1 Raadsvoorstel wijziging APV 2023_3_ivm inwerkingtreden Omgevingswet
Tekst van het document
raad 2023_1508 definitief.docx
66
Wanneer er een feest plaatsvindt dat niet was te voorzien heeft het college de bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als een collectieve festiviteit waardoor de voorschriften van het Besluit niet van toepassing zijn. X. De toelichting op artikel 109 komt te luiden; Artikel 109. Aanwijzing incidentele festiviteiten. Toelichting Eerste lid Het eerste lid komt voort uit 2.21 van het Besluit. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden is, zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest. In het Besluit is het maximum aantal incidentele festiviteiten bepaald op 12. Vooralsnog wordt, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, een aantal van 2 voldoende geacht. Tweede lid Dit lid heeft betrekking op lichthinder en vloeit voort uit voorschrift 4.113 van het Besluit. Voor het overige zie de toelichting bij het eerste lid. Derde lid Op basis van dit lid is het mogelijk te bepalen, dat binnen een bepaald gebied niet iedere inrichting incidenteel ontheffing kan krijgen, maar dat er sprake moet zijn van een gezamenlijke aanvraag, bijvoorbeeld per plein. Bedoeling hiervan is te voorkomen, dat in een gebied, waar veel horeca-inrichtingen gevestigd zijn, iedere weekend wel ergens de geluidsnormen mogen worden overschreden, met alle overlast van dien.
Vierde lid De termijn voor het indienen van een kennisgeving is met name van belang om het college in staat te stellen na te gaan op welke wijze de houder van de inrichting tracht overmatige geluid- of lichthinder te voorkomen. De beoordeling van de wijze waarop de houder van een inrichting overmatige geluid-of lichthinder tracht te voorkomen kan resulteren in het opleggen van nadere eisen. Heeft de houder van de inrichting geen kennisgeving gedaan dan gelden alsnog alle voorschriften uit het Besluit. Niet-naleving van laatstgenoemde voorschriften kan leiden tot bestuursrechtelijk of strafrechtelijk optreden. Zevende lid De horecabedrijven aan de Binnentuin organiseren op hun terras geregeld activiteiten met versterkte muziek. Op deze activiteiten zijn de geluidnormen van het Besluit van toepassing. Door de nieuwbouw in de Spoorzone is het niet langer mogelijk om deze buitenactiviteiten binnen de geluidnormen te laten plaatsvinden. Om toch een aantal maal per jaar buitenactiviteiten mogelijk te maken is een vrijstelling van de geluidnormen nodig. In het Koersdocument Spoorzone (vastgesteld door de Raad op 25 maart 2019) is opgenomen om voor 12 dagen ontheffing te verlenen voor de geluidnormen voor activiteiten met versterkte muziek in de Binnentuin. Uitgangspunt hierbij is dat de normen van het Besluit bij de bestaande woningen (zoals de wijk Theresia) niet wordt overschreden.
Deze 12 dagen komen naast de bestaande 8 vrijstellingsdagen voor de Spoorzone, zoals opgenomen in lid 6. In de locatiematrix behorende bij het evenementenbeleid is al met deze dagen rekening gehouden. Met de drie horecaondernemers aan de Binnentuin is besproken hoe deze 12 vrijstellingsdagen in te zetten. Afgesproken is dat elke exploitant voor vier dagen een kennisgeving mag indienen. Daarbij is het wel mogelijk om bij elkaars activiteiten aan te sluiten.
raad 2023_1508 definitief.docx
Y.
67
De toelichting op artikel 109a komt te luiden; Artikel 109a. Geluidhinder door vroege oproepen tot gebed. Toelichting In artikel 6 van de Grondwet is in het eerste lid bepaald dat ieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De Wet Openbare Manifestaties (Wom) bevat wettelijke bepalingen betreffende de uitoefening van dit recht tot vrije uitoefening van godsdienst en levensovertuiging. Artikel 10 van de Wom luidt als volgt: "Klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zijn toegestaan. De gemeenteraad is bevoegd ter zake regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau." In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd van kerkgenootschappen om door middel van klokgelui of op een andere manier op te roepen tot gebed. In de Memorie van Toelichting op dit artikel wordt ten aanzien van de bevoegdheid om klokken te luiden het volgende gesteld: “Uiteraard dient de uitoefening van deze bevoegdheid binnen redelijke grenzen te blijven.
Tegen onverhoopte uitwassen wat betreft duur of geluidsniveau zal, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden en behoeften, op grond van de tweede volzin door gemeenten regulerend kunnen worden opgetreden.” De raad heeft, gelet op het voorgaande, dus de bevoegdheid om regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau van oproepen tot gebed. Geluidsnorm voor vroege oproepen tot gebed De periode waarop het in dit artikel opgenomen verbod betrekking heeft is de nacht- en vroege ochtendperiode. Die periode duurt, gelet op het door de raad aanvaarde amendement van 23.00 uur tot 07.30 uur, zijnde de periode waarop de meeste mensen van hun nachtrust genieten. Deze nachtrust kan worden verstoord wanneer er op een luide wijze wordt opgeroepen tot gebed. Deze vorm van overlast hoeft op dit vroege uur niet te worden getolereerd. In het Besluit zijn geluidsnormen opgenomen. Deze normen gelden niet rechtstreeks voor klokgelui of oproepen tot gebed. Volgens artikel 2.18 van het Besluit wordt bij de bepaling van de geluidsniveaus het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden, buiten beschouwing gelaten.
Volgens de toelichting bij het Besluit is het samenstel van de Wet openbare manifestaties en de regels van de gemeenteraad het geëigende kader voor de regulering van klokgelui en oproepen tot gebed. Uit de genoemde geluidsnormen blijkt echter wanneer er in objectieve zin gesproken kan worden over geluidsoverlast. Vandaar dat in het onderhavige voorstel, voor de bepaling van de norm die gehanteerd wordt ten aanzien van vroege oproepen tot gebed, is aangesloten bij de in artikel 2.17 van het Besluit opgenomen geluidsgrenswaarden. Voorzover hier van belang luidt dit artikel: Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
raad 2023_1508 definitief.docx
68
a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden; Tabel 2.17a
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
07:00– 19:00 uur 50 dB(A) 35 dB(A)
19:00– 23:00 uur 45 dB(A) 30 dB(A)
23:00– 07:00 uur 40 dB(A) 25 dB(A)
70 dB(A) 55 dB(A)
65 dB(A) 50 dB(A)
60 dB(A) 45 dB(A)
Uit literatuur volgt dat overlast binnen een woning bij een overschrijding van de genoemde normen met 510 dB(A) op de gevel van een woning kan worden gekwalificeerd als "veel overlast". Overschrijding met 1015 dB(A) kan worden gekwalificeerd als "ernstige overlast" en een overschrijding met 15-20 dB(A) wordt gekwalificeerd als "zeer ernstige overlast". Ten aanzien van het oproepen tot gebed moet, ook als dit op een vroeg tijdstip gebeurt, enige overlast geaccepteerd worden, nu het oproepen tot gebed voortvloeit uit de vrijheid van godsdienst. Vandaar dat vroege oproepen tot gebed pas bij ernstige geluidsoverlast niet meer getolereerd hoeven te worden en dat alleen voor die gevallen regels zijn vastgesteld. Dit betekent dat, ten aanzien van klokgelui of andere oproepen tot gebed die in de vroege ochtend plaatsvinden, er sprake is van geluidhinder wanneer een geluidsniveau wordt geproduceerd dat meer dan 10 dB(A) ligt boven de normen uit het Besluit en meer dan 10 dB(A) boven het geluid van de omgeving. Er is dan sprake van excessief klokgelui dat niet getolereerd hoeft te worden. Van belang om op te merken is dat het luiden van de klok danwel op een andere wijze oproepen tot gebed door deze verbodsbepaling niet onmogelijk wordt gemaakt.
Er kan nog steeds op een vroeg tijdstip worden opgeroepen tot gebed, als het geluidsniveau maar niet boven de in het artikel gestelde norm uitkomt. Er is dus geen sprake van de beperking van een grondrecht danwel van het recht tot luiden van de klok: dit recht kan binnen de daartoe gestelde normen ten volle worden uitgeoefend. Z.
Artikel 110 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 110. Overige geluidhinder 1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Degene, die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen, dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. 3. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
raad 2023_1508 definitief.docx
69
Toelichting Deze bepaling vervult de functie van kapstokartikel en heeft betrekking op vormen van hinder waarin de andere artikelen niet voorzien, zoals het vanuit gebouwen ten gehore brengen van muziek in winkelstraten of het draaien van koelaggregaten op vrachtwagens. Dit artikel geldt als algemeen vangnet-artikel voor niet-inrichtingsgebonden geluidsactiviteiten. Voor de inrichtingsgebonden geluidsactiviteiten gelden de regels bij of krachtens de Omgevingswet. Eerste lid Naast de gevallen waarin geluidhinder te wijten is aan handelingen kan met behulp van dit artikel ook worden opgetreden indien de oorzaak van geluidhinder is gelegen in het louter in werking zijn van machines. Tweede lid Of er in concreto sprake is van geluidhinder, waartegen opgetreden dient te worden, hangt af van de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld van het soort dier en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder. Het zal duidelijk zijn, dat dit artikel in agrarische gebied niet snel toegepast zal worden, terwijl dit in stedelijk gebied eerder het geval zal zijn. Door middel van bestuursdwang of vervolging met een eventuele boeteoplegging kan worden opgetreden, met name in ernstige overlastsituaties. Derde lid Ontheffing kan, zo nodig, met voorschriften worden verleend. AA. Artikel 112 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 112.
Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ongebruikte landbouwproducten en dergelijke. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen buiten een inrichting als bedoeld in de Wet Milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg één of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden; d. gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; e. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; 2.
In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Het is verboden op een door college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof: a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels. 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. Toelichting Deze bepaling heeft geen betrekking op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving (zie hiervoor: hoofdstuk 5, afdeling 1 “Parkeerexcessen”). Indien het activiteiten
raad 2023_1508 definitief.docx
70
betreft waarop de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing is dan geldt artikel 112 niet. Is er sprake van niet-inrichtingsgebonden activiteiten dan kunnen de hinderlijke effecten hiervan wel met de artikelen 110 en 112 van de APV worden bestreden. Zie ook de afvalstoffenverordening. Vooralsnog is door het college geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid als genoemd in het eerste lid tot het aanwijzen van plaatsen. BB. Artikel 114a en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 114a. Omgevingsvergunning reclame op of aan onroerende zaken. 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een openbare plaats. 2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van ernstige hinder voor de omgeving. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: a. op reclames die zich bevinden in welstandsvrije gebieden (niveau 3) als bedoeld in de welstandsnota. b.
op reclames die blijkens de welstandsnota welstandsvrij zijn. c. op reclames waarmee een raam wordt afgeplakt, mits deze niet meer dan 30 procent van het raamoppervlak bestrijken en deze reclames een directe relatie hebben met het gebruik van het pand; d. opschriften en aankondigingen op door het college aangewezen zuilen, borden, muren of andere constructies. e. voor zover een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1 in samenhang met 4.4, tweede lid van de Omgevingswet benodigd is. Toelichting Dit artikel schept een vergunningplicht voor het aanbrengen (maken) en hebben (voeren) van handelsreclame aan een onroerende zaak. Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1.1, aanhef en onder h, van de APV als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 114a gaat om niet-ideële reclame. Ook uitingen waarmee gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard vallen niet onder de werking van dit artikel.
In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet is het maken van handelsreclame uitgesloten van de grondwettelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Het vergunningstelsel is derhalve niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. Voor zover de bescherming van artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR zich mede uitstrekken tot reclame geldt dat de staat een 'wide margin of appreciation' heeft. Dat wil zeggen dat de bescherming ten aanzien van commerciële reclame minder ver gaat dan de bescherming ten aanzien van andere uitingen, gelet op de strekking van de verdragen. Ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle handelsreclame onder het
raad 2023_1508 definitief.docx
71
beschermingsbereik van artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen zoals een vergunningstelsel mogelijk zolang deze bij wet zijn voorzien. De APV moet in deze context als wet worden beschouwd. Daarnaast dienen de beperkingen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving ter bescherming van de in de artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR genoemde belangen. Hieronder vallen onder andere het voorkomen van wanordelijkheden en de bescherming van rechten van derden. Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te absolute beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke noodzaak voor de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid van enige betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, een vergunningstelsel in overeenstemming is met het EVRM en het IVBPR. In het derde lid zijn uitzonderingen op de vergunningplicht geformuleerd. Het bepaalde in artikel 114 APV is echter ook op deze reclames van toepassing. Handelsreclame die vergunningplichtig is in het kader van Omgevingswet (bouwwerken) is reeds onderworpen aan een welstandstoetsing. Uit jurisprudentie blijkt dat in dergelijke gevallen geen ruimte is voor een APV-vergunning. Daarom is dit afgebakend ten opzichte van het eerste lid. CC. Artikel 119 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 119. Voertuigwrakken. 1.
Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. 2. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet in situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Toelichting Een autowrak geeft aanstoot, omdat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en andere weggebruikers. Zowel het verkeersmotief als het motief van het uiterlijk aanzien spelen bij deze bepaling dus een rol. Het verbod richt zich met name tot de burger die een autowrak op de weg plaatst of heeft. Plaatst of heeft een bedrijf autowrakken op de weg, dan zal, indien het samenhangt met de aard van het bedrijf, de Wet milieubeheer of het Besluit Activiteiten leefomgeving van toepassing zijn. De betreffende vergunning zal dan duidelijkheid moeten geven over de toelaatbaarheid van het plaatsen of hebben van de autowrakken op de weg. DD. Artikel 120 komt te luiden; Artikel 120. Caravans en dergelijke. 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, keetwagen, aanhangwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een weg. b. op een door het college aangewezen en vanaf de openbare weg zichtbare plaats te parkeren, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
raad 2023_1508 definitief.docx
72
EE. Artikel 124 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 124. Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen. 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet in situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Toelichting Dit artikel wil overlast en hinder voorkomen, die bewoners en gebruikers van nabij gelegen gebouwen en terreinen kunnen ondervinden van het parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals bijvoorbeeld vrachtauto’s van destructiebedrijven of vismeelfabrieken. De redactie van het artikel is zodanig dat dit ook geldt voor het parkeren van het voertuig buiten de weg. Verder geldt dat, indien het parkeren van deze voertuigen geschiedt door een bedrijf, in de meeste gevallen een milieuvergunning verstrekt zal zijn. De Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving is dan dus van toepassing. FF. Artikel 132 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 132. Crossterreinen. 1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Toelichting Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen en dergelijke al dan niet met een wedstrijdkarakter, zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.
Afbakening Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet vervallen bepalingen van de APV van rechtswege als in het onderwerp door een wet, AMvB of provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Hieronder wordt ingegaan op de afbakening van dit APV-artikel ten opzichte van de Wegenverkeerswet 1994, de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving, en de Zondagswet.
raad 2023_1508 definitief.docx
73
1. WVW 1994 en APV Het verkeersrechtelijk regime is niet van toepassing wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen en dergelijke op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt én een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd. Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 132 APV van toepassing zijn. Artikel 132 APV ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het RVV 1990 in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht wordt gesteld. 2.
Omgevingswet en APV Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen en dergelijke buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Omgevingswet; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in artikelen 132 en 133 APV. Besluit activiteiten leefomgeving De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de werking van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. De regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven die aan de wettelijke regeling ten grondslag liggen, zijnde de gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de bescherming van de fysieke leefomgeving. APV De regeling in de APV is bijvoorbeeld van belang voor terreinen die niet zijn ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Omgevingswet in ieder geval moeten zijn afgebakend.
Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers. In de in het tweede lid van artikel 132 genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen dan wel aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en – eventueel – dat de crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben dan wel dat de vereniging er – ter voorkoming van ongelukken – zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt. 3. Zondagswet
raad 2023_1508 definitief.docx
74
Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur ontheffing te verlenen. De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet. GG. Artikel 133 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 133. Beperking verkeer in natuurgebieden. 1. Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan het verklaart, dat het rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden. 2. Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: a. zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel b.
zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. 4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorvoertuigen, die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als “toestel”. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
Toelichting Deze bepaling geldt voor gebieden, die vallen buiten de wegen in de zin van de WVW 1994. Er dient te worden bezien of er op het betreffende gebied mogelijk de provinciale omgevingsverordening van toepassing is die ondermeer verbiedt een aantal toestellen te gebruiken binnen een milieubeschermingsgebied. HH. Artikel 134 en de toelichting daarop wijzigen; Artikel 134. Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer, zoals die wet luidde direct
raad 2023_1508 definitief.docx
2.
3. 4.
5.
75
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en dergelijke en vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving. De in het eerste lid bedoelde melding dient uiterlijk zes weken, voordat de voorgenomen activiteit plaats zal vinden te worden gedaan bij het college. Het college kan de activiteit verbieden dan wel daaraan voorschriften verbinden met het oog op de openbare orde en veiligheid, de bescherming van het woon- en leefklimaat dan wel de bescherming van flora en fauna. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429 aanhef en onder 1. Of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Toelichting Artikel 134 heeft een aanvullende werking op artikel 10.63 tweede lid van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer heeft betrekking op de verbranding van afvalstoffen buiten inrichtingen en beperkt zich tot het milieuhygiënische belang. In tegenstelling tot laatst genoemd artikel kan op grond van artikel 134 wel het verbranden van afvalstoffen verboden worden, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Aan de APV ligt dus een ander motief ten grondslag. De APV-bepaling geldt verder ook indien er sprake is van het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen. In deze laatste situatie wordt door de Wet milieubeheer niet voorzien.
Artikel II 1. 2.
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat de Omgevingswet in werking treedt. In afwijking van het eerste lid treedt onderdeel V van artikel 1 in werking op de dag direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 december 2023.
de griffier,
de plaatsvervangend voorzitter