CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Raadsvoorstel wijziging APV 2023_3_ivm inwerkingtreden Omgevingswet

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening tot wijziging APV 2023.3 i.v.m. inwerkingtreden Omgevingswet42.168 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Voorblad Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.3 (ivm de Omgevingswet) Datum college: Portefeuillehouder: Afdeling: Behandelend ambtenaar:

24 oktober 2023 Burgemeester Weterings Juridische Zaken G. Dellevoet

Samenvatting De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg kent verschillende verwijzingen naar de Wabo, de Wet milieubeheer en andere wetten/regelingen m.b.t. de fysieke leefomgeving die (deels) op zullen gaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet zal op 1 januari 2024 in werking treden. Het is daarom noodzakelijk om de genoemde verwijzingen in de APV te actualiseren en aan te passen aan deze nieuwe wet. De raad wordt voorgesteld de Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg 2023.3 vast te stellen. Deze verordening bevat de juridisch/technische wijzigingen die noodzakelijk zijn door de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Collegebesluit Het college stelt de raad voor om de bijgevoegde Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.3 vast te stellen, met de volgende wijzigingen voor de APV: 1. Artikel 1 en de toelichting daarop wijzigen; 2. Artikel 3, artikel 4 en artikel 5 en de daarbij behorende toelichtingen wijzigen; 3. Artikel 13 en de toelichting daarop wijzigen; 4. Artikel 14 en toelichting daarop wijzigen; 5. Artikel 15 wijzigen; 6. Artikel 17 wijzigen; 7. Artikel 22 wijzigen; 8. Artikel 24 wijzigen; 9. Artikel 41 en de toelichting daarop wijzigen; 10. Artikel 45e wijzigen; 11. Artikel 53a wijzigen; 12. Artikel 82 wijzigen; 13. Artikel 84 wijzigen; 14. Artikel 90 wijzigen; 15. Artikel 91 en de toelichting daarop wijzigen; 16. De toelichting op artikel 92 wijzigen; 17. Artikel 93a wijzigen; 18. Artikel 93b wijzigen; 19. Artikel 104 wijzigen; 20. Artikel 107 wijzigen; 21. De toelichting op artikel 108 wijzigen; 22. De toelichting op artikel 109 wijzigen; 23. De toelichting op artikel 109a wijzigen; 24. Artikel 110 en de toelichting daarop wijzigen; 25. Artikel 112 en de toelichting daarop wijzigen; 26. Artikel 114a en de toelichting daarop wijzigen;

raad 2023_1508 definitief.docx

27. Artikel 119 en de toelichting daarop wijzigen; 28. Artikel 120 wijzigen; 29. Artikel 124 en de toelichting daarop wijzigen; 30. Artikel 132 en de toelichting daarop wijzigen; 31. Artikel 133 en de toelichting daarop wijzigen; 32. Artikel 134 en de toelichting daarop wijzigen;

1

raad 2023_1508 definitief.docx

1

Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.3 (i.v.m. de Omgevingswet) Aanleiding Er bestaat aanleiding voor een juridisch/technische wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg (hierna APV). De APV kent verschillende verwijzingen naar de Wabo, de Wet milieubeheer en andere wetten/regelingen mbt de fysieke leefomgeving die (deels) op zullen gaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet zal op 1 januari 2024 in werking treden. Het is daarom noodzakelijk om de genoemde verwijzingen in de APV te actualiseren en aan te passen aan deze nieuwe wet. In de afgelopen periode hebben er diverse bijeenkomsten plaatsgevonden met de raad waarin is gesproken over de APV. Informatiebijeenkomst raad 18 oktober 2021 Tijdens een informatiebijeenkomst over de voorgestelde wijzigingen van de APV op 18 oktober 2021 zijn vragen gesteld over wat onze APV eigenlijk zou moeten regelen. M.a.w. wat voor een APV willen wij in onze gemeente? Tijdens de gemeenteraadsvergadering van maandag 15 november 2021 is tijdens de behandeling van het raadsvoorstel door de VVD Tilburg een vraag gesteld over het voeren van het goede gesprek hierover. De burgemeester gaf aan hiervoor open te staan en ook andere partijen hadden reeds aangegeven dit gesprek te willen voeren.

Om die reden werd voorgesteld een informatiebijeenkomst te houden over de vraag “Wat voor APV-gemeente willen wij zijn?”. De reguliere wijzigingen van de APV werden aangehouden tot na deze informatiebijeenkomst. In 2022 heeft daarom maar één wijziging van de APV plaatsgevonden. Deze wijziging bevatte enkel onderwerpen die geen uitstel konden verdragen. Informatiebijeenkomst raad 6 maart 2023 Op 6 maart 2023 vond de informatiebijeenkomst plaats. Naar aanleiding van een presentatie over de kenmerken van de APV is een vragenronde gehouden bij de aanwezige fracties. Deze vragen werden beantwoord door medewerkers van Juridische Zaken en Handhaving. Er bleef onvoldoende tijd over om gedachtebepalend te spreken over de stelling 'Welke APV-gemeente willen we zijn.' Er is daarom afgesproken om voorafgaand aan het moment dat enkele artikelen uit de APV ontvlecht worden (richting Omgevingswet) een nieuw moment in te plannen met de raad om over de stelling inhoudelijk verder te spreken. Daarnaast is afgesproken dat de reguliere wijzigingen van de APV weer opgepakt worden. Informatiebijeenkomst 11 september 2023 Op 11 september 2023 vond een informatiebijeenkomst plaats over de tweede wijziging van de APV in 2023.

Tijdens deze bijeenkomst werd door de raad aangegeven dat er grote behoefte bestaat om te spreken over de stelling 'Welke APV-gemeente willen we zijn?' en verzocht hierover in 2023 nog een debatbijeenkomst in te plannen. Deze bijeenkomst wordt nu door de griffie voorbereid en vindt op 13 november 2023 plaats. Dat is voordat dit raadsvoorstel door de raad wordt behandeld. Vanwege de discussie over de APV wordt er nu geen inhoudelijke wijziging van de APV voorgesteld, enkel een juridisch/technische wijziging van de APV die noodzakelijk is naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De APV en de Omgevingswet De APV bevat regels over de fysieke leefomgeving. Deze regels zullen, als gevolg van de Omgevingswet, uit de APV worden gehaald en worden opgenomen in het toekomstige Omgevingsplan van de gemeente Tilburg. Dit geldt voor meer verordeningen die regels bevatten ten aanzien van de fysieke leefomgeving. De omzetting/overheveling van deze verordeningen naar het Omgevingsplan maakt onderdeel uit van het programma Omgevingswet. Op dit moment wordt binnen dit programma gewerkt aan de zogenaamde Roadmap Omgevingsplan Tilburg waarin een plan van aanpak wordt opgenomen voor het realiseren van de transitie van een tijdelijk omgevingsplan (m.i.v. 1-1-2024) naar een volledig omgevingsplan (uiterlijk 31-12-

raad 2023_1508 definitief.docx

2

2031). De aanpak en de planning ten aanzien van de diverse verordeningen die in het Omgevingsplan moeten worden opgenomen is onderdeel van deze roadmap. Een voorstel tot ontvlechting van de APV wordt aan de raad voorgelegd zodra deze stap volgens de genoemde roadmap kan worden genomen in het proces om te komen tot een Omgevingsplan In dit voorstel zal de opbrengst van de debatbijeenkomst over “wat voor APV gemeente willen we zijn”, die op 13 november 2023 zal plaatsvinden vanzelfsprekend worden betrokken. Technische wijzigingen APV in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet Zoals aangegeven bevat de APV regels over de fysieke leefomgeving. Met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet met ingang van 1 januari 2024 zal de APV daarom moeten worden aangepast. In het voorliggende raadsvoorstel zijn de wettelijke grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd, zodat vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet doorgewerkt kan worden met deze verordening onder de Omgevingswet. Het betreft enkel een juridisch-technische omzetting. Van sommige artikelen wordt ook de toelichting aangepast, zodat ook deze de toets aan de Omgevingswet kan doorstaan. De adviezen van de VNG ten aanzien van wijzigingen van de APV naar aanleiding van de Omgevingswet zijn hierbij betrokken en zijn, indien van toepassing op de Tilburgse APV, overgenomen.

In de uitwerking van de wijzigingsvoorstellen is in de oude tekst van de artikelen steeds schuingedrukt en in rood aangegeven wat er wordt gewijzigd.

Beoogd effect Dit voorstel beoogt de APV te actualiseren zodat na inwerkingtreding van de Omgevingswet doorgewerkt kan worden met deze verordening.

Voorstel Bijgevoegde Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.3 vaststellen, met de volgende wijzigingen voor de APV: 1. Artikel 1 en de toelichting daarop wijzigen; 2. Artikel 3, artikel 4 en artikel 5 en de daarbij behorende toelichtingen wijzigen; 3. Artikel 13 en de toelichting daarop wijzigen; 4. Artikel 14 en toelichting daarop wijzigen; 5. Artikel 15 wijzigen; 6. Artikel 17 wijzigen; 7. Artikel 22 wijzigen; 8. Artikel 24 wijzigen; 9. Artikel 41 en de toelichting daarop wijzigen; 10. Artikel 45e wijzigen; 11. Artikel 53a wijzigen; 12. Artikel 82 wijzigen; 13. Artikel 84 wijzigen; 14. Artikel 90 wijzigen; 15. Artikel 91 en de toelichting daarop wijzigen; 16. De toelichting op artikel 92 wijzigen; 17. Artikel 93a wijzigen; 18. Artikel 93b wijzigen; 19. Artikel 104 wijzigen; 20. Artikel 107 wijzigen; 21. De toelichting op artikel 108 wijzigen; 22. De toelichting op artikel 109 wijzigen; 23. De toelichting op artikel 109a wijzigen; 24. Artikel 110 en de toelichting daarop wijzigen;

raad 2023_1508 definitief.docx

3

25. Artikel 112 en de toelichting daarop wijzigen; 26. Artikel 114a en de toelichting daarop wijzigen; 27. Artikel 119 en de toelichting daarop wijzigen; 28. Artikel 120 wijzigen; 29. Artikel 124 en de toelichting daarop wijzigen; 30. Artikel 132 en de toelichting daarop wijzigen; 31. Artikel 133 en de toelichting daarop wijzigen; 32. Artikel 134 en de toelichting daarop wijzigen;

Argumenten 1. Artikel 1 ‘Definities’ In artikel 1 worden een aantal grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet. Dit heeft geen afzonderlijke toelichting nodig. Ook wordt er een definitie toegevoegd van het begrip ‘beperkingengebiedactiviteit’. Daarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied. Het voorgestelde gewijzigde artikel 1 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 1 APV Artikel 1. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A. Weg: 1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3.

de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. B. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. C. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van

Nieuwe tekst artikel 1 APV Artikel 1. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A. Weg: 1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. B. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. C. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van

raad 2023_1508 definitief.docx

trams en kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen. D. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. E. Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. F. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. G. Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. H. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. I. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. J. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. K. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. L. Parkeren: daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; M.

Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. N. Kermis: een volksfeest van tijdelijke aard in de buitenlucht met kramen, attracties, toestellen waar men in kan en andere vormen van vermaak. O. Beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; Toelichting A. Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die

4

trams en kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen. D. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. E. Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. F. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving G. Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. H. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. I. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. J. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. K. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. L. Parkeren: daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; M. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. N. Kermis: een volksfeest van tijdelijke aard in de buitenlucht met kramen, attracties, toestellen waar men in kan en andere vormen van vermaak. O. Beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; Toelichting A.

Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994. Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg": De "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte;

raad 2023_1508 definitief.docx

van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg": De "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte; de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg, in te grijpen; de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringenvoorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige" voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d.

die toegang geven tot voor bewoning bestemde ruimten, voor zover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn. Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg, ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn, maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van bepalingen uit de APV van toepassing. B. Rechthebbende Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht. Veelal is dat de eigenaar en/of huurder van een goed. C. Voertuig In artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990) worden als voertuigen

5

de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg, in te grijpen; de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringenvoorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige" voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d. die toegang geven tot voor bewoning bestemde ruimten, voor zover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn. Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg, ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages.

Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn, maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van bepalingen uit de APV van toepassing. B. Rechthebbende Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht. Veelal is dat de eigenaar en/of huurder van een goed. C. Voertuig In artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990) worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. E. Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. F. Gebouw

raad 2023_1508 definitief.docx

genoemd: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. E. Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet artikel 1 van de (Model)Bouwverordening. F. Gebouw Deze omschrijving is ontleend aan bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving artikel 1, onder c, van de Woningwet. I. Handelsreclame Dit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV. K. Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.

Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare

6

Deze omschrijving is ontleend aan bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. I. Handelsreclame Dit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV. K. Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik.

“De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet

raad 2023_1508 definitief.docx

wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6).

7

(Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6). O. Beperkingengebiedactiviteit Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens bijlage, onder A, bij de Omgevingswet is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied.

O. Beperkingengebiedactiviteit. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens bijlage, onder A, bij de Omgevingswet is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied.

2. Artikel 3 ‘Voorschriften en beperkingen’, artikel 4 ‘Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing’ en artikel 5 ‘Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing’. Er wordt voorgesteld op te nemen dat artikel 3 en het eerste lid van de artikelen 4 en 5 niet van toepassing zijn op een omgevingsvergunning. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet (Ow) een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow. Het voorgestelde gewijzigde artikel 3 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 3 APV Artikel 3. Voorschriften en beperkingen. 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.

Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Nieuwe tekst artikel 3 APV Artikel 3. Voorschriften en beperkingen. 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

raad 2023_1508 definitief.docx

8

Toelichting Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend.

Toelichting Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend.

Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 4 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 4 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

Lid 3 Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen.

Lid 3 Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen.

Het voorgestelde gewijzigde artikel 4 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 4 APV Artikel 4. Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

Nieuwe tekst artikel 4 APV Artikel 4. Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

raad 2023_1508 definitief.docx

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

9

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Toelichting De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter, blijkende uit het woord "kan". Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, zal het veelal gehouden zijn om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te dienen conform het bepaalde in artikel 4:8 Awb.

Toelichting De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter, blijkende uit het woord "kan". Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, zal het veelal gehouden zijn om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te dienen conform het bepaalde in artikel 4:8 Awb.

Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen.

Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in dit artikel geregelde onderwerpen.

Het voorgestelde gewijzigde artikel 5 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 5 APV Artikel 5. Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. De volgende vergunningen zijn niet persoonsgebonden: • een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 114a; • een vergunning als bedoeld in artikel 92. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Toelichting De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de

Nieuwe tekst artikel 5 APV Artikel 5. Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. De volgende vergunningen zijn niet persoonsgebonden: • een vergunning als bedoeld in artikel 92. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Toelichting De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de

raad 2023_1508 definitief.docx

vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning. Overigens kan een vergunning wel degelijk een zakelijk karakter hebben, ook al staat de vergunning op naam van een persoon. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de Omgevingsvergunning van artikel 114a APV en de aflevergunning consumentenvuurwerk uit artikel 92 APV van een zakelijk karakter heeft. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in het eerste lid van dit artikel geregelde onderwerp.

10

persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning. Overigens kan een vergunning wel degelijk een zakelijk karakter hebben, ook al staat de vergunning op naam van een persoon. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de aflevergunning consumentenvuurwerk uit artikel 92 APV een zakelijk karakter heeft. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in het eerste lid van dit artikel geregelde onderwerp.

3. Artikel 13 Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg. In diverse artikelen van de APV, onder andere in artikel 13, staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Het voorgestelde gewijzigde artikel 13 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 13 APV Artikel 13. Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg. 1. Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

Nieuwe tekst artikel 13 APV Artikel 13. Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg. 1. Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

raad 2023_1508 definitief.docx

b.

3.

4.

5.

6.

de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; c. voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor bewoning; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. staanplaatsen als bedoeld in de Staanplaatsenverordening; f. evenementen als bedoeld in artikel 25. g. civieltechnische werkzaamheden, die in opdracht van de gemeente in openbaar gebied worden verricht. Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: a.

indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor :

11

b.

3.

4.

5.

6.

de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; c. voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor bewoning; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. staanplaatsen als bedoeld in de Staanplaatsenverordening; f. evenementen als bedoeld in artikel 25. g. civieltechnische werkzaamheden, die in opdracht van de gemeente in openbaar gebied worden verricht. Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: a.

indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor : a. bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder

raad 2023_1508 definitief.docx

a.

bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m² en de plaatsing van gedenktekens. b. zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen. c. reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden geplaatst. d. automaten. e. verplaatsbare voorwerpen, die beogen weggebruikers te attenderen op gewenst verkeersgedrag. f. het aanleggen van geveltuintjes en/of het beplanten van boomspiegels, het plaatsen van een gevelbankje voor een woning. 7. De in het zesde lid onder a. bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het achtste lid van dit artikel beschreven belangen. 8. Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve van de in het zesde lid onder b.,c.,d. e. of f. bedoelde zaken: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c.

het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het oog op de onder a) en b) genoemde belangen vastgestelde algemene regels. 9. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Noord Brabant. b. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder a. geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 Wegenverkeerswet. c. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder b. geldt niet voor bouwwerken. d. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder c. geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.

12

ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m² en de plaatsing van gedenktekens. b. zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen. c. reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden geplaatst. d. automaten. e. verplaatsbare voorwerpen, die beogen weggebruikers te attenderen op gewenst verkeersgedrag. f. het aanleggen van geveltuintjes en/of het beplanten van boomspiegels, het plaatsen van een gevelbankje voor een woning. 7. De in het zesde lid onder a. bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het achtste lid van dit artikel beschreven belangen. 8. Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve van de in het zesde lid onder b.,c.,d. e. of f. bedoelde zaken: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c.

het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het oog op de onder a) en b) genoemde belangen vastgestelde algemene regels. 9. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 10. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een terrasvergunning. 11. De in het tiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is.

raad 2023_1508 definitief.docx

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 10. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een terrasvergunning. 11. De in het tiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is.

13

9.

Toelichting In het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester en wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een exploitant van een horeca-inrichting vergunning te verlenen om de weg of een weggedeelte als terras te mogen gebruiken. Dit houdt verband met het feit dat in artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het artikel geldt niet voor zover het betreft rijks- of provinciale wegen. Op grond van lid 8 kan een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de APV-vergunning. Artikel 13 is gewijzigd bij raadsbesluit van 3 maart 2008 (2208/062). Ten gevolge van dit besluit komt de verplichting om een vergunning te hebben om van de weg gebruik te maken voor kleinere bouwactiviteiten, zonneschermen, stoepborden, uitstallingen, gedenktekens en automaten te vervallen. In 2019 is hieraan nog het gebruik van de weg voor het plaatsen/aanbrengen van een gevelbankje voor een woning aan toegevoegd.

In maart 2008 is ook de vergunningplicht vervallen voor reclameborden, voor zover deze niet op of in

Toelichting In het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester en wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een exploitant van een horeca-inrichting vergunning te verlenen om de weg of een weggedeelte als terras te mogen gebruiken. Dit houdt verband met het feit dat in artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Op grond van lid 8 kan een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de APV-vergunning. Artikel 13 is gewijzigd bij raadsbesluit van 3 maart 2008 (2208/062). Ten gevolge van dit besluit komt de verplichting om een vergunning te hebben om van de weg gebruik te maken voor kleinere bouwactiviteiten, zonneschermen, stoepborden, uitstallingen, gedenktekens en automaten te vervallen. In 2019 is hieraan nog het gebruik van de weg voor het plaatsen/aanbrengen van een gevelbankje voor een woning aan toegevoegd. In maart 2008 is ook de vergunningplicht vervallen voor reclameborden, voor zover deze niet op of in de openbare weg worden geplaatst.

In de plaats daarvan komt er voor het gebruik t.b.v. kleinere bouwactiviteiten en gedenktekens een meldingsplicht. Voor de in het zesde lid onder b., c. en d. genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen, die gevaar oplevert etc. Daarnaast heeft het college algemene regels opgesteld, waaraan b.v. de plaatsing en afmeting van dergelijke zaken dient te voldoen en heeft het in dat kader b.v. ook bepaald, dat plaatsing van uitstallingen in een bepaald gebied niet is toegestaan. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.

raad 2023_1508 definitief.docx

de openbare weg worden geplaatst. In de plaats daarvan komt er voor het gebruik t.b.v. kleinere bouwactiviteiten en gedenktekens een meldingsplicht. Voor de in het zesde lid onder b., c. en d. genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen, die gevaar oplevert etc. Daarnaast heeft het college algemene regels opgesteld, waaraan b.v. de plaatsing en afmeting van dergelijke zaken dient te voldoen en heeft het in dat kader b.v. ook bepaald, dat plaatsing van uitstallingen in een bepaald gebied niet is toegestaan. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.

14

Het aanbrengen van reclameborden op of aan een onroerende zaak is geregeld in artikel 114 en artikel 114a APV (zie aldaar). Artikel 114a schept een vergunningplicht voor bijvoorbeeld reclame-uitingen aan de gevel, op het dak van een pand of op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare weg. Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen, die vallen onder de Monumentenwet of- verordening en voor schermen aan ander dan woongebouwen op grond van de Woningwet wel een omgevingsvergunning vereist blijft. Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande pinautomaten.

Het aanbrengen van reclameborden op of aan een onroerende zaak is geregeld in artikel 114 en artikel 114a APV (zie aldaar). Artikel 114a schept een vergunningplicht voor bijvoorbeeld reclame-uitingen aan de gevel, op het dak van een pand of op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare weg. Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen, die vallen onder de Monumentenwet of- verordening en voor schermen aan ander dan woongebouwen op grond van de Woningwet wel een omgevingsvergunning vereist blijft. Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande pinautomaten.

4. Artikel 14 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg In diverse artikelen van de APV, onder andere in artikel 14, staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Verder is er in verband met de voorgestelde wijziging een toelichtende zin toegevoegd aan de toelichting op artikel 14.

raad 2023_1508 definitief.docx

15

Het voorgestelde gewijzigde artikel 14 APV en de toelichting daarop luidt als volgt: Oude tekst artikel 14 APV Artikel 14. Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, in of onder de weg kabels of leidingen met toebehoren aan te leggen, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werkzaamheden, die in opdracht van het rijk, de provincie, de gemeente, het waterschap of een openbaar nutsbedrijf in het kader van het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak worden uitgevoerd. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Brabant , de Waterschapskeur of de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Tilburg. 4.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 5. De omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de veiligheid en bruikbaarheid van de weggebruiker in het geding is. Toelichting Lid 1: Door deze toevoeging staat buiten kijf dat ook voor de aanleg van kabels en leidingen onder de weg - voor andere dan nutsbedrijven - een vergunning nodig is.

Nieuwe tekst artikel 14 APV Artikel 14. Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, in of onder de weg kabels of leidingen met toebehoren aan te leggen, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werkzaamheden, die in opdracht van het rijk, de provincie, de gemeente, het waterschap of een openbaar nutsbedrijf in het kader van het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak worden uitgevoerd. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 5.

De omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de veiligheid en bruikbaarheid van de weggebruiker in het geding is. Toelichting Lid 1: Door deze toevoeging staat buiten kijf dat ook voor de aanleg van kabels en leidingen onder de weg - voor andere dan nutsbedrijven - een vergunning nodig is. Zoals uit de leden 3 en 4 blijkt, geldt er een behoorlijk aantal uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals omschreven in het eerste lid. In lid 3 gaat het behalve over de rijks-, provinciale en gemeentelijke overheid, ook over nutsbedrijven, zoals TWM en Essent. In lid 4 wordt gesproken over de Telecommunicatiewet. In deze wet is voor de

raad 2023_1508 definitief.docx

Zoals uit de leden 3 en 4 blijkt, geldt er een behoorlijk aantal uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals omschreven in het eerste lid. In lid 3 gaat het behalve over de rijks-, provinciale en gemeentelijke overheid, ook over nutsbedrijven, zoals TWM en Essent. In lid 4 wordt gesproken over de Telecommunicatiewet. In deze wet is voor de gemeenten een gedoogplicht vastgelegd voor werkzaamheden die verband houden met de aanleg van telecommunicatiekabels en daarmee samenhangende voorzieningen. De APV kan dus geen regels meer bevatten die de aanleg van die kabels en voorzieningen kunnen belemmeren en de aanleg vergunningplichtig kunnen maken. Verder wordt nog verwezen naar Telecommunicatieverordening, zoals die op 21 juni 1999 door de raad is vastgesteld. Dat is een verordening die voortvloeit uit de Telecommunicatiewet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13646149/1