reflecteren. Duidelijk is dat de positie van enerzijds de landbouworganisaties en anderzijds de natuur- en milieuorganisaties (deels) verschilt. In balans met reeds geleverde input bij de inspraak op het koersdocument, is de inzet nu om de posities van partijen meer tot elkaar te laten komen opdat de uitkomst één gezamenlijk gedragen document is. 17
In reactie op het geschetste proces geeft mevrouw #(BMF) aan dat BMF in eerste instantie het koersplan positief heeft beoordeeld, doch nu is de vraag of dat na aanpassingen of aanvullingen overeind blijft. Ze informeert hoe het verdere besluitvormingsproces verloopt. Wethouder Logister licht toe dat onderhavig gesprek tot doel heeft te sonderen bij de natuurorganisaties hetgeen de landbouworganisaties hebben ingebracht; de uitkomst daarvan wordt straks weer teruggelegd bij de vertegenwoordigers van de landbouworganisaties. 3. Thema: Water, specifiek de beekdalen Wethouder Logister licht toe dat de discussie met de agrariërs zich concentreert op het beleid aangaande de lager gelegen beekdelen. Agrariërs vrezen beperkingen in hun bedrijfsuitvoering door de aanduiding beekdalen en stellen dat er in die gebieden dan geen verdienmodel meer voor hen zit. Het waterschap heeft tijdens de tweede gesprekssessie uitleg gegeven. Vast is gesteld dat er voor de Ruijsbossche waterloop en de Raamse loop minder opgaven liggen dan de agrariërs vreesden. Voor de KRW-beken (Reusel/Achterste stroom en Nieuwe Leij/Voorste stroom) daarentegen liggen er flinke opgaven. Voorts is gesproken over de problematiek van de watervervuiling in de Zandleij. Het waterschap heeft bevestigd dat zij hierin aan zet zijn en heeft toegelicht welke stappen zij nemen.
De agrariërs hebben benadrukt dat er sprake moet zijn van een wederkerigheid bij het adresseren van de problemen en de gevraagde inspanningen. Ze stellen dat ook het stedelijk gebied (Tilburg, Oisterwijk, Haaren) moet bijdragen aan oplossingen m.b.t. de waterstand en watervervuiling, bijv. door scheiding van riool- en hemelwater zodat schoon oppervlaktewater kan infiltreren in het buitengebied. Reacties/vragen vanuit de natuurorganisaties: - De heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk) vindt het zorgelijk als de terminologie beekdal van de Raamse loop wordt losgelaten want dan mogen kwekers die er langs zitten tot aan de sloot pesticiden blijven gebruiken. Dat heeft grote impact op het oppervlaktewater. - Mevrouw #(BMF) noemt 2 zorgen die zij als natuurorganisatie in hun reacties op het koersdocument hebben geuit aangaande de beekdalen: de afstand van bebouwing tot aan het beekdal (men wenst geen herhaling van de situatie zoals bij de Reusel); en de omvang van de bufferzones rondom de waterstromen. Wethouder Grashoff licht toe dat een deel van de wateropgaven nog niet zijn uitgekristalliseerd door provincie en waterschap; deze overheden zijn in deze beslissingsbevoegd. Dit maakt het voor de gemeenten moeilijk om het gesprek erover te voeren op inhoud met belangenorganisaties.
Het waterschap lijkt onderscheid te maken tussen omvang inrichtingsopgaven en eventueel op te leggen beperkingsmaatregelen. Voor de stromen waar de KRW-vereisten gelden, zijn de inrichtingsopgaven en beperkingen wel helder en als gemeenten volgen we die. In de gebieden rondom de Ruijsbossche waterloop en de Raamse loop bevinden zich veel bomentelers. Het beeld bij de agrariërs is dat 250 m aan weerszijden van deze waterlopen geen boomteelt meer mogelijk zou zijn. Dat beeld wordt vanuit de provincie en het waterschap niet bevestigd. Het waterschap voorziet voor de Raamse loop geen opgave en voor de Ruijsbossche waterloop geeft het waterschap aan dat ‘overige inrichtingsmaatregelen’ nodig zijn. Het is echter geen KRW-beek. De voor deze waterlopen straks mogelijk door provincie en waterschap opgelegde vereisten zullen overgenomen worden bij de uitwerking van het koersdocument. De verwachting is dat de vereisten voor de Ruijsbossche waterloop beperkt van aard zullen zijn. De taak ligt bij provincie en waterschap om de KRW-eisen te waarborgen en het 7e actieprogramma nitraatrichtlijn te volgen/uit te werken. De gemeenten willen met het koersdocument daarop niet vooruitlopen. Wethouder Logister vult aan dat in de paragraaf uitvoering staat dat in samenspraak met alle belanghebbenden gesproken zal worden over de inrichtingsmaatregelen.
Via de GGA’s zijn alle belanghebbenden, ook de natuurorganisaties, betrokken. Alvorens het koersdocument op dit thema aan te vullen, zullen de wethouders met de gedeputeerde ruggenspraak houden en zal herbevestigd worden dat beide gemeenten naadloos aansluiten bij de uitgangspunten van de provincie aangaande het grondwaterbeleid en de waterberging. M.b.t. het thema afstand bebouwing tot waterlopen en n.a.v. de inspraakreacties hieromtrent vindt in de vervolgprocessen nadere afstemming plaats met het waterschap over 1 project op grondgebied van Oisterwijk en over 2 projecten op grondgebied van Tilburg. Dit is ook zo opgenomen in het koersdocument. In de tekst op pag. 88 van het koersdocument is expliciet een passage opgenomen over het voornemen om als gemeente een visie op te stellen voor de Ruijsbossche loop welke onderhevig zal 18
-
-
4.
-
-
-
zijn aan participatie en inspraak. In september wordt met de gemeenteraad het hiervoor te volgen traject besproken. N.a.v. deze uitleg zegt de heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk) het gevoel te hebben dat er door gemeenten goed naar is gekeken en een goede afweging is gemaakt. Mevrouw #(Natuurmonumenten) informeert naar het actuele informatiebeeld. Haar indruk is dat er al veel meer is afgestemd na november vorig jaar toen Natuurmonumenten op hun ingebrachte zienswijze een reactie heeft gekregen. Hoe en waar kunnen zij de tussenstand volgen? Wethouder Grashoff legt uit dat de antwoorden op zienswijzen in het concept-koersdocument zijn verwerkt waarna het koersdocument met in rood gemarkeerde wijzigingen is gepubliceerd en voor iedereen te lezen. Over dat document praten we nu verder. Mevrouw #(Natuurmonumenten) stelt vast dat men in het koersdocument nog niet veel verder is gekomen dan indicatieve ideeën. De wethouder beaamt dat het een relatief abstract document is, nadrukkelijk niet bedoeld als directe aanpassing van het omgevingsplan. Mevrouw #(BMF) merkt op dat de natuurorganisaties hun suggesties vroeg in het proces hebben willen meegeven en daarom in hun zienswijzen al hebben verwoord, zodat die aspecten in ieder geval op tafel liggen. Uitgelegd wordt dat er over de status van het document en het vervolgproces vanuit verschillende hoeken vragen zijn gekomen.
Om dat te verhelderen zal in het koersdocument daarover een tekst worden opgenomen. Thema: Natuur en landbouw 4.1 Definitie natuurinclusief Beide wethouders leggen uit waarom het begrip ‘natuurinclusief’ een nadrukkelijk onderwerp van gesprek is met de landbouworganisaties. Het koersdocument spreekt over natuurinclusieve landbouw en de landbouworganisaties willen meer duiding. De organisatie BoerenNatuurBrabant geeft er de volgende betekenis aan: Natuurinclusieve landbouw wordt gedefinieerd als een economisch rendabel landbouwsysteem dat voedsel en gewassen produceert, in balans met de natuurlijke omgeving, natuurlijke hulpbronnen integreert in de bedrijfsvoering en zorgt voor biodiversiteit op en rond het bedrijf. Over het hanteren van die definitie is in het gesprek met de agrariërs nog geen overeenstemming bereikt hoewel het uitgangspunt ‘economisch rendabel landbouwsysteem’ in dat gesprek wel een belangrijk onderdeel is. Er zijn daarvan in het land goede voorbeelden. Zelf hanteren de agrariërs ook het begrip natuurinclusief in hun document Versailles van het Noorden. Voor beide gemeenten is de benadering natuurinclusief m.n. voor de Natura 2000-overgangsgebieden cruciaal. In maat en schaal zonering (ongeveer 500m rondom, ca 1200 ha) is er wel enige nuancering nodig omdat er verschillende ideeën zijn over de invulling en breedtes van de overgangszones.
Voor de hele landbouw is een verduurzamingsslag aan de orde, aldus wethouder Grashoff, echter daar dient Rijksbeleid voor. Reacties/vragen vanuit de natuurorganisaties: Gevraagd uit welke hoek de weerstand komt, wordt uitgelegd dat met name vanuit de boomtelers verzet is tegen het hanteren van de definitie natuurinclusief. De wethouders hebben richting boomtelers aangegeven positief te zijn over de goede voorbeelden uit de boomteeltsector die wel voldoen aan de randvoorwaarden voor duurzaamheidsontwikkeling, en dat ze verwachten dat natuurinclusieve boomteelt ook in overgangsgebieden mogelijk is. Wethouder Logister merkt op dat voor de boomtelers ook bij dit onderwerp het aspect van wederkerigheid een belangrijke rol speelt, in de zin van wat dragen gemeenten zelf bij aan natuurinclusief, bijv. in de woningbouw. De heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk) vraagt hoe centraal het begrip natuurinclusief in het koersdocument Oostflank staat. Hij wijst op raakvlakken met de Agenda Natuurinclusief 2.0 van de overheid, een agenda waarin maatschappelijke organisaties, instellingen en overheden op 10 domeinen hebben samengewerkt aan ambities en acties voor een natuurinclusieve samenleving, bijv. op het domein gezondheid waarbij het gaat over de invloed van natuur op gezondheid en het welbevinden van mensen.
De heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk) beveelt dit rapport aan ter verrijking van het koersdocument. Deze aanbeveling zegt wethouder Grashoff over te nemen. De voorzitter merkt op dat het betrekken van andere documenten, zoals ook het rapport van de Duinboeren en plan Versailles van het Noorden, aan de orde zal zijn bij de verdere uitwerking van het koersdocument. De heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk) wijst erop dat dicht tegen Natura 2000 gebieden aan er ook megastallen staan, hetgeen impact heeft op het hele gebied; hij informeert naar de lijn die het koersdocument hierbij volgt. 19
-
-
-
-
Wethouder Logister verwijst naar tekst in hoofdstuk 4 van het koersdocument. Het zuidelijk deel van de Oostflank wordt in de GGA-Kampina besproken, het noordelijk deel aan de tafel van de GGA-Loonse en Drunense Duinen. Aan die overlegtafels wordt gesproken over hoe de stikstofuitstoot omlaag te brengen. In het koersdocument geven we aan dat we in de overgangsgebieden natuurinclusieve landbouw voorzien, in de andere gebieden voorzien we andere vormen van landbouw; voor een gebied aan de zuidkant van de A58 stellen we dat landbouw in die omgeving voor gaat op andere functies. T.a.v. een aantal intensieve veeteeltbedrijven wordt in het koersdocument aangegeven dat we als gemeenten aanhaken bij de uitkoopregelingen van het Rijk, alsook aanhaken bij de maatregelen ingezet vanuit het Brabants programma Landelijk gebied en GGA. Natuurmonumenten en Brabants Landschap zitten ook aan de GGAtafels. De wethouder zegt helaas te moeten vaststellen dat er aan de GGA-tafels nog maar hele kleine stapjes worden gezet richting oplossingen. Opmerkelijk vindt mevrouw #(BMF) dat er vanuit de intensieve veehouderij blijkbaar geen weerstand is gekomen op het koersdocument. Hebben zij het koersdocument niet gelezen, of zien zij de koers die de gemeenten in de Oostflank willen varen niet als een gevaar op zich afkomen, vraagt zij zich af. Het antwoord hierop weet wethouder Grashoff niet.
Duidelijk is dat deze vorm van veehouderij niet past in de term van natuurinclusieve landbouw. Ervan afkomen kan enkel door uitkopen en dat is een zeer kostbare aangelegenheid. Op landelijk en provinciaal niveau wordt daarover gesproken en in principe middelen daarvoor vrijgemaakt. De provincie heeft de leidende taak in het uitkopen van bedrijven in het kader van stikstofreductie. 4.2 Overgangszones De heer #(BrabantsLandschap) merkt op dat het pas spannend wordt als zichtbaar is hoe natuurinclusief concreet bij de uitvoering wordt doorvertaald, hoe de balans te vinden vooral in gebieden dichtbij de natuurgebieden. Voor het Brabants Landschap is de Brand een belangrijk aandachtsgebied. Ook in dat gebied rukt de boomteelt steeds verder op. Als in latere fase het koersdocument vertaald wordt in omgevingsplannen, dan is aan de orde hoe het uitgangspunt natuurinclusief invulling krijgt en bijdraagt aan herstel van de bodem- en waterkwaliteit. Wethouder Grashoff geeft aan dat in het koersdocument het niet zo fijnmazig naar de inhoud is uitgewerkt, omdat de vraagstukken per overgangsgebied kunnen verschillen. De Brand is bij uitstek een gebied dat nat is en natter moet worden. De combinatie boomteelt en zandgronden biedt dan ook meer mogelijkheden.
De GGA-aanpak gaat ook uit van een benadering van overgangszones, aan die overlegtafel waar de partijen aan tafel zitten, moet het verder worden uitgewerkt. De situaties zijn zo verschillend, daarom is het niet mogelijk om op het abstractieniveau van het koersdocument dieper in te gaan op de mogelijk inhoudelijke oplossingsrichtingen. Voorheen werd in het voorontwerp BPLG gesproken over een overgangszonering van ca. 500 meter. Die normering vinden we nu niet meer exact terug (naast een globale weergave op een kaart). Ook de gemeenten zijn van mening dat de 500 meter zonering niet algemeen van toepassing kan zijn voor overgangsgebieden en situationeel moet worden bezien. Die aanpassing zal overgenomen worden in het koersdocument. In het vervolgproces moet er dieper op ingegaan worden. Brabants Landschap is zeer benieuwd naar de doorvertaling van het abstracte koersdocument. De heer #(BrabantsLandschap) begrijpt dat daarvoor richting de GGA’s wordt gekeken, echter de GGA’s kijken op hun beurt weer naar wat de gemeenten doen in hun ruimtelijk beleid. Met name gezien het spanningsveld tussen boomteelt en blijvend grasland in de meer natte beeldalen, is het van belang dat er keuzes worden gemaakt met ruimtelijke beleid en niet steeds naar elkaar wordt verwezen.
Wethouder Logister licht toe dat ook de gemeenten bij de GGA’s aan tafel zitten en ze met het koersdocument de richting aangeven en input leveren voor de omgevingsvisies, op basis waarvan vervolgens de omgevingsplannen worden uitgewerkt. De GGA is de overlegtafel voor het creëren van draagvlak voor een gebiedsgerichte aanpak omdat de belanghebbende partijen aan die tafel het gesprek met elkaar erover voeren. Vanuit BMF en Natuurmonumenten wordt erop gewezen dat bij de GGA’s geen overeenstemming wordt bereikt over de vastgestelde doelen. Het opnemen van ‘ca. 500 ha’ heeft weinig zin. De vraag is wat je wil nastreven in de overgangszones. Wethouder Logister merkt op dat ook de agrariërs aangaven dat ze eerst het gesprek willen voeren over de doelstellingen alvorens te praten over maatregelen. Het doel is onverkort het herstel van de natura 2000 gebieden, en te bewerkstelligen met maatregelen die voortkomen uit het proces aan de GGA-tafel en met eigen ruimtelijke instrumenten. Een afvaardiging van zowel gemeente Tilburg als Oisterwijk zit met mandaat aan de GGA-tafels. Wethouder Grashoff merkt op dat ze in het gesprek met de landbouworganisaties hebben bevestigd dat het bereiken van overeenstemming over de doelstellingen belangrijker is dan vasthouden aan een normering voor de 20
-
-
-
-
-
-
overgangszone. De vraag is of de natuurorganisaties zich ook in die benadering kunnen vinden. Daarop merkt de heer #(BrabantsLandschap) op zich te kunnen vinden in de situationele benadering zoals eerder door wethouder Grashoff uitgelegd, waarbij wel nadrukkelijk wordt gekeken hoe de doelen op gebiedsniveau concreet uitpakken. Wethouder Grashoff stelt dat partijen wel meer duiding zullen moeten geven van de in hun ogen na te streven doelen in de verschillende type overgangszones. Er wordt op gewezen dat de natuurorganisaties de provincie hebben verzocht te komen met helder omschreven doelen omdat men in de GGA’s niet tot gemeenschappelijk gedragen doelen komt. Wethouder Grashoff resumeert de lijn zoals besproken en waarvoor hij draagvlak bespeurt bij de natuurorganisaties: hou wel vast aan de ca. 500 meter overgangszonering, maar maak de doelen prioritair en koppel ze aan de natuurdoelen voor de betreffende gebieden. De heer #(BrabantsLandschap) wijst op de concurrentie die gaande is tussen boomteelt en melkveehouderij. Ook in kwetsbare gebieden zien we de overgang van grasland naar akkerbouw. Die ontwikkeling dendert door en is ook in de grondprijzen terug te zien. Hij stelt dat er dus urgentie is in sturen op functies op dit soort locaties. Wethouder Logister licht toe welke ruimtelijke beleidsinstrumenten de gemeente Oisterwijk inzet voor sturing.
In het koersdocument is opgenomen dat het areaal boomteelt in het gebied Oostflank niet toeneemt. De gemeente Tilburg wil mogelijk als een van de vervolgacties op het koersdocument ruimtelijke instrumenten gaan implementeren. Op de vraag hoe vanuit de boomteeltorganisatie is gereageerd op het uitgangspunt geen verdere groei areaal boomteelt aan de Oostflank, legt wethouder Grashoff uit dat het gesprek daarover moeizaam verloopt. Richting boomtelers is aangegeven dat mocht boomteelt vanwege het beekdalenbeleid moeten vertrekken, de gemeenten zullen meewerken aan het vinden van een vervangend areaal, met als doel natuurinclusieve boomteelt te bewerkstelligen. De heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk) verwijst naar een rapport waarin nadelige effecten van boomkwekerijen op de bodemkwaliteit worden beschreven (grote laanbomen Haaren). T.a.v. het economische belang voor de regio waarmee boomkwekers schermen, stelt hij dat dit meevalt omdat 40% van de werknemers arbeidsmigranten zijn. Gemeente Tilburg is een grote afnemer van bomen, en zou kunnen sturen door alleen biologisch geteelde bomen af te nemen, is een suggestie van mevrouw #(BMF). Wethouder Grashoff licht toe dat met de landbouworganisaties is gesproken over het stevig inrichten van een pilot waarin een gebied wordt aangewezen waar natuurontwikkeling en natuurinclusieve boomteelt kunnen samengaan.
De Duinboeren hebben al suggesties gedaan voor een potentieel gebied. Gemeenten willen de natuurorganisaties expliciet bij de pilot betrekken. Dat de bereidheid er is bij de landbouworganisaties om het samen te gaan onderzoeken, ziet de heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk) als positief. Graag willen ze hierin meedenken. De heer #(BrabantsLandschap) adviseert goed aan te geven wat verstaan wordt onder boomteelt, om te voorkomen dat kweek van kleiner spul voor tuinen die gevolgen heeft voor bodem en water, nabij natuurgebieden terecht komt. Mevrouw #(Natuurmonumenten) adviseert om alsnog het waterschap om hun expliciete mening te vragen omtrent de dilemma’s die er op watergebied spelen m.b.t. de boomteelt. a. 500 ha natuur én combinatie boomteelt De omvang en de invulling van de 500 ha nieuwe natuur is gespreksonderwerp met de landbouworganisaties. Vanuit de gemeenten is uitgelegd dat met het koersdocument de voorgenomen bebouwing in het buitengebied is afgeschaald ten opzichte van eerdere plannen. Gemeenten houden vast aan het uitgangspunt van 500 ha natuurcompensatie, niet aaneengesloten maar betrekking hebbend op het hele gebied, en ze zien wel mogelijkheden voor een combinatie van natuur en natuurinclusieve, duurzame boomteelt, gekoppeld aan de discussie over hoe invulling te geven aan de overgangsgebieden. Vast is gesteld dat m.n.
de grondgebonden melkveehouderij in het areaal (netto gezien) krimpt. Voorts wordt met de landbouworganisaties het beeld afgestemd hoe landschapselementen (houtwallen) in het gebied toe te voegen.
-
Reacties/vragen vanuit de natuurorganisaties: Onze zorg is dat het toevoegen van landschapselementen/ecologische zones niet is geborgd, merkt de heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk) op, terwijl juist die verbindingszones in het gebied ontzettend belangrijk zijn.
21
-
Wethouder Grashoff licht toe dat de reden dat de verbindingszones niet middels harde contouren op kaart zijn geland en enkel op abstractieniveau zijn aangeduid, alles te maken heeft met het risico van beïnvloeding van grondwaardes. Heel begrijpelijk, stelt de heer #(Biodiversiteitsteam Oisterwijk), maar hoe te voorkomen dat er straks bij nadere invulling er geen ruimte meer voor is? Gemeenten zullen daarop moeten toezien en dan wordt er zo nodig gehandeld zoals te doen gebruikelijk bij functieveranderingen; economisch gezien is dat wel een ingewikkeld punt, aldus wethouder Grashoff. Volgens de heer #(BrabantsLandschap) is momenteel de tendens dat natuur geen drukkend effect heeft op de grondwaarde. Mocht de pilot natuur in combinatie met boomteelt een succes zijn, ontstaat dan niet het risico dat ook de rest van natuurgebied als zodanig wordt ingevuld?, vraagt de heer #(BrabantsLandschap). Mevrouw #(Natuurmonumenten) vraagt zich af wat er van de 500 ha natuur concreet nog resteert na invulling van de pilot, houtwallen etc. Ook zij vreest een glijdende schaal. Vanuit de natuurorganisaties is nadrukkelijk de oproep aan gemeenten daarvoor te waken. Is het verhaal van Versailles van het Noorden daadwerkelijk gericht op het robuust inrichten van natuur? vraagt men zich af. Niet zozeer 500 ha natuur invullen, maar een verduurzaming van de hele boomteeltsector (ca.
25% /800 ha van het hele gebied) zou de toekomstvisie moeten zijn, vindt de heer #(BrabantsLandschap). Mevrouw #(Natuurmonumenten) stelt dat uitgangspunt moet zijn welke waarden we in het gebied willen bereiken en vervolgens is dan de vraag of boomteelt daarin past. Zij bespeurt een hellend vlak. Hierop wordt vastgesteld dat bij een pilot er randvoorwaardelijk iets over de begrenzing van de bestaande boomteelt opgenomen dient te worden. Krijgt een bestaande boomteler extra areaal toegewezen als beloning voor de ecologische manier van boomtelen? Moet de benadering zijn dat extensivering nodig is om natuurdoelen te behalen? Over de antwoorden op die vragen wordt nagedacht en het vereist een goede formulering bij de pilot, concludeert de voorzitter. 4.4 Natuur en recreatie Natuurmonumenten en BMF hebben in hun zienswijzen op het koersdocument hun zorg uitgesproken over de toenemende recreatiedruk in de natuurgebieden en hebben suggesties aangedragen hoe die druk zou kunnen afnemen. Hun vraag is hoe hun aanbevelingen in de uitwerking van het koersdocument zullen landen. Wethouder Spekle verwijst naar de visie die de gemeente Oisterwijk heeft opgesteld voor toerisme en recreatie waarin de nadruk ligt op de kwaliteit van de recreatiegebieden.
In de Kampina en de Oisterwijkse bossen wordt met name veel parkeerdruk waargenomen en daarop wordt gemonitord om te kijken welke oplossingsrichtingen daarvoor te bedenken, bijvoorbeeld door een andere infrastructuur, voorlichting, spreiding en bewegwijzering om er de druk te doen afnemen. Kwaliteit, kwantiteit en meer spreiding van recreatieplekken zijn de elementen die Natuurmonumenten en BMF eerder hebben ingebracht. Mevrouw #(Natuurmonumenten) wijst erop dat steeds meer agrariërs een verdienmodel zoeken in de recreatieve sector. De vraag is wat gebieden aankunnen. De kwaliteit van het gebied is volgens wethouder Spekle steeds het uitgangspunt en het is per aanvraag telkens een afweging. Goed is, aldus mevrouw #(BMF), dat gemeenten aan de voorkant een visie hebben en anticiperen op ongewenste ontwikkelingen. Het ongelimiteerd groeien van bijvoorbeeld het aantal campings door vrijgekomen agrarische bedrijven vindt zij een ongewenste ontwikkeling.
5. Vervolg De voorzitter schetst het vervolgproces. Op basis van de gevoerde gesprekken wordt het koersdocument (met wijzigingen zichtbaar) aangepast en middels een aanvullende notitie toegelicht.. Deze notitie zal voorgelegd worden aan de gemeenteraden. Een punt van aandacht is of na de besluitvorming in de gemeenteraden de betrokkenheid bij de uitvoering in de breedte voldoende is gewaarborgd. Ook daarover zal een tekst in de notitie worden opgenomen. Na de besluitvorming in de gemeenteraden zal er een waaier aan deelprojecten ontstaan waarbij van belang is dat zowel de landbouworganisaties alsook de natuurorganisaties voldoende zijn aangehaakt, aldus wethouder Grashoff. Desgevraagd wordt afgesproken dat de conceptnotitie ook gedeeld zal worden met de vertegenwoordigers van de natuurorganisaties. 6. Overig en afronding Er zijn geen verdere vragen. Met dank aan de aanwezigen voor de open en constructieve manier waarover in deze setting is gesproken, sluit de voorzitter de bijeenkomst.----------------------
22
5. Verslag sessie 3 landbouworganisaties 23-4-24 Verslag
Gesprek gemeenten met agrarische partners inzake onderwerpen aangaande landbouw, natuur en economie buitengebied - sessie 3
Datum Locatie
Dinsdag 23 april 2024 (18.00-21.45 uur) De Mooie Schuur, Molenhoefstraat 18 te Udenhout
Deelnemers
Pieter van Geel, onafhankelijk gesprekleider #, namens ZLTO afd. ’s-Hertogenbosch, lid regiegroep Van Gogh Nationaal Park #, agrariër en namens ZLTO afd. Hart van Brabant (Tilburg, Oisterwijk en Goirle) #, boomkweker en namens ZLTO afd. Hart van Brabant #, adviseur Treeport Midden Brabant #, boomkweker en namens Treeport Midden Brabant #, namens Stichting Duinboeren #, biologische melkveehoudster en namens stichting Duinboeren Anne Cristien Spekle, wethouder gemeente Oisterwijk Rik Grashoff, wethouder gemeente Tilburg Bas van der Pol, wethouder gemeente Tilburg Eric Logister, wethouder gemeente Oisterwijk #, projectleider koersdocument gemeente Tilburg #, projectleider koersdocument gemeente Oisterwijk #, programmamanager stedelijke ontwikkeling gemeente Tilburg #, Kempenadvies #, landschapsarchitect gemeente Tilburg
Verslag
#, onafhankelijke verslaglegging
1. Opening en vaststellen agenda Gespreksleider en voorzitter Pieter van Geel opent deze derde en laatste gespreksessie. Voorafgaand aan dit gesprek hebben een aantal deelnemers een rondleiding bijgewoond bij boomkwekerij M. van den Oever & Zonen B.V. te Haaren. Een korte impressie van het gesprek met de natuurorganisaties Wethouder Logister geeft een toelichting: het gesprek met de vertegenwoordigers van de natuurorganisaties hebben beide bestuurders als constructief ervaren. In dat gesprek is teruggegeven hetgeen is besproken met de landbouworganisaties in de twee voorgaande sessies en tot welke aanpassingen het kan leiden in het koersdocument. Over hoe met de beekdalen wordt omgegaan, waren er aanvankelijk wat vragen maar er is ook veel begrip. Er is stilgestaan bij de betekenis van de overgangszones en er is draagvlak gevonden voor de insteek. Voorts is het proces besproken en de functie van de GGA-tafels. Een interessant initiatief vindt men een pilot waarin boomteelt en natuurontwikkeling samengaan. Gewoon gaan doen was ook hun advies. De natuurorganisaties zijn gevraagd om hierin mee te kijken en dat werd zeer gewaardeerd. 2. • • •
•
Vaststelling conceptverslag sessie 2: 12 april 2024 #(Gem Tilburg) noemt enkele tekstuele aanpassingen en inhoudelijke verduidelijkingen. Daarmee wordt ingestemd. De aanpassingen worden doorgevoerd in het definitieve verslag. Op pag. 3, in eerste alinea, de woorden ‘In dit verband’ schrappen. De zin wordt aldus: “Wethouder Logister noemt een belangrijk discussiepunt: […] De uitleg m.b.t. de Ruijsbossche waterloop (op pag. 6 voorlaatste tekstblok)) wordt op verzoek van wethouder Logister als volgt aangepast: “M.b.t. de #(Waterschap)bossche waterloop geeft wethouder Logister aan, met verwijzing naar pag. 88 van het koersdocument (passage over de nog op te stellen visie Ruijsbossche loop), dat ook bij eventuele woningbouw er rekening gehouden moet worden met de beekdaalvormige laagte aldaar.” Als reactie op het verslag heeft Treeport aangegeven (n.a.v. pag. 8, 2 de alinea) dat zij zich niet herkennen in het voorstel om de definitie zoals BoerenNatuurBrabant die hanteert voor natuurinclusief, over te nemen.
23
Treeport heeft steeds gesteld dat ze de focus gericht willen hebben op de achterliggende doelen die je met elkaar wilt bereiken m.b.t. biodiversiteit, water, bemesting e.d. De discussie over de vraag of voor het koersdocument de definitie al dan niet overeind moet blijven, wordt later in dit overleg vervolgd. Met deze aanpassingen en verduidelijkingen wordt het gespreksverslag van 12 april als vastgesteld beschouwd.
3. Notitie (concept) sessies Landbouw, onderdelen: Leerpunten, status en haalbaarheid, verstedelijking en economie ZLTO, Treeport en Duinboeren hebben de notitie van commentaar voorzien. Hun annotaties bij tekstonderdelen in het document worden in de vergadering nader toegelicht en bediscussieerd. Ad 0.Leerpunten proces: - Vooraf wenst de heer #(ZLTO) de zorg die er bij boeren in het gebied zit naar voren te brengen. Leden van ZLTO afd. Hart van Brabant zijn bijeen gekomen (de avond voorafgaand aan deze derde gespreksessie). De opkomst was zeer groot. Duidelijk blijkt dat de leden erg bereid zijn mee te denken in een veranderingstraject, want ook zij zien dat de wereld verandert, ze kunnen echter niet meegaan met alle claims die er nu gelegd worden op het gebied, zoals 1200 ha natuurinclusieve landbouw. Ze vinden dat niet realiseerbaar, het gaat hen te ver, voelen het als een bedreiging, want het raakt hun eigendommen en werkkapitaal. Zoals steeds aangegeven zijn ZLTO en Treeport erg bereid mee te denken over de doelen, in de hoop en verwachting elkaar daarin te kunnen vinden, echter niet met de claims die nu op tafel liggen. De voorzitter stelt vast dat de inbreng van de heer #(ZLTO) opgevat kan worden als een soort waarschuwing vooraf.
- Voorstel van Treeport om 2e zin aan te passen is akkoord; luidt aldus: ‘Met name in eerdere fase(n) van dit proces had een concreet initiatief genomen moeten worden om in uitgebreidere, bilaterale sessie(s) [….]’ Treeport doet tevens gerichte aanbevelingen t.a.v. het vervolgproces (dit komt aan de orde bij hoofdstuk 5, samenwerking vervolg – gebiedsprocessen). Ad thema 1: Status en haalbaarheid koersdocument - Hoe wordt er omgegaan met het amendement ingediend in de gemeenteraad Oisterwijk, om voorliggende visies leidend te laten zijn (Woonvisie en Visie buitengebied), is een vraag vanuit ZLTO/Treeport. Wethouder Logister zegt dat er meer amendementen op tafel zijn geweest; de aangenomen amendementen voeren we in het koersdocument door. - Duinboeren vragen of het koersdocument een stimuleringskader is (bedoeling centraal) of een planologisch kader (beperkingen centraal)? Vraag aanvullend vanuit ZLTO/Treeport: Waarom niet volstaan met de formulering dat het koersdocument een stimuleringskader is? Hierop wordt uitgelegd dat het koersdocument op zichzelf geen juridisch planologisch kader is. Het biedt een stimulerend én richtinggevend kader voor verdere beleidsvorming in uitwerkingsprojecten (gebiedsvisie buitengebied Oisterwijk).
Het is een bouwsteen naast andere bouwstenen, het geeft samen met de onder andere visie buitengebied input voor het uiteindelijke planologische kader. Op verzoek van Treeport en ZLTO wordt die toelichting expliciet in de tekst overgenomen. - Het voorstel van Treeport en ZLTO is om de sturende principes vanuit NPLG, BPLG en SRBT integraal in de notitie op te nemen. De heer #(Treeport) benadrukt de principes: water en bodem zijn sturend voor alle ruimtelijke ontwikkelingen, dus met nadruk op ruimtelijk; behoud van goede landbouwgronden [ …] Na enige discussie wordt besloten de sturende principes zoals ze nu in de betreffende stukken van Rijk, provincie en SRBT staan als bijlage te voegen bij deze notitie en in het koersdocument te vermelden. - Correctie onder 1 (doorvertaling van het plan […]): ontwikkelperspectief SRBT moet zijn ‘ontwikkelstrategie’. - Correctie, onderscheid maken onder punt 2: gebiedsplannen zijn van de Duinboeren, plan Versailles van het Noorden is van Treeport en ZLTO. - Onder punt 3 “uitnodiging aan het gebied om de transitie op gang te brengen” wordt op voorstel van de heer #(ZLTO) hierbij opgenomen dat het bedoeld is om creativiteit en diversiteit aan oplossingen uit het gebied op te halen. De heer #(ZLTO) stelt dat dit verder gaat dan enkel een uitnodiging.
Hij voorziet meerdere oplossingspaden die er de komende jaren aan komen omtrent de vraagstukken die er spelen m.b.t. water, klimaatverandering etc. Creativiteit losmaken weliswaar in verbinding met de opgaven is een aanpak die ook de wethouders
24
-
-
-
4. -
zeggen te omarmen. Wethouder Logister stelt voor de slide uit plan VVHN die de robuuste dwarsstructuren (verbinding Kampina met LDD) weergeeft, als sfeerimpressie in deze notitie op te nemen. Want over deze doelstelling is overeenstemming. Op de vraag waarom in het koersdocument Oostflank maar een deel van het oostelijk deel van de SRBT is uitgewerkt en waarom de rest daar niet bij is betrokken, antwoordt wethouder Grashoff dat het te maken heeft met de planologische afbakening van het gebied. De heer #(Treeport) verwijst naar VVHN waarin ze aangeven dat er ruimte nodig is om ontwikkelingen te compenseren. Die ruimte kan liggen bij Pauwels en Zwaluwenbunders. De wethouder licht toe dat Pauwels en Zwaluwenbunders erbuiten zijn gelaten, omdat daar al planvorming voor is voorzien: natte invulling ter ondersteuning van de watervoorziening in de Brand. Voor die filosofie is gekozen en dat wordt niet opnieuw ter discussie gesteld. Hij stelt dat de Oostflank meer dan voldoende ruimte biedt om verschuivingen mogelijk te maken. Vanuit ZLTO en Treeport wordt aangegeven dat zij hierover van mening verschillen. Zij vinden 500 ha nieuwe natuur naast alle andere opgaven in dit relatief beperkte gebied Oostflank te veel. Door gronden Pauwels er wel bij te betrekken, wordt deels natuurcompensatie gerealiseerd.
Wethouder Van der Pol geeft aan dat een scopewijziging door gebied Zwaluwenbunders eraan koppelen, los van de vraag of dat wenselijk is, tot een politieke impasse zal leiden omdat dan de ontwikkeling Wijkevoort in de discussie wordt betrokken, wat onwenselijk is. T.a.v. de begrenzing tot aan de A58 legt wethouder Logister uit dat de scope is gelegd op de 6 dorpen, 3 natuurgebieden die erbij horen en het agrarisch potentieel in dit gebied. Daarop vraagt de heer #(Treeport) waarom de verschillende gebieden (Pauwels, Zwaluwenbunders, Oostflank) niet integraal te benaderen. Wethouder Grashoff antwoordt dat de gemeente die integraliteit zeker in beeld heeft en de verschillende gebieden in samenhang ontwikkelt. Aangaande “haalbaarheid van het koersdocument en financiering van plannen”, is de vraag vanuit de landbouwpartijen of de ambitie wordt bijgesteld als blijkt dat onderdelen onevenredige schade aanrichten. Na enige discussie is er overeenstemming bij partijen aan tafel om de tekst onder punt 4b als volgt aan te passen: “bijsturing van de ambities vanuit de uitwerking van de deelontwikkelingen”. Daarbij wordt van gemeentezijde uitgelegd dat als er sprake is van onevenredige economische schade, dat bij een deeluitwerking in de gaten zal worden gehouden. Wet- en regelgeving voorziet als sprake is van planschade. Aanpassing van ambities betekent niet dat de koers wordt losgelaten.
In algemene zin t.a.v. de thema’s 2 (verstedelijking), 3 (water) en 4 (natuur en landbouw) merkt de heer #(ZLTO) op dat bij het uitzetten van een koers voor deze thema’s gelijktijdig in detail wordt gedoken over hoeveel hectares, wat natuur is, wat landbouw is, wat overgangszone is. Hij betwijfelt of dat helpend is bij de nog te voeren discussies. Hij stelt dat vanuit VVHN en gebiedsplannen van de Duinboeren meervoudige oplossingen zijn aangedragen, voorts dat partijen het over de doelen eens zijn: landbouw en water veel meer in balans brengen met de andere maatschappelijke opgaven zoals biodiversiteitsherstel, kwantitatief en kwalitatief watergebruik. Hij voorziet creatieve meervoudige oplossingen, en vraagt waarom het op deze onderwerpen – en niet bij de manier van woningen bouwen - zo gedetailleerd in het koersdocument wordt opgeschreven. Waarom 500 ha natuur? Waarom 1200ha natuurinclusieve landbouw? De voorzitter stelt vast dat dit “de olifant is in de kamer”: kwantificering nieuwe natuur leidt automatisch tot verharde discussie over inhoud en begrippen als natuurinclusief en overgangszones. Daarover voeren partijen nu open het gesprek. Zijn beeld is dat op grond van de eerdere gesprekken nu met de notitie een poging wordt gedaan een nadere duiding en flexibelere omschrijving van de begrippen te geven dan zoals het oorspronkelijk is vastgelegd in het koersdocument.
Wethouder Van der Pol stelt voor de kwantificering 500 ha in de passage onder thema ‘verstedelijking’ in de notitie te schrappen, en die discussie door te schuiven naar waar die thuishoort. Voorstelbaar is overigens dat bijv. bij de ontwikkeling Akkers een beperkt percentage grond uitgeefbaar is voor woonbebouwing, aldus de wethouder. Mogelijk dat bij de doorontwikkeling van die vlek ruimte ontstaat voor een combinatie van groenontwikkeling met landbouw. In een latere fase samen onderzoeken wat hier mogelijk is. Notitie (concept) sessies Landbouw, onderdeel water Treeport/ZLTO wijzen op het grondwaterconvenant dat ZLTO met provincie en waterschap heeft gesloten; daarin is vastgelegd dat het gebiedsgewijs wordt bekeken. Ze vinden het daarom overbodig om zo expliciet in een koersdocument de grondwaterpeilen te kwantificeren. Het grondwaterconvenant is breder, omvat veel meer aspecten dan verhoging van grondwaterpeilen. De kwantificering (gemiddeld 10 cm in de beekdalen tot 35 cm op de “koppen’) is volgens Treeport voor onderhavig gebied in deze fase nog niet aan de orde, dat wordt nog gebiedsgericht nader uitgewerkt. ZLTO vult aan dat de Oostflank onderdeel is van een veelomvattender watersysteem, staat niet op zichzelf. 25
-
-
-
-
5. -
-
Na uitvoerige discussie over de vraag wat uit het grondwaterconvenant 2021-2027 in het addendum bij het koersdocument moet landen (citaat verbreden, of algemene verwijzing) is overeengekomen dat naast de vermelding dat het grondwaterconvenant leidend is, letterlijke passages uit het grondwaterconvenant worden opgenomen in de bijlage, die de context evenwichtig weergeven van de gebiedsgerichte uitvoering aangaande het grondwaterherstel. Ad punt 3 ‘terminologie beekdal’ stellen Treeport/ZLTO dat het voorbarig is in deze fase in het koersdocument kwantitatieve maatstaven voor de bufferzones en bufferstroken op te nemen. Ook hier kan volgens Treeport worden volstaan met vermelding dat provincie en waterschap hierin leidend voor de toekomst zullen zijn. Wethouder Logister repliceert dat nergens in het koersdocument het getal 250 m aan weerszijden van de beekdalen wordt genoemd, maar voor alle zekerheid wordt dit gecheckt. Algemeen stelt de heer #(ZLTO) de vraag of de gemeente Tilburg in andere beleidsdocumenten de informatie gaat overnemen over de inrichtingsmaatregelen i.r.t. status beeldalen zoals het waterschap die voorziet. Voor zover bekend bij wethouder Grashoff is het niet in andere beleidsdocumenten als zodanig verwerkt. In de tekst onder ‘beekdalvormige laagtes’ staat dat ‘inrichtingsmaatregelen volgens het waterschap wel nodig zijn”.
Volgens ZLTO/Treeport is dat een voorbarige conclusie en verzoeken die passage te vervangen door: “als er in navolging van het grondwaterconvenant inrichtingsmaatregelen op komen, dan zullen die van toepassing zijn”. Wethouder Grashoff merkt op dat het waterschap om een verheldering gevraagd kan worden aangaande de inrichtingsmaatregelen die zij ruimtelijk voor ogen hebben m.b.t. de waterlopen die geen KRW waterlichaam zijn. Wethouder Logister vindt het belangrijk dat de figuur zoals vorige keer door het waterschap aangeleverd, ter nadere duiding in de tekst is opgenomen. T.a.v. de tekstaanpassing wordt afgesproken dat expliciet bij het waterschap wordt nagevraagd of en welke inrichtingsmaatregelen ze ‘overwegen’ of ‘nodig achten’ en dat wordt als citaat letterlijk overgenomen. In deze fase is ons nu niet helder aan welke maatregelen wordt gedacht. Ad rol stad bij waterkwaliteit vinden de Duinboeren dat ook expliciet de zuivering van het water Raamseloop binnen dit kader genoemd moet worden, zoals nu ook de Zandleij als opgave in de tekst staat benoemd, want de overstorten zijn van invloed op de waterkwaliteit. Evident is volgens wethouder Logister dat gemeenten sterk inzetten op het afkoppelen van regenwater. Dat is nu in de tekst opgenomen. Hij wijst erop dat voor de Raamseloop het waterschap vooralsnog geen inrichtingsmaatregelen noodzakelijk acht.
Op verzoek van Duinboeren/Treeport wordt nader bezien of een procesafspraak in de tekst is op te nemen dat er naar de waterkwaliteit Raamseloop i.r.t. overstort wordt gekeken. Notitie (concept) sessies Landbouw, onderdeel natuur en landbouw Kanttekening ZLTO bij uitleg over functie landbouw: functie landbouw is breder dan zoals omschreven ‘in balans met natuur’ etc. Bijdragen aan natuurdoelen is een opgave die boeren ook wel voelen, maar is niet het doel van landbouw. Zo ook een kanttekening bij de tekst dat de invloed van het grondgebruik extra groot is rondom natura 2000 gebieden. Dat is volgens de heer #(ZLTO) allemaal nog niet zo duidelijk. De laatste zin “we hebben ons te houden aan landelijke en Europese richtlijnen” vindt hij overbodig, kan uitgelegd worden alsof boeren zich er niet aan houden. Wethouder Grashoff verduidelijkt dat dit hoofdstuk expliciet is opgenomen om meer duiding te krijgen bij wat we onder natuurinclusieve landbouw verstaan, en geeft niet weer wat we in zijn algemeenheid van alle landbouw verwachten. De wens van ZLTO om het economische en maatschappelijke belang van landbouw ook in deze inleidende passage scherp naar voren te brengen, zal invulling krijgen in de tekst. In navolging van vorige gesprekken is al eerder besloten in het koersdocument het economische belang expliciet op te nemen (zoals dit in de versie van januari is gedaan). Akkoord w.b.
schrappen laatste zin (verwijzing naar landelijke en Europese richtlijnen), want dat men zich eraan heeft te houden, is een open deur. Ad 1. Begrip natuurinclusief in relatie tot de doelen, wordt nogmaals door de heer #(ZLTO) de weerstand toegelicht die ZLTO en Treeport voelen bij het hanteren van dit begrip. Het op deze wijze in detail uitwerken, kan creatieve oplossingen uitsluiten. Het afwegingskader wat wel en niet in de gebieden is toegestaan, moet al werkende weg tot stand komen. Het voorstel is om alleen de omschrijving op te nemen, en de achterliggende doelen en principes. Na enige verheldering wordt besloten om het tekstvoorstel van ZLTO/Treeport over te nemen, t.w. het blok tekst ‘Natuurinclusiviteit is geen doel op zich! Een bijdrage leveren aan achterliggende doelen o.b.v. feitelijke waarnemingen voor en tijdens de transitie’. Men vreest anders vastgezet te worden in een soort 26
-
-
-
framework natuurinclusief. De door ZLTO/Treeport genoemde principes (zoals in hun tekstvoorstel omkaderd weergegeven) kunnen de wethouders volledig onderschrijven en deze input wordt overgenomen in het koersdocument t.w.: ➢ biodiversiteit omhoog ➢ schoner water (incl. stedelijk water) ➢ dieper liggend water omhoog (t.b.v. drinkwater en beschikbaarheid in de zomer, zoek naar alternatieve effectieve oplossingen) ➢ natuurgebieden ontlasten en verbinden (VVHN) Deze principes zijn volgens wethouder Grashoff voor alle gebieden waardevol, maar voor de gebieden rond de beekdalen en Natura 2000 gebieden is die extra zorg hard nodig, zonder dicht te timmeren wat het exact aan maatregelen betekent. Wethouder Logister verwijst naar de tekst op pag. 33 van VVHN waarin ZLTO/Treeport dezelfde ambitie formuleren. Dit kan onverkort in het koersdocument worden overgenomen, is zijn voorstel. Besloten wordt om de op pag. 70 van het koersdocument genoemde voorbeelden (kweekbossen, voedselbossen, agroforestry) in de tekst te schrappen. ZLTO/Treeport willen nadrukkelijk de focus op de doelen. Daarop stelt wethouder Grashoff voor de elementen concreet te benoemen waar het bij natuurinclusieve landbouw om draait: waterbeheer, gewasbeschermingsmiddelenbeheer, meer biodiversiteit bewerkstelligen.
Die aanvulling wordt op prijs gesteld, aldus de heer #(ZLTO); het helpt om bij boeren het gevoel weg te nemen dat wat ze nu doen, niet goed is, niet gezien wordt. Ad 2. Begrenzing overgangsgebieden, voorgestelde aanpassingen in het koersdocument. Ter toelichting merkt de heer #(Treeport) op dat de voorgestelde principes die bijdragen aan het realiseren van achterliggende doelen niet enkel voor de boomteelt in de overgangsgebieden van toepassing zijn, maar voor de gehele boomteelt in het gebied. Dit uitgangspunt omarmen de gemeentelijke bestuurders volledig en ze willen de agrariërs helpen die transitie te maken. Overeenstemming is er over het uitgangspunt dat rond de beekdalen en de Natura 2000 gebieden meer eisen moeten gelden, maar volgens ZLTO/Treeport is de in het koersdocument opgenomen kwantificering in termen van aantal hectares en zonering niet nodig. Zoneringen leggen beperkingen op en heeft invloed op de bedrijfsvoering, is hun overtuiging. Wethouder Grashoff merkt op dat alle beleidsdocumenten van overheid en provincie ervan uitgaan dat zonering relevant is om in overgangsgebieden te hanteren. Zonering geeft prioritering aan in doelen die over het totaal landbouwareaal niet zo makkelijk te bereiken zijn, maar voor de overgangsgebieden we met elkaar moeten proberen na te streven.
Maar waarom op een specifiek gebied neerleggen, terwijl wij aangeven de uitgangspunten te laten gelden voor het gehele areaal, is een vraag van de heer #(ZLTO). Ook bij de GGA is volgens de heer #(ZLTO) gesproken over het loslaten van zonering en het nastreven van de specifieke doelen in groter gebiedsverband. Met een pilot is dit uit te proberen, is zijn voorstel. Gewezen wordt op de tekst hierover in het BPLG. ZLTO/Treeport geven aan niet tegen afspraken te zijn over specifieke beschermingszones, maar hebben moeite met de exacte zonering zoals vastgelegd en de omvang van 1200ha. Wethouder Grashoff zegt dat de gemeenten in principe zullen meebewegen met de zonering welke de provincie uiteindelijk kiest, maar willen het principe van zonering niet op voorhand loslaten. Een creatieve invulling vanuit het gebied blijft mogelijk als het voldoet aan de doelen die voor het gebied zijn geformuleerd; die staan voorop, de zonering is geen blokkade. Als gemeenten leggen we geen ultieme definitie op over de breedte van de overgangszones en wat er wel en niet mag. ZLTO/Treeport beschouwen deze stellingname als een politieke keuze. Met VVHN hebben ze willen laten zien dat zonder in zonering te denken men tot creatieve oplossingen kan komen.
In de lijst met criteria aangedragen door ZLTO/Treeport mist wethouder Grashoff het doel om zover mogelijk het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen terug te dringen. Hierop wordt vanuit ZLTO/Treeport aangegeven dat dit doel valt onder ‘schoner water’ en dat het waterschap meet op influenten. Toch wenst wethouder Grashoff die doelstelling apart benoemd zien. Zijn voorstel is om in de tekst op te nemen dat partijen nog discussie voeren over de zonering, maar dat ze meebewegen met de zonering welke de provincie kiest. Het ruimtelijk zwaartepunt ligt namelijk bij de provincie om in het buitengebied zonering aan te brengen. Als conclusie voor de tekst, zal geformuleerd worden: dat provinciaal beleid prioritair is bij de vaststelling van zones qua omvang en typologie; als indicatie wordt vooralsnog gemiddeld 500 m als uitgangspunt aangehouden, waarbij we gebiedsgericht op creatieve wijze op zoek gaan naar een optimaal resultaat dat voldoet aan de 4-5 doelen zoals geformuleerd. Ad 3. Combinatie boomteelt en 500 ha bos/natuur 27
-
-
-
De heer #(ZLTO) merkt op dat ook hierbij geldt, door gebruik te maken van de kracht en creativiteit in het gebied, en breder in het gebied de doelen te realiseren, wordt er vanzelfsprekend natuur gerealiseerd en is het niet nodig er een volume aan te koppelen van 500 ha. Wethouder Grashoff stelt dat voor het ontwikkelen van nieuwe natuur ruimte nodig is, waarop de heer #(ZLTO) stelt dat 500 ha veel te veel is op zo’n relatief klein gebied. In zijn ogen kan vanuit een breder doel voor het totale gebied, met ondernemerschap uit het gebied ook die doelen worden bereikt. Laten we bewijzen dat duurzame boomteelt en natuurontwikkeling samen kunnen gaan door de pilot robuust en in samenwerking met de natuurorganisaties vorm te gaan geven, stelt wethouder Grashoff voor, en daar niet te lang mee te wachten. De veronderstelling dat er geen condities voor natuurherstel nodig zijn, want het wordt wel met de landbouwstrategie ingevuld, daar gelooft hij niet in. Bovendien is het geen reële verdeling van ruimte, aldus wethouder Grashoff. Wethouder Logister wijst er nogmaals op dat de gemeenten het beeld van robuuste natuur zoals in het VVHN geschetst, volledig kan omarmen. Met dat verschil, aldus de heer #(ZLTO), dat ZLTO/Treeport niet het onderscheid willen maken tussen 200 hectare bos en 300 hectare landschapsstructuren.
Hun eindbeeld is: groen-blauwe dooradering, agrarisch natuur- en landschapsbeheer, vrijwel geen gewasbeschermingsmiddelen etc. Die bijdrage wil de sector aan de ambities leveren. Natuurherstel kan je integreren met het bosbeleid, een kwantitatieve normering is daarvoor niet nodig. De kwantificering is niet het doel, stelt wethouder Logister, het doel is robuuste structuren creëren in het landschap. De conclusie uit voorgaande discussie is dat de standpunten verschillen t.a.v. wel/geen hectares benoemen. In de tekst kan die conclusie incl. de argumentatie worden geformuleerd. Een van de doelen van de landbouw is extensivering, aldus de heer Rooij wat betekent dat meer hectares nodig zijn. Die doelstelling past in zijn ogen bij de doelstelling die de gemeenten voor ogen hebben. Zijn oproep is de landbouwers - en veeteelthouders ook een deel van de natuurinvulling te laten doen. De heer #(ZLTO) zegt te betwijfelen of extensivering economisch haalbaar is gezien de niet positieve rekensommen daaromtrent. Daarom draagt in zijn ogen de grootse ambitie van 500 ha nieuwe natuur er niet aan bij. Wethouder Grashoff ziet dat anders; het heeft te maken met de afwaardering van landbouwgrond t.b.v. extensiveren. In de visie van de heer #(ZLTO) betekent het afwaarderen van grond het uitstel van de executie voor de landbouwbedrijven.
Volgens hem is het gevoel bij boeren dat ze steeds moeten leveren en dat het nooit genoeg is. Wethouder Grashoff zegt de erkennen dat extensiveren voor de landbouw een zware taakstelling zal zijn, maar dat hangt niet aan de 500 ha natuur in dit gebied, welke hectares vooral worden opgeleverd doordat woningbouwplannen in het buitengebied (Akker Heikant Berkel Enschot) zijn afgeschaald. Dat argument bestrijdt de heer #(ZLTO). Wethouder Van der Pol concludeert dat een deel van de opgave wordt ingevuld door groenstructuren zoals in VVHN weergegeven. Het enige twistpunt waar partijen het nu niet over eens kunnen worden, is gericht op het autonome doel van de gemeenten om in het gebied stukken aaneengesloten natuur (bos) te realiseren. Door het met zonering en aantal hectares te willen bereiken, zien agrariërs het als een bedreiging, aldus de heer #(ZLTO), doch door het onderdeel te maken van de grotere opgave, ziet men het als een kans. Zijn advies: maak gebruik van de inzet van de Duinboeren en van de boomtelers die reeds volgens en boven wettelijke normen opereren. ➔ De voorzitter concludeert dat er wel overeenstemming is over de intenties, maar niet over het uitgangspunt wel of geen zonering en hectares aanduiden. De standpunten zijn helder en zullen met de argumenten zorgvuldig in de notitie verwoord worden.
De heer #(ZLTO) benadrukt nogmaals dat met een andere benadering de gemeenten meer en sneller tot resultaat kunnen komen. Dit punt is bij zijn achterban een weerstandspunt. Hij blijft van mening dat de kracht van de ondernemers in het gebied op deze wijze wordt ondermijnd. Hierop reageert wethouder Van der Pol met de opmerking dat het nastreven van de ambitie meer natuur en bos te realiseren, absoluut geen diskwalificatie is van de kracht vanuit het gebied en het ondernemerschap in de agrarische sector, maar een autonoom doel van de gemeenten. Dit gesprek is bedoeld om een brug te slaan, wat op een punt na in zijn beleving is bereikt. Wethouder Grashoff geeft aan ernaar uit te kijken om het experiment om boomteelt en natuur te verweven, gezamenlijk tot uitvoer te gaan brengen. Dat zal veel creativiteit en ondernemerschap vergen. Het bedrijfsbezoek voorafgaand aan dit gesprek, heeft hem in die richting zeer geïnspireerd. Volgens de heer #(ZLTO) is het experiment breder dan boomteelt en natuur alleen, het gaat ook om de economische haalbaarheid en toekomst van de sector. Vraagpunt vanuit Treeport is of de in tabel aangegeven hectares wel kloppen. Hun indruk is dat de tabel deels op niet kloppende aannames is gebaseerd; volgens hen wordt het totale areaal van het gebied en 28
aandeel landbouw erin overschat. De procesafspraak wordt gemaakt dat de gemeente een voorstel zal aanleveren voor een nieuwe hectaretabel dat recht doet aan de door Treeport aangegeven kritiek- en vraagpunten. 6. Notitie (concept) sessies Landbouw, onderdeel Economie Desgevraagd geeft wethouder Van der Pol aan dat we vorige keer hebben afgesproken geen uitgebreide economische paragraaf te maken, maar in navolging van deze gesprekken de algemene uitspraak erin op te nemen dat we met de landbouworganisaties in de uitvoering aan de slag gaan met het stimuleren van innovatie in de sector. In navolging van de behandeling in de raadszaal wordt naast deze gesprekken met de landbouworganisatie ook in dit traject nader in gesprek gegaan met de coöperatie Biezenmortel over hun specifieke vragen, teneinde daarop de paragraaf verder aan te scherpen. 7. Samenwerking vervolg - gebiedsprocessen Vanuit Treeport is een methode aangereikt voor gebiedsgericht en opgaven gestuurd werken. Voor deze samenwerkingsvorm is in het Groene Hart gekozen. Het is een manier om de participatie serieus en goed vorm te geven, aldus de heer #(Treeport). De onderliggende boodschap is helder, aldus wethouder Logister: de landbouwpartijen serieus nemen, dat geldt ook wederzijds, en samen aan de slag gaan vanuit gedeelde doelen en gedeelde waardes.
Desgevraagd geeft de heer #kempenadvies zijn visie: gebiedsontwikkeling heeft twee kanten: topdown en bottom up en in het gebiedsproces komt dat bij elkaar; het koersdocument geeft richting voor gebiedsgericht te gaan werken. Gebiedsontwikkeling is concreet aan de slag gaan met gedeelde doelen en gedeelde waardes waaraan te kunnen toetsen. In die zin zijn de GGA’s geen gebiedsgerichte aanpak. Het proces van gebiedsontwikkeling is nu nog niet nader uitgewerkt, dat gebeurt na de besluitvorming over het koersdocument, waarbij de vraag is wie het gaat oppakken. De provincie is hierin voor de Natura 2000 gebieden leidend, maar zullen het niet alleen oppakken, zoeken naar initiators in het gebied om de transitie te realiseren. Aan de hand van voorbeelden wordt toegelicht hoe beide gemeenten in de praktijk invulling geven aan een gebiedsgericht proces op allerlei beleidsterreinen. Het is maatwerk. De kracht zit in het feit dat partijen met elkaar in gesprek zijn en blijven. Over diverse onderwerpen uit het koersdocument spreken partijen elkaar aan de tafel van de GGA’s en aan die tafel zullen de afspraken over de gebiedsprocessen moeten worden gemaakt. De heer #(ZLTO) spreekt de hoop uit dat de ruimte ontstaat, dat het van een proces van partijen naar een proces van het gebied gaat. Dat er ideeën en initiatieven uit het gebied komen en worden omarmd.
Uiteindelijk gaat het erom dat de ondernemers in het gebied het gebiedsperspectief gaan omarmen. Zij moeten nadrukkelijk in het koersdocument daartoe uitgenodigd worden. Dat gaat verder dan participatieverordeningen. De voorzitter concludeert dat invulling geven aan het gebiedsgerichte proces op dit moment nog niet aan de orde is. Wel zal de intentie van hoe samen te werken, zoals besproken en zoals deze gesprekken zijn verlopen, in het document beschreven worden. 8. Afronding De notitie zal in de loop van volgende week aangepast en aangevuld worden. Op deze laatste versie kunnen partijen opnieuw reageren. Ook zal deze laatste conceptversie voorgelegd worden aan de natuurorganisaties. Uiterlijk 13 mei dient het aangepaste koersdocument gereed zijn voor aanlevering naar de beide gemeenteraden. Vanuit ZLTO en Treeport is de wens voor nog een bijeenkomst. Vanwege het reces is niet iedereen daar komende week voor in de gelegenheid. Naar aanleiding van de schriftelijke reacties op de notitie zal gekeken worden of een extra overleg nodig is. Binnen de kaders van de tijdsplanning zal alsdan gekeken worden of eventueel via Teams met een aantal afgevaardigden nog een gesprek kan worden gevoerd. Over deelname van Treeport in de GGA’s wordt nog het gesprek gevoerd. De afspraak ligt er dat op GGAniveau de samenwerking zal worden geïntensiveerd. Vaststelling verslag d.d.
14-05-2024: Een (en enige) aanvulling op dit verslag is ontvangen vanuit ZLTO/Treeport (mail 6 mei 2024): De heer #(Treeport) wijst aan het einde van de sessie nog op een openstaande vraag van Treeport Midden Brabant, die ook voorafgaand aan de vergadering schriftelijk is ingediend: Waarop is de stelling gebaseerd dat de boomteelt niet verder kan groeien? De voorzitter reageerde zeer verbaasd met de opmerking: Staat dat er 29
werkelijk in? De conclusie was dat deze zin, die twee keer in het koersdocument voor komt, best wel weggelaten kon worden. In het verslag lezen we hierover niets terug en ook in versie 2 van de aanpassingen wordt hierover met geen woord gerept. Naar aanleiding van het verslag pagina 1, het gesprek met de natuurorganisaties, zouden wij graag het definitieve verslag hiervan ontvangen. Naar aanleiding van het verslag pagina 2, thema 1, zouden wij ook graag kennis nemen van de tekstuele aanpassingen in het koersdocument als gevolg van de aangenomen amendementen van de gemeenteraad van Oisterwijk