CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Raadsvoorstel wijziging APV 2023_3_ivm inwerkingtreden Omgevingswet

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening tot wijziging APV 2023.3 i.v.m. inwerkingtreden Omgevingswet42.168 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

16

gemeenten een gedoogplicht vastgelegd voor werkzaamheden die verband houden met de aanleg van telecommunicatiekabels en daarmee samenhangende voorzieningen. De APV kan dus geen regels meer bevatten die de aanleg van die kabels en voorzieningen kunnen belemmeren en de aanleg vergunningplichtig kunnen maken. Verder wordt nog verwezen naar Telecommunicatieverordening, zoals die op 21 juni 1999 door de raad is vastgesteld. Dat is een verordening die voortvloeit uit de Telecommunicatiewet. In de praktijk geldt de vergunningplicht dus met name voor bedrijven die kabels naar hun vestiging willen laten aanleggen en daarvoor de barrière van een weg moeten nemen.

In de praktijk geldt de vergunningplicht dus met name voor bedrijven die kabels naar hun vestiging willen laten aanleggen en daarvoor de barrière van een weg moeten nemen.

5. Artikel 15 Maken en veranderen van een uitweg. In diverse artikelen van de APV, onder andere in artikel 15, staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Het voorgestelde gewijzigde artikel 15 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 15 APV Artikel 15. Maken en veranderen van een uitweg. 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan, wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat. 3. Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overlegd. 4. Het college kan aan de aanleg c.q. verandering van de uitweg voorschriften verbinden.

Nieuwe tekst artikel 15 APV Artikel 15. Maken en veranderen van een uitweg. 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan, wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat. 3. Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overlegd. 4. Het college kan aan de aanleg c.q. verandering van de uitweg voorschriften verbinden.

raad 2023_1508 definitief.docx

5.

6.

7.

7.

Het college kan de aanleg c.q. verandering van de uitweg verbieden, indien er een gevaarlijke situatie voor het verkeer zou ontstaan dan wel het belang van de bescherming van groenvoorzieningen of de bruikbaarheid van de weg dit vordert en hieraan niet voldoende tegemoet gekomen kan worden door het stellen van voorschriften. Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of van het verbod bedoeld in het vijfde lid. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of de Wegenverordening Noord Brabant Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

17

5.

6.

7.

Het college kan de aanleg c.q. verandering van de uitweg verbieden, indien er een gevaarlijke situatie voor het verkeer zou ontstaan dan wel het belang van de bescherming van groenvoorzieningen of de bruikbaarheid van de weg dit vordert en hieraan niet voldoende tegemoet gekomen kan worden door het stellen van voorschriften. Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of van het verbod bedoeld in het vijfde lid. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

6. Artikel 17 Winkelwagentjes. In artikel 17 moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 17 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 17 APV Artikel 17. Winkelwagentjes. 1. De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt het gedeelte van de weg dat grenst aan dat bedrijf of dat

Nieuwe tekst artikel 17 APV Artikel 17. Winkelwagentjes. 1. De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt het gedeelte van de weg dat grenst aan dat bedrijf of dat

raad 2023_1508 definitief.docx

3.

winkelcomplex en tevens een bij dat bedrijf of winkelcomplex behorend parkeerterrein. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer bij of krachtens de Omgevingswet.

18

3.

winkelcomplex en tevens een bij dat bedrijf of winkelcomplex behorend parkeerterrein. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

7. Artikel 22 Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid e.d. In artikel 22 moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 22 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 22 APV Artikel 22. Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid e.d. 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting en/of de openbare orde en veiligheid dan wel brandkraanbordjes worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het college maakt tevoren aan de rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Nieuwe tekst artikel 22 APV Artikel 22. Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid e.d. 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting en/of de openbare orde en veiligheid dan wel brandkraanbordjes worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het college maakt tevoren aan de rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

8. Artikel 24 Veiligheid op het ijs. In artikel 24 moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 24 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 24 APV Artikel 24. Veiligheid op het ijs. 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

Nieuwe tekst artikel xx APV Artikel 24. Veiligheid op het ijs. 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

raad 2023_1508 definitief.docx

b.

2.

3.

bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

19

b.

2.

3.

bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

9. Artikel 41 Weigering vergunning. In artikel 41 moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. In de toelichting op dit artikel worden, naar aanleiding van deze wijziging, een aantal zinnen die niet meer actueel zijn geschrapt. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 41 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 41 APV Artikel 41. Weigering vergunning. 1. De burgemeester kan de vergunning weigeren als bedoeld in artikel 38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het omgevingsplan een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening. 2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 3.

Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. 4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als niet voldaan is aan één

Nieuwe tekst artikel 41 APV Artikel 41. Weigering vergunning. 1. De burgemeester kan de vergunning weigeren als bedoeld in artikel 38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het omgevingsplan. 2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. 4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als niet voldaan is aan één of meer van de in artikel 39 en 40 genoemde eisen.

raad 2023_1508 definitief.docx

5.

6.

of meer van de in artikel 39 en 40 genoemde eisen. De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als de leidinggevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Alcoholwet. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een horeca-inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

20

5.

6.

De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als de leidinggevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Alcoholwet. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een horeca-inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

Toelichting De vergunning voor een droge horeca-inrichting dient geweigerd te worden als niet voldaan wordt aan één of meer van de persoonlijkheids- en inrichtingseisen, zoals opgenomen in de artikelen 39 en 40.

Toelichting De vergunning voor een droge horeca-inrichting dient geweigerd te worden als niet voldaan wordt aan één of meer van de persoonlijkheids- en inrichtingseisen, zoals opgenomen in de artikelen 39 en 40.

Voor alle inrichtingen geldt als weigeringsgrond, dat er sprake is van strijd met het omgevingsplan.het bestemmingsplan of de Leefmilieuverordening.

Voor alle inrichtingen geldt als weigeringsgrond, dat er sprake is van strijd met het omgevingsplan.

In de praktijk doet zich wel eens de situatie voor, dat een inrichting al lang ergens gevestigd is, maar wel in strijd met het bestemmingsplan, zonder dat daartegen is opgetreden. Het is niet reëel om een exploitatievergunning te weigeren voor bestaande inrichtingen op grond van strijdigheid met het bestemmingsplan als deze inrichtingen reeds geruime tijd ter plaatse gevestigd zijn. De formulering van het eerste lid (‘kan’bepaling) geeft de burgemeester de ruimte om in dat geval toch vergunning te verlenen. Het is niet de bedoeling om in die gevallen via een postzegelplan het bestemmingsplan ook te herzien. Bij nieuwvestiging, die strijdig is met het bestemmingsplan, zal geen exploitatievergunning verleend worden, tenzij tegelijkertijd een herziening van het bestemmingsplan wordt geïnitieerd. Op grond van het tweede lid kan de burgemeester verder een vergunning voor de vestiging van een

Op grond van het tweede lid kan de burgemeester verder een vergunning voor de vestiging van een inrichting ook weigeren in het belang van de openbare orde, de voorkoming van overlast of anderszins te vrezen aantasting van het woon- en leefklimaat. Op basis van deze bepaling kan de burgemeester voor een bepaald soort inrichtingen of voor een bepaald gebied c.q. een combinatie van beide een maximumstelsel hanteren. Hieraan dienen dan wel beleidsregels ten grondslag te liggen, die in een dergelijk maximum voorzien. In de beleidsregels dient gemotiveerd te worden om welke aan de hiervoor genoemde belangen te ontlenen redenen het maximum wordt gesteld. Deze mogelijkheid is benut voor de vestiging van coffeeshops en vastgelegd in het Coffeeshopbeleid. Naast de mogelijkheid van het stellen van een maximum, kan er ook voor gekozen worden op andere wijze ongewenste vestiging van inrichtingen in kwetsbare gebieden te voorkomen. Ook hieraan dient beleid ten grondslag te liggen. Uitgangspunt

raad 2023_1508 definitief.docx

inrichting ook weigeren in het belang van de openbare orde, de voorkoming van overlast of anderszins te vrezen aantasting van het woon- en leefklimaat. Op basis van deze bepaling kan de burgemeester voor een bepaald soort inrichtingen of voor een bepaald gebied c.q. een combinatie van beide een maximumstelsel hanteren. Hieraan dienen dan wel beleidsregels ten grondslag te liggen, die in een dergelijk maximum voorzien. In de beleidsregels dient gemotiveerd te worden om welke aan de hiervoor genoemde belangen te ontlenen redenen het maximum wordt gesteld.

21

voor dat beleid is het bepaalde in het derde lid van dit artikel. Op grond van het vijfde lid kan een vergunning eveneens geweigerd worden, indien er in de afgelopen drie jaar problemen zijn geweest met de betreffende exploitant en/of beheerder op het vlak van de openbare orde. Beoogd wordt hiermee te voorkomen, dat een vergunning verleend zou moeten worden aan een exploitant of ten behoeve van een beheerder van wie duidelijk is, dat hij niet in staat is op een juiste wijze leiding te geven aan een horeca-inrichting.

Deze mogelijkheid is benut voor de vestiging van coffeeshops en vastgelegd in het Coffeeshopbeleid. Naast de mogelijkheid van het stellen van een maximum, kan er ook voor gekozen worden op andere wijze ongewenste vestiging van inrichtingen in kwetsbare gebieden te voorkomen. Ook hieraan dient beleid ten grondslag te liggen. Uitgangspunt voor dat beleid is het bepaalde in het derde lid van dit artikel. Op grond van het vijfde lid kan een vergunning eveneens geweigerd worden, indien er in de afgelopen drie jaar problemen zijn geweest met de betreffende exploitant en/of beheerder op het vlak van de openbare orde. Beoogd wordt hiermee te voorkomen, dat een vergunning verleend zou moeten worden aan een exploitant of ten behoeve van een beheerder van wie duidelijk is, dat hij niet in staat is op een juiste wijze leiding te geven aan een horeca-inrichting.

10. Artikel 45 e Weigering vergunning. In artikel 45 e moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 45 e APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 45 e APV Artikel 45 e. Weigering vergunning. 1. De burgemeester weigert de vergunning, indien het in artikel 45 c bedoelde maximum is bereikt. 2. De burgemeester weigert de vergunning, indien de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan geldende bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening. 3. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de

Nieuwe tekst artikel 45 e APV Artikel 45 e. Weigering vergunning. 1. De burgemeester weigert de vergunning, indien het in artikel 45 c bedoelde maximum is bereikt. 2. De burgemeester weigert de vergunning, indien de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed

raad 2023_1508 definitief.docx

4.

5.

omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. De burgemeester weigert de vergunning indien de leidinggevenden niet voldoen aan de in artikel 45d opgenomen eisen. De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren, indien de exploitant van een inrichting na inwerkingtreding van dit artikel binnen drie jaar voor indiening van de vergunningaanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van artikel 13 b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

22

4.

5.

of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. De burgemeester weigert de vergunning indien de leidinggevenden niet voldoen aan de in artikel 45d opgenomen eisen. De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren, indien de exploitant van een inrichting na inwerkingtreding van dit artikel binnen drie jaar voor indiening van de vergunningaanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van artikel 13 b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

11. Artikel 53 a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat. In artikel 53 a moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 53 a APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 53 a APV Artikel 53 a. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat. 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebieden, gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een

Nieuwe tekst artikel 53 a APV Artikel 53 a. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat. 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebieden, gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een

raad 2023_1508 definitief.docx

3.

4.

5.

aanwijzing van een gebied of een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied of gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; c. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; d. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening; e.

Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 APV kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of;

23

3.

4.

5.

aanwijzing van een gebied of een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied of gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; c. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; d. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan; e.

Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 APV kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of;

raad 2023_1508 definitief.docx

d.

De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9.

Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties

24

e.

De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen.

Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van

raad 2023_1508 definitief.docx

25

eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

12. Artikel 82 Schade door duiven. In artikel 82 moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 82 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 82 APV Artikel 82. Schade door duiven. 1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1 juni. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.Verordening ophokplicht duiven Noord-Brabant.

Nieuwe tekst artikel 82 APV Artikel 82. Schade door duiven. 1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1 juni. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.

13. Artikel 84 Bijen. In diverse artikelen van de APV, onder andere in artikel 84, staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Het voorgestelde gewijzigde artikel 84 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 84 APV Artikel 84. Bijen. 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag- en invliegen van bijen te voorkomen.

Nieuwe tekst artikel 84 APV Artikel 84. Bijen. 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag- en invliegen van bijen te voorkomen.

raad 2023_1508 definitief.docx

3.

4.

5.

Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. Het in het eerste lid, aanhef en onder b gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Brabant. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

26

3.

4.

5.

Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. Het in het eerste lid, aanhef en onder b gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

14. Artikel 90 Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen. In artikel 90 moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 90 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 90 APV Artikel 90. Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen. 1. Het is de eigenaar, houder of bestuurder van een voertuig, dat in gebruik is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, genoemd in artikel 1, lid 1, onder b, van de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen, verboden dit voertuig te parkeren op andere plaatsen dan die welke bij besluit van het college zijn aangewezen. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet: a. gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen; b. buiten de bebouwde kom gedurende een periode van ten hoogste een half uur; c. voor gevallen, waarin de Wet milieubeheer bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien of waarin de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen van toepassing is. 3. Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.

Nieuwe tekst artikel 90 APV Artikel 90. Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen. 1. Het is de eigenaar, houder of bestuurder van een voertuig, dat in gebruik is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, genoemd in artikel 1, lid 1, onder b, van de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen, verboden dit voertuig te parkeren op andere plaatsen dan die welke bij besluit van het college zijn aangewezen. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet: d. gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen; e. buiten de bebouwde kom gedurende een periode van ten hoogste een half uur; f. voor gevallen, waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien of waarin de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen van toepassing is. 3. Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.

15. Artikel 91 Begripsomschrijving (vuurwerk). Voorgesteld wordt om de definitie van consumentenvuurwerk aan te passen in artikel 91. In artikel 5.43 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt het Vuurwerkbesluit gewijzigd. De definitie van consumentenvuurwerk vervalt. Overal waar consumentenvuurwerk staat wordt dit in het Vuurwerkbesluit vervangen door ‘vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik’. Voor de toepassing

raad 2023_1508 definitief.docx

27

van de APV wordt het begrip consumentenvuurwerk gehandhaafd. De verwijzing naar het Vuurwerkbesluit wordt vervangen door bovengenoemde definitie. Het voorgestelde gewijzigde artikel 91 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 91 APV Artikel 91. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk en fop- en schertsvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Nieuwe tekst artikel 91 APV Artikel 91. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Toelichting Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Dit besluit beoogt de hele keten rond vuurwerk te regelen. Van het invoeren of produceren tot transport, handel, opslag, bewerken en afsteken.

Toelichting Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Dit besluit beoogt de hele keten rond vuurwerk te regelen. Van het invoeren of produceren tot transport, handel, opslag, bewerken en afsteken.

Definitie consumentenvuurwerk: Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit.

Definitie consumentenvuurwerk: Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk. Op grond van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.

Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in bijlage II van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk. Op grond van artikel 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.

16. Artikel 92 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen. In de toelichting op artikel 92 moeten enkel een aantal formele verwijzingen worden geactualiseerd en wat zaken worden geschrapt omdat die niet meer actueel zijn als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 92 APV daarop luidt als volgt: Oude tekst toelichting artikel 92 APV Artikel 92. Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.

Nieuwe tekst toelichting artikel 92 APV Artikel 92. Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.

raad 2023_1508 definitief.docx

Toelichting Sinds 22 mei 1993 worden er, met betrekking tot het vuurwerk, landelijke regels gesteld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen. Die zien er in het kort als volgt uit: Artikel 2.3.2 lid 2 van het Vuurwerkbesluit Wet Milieugevaarlijk Stoffen verbiedt vuurwerk af te leveren aan de particuliere gebruiker, behalve op 29, 30 of 31 december (als een van deze dagen een zondag is, mag het ook op 28 december); Aan de eisen van de Wet milieubeheer moet zijn voldaan; Er mag geen hoeveelheid van meer dan 10 kg per keer worden afgeleverd (zie artikel 2.3.3); Het is verboden af te leveren aan personen die jonger zijn dan 16 jaar (zie artikel 2.3.5); Het is verboden vuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur (zei artikel 2.3.6); Het is verboden vuurwerk op een voor publiek toegankelijke plaats voorhanden te hebben. Het vaststellen van een periode voor het afsteken van vuurwerk komt de veiligheid van het product als ook van de toepassing ervan ten goede. Vuurwerkgebruik in het bijzijn van volwassenen wordt op deze wijze zo veel mogelijk bevorderd en onnodige geluidhinder voor mens en dier wordt zo veel mogelijk beperkt. Voor het afsteken van vuurwerk bij evenementen is altijd een landelijke vergunning nodig.

Op basis van dit artikel kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Het in deze bepaling opgenomen vergunningenstelsel is een aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Dit stelsel is in het leven geroepen in het belang van de regulering van het aantal afleveringspunten van consumentenvuurwerk en de spreiding daarvan over de stad uit een oogpunt van openbare orde. Een concentratie van afleveringspunten op bepaalde plaatsen moet worden voorkomen, evenals vestiging op (zeer) druk en door jong en oud bezochte (winkel)locaties. Zie

28

Toelichting Op basis van dit artikel kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Het in deze bepaling opgenomen vergunningenstelsel is een aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Dit stelsel is in het leven geroepen in het belang van de regulering van het aantal afleveringspunten van consumentenvuurwerk en de spreiding daarvan over de stad uit een oogpunt van openbare orde. Een concentratie van afleveringspunten op bepaalde plaatsen moet worden voorkomen, evenals vestiging op (zeer) druk en door jong en oud bezochte (winkel)locaties. Zie hiervoor de nota Uitvoering Vuurwerkbesluit. In de gemeente worden jaarlijks ongeveer 20 verkooppunten vergunningen verleend. Aan de vergunning kunnen ter verzekering van een goede controle en handhaving voorschriften worden verbonden.

raad 2023_1508 definitief.docx

29

hiervoor de nota Uitvoering Vuurwerkbesluit. In de gemeente worden jaarlijks ongeveer 20 verkooppunten vergunningen verleend. Aan de vergunning kunnen ter verzekering van een goede controle en handhaving voorschriften worden verbonden. De opslag van meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk en de opslag van professioneel vuurwerk is geregeld in de Wet milieubeheer, voor het overige is het college bevoegd gezag.

17. Artikel 93a Carbidschieten In artikel 93a moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 93a APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 93a APV Artikel 93a. Carbidschieten. 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer bij of krachtens de Omgevingswet, door de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

Nieuwe tekst artikel 93a APV Artikel 93a. Carbidschieten. 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, door de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

18. Artikel 93b Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen. In artikel 93b moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 93b APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 93b APV Artikel 93b. Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen. 1. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen [of voorwerpen] als bedoeld in artikel 93a te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 93a. 2. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene

Nieuwe tekst artikel 93b APV Artikel 93b. Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen. 1. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen [of voorwerpen] als bedoeld in artikel 93a te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 93a. 2. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene

raad 2023_1508 definitief.docx

3.

die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf. Dit artikel is niet van toepassing, voor zover in de hierin geregelde onderwerpen wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet de Wet milieubeheer, of voor zover de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

30

3.

die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf. Dit artikel is niet van toepassing, voor zover in de hierin geregelde onderwerpen wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, of voor zover de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

19. Artikel 104 Weigeringsgronden (vergunning seksinrichting). In artikel 104 moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Het voorgestelde gewijzigde artikel 104 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 104 APV Artikel 104. Weigeringsgronden c.a. 1. De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 98 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2. De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van woon- en leefklimaat; d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen; e. in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid; f.

in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 3. De vergunning kan worden geweigerd indien een eerdere vergunning voor de exploitatie van de seksinrichting is ingetrokken dan wel de

Nieuwe tekst artikel 104 APV Artikel 104. Weigeringsgronden c.a. 1. De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 98 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2. De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van woon- en leefklimaat; d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen; e. in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid; f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 3. De vergunning kan worden geweigerd indien een eerdere vergunning voor de exploitatie van de seksinrichting is ingetrokken dan wel de seksinrichting met toepassing van artikel 99 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten.

raad 2023_1508 definitief.docx

4.

seksinrichting met toepassing van artikel 99 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. De vergunning kan onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze verordening worden ingetrokken, indien: a. niet langer wordt voldaan aan de op basis van artikel 96 c.q. in artikel 98 gestelde eisen. b. in de inrichting strafbare feiten plaatsvinden c.q. plaatsgevonden hebben, die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in de inrichting. c. aldaar een minderjarige prostituee dan wel een prostituee zonder geldige verblijfstitel wordt aangetroffen. d. de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de inrichting wordt verstoord of bedreigd. e. personen tegen hun wil in de inrichting worden vastgehouden.

31

4.

De vergunning kan onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze verordening worden ingetrokken, indien: a. niet langer wordt voldaan aan de op basis van artikel 96 c.q. in artikel 98 gestelde eisen. b. in de inrichting strafbare feiten plaatsvinden c.q. plaatsgevonden hebben, die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in de inrichting. c. aldaar een minderjarige prostituee dan wel een prostituee zonder geldige verblijfstitel wordt aangetroffen. d. de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de inrichting wordt verstoord of bedreigd. e. personen tegen hun wil in de inrichting worden vastgehouden.

20. Artikel 107 Begripsomschrijving (Geluid en lichthinder) De artikelen 107, 108 en 109 APV strekken ertoe de bepalingen over het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting binnen of vanuit inrichtingen te handhaven. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet kunnen de artikelen 107, 108 en 109 van de APV uiterlijk tot het einde van de overgangsperiode blijven gelden. Voor handhaving van de status quo moet de wetgeving zoals die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt, dus van toepassing blijven. Het gaat om de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat in verschillende artikelen wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer is daarvan een aangepaste definitie opgenomen in artikel 107. Het voorgestelde gewijzigde artikel 107 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 107 APV Artikel 107. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit; c.

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een of een klein aantal inrichtingen; f. gebied Binnentuin: de buitenruimte die wordt omsloten door de horeca-inrichtingen aan de

Nieuwe tekst artikel 107 APV Artikel 107. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een of een klein aantal inrichtingen; f. gebied Binnentuin: de buitenruimte die wordt omsloten door de horeca-inrichtingen aan de

raad 2023_1508 definitief.docx

Burgemeester Brokxlaan 8-76/77, 8-82/84 en 30, inclusief de bij die horeca-inrichtingen behorende terrassen.

32

Burgemeester Brokxlaan 8-76/77, 8-82/84 en 30, inclusief de bij die horeca-inrichtingen behorende terrassen.

21. Artikel 108 Aanwijzing collectieve festiviteiten. In de toelichting op artikel 108 moet enkel een wettelijke grondslag/formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 108 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 108 APV Artikel 108. Aanwijzing collectieve festiviteiten.

Nieuwe tekst artikel 108 APV Artikel 108. Aanwijzing collectieve festiviteiten.

Toelichting Eerste lid Door het college worden de collectieve festiviteiten aangewezen. De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde (geluids-)voorschriften niet gelden, vloeit voort uit artikel 2.21 van het ActiviteitenbBesluit. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, Koningsdag, kermis, culturele, sportieve of recreatieve manifestaties. In het Besluit wordt geen maximum gesteld aan het aantal collectieve festiviteiten. Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum aantal dagen te bepalen waarvoor de voorschriften niet gelden. Voorzover in verband met de viering van een collectieve festiviteit ook afgeweken wordt van voorschrift 3.148 van het Besluit dient er tevens een aanwijzing te geschieden krachtens het tweede lid.

Toelichting Eerste lid Door het college worden de collectieve festiviteiten aangewezen. De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde (geluids-)voorschriften niet gelden, vloeit voort uit artikel 2.21 van het Besluit. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, Koningsdag, kermis, culturele, sportieve of recreatieve manifestaties. In het Besluit wordt geen maximum gesteld aan het aantal collectieve festiviteiten. Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum aantal dagen te bepalen waarvoor de voorschriften niet gelden. Voorzover in verband met de viering van een collectieve festiviteit ook afgeweken wordt van voorschrift 3.148 van het Besluit dient er tevens een aanwijzing te geschieden krachtens het tweede lid.

Tweede lid Bij gemeentelijke verordening kan, op grond van voorschrift 3.148 uit het ActiviteitenbBesluit worden afgeweken van het in het Besluit neergelegde voorschrift over lichthinder. Wordt er in verband met de viering van een collectieve festiviteit afgeweken van dit voorschrift dan dient een aanwijzing te geschieden krachtens het tweede lid. Dit lid is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit in het kader van het tweede lid is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan meedoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13646149/1