CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Raadsvoorstel wijziging APV 2023_3_ivm inwerkingtreden Omgevingswet

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening tot wijziging APV 2023.3 i.v.m. inwerkingtreden Omgevingswet42.168 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

31. Artikel 133 Beperking verkeer in natuurgebieden In artikel 133 en de toelichting daarop worden een aantal grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 133 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 133 APV Artikel 133. Beperking verkeer in natuurgebieden. 1. Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan het verklaart, dat het rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden. 2. Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: a. zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel

Nieuwe tekst artikel 133 APV Artikel 133. Beperking verkeer in natuurgebieden. 1. Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan het verklaart, dat het rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden. 2. Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: a. zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel

raad 2023_1508 definitief.docx

b.

3.

4.

5.

zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening provinciale verordening “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorvoertuigen, die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als “toestel”.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

49

b.

3.

6.

7.

zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorvoertuigen, die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als “toestel”. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Toelichting Deze bepaling geldt voor gebieden, die vallen buiten de wegen in de zin van de WVW 1994.

Toelichting Deze bepaling geldt voor gebieden, die vallen buiten de wegen in de zin van de WVW 1994.

Er dient te worden bezien of er op het betreffende gebied mogelijk de provinciale omgevingsverordening milieuverordening van toepassing is die ondermeer verbiedt een aantal toestellen te gebruiken binnen een milieubeschermingsgebied.

Er dient te worden bezien of er op het betreffende gebied mogelijk de provinciale omgevingsverordening van toepassing is die ondermeer verbiedt een aantal toestellen te gebruiken binnen een milieubeschermingsgebied.

32. Artikel 134 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. In artikel 134 en de toelichting daarop worden een aantal grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig.

raad 2023_1508 definitief.docx

50

Het voorgestelde gewijzigde artikel 134 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 134 APV Artikel 134. Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichtingen in de zin van de Wet Milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en dergelijke en vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving. 3. De in het eerste lid bedoelde melding dient uiterlijk zes weken, voordat de voorgenomen activiteit plaats zal vinden te worden gedaan bij het college. 4. Het college kan de activiteit verbieden dan wel daaraan voorschriften verbinden met het oog op de openbare orde en veiligheid, de bescherming van het woon- en leefklimaat dan wel de bescherming van flora en fauna. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429 aanhef en onder 1.

Of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening Provinciale Milieuverordening Noord Brabant.

Nieuwe tekst artikel 134 APV Artikel 134. Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en dergelijke en vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving. 3. De in het eerste lid bedoelde melding dient uiterlijk zes weken, voordat de voorgenomen activiteit plaats zal vinden te worden gedaan bij het college. 4. Het college kan de activiteit verbieden dan wel daaraan voorschriften verbinden met het oog op de openbare orde en veiligheid, de bescherming van het woon- en leefklimaat dan wel de bescherming van flora en fauna. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429 aanhef en onder 1. Of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Toelichting Artikel 134 heeft een aanvullende werking op de artikel 10.63 tweede lid van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer heeft betrekking op de verbranding van afvalstoffen buiten inrichtingen en beperkt zich tot het milieuhygiënische belang. In tegenstelling tot laatst genoemd artikel kan op grond van artikel 134 wel het verbranden van afvalstoffen verboden worden, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Aan de APV ligt dus een ander motief ten grondslag. De APVbepaling geldt verder ook indien er sprake is van het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen. In deze laatste situatie wordt door de Wet milieubeheer niet voorzien.

Toelichting Artikel 134 heeft een aanvullende werking op artikel 10.63 tweede lid van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer heeft betrekking op de verbranding van afvalstoffen buiten inrichtingen en beperkt zich tot het milieuhygiënische belang. In tegenstelling tot laatst genoemd artikel kan op grond van artikel 134 wel het verbranden van afvalstoffen verboden worden, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Aan de APV ligt dus een ander motief ten grondslag. De APV-bepaling geldt verder ook indien er sprake is van het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen. In deze laatste situatie wordt door de Wet milieubeheer niet voorzien.

raad 2023_1508 definitief.docx

51

Inwerkingtreding De in dit besluit opgenomen technische wijzigingen treden in werking op het tijdstip dat de Omgevingswet in werking treedt. Dit geldt niet voor de wijziging van artikel 107 APV, die treedt iets eerder in werking. Artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet biedt overgangsrecht voor de op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht zijnde APV-bepalingen over geluidhinder en hinder door verlichting. In de Tilburgse APV gaat het dan om de artikelen 107, 108 en 109. Omdat artikel 107 van de APV wel technisch wijzigt, is voor de zekerheid bepaald dat deze wijziging in werking treedt op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Kanttekeningen en gewogen alternatieven Niet van toepassing.

Niet beïnvloedbare risico’s Niet van toepassing.

Kosten en dekking Niet van toepassing.

Uitvoering Niet van toepassing.

Participatie Niet van toepassing.

Communicatie Na vaststelling van de Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.3 zal deze bekend worden gemaakt in het digitale gemeenteblad op overheid.nl.

Evaluatie Niet van toepassing.

Bijlagen Niet van toepassing.

Ter inzage gelegde stukken Niet van toepassing.

Tilburg, 24 oktober 2023 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, secretaris burgemeester

raad 2023_1508 definitief.docx

52

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 149 Gemeentewet;

Besluit de volgende verordening vast te stellen:

Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.3 Artikel I De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 1 en de toelichting daarop komt te luiden: Artikel 1. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A. Weg: 1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. B. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. C.

Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van trams en kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen. D. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. E. Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. F. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving G. Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. H. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. I. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. J. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. K. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. L. Parkeren: daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

raad 2023_1508 definitief.docx

53

M. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. N. Kermis: een volksfeest van tijdelijke aard in de buitenlucht met kramen, attracties, toestellen waar men in kan en andere vormen van vermaak. O. Beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; Toelichting A. Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994. Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg": De "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte; de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg, in te grijpen; de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringenvoorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen.

De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige" voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d. die toegang geven tot voor bewoning bestemde ruimten, voor zover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn. Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg, ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn, maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van bepalingen uit de APV van toepassing. B. Rechthebbende Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht. Veelal is dat de eigenaar en/of huurder van een goed. C.

Voertuig In artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990) worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. E. Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. F. Gebouw Deze omschrijving is ontleend aan bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. I. Handelsreclame Dit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV. K. Openbare plaats

raad 2023_1508 definitief.docx

54

Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling.

Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6). O. Beperkingengebiedactiviteit Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens bijlage, onder A, bij de Omgevingswet is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied. B.

Artikel 3 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 3. Voorschriften en beperkingen. 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Toelichting Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties.

In artikel 4 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. Lid 3 Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen.

raad 2023_1508 definitief.docx

C.

55

Artikel 4 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 4. Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Toelichting De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter, blijkende uit het woord "kan". Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning.

Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, zal het veelal gehouden zijn om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te dienen conform het bepaalde in artikel 4:8 Awb. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen.

D. Artikel 5 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 5. Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. De volgende vergunningen zijn niet persoonsgebonden: • een vergunning als bedoeld in artikel 92. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Toelichting De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde.

Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning. Overigens kan een vergunning wel degelijk een

raad 2023_1508 definitief.docx

56

zakelijk karakter hebben, ook al staat de vergunning op naam van een persoon. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de aflevergunning consumentenvuurwerk uit artikel 92 APV van een zakelijk karakter heeft. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in het eerste lid van dit artikel geregelde onderwerp. E.

Artikel 13 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 13. Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg. 1. Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; c. voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor bewoning; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. staanplaatsen als bedoeld in de Staanplaatsenverordening; f. evenementen als bedoeld in artikel 25. g. civieltechnische werkzaamheden, die in opdracht van de gemeente in openbaar gebied worden verricht. 3.

Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 4. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 5. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor : a. bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m² en de plaatsing van gedenktekens. b.

zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen. c. reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden geplaatst. d. automaten. e. verplaatsbare voorwerpen, die beogen weggebruikers te attenderen op gewenst verkeersgedrag. f. het aanleggen van geveltuintjes en/of het beplanten van boomspiegels, het plaatsen van een gevelbankje voor een woning. 7. De in het zesde lid onder a. bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het achtste lid van dit artikel beschreven belangen.

raad 2023_1508 definitief.docx

57

8.

Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve van de in het zesde lid onder b.,c.,d. e. of f. bedoelde zaken: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c. het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het oog op de onder a) en b) genoemde belangen vastgestelde algemene regels. 9. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 10. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een terrasvergunning. 11. De in het tiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is.

Toelichting In het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester en wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een exploitant van een horeca-inrichting vergunning te verlenen om de weg of een weggedeelte als terras te mogen gebruiken. Dit houdt verband met het feit dat in artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Op grond van lid 8 kan een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de APV-vergunning. Artikel 13 is gewijzigd bij raadsbesluit van 3 maart 2008 (2208/062). Ten gevolge van dit besluit komt de verplichting om een vergunning te hebben om van de weg gebruik te maken voor kleinere bouwactiviteiten, zonneschermen, stoepborden, uitstallingen, gedenktekens en automaten te vervallen. In 2019 is hieraan nog het gebruik van de weg voor het plaatsen/aanbrengen van een gevelbankje voor een woning aan toegevoegd. In maart 2008 is ook de vergunningplicht vervallen voor reclameborden, voor zover deze niet op of in de openbare weg worden geplaatst.

In de plaats daarvan komt er voor het gebruik t.b.v. kleinere bouwactiviteiten en gedenktekens een meldingsplicht. Voor de in het zesde lid onder b., c. en d. genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen, die gevaar oplevert etc. Daarnaast heeft het college algemene regels opgesteld, waaraan b.v. de plaatsing en afmeting van dergelijke zaken dient te voldoen en heeft het in dat kader b.v. ook bepaald, dat plaatsing van uitstallingen in een bepaald gebied niet is toegestaan. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom. Het aanbrengen van reclameborden op of aan een onroerende zaak is geregeld in artikel 114 en artikel 114a APV (zie aldaar). Artikel 114a schept een vergunningplicht voor bijvoorbeeld reclame-uitingen aan de gevel, op het dak van een pand of op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare weg. Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen, die vallen onder de Monumentenwet of- verordening en voor schermen aan ander dan woongebouwen op grond van de Woningwet wel een omgevingsvergunning vereist blijft. Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande pinautomaten.

raad 2023_1508 definitief.docx

F.

58

Artikel 14 en toelichting daarop komt te luiden; Artikel 14. Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, in of onder de weg kabels of leidingen met toebehoren aan te leggen, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werkzaamheden, die in opdracht van het rijk, de provincie, de gemeente, het waterschap of een openbaar nutsbedrijf in het kader van het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak worden uitgevoerd. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 5.

De omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de veiligheid en bruikbaarheid van de weggebruiker in het geding is. Toelichting Lid 1: Door deze toevoeging staat buiten kijf dat ook voor de aanleg van kabels en leidingen onder de weg voor andere dan nutsbedrijven - een vergunning nodig is. Zoals uit de leden 3 en 4 blijkt, geldt er een behoorlijk aantal uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals omschreven in het eerste lid. In lid 3 gaat het behalve over de rijks-, provinciale en gemeentelijke overheid, ook over nutsbedrijven, zoals TWM en Essent. In lid 4 wordt gesproken over de Telecommunicatiewet. In deze wet is voor de gemeenten een gedoogplicht vastgelegd voor werkzaamheden die verband houden met de aanleg van telecommunicatiekabels en daarmee samenhangende voorzieningen. De APV kan dus geen regels meer bevatten die de aanleg van die kabels en voorzieningen kunnen belemmeren en de aanleg vergunningplichtig kunnen maken. Verder wordt nog verwezen naar Telecommunicatieverordening, zoals die op 21 juni 1999 door de raad is vastgesteld. Dat is een verordening die voortvloeit uit de Telecommunicatiewet. In de praktijk geldt de vergunningplicht dus met name voor bedrijven die kabels naar hun vestiging willen laten aanleggen en daarvoor de barrière van een weg moeten nemen.

G. Artikel 15 komt te luiden; Artikel 15. Maken en veranderen van een uitweg. 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan, wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat. 3. Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overlegd. 4. Het college kan aan de aanleg c.q. verandering van de uitweg voorschriften verbinden.

raad 2023_1508 definitief.docx

5.

6. 7.

59

Het college kan de aanleg c.q. verandering van de uitweg verbieden, indien er een gevaarlijke situatie voor het verkeer zou ontstaan dan wel het belang van de bescherming van groenvoorzieningen of de bruikbaarheid van de weg dit vordert en hieraan niet voldoende tegemoet gekomen kan worden door het stellen van voorschriften. Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of van het verbod bedoeld in het vijfde lid. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

H. Artikel 17 komt te luiden; Artikel 17. Winkelwagentjes. 1. De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt het gedeelte van de weg dat grenst aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een bij dat bedrijf of winkelcomplex behorend parkeerterrein. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. I.

Artikel 22 komt te luiden; Artikel 22. Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid e.d. 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting en/of de openbare orde en veiligheid dan wel brandkraanbordjes worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het college maakt tevoren aan de rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

J.

Artikel 24 komt te luiden; Artikel 24. Veiligheid op het ijs. 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

raad 2023_1508 definitief.docx

60

K. Artikel 41 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 41. Weigering vergunning. 1. De burgemeester kan de vergunning weigeren als bedoeld in artikel 38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het omgevingsplan. 2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. 4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als niet voldaan is aan één of meer van de in artikel 39 en 40 genoemde eisen. 5.

De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als de leidinggevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Alcoholwet. 6. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een horeca-inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. Toelichting De vergunning voor een droge horeca-inrichting dient geweigerd te worden als niet voldaan wordt aan één of meer van de persoonlijkheids- en inrichtingseisen, zoals opgenomen in de artikelen 39 en 40. Voor alle inrichtingen geldt als weigeringsgrond, dat er sprake is van strijd met het omgevingsplan. Op grond van het tweede lid kan de burgemeester verder een vergunning voor de vestiging van een inrichting ook weigeren in het belang van de openbare orde, de voorkoming van overlast of anderszins te vrezen aantasting van het woon- en leefklimaat. Op basis van deze bepaling kan de burgemeester voor een bepaald soort inrichtingen of voor een bepaald gebied c.q.

een combinatie van beide een maximumstelsel hanteren. Hieraan dienen dan wel beleidsregels ten grondslag te liggen, die in een dergelijk maximum voorzien. In de beleidsregels dient gemotiveerd te worden om welke aan de hiervoor genoemde belangen te ontlenen redenen het maximum wordt gesteld. Deze mogelijkheid is benut voor de vestiging van coffeeshops en vastgelegd in het Coffeeshopbeleid. Naast de mogelijkheid van het stellen van een maximum, kan er ook voor gekozen worden op andere wijze ongewenste vestiging van inrichtingen in kwetsbare gebieden te voorkomen. Ook hieraan dient beleid ten grondslag te liggen. Uitgangspunt voor dat beleid is het bepaalde in het derde lid van dit artikel. Op grond van het vijfde lid kan een vergunning eveneens geweigerd worden, indien er in de afgelopen drie jaar problemen zijn geweest met de betreffende exploitant en/of beheerder op het vlak van de openbare orde. Beoogd wordt hiermee te voorkomen, dat een vergunning verleend zou moeten worden aan een exploitant of ten behoeve van een beheerder van wie duidelijk is, dat hij niet in staat is op een juiste wijze leiding te geven aan een horeca-inrichting. L.

Artikel 45e komt te luiden; Artikel 45 e. Weigering vergunning. 1. De burgemeester weigert de vergunning, indien het in artikel 45 c bedoelde maximum is bereikt.

raad 2023_1508 definitief.docx

2. 3.

4. 5.

61

De burgemeester weigert de vergunning, indien de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. De burgemeester weigert de vergunning indien de leidinggevenden niet voldoen aan de in artikel 45d opgenomen eisen. De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren, indien de exploitant van een inrichting na inwerkingtreding van dit artikel binnen drie jaar voor indiening van de vergunningaanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van artikel 13 b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

M. Artikel 53a komt te luiden; Artikel 53 a. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat. 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebieden, gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebied of een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied of gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; c. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; d. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan; e. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5.

Onverminderd het bepaalde in artikel 4 APV kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;

raad 2023_1508 definitief.docx

62

c. d. e.

De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9.

Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. N. Artikel 82 komt te luiden; Artikel 82. Schade door duiven. 1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1 juni. 2.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening. O. Artikel 84 komt te luiden; Artikel 84. Bijen. 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag- en invliegen van bijen te voorkomen. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

raad 2023_1508 definitief.docx

4.

5. P.

63

Het in het eerste lid, aanhef en onder b gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 90 komt te luiden; Artikel 90. Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen. 1. Het is de eigenaar, houder of bestuurder van een voertuig, dat in gebruik is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, genoemd in artikel 1, lid 1, onder b, van de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen, verboden dit voertuig te parkeren op andere plaatsen dan die welke bij besluit van het college zijn aangewezen. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet: a. gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen; b. buiten de bebouwde kom gedurende een periode van ten hoogste een half uur; c. voor gevallen, waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien of waarin de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen van toepassing is. 3. Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.

Q. Artikel 91 en de toelichting daarop komt te luiden; Artikel 91. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Toelichting Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Dit besluit beoogt de hele keten rond vuurwerk te regelen. Van het invoeren of produceren tot transport, handel, opslag, bewerken en afsteken. Definitie consumentenvuurwerk: Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk. Op grond van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken. R. De toelichting op artikel 92 komt te luiden; Artikel 92. Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen. Toelichting Op basis van dit artikel kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen.

Het in deze bepaling opgenomen vergunningenstelsel is een aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Dit stelsel is in het leven geroepen in het belang van de regulering van het aantal afleveringspunten van consumentenvuurwerk en de spreiding daarvan over de stad uit een oogpunt van openbare orde. Een concentratie van afleveringspunten op bepaalde plaatsen moet worden voorkomen, evenals vestiging op (zeer) druk en door jong en oud bezochte (winkel)locaties. Zie hiervoor de nota Uitvoering Vuurwerkbesluit.

raad 2023_1508 definitief.docx

64

In de gemeente worden jaarlijks ongeveer 20 verkooppunten vergunningen verleend. Aan de vergunning kunnen ter verzekering van een goede controle en handhaving voorschriften worden verbonden. S.

Artikel 93a komt te luiden; Artikel 93a. Carbidschieten. 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, door de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

T.

Artikel 93b komt te luiden; Artikel 93b. Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen. 1. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen [of voorwerpen] als bedoeld in artikel 93a te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 93a. 2. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf. 3. Dit artikel is niet van toepassing, voor zover in de hierin geregelde onderwerpen wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, of voor zover de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

U. Artikel 104 komt te luiden; Artikel 104. Weigeringsgronden c.a. 1. De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 98 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2. De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van woon- en leefklimaat; d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen; e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 3. De vergunning kan worden geweigerd indien een eerdere vergunning voor de exploitatie van de seksinrichting is ingetrokken dan wel de seksinrichting met toepassing van artikel 99 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. 4.

De vergunning kan onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze verordening worden ingetrokken, indien: a. niet langer wordt voldaan aan de op basis van artikel 96 c.q. in artikel 98 gestelde eisen. b. in de inrichting strafbare feiten plaatsvinden c.q. plaatsgevonden hebben, die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in de inrichting.

raad 2023_1508 definitief.docx

c. d. e.

65

aldaar een minderjarige prostituee dan wel een prostituee zonder geldige verblijfstitel wordt aangetroffen. de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de inrichting wordt verstoord of bedreigd. personen tegen hun wil in de inrichting worden vastgehouden.

V. Artikel 107 komt te luiden; Artikel 107. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een of een klein aantal inrichtingen; f. gebied Binnentuin: de buitenruimte die wordt omsloten door de horeca-inrichtingen aan de Burgemeester Brokxlaan 8-76/77, 8-82/84 en 30, inclusief de bij die horeca-inrichtingen behorende terrassen. W. De toelichting op artikel 108 komt te luiden; Artikel 108. Aanwijzing collectieve festiviteiten. Toelichting Eerste lid Door het college worden de collectieve festiviteiten aangewezen. De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde (geluids-)voorschriften niet gelden, vloeit voort uit artikel 2.21 van het Besluit. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, Koningsdag, kermis, culturele, sportieve of recreatieve manifestaties. In het Besluit wordt geen maximum gesteld aan het aantal collectieve festiviteiten.

Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum aantal dagen te bepalen waarvoor de voorschriften niet gelden. Voorzover in verband met de viering van een collectieve festiviteit ook afgeweken wordt van voorschrift 3.148 van het Besluit dient er tevens een aanwijzing te geschieden krachtens het tweede lid. Tweede lid Bij gemeentelijke verordening kan, op grond van voorschrift 3.148 uit het Besluit worden afgeweken van het in het Besluit neergelegde voorschrift over lichthinder. Wordt er in verband met de viering van een collectieve festiviteit afgeweken van dit voorschrift dan dient een aanwijzing te geschieden krachtens het tweede lid. Dit lid is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit in het kader van het tweede lid is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan meedoen. Derde lid Een dergelijke aanwijzing is een besluit van algemene strekking en de bekendmakingsregels van artikel 3:42 Awb moeten dan ook in acht worden genomen. Vierde lid

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13646149/1