CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Toelichting

Raadsvergadering 14 november 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadvoorstel Bestemmingsplan Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)38.262 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

4.2 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Binnen en rondom het plangebied is sprake van menging van functies. In dit geval is er in en rondom het plangebied sprake van een gebied met functiemenging. De bestemmingen zijn veelal wonen, centrum of gemengd. Daarom is net als in het vorige en omliggende bestemmingsplannen vanuit milieu-oogpunt aansluiting gezocht bij de lijst functiemenging. Met het plan worden woningen en daarmee milieugevoelige functies mogelijk gemaakt. Deze woningen zijn bouwkundig afgescheiden van omliggende bedrijvigheid.

Dat betekent dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geitenmoratorium Het plangebied ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij.

4.3 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

20

worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.3.1 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Bijlage 3 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en van de spoorlijn Breda – Tilburg – Vught.

De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.3.2 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. 4.3.3 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en van de spoorlijn Breda – Tilburg – Vught. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 14 januari 2021 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> Aangezien het plan op >700 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), en ook NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat de woningen voorzien zullen worden voorzien van een afsluitbaar ventilatiesysteem. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.4 Vuurwerk

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

21

Binnen het bestemmingsplan zijn wel bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.5.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de zone van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betreft de Bredaseweg, de Noordhoekring en de Lange Schijfstraat. Dit betekent dat getoetst moet worden aan de normen van de Wgh. De geluidbelasting t.g.v. de gezoneerde wegen is berekend op basis van het gemeentelijk geluidmodel dB Vision Wvl 2030. Uit de geluidberekening blijkt dat de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van voornoemde gezoneerde wegen, exclusief toepassing van de wettelijke aftrek, bedraagt maximaal 51 dB waardoor de akoestische milieukwaliteit kan worden gekwalificeerd als goed en derhalve van een goede ruimtelijke ordening. 4.5.2 Railverkeerlawaai Uit de geluidbelastingkaart gemeente Tilburg (figuur 8) blijkt dat de voorkeurgrenswaarde van 55 dB niet wordt overschreden. Voor railverkeerslawaai is sprake van een goed woon- en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening.

Figuur 8 - geluidbelastingkaart

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

22

4.5.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De ontwikkeling ligt niet binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. 4.5.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.6 Trillingen De ontwikkeling ligt ver buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter van het spoor. Trillinghinder is niet te verwachten.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de herontwikkeling van de Sint Annastraat 20 ten behoeve van woningbouw en maatschappelijke voorzieningen. De woningbouw (maximaal 12 woningen/appartementen) kan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). De verkeersgeneratie die toebedeeld kan worden aan de maatschappelijk voorziening is beperkt van omvang en kan worden aangemerkt als NIBM. Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder In en om het plangebied is geen zware industrie mogelijk. In de lijst functiemenging is voor de toegestane activiteiten voldoende rekening gehouden met woonfucties in de nabijheid. Waardoor er sprak is van een goed woon- en leefklimaat. 4.8.2 Agrarische geurhinder In en op het plangebied zijn geen agrarische veehouderijen aanwezig waarbij het aspect Geur van invloed is op het woon- en leefklimaat binnen dit bestemmingsplan.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. De huidige bestemming van het perceel zal niet gevoeliger worden. De huidige bebouwing zal voor een deel worden gehandhaafd in de nieuwe plannen. Bodemgegevens locatie

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

23

Op de locatie is in het verleden een autoherstelbedrijf actief geweest. Tevens is een patronaat op een deel van het bestemmingsplangebied gevestigd. Ook wordt in het bodeminformatiesysteem een sintelpad op een deel van de locatie vermeld. In 2017 is door Antea een bodemonderzoek voor het stadsdeel Korvel Oost een bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek beperkte zich tot de openbare ruimte. Ter plaatse van de Sint Annastraat zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen. In 2000 is door Chemielinco een bodemonderzoek uitgevoerd op een deel van het bestemmingsplangebied. Hierbij zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen. Voor de bestemmingsplanlocatie zijn geen actuele (minder dan 5 jaar oud) bodemonderzoeken bekend. In de directe omgeving is een bodemonderzoek ter plaatse van Sint Annastraat 2 t/m 4 bekend. In het systeem staat vermeld dat de locatie voldoende is onderzocht. Het bodemonderzoek is in 1986 uitgevoerd en derhalve niet meer representatief. Conclusie Voor de herziening van het bestemmingsplan is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Op basis van de beschikbare gegevens wordt een grote verontreiniging ter plaatse niet verwacht. Tevens zal het gebruik voor het overgrote deel van de locatie niet gevoeliger worden ten opzichte van het huidige gebruik.

Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de beoogde nieuwbouw kan echter wel een bodemonderzoek worden geëist. Deze noodzaak is afhankelijk van de aard van de nieuwbouw en de oppervlakte. De definitieve noodzaak van een actueel bodemonderzoek wordt vastgesteld in het kader van de beoordeling van het bouwplan.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

24

<0000>

Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’ en ‘Regte Heide en Riels laag’ beide op ca. 4,5 kilometer afstand van het projectgebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van deze binnenstedelijke ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ruim 2 kilometer van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Op 28 mei 2021 is er een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 4 Quickscan flora en fauna). Uit de quickscan komt naar voren dat verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen in de aanwezige bebouwing niet uitgesloten kunnen worden. In een aantal bomen zijn holtes aanwezig potentieel geschikt als

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

25

verblijfplaats voor vleermuizen. De bomenrij grenzend aan de Sint Annastraat aan de zuidwestkant van de onderzoekslocatie bevat een boom met twee holtes. Deze bomenrij blijft behouden. Aanvullend kunnen er door het uitvoeren van de werkzaamheden mogelijk jaarrond beschermde nesten van vogels worden verstoord aanwezig buiten het plangebied. Ook kunnen in de direct nabijgelegen gebouwen en bomen verblijfplaatsen van vleermuizen niet uitgesloten worden. Het is van belang dat er geen toename van verlichting plaatsvindt richting deze gebouwen en bomen. Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling.

Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Buiten het plangebied zijn mogelijk wel vaste jaarrond beschermde nesten aanwezig die door de werkzaamheden kunnen worden verstoord. Dit dient nader onderzocht te worden. Bij aanwezigheid van vaste jaarrond beschermde nesten in de directe omgeving kan verstoring worden voorkomen door buiten het broedseizoen van de betreffende soort te werken of de werkzaamheden binnen het plangebied af te schermen. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc.

Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusie Er zijn geen belemmeringen om het plan uit te voeren, mits wordt voldaan aan de voorwaarden uit de gebiedsgerichte ontheffing. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden aangeleverd. Aanvullend mag er zonder onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen geen toename van verlichting plaatsvinden naar aangrenzende gebouwen en nabijgelegen bomen met potentieel geschikte verblijfplaatsen. Daarnaast dient verstoring van vaste jaarrond beschermde nesten van vogels voorkomen te worden, door nesten van deze soorten binnen de verstoringsgrenzen uit te sluiten, te werken buiten het broedseizoen of de werkzaamheden af te schermen. Tot slot worden er in de quickscan een aantal soorten genoemd die in de omgeving voorkomen. Vanuit het oogpunt van biodiversiteit wordt geadviseerd om binnen het plangebied planten aan te planten die bijdragen aan de verhoging van de biodiversiteit en kansen bieden voor de genoemde soorten, met name de ongewervelden.

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

26

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem Het Tilburgs stedelijke watersysteem is omschreven in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. De gebiedskenmerken van dit plangebied zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 1. Gebiedskenmerken Kenmerk Waterbeheerders

Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden Tabel 3 - Gebiedskenmerken

In plangebied Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Ca.2.669 m² Ca. 14,7 m+NAP Ca. 12,3 m+NAP 2,4 m zwak lemig, matig fijn zand Gemengd stelsel n.v.t. Niet relevant

Het afvalwater en het regenwater worden in de huidige situatie gecombineerd ingezameld en getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. Bij hevige neerslag treden de riooloverstorten in werking. Het met regenwater verdunde afvalwater wordt dan geloosd op oppervlaktewater.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen.

Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

27

We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: <0000> Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; <0000> Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; <0000> Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: <0000> van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.

<0000> van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. <0000> van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020 2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. Het PWR is de invulling van het lange termijnbeleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze Omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten voor de komende decennia vastgelegd. Het waterbeleid in het PWR 2020-2023 bevat de gemeentelijke zorgplichten en de uitwerking van het gemeentelijke klimaatbeleid voor water en riolering: verdroging en wateroverlast en opgaven vastgesteld voor de openbare ruimte en voor bouw- en ontwikkelingsplannen. In de volgende paragraaf worden de belangrijkste uitgangspunten van het gemeentelijke beleid toegelicht.

5.3 Duurzaam watersysteem De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit deels nieuwbouw en deels bestaande bouw. Er komt een parkeervoorziening van halfverharding en verharding met plantvakken. De verdeling van de oppervlakken op basis waarvan de wateropgave is bepaald is weergegeven in onderstaande tabel. Oppervlakten

Oppervlakte zonder waterbergingsopgave 405 m²

Oppervlakte met waterbergingsopgave

Bebouwing bestaand Bebouwing nieuw 406 m² Parkeren 274 m² 274 m² halfverharding Maaiveld verhard 1.028 m² Onverhard 282 m² Totaal (m²) 961 m² 1.708 m² Tabel 4 - Afvoerende oppervlakten in de plansituatie

Totaal (m²) 405 m² 406 m² 548 m² 1.028 m² 282 m² 2.669 m²

In totaal krijgt 1.708 m² een waterbergingsopgave mee van 60 mm. Dit betekent dat er een waterberging moet worden aangelegd van 1.708 m² x 0,06 m = 102 m³. Een deel hiervan kan worden geborgen in de plantvakken. Voor het overige deel moet echter nog een waterberging worden aangelegd. De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte;

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

28

<0000>

<0000>

<0000> <0000>

de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Waterdoorlatende verharding. Alle beetjes helpen, andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel als kansrijk gezien. Ook kan gekozen worden voor een ondergrondse bergingsvoorziening.

Om de bergingsopgave te beperken kan worden gekozen om de hoeveelheid terreinverharding te verminderen of infiltrerende verhardingen toe te passen met een beperkte afwatering. Aanbevelingen en advies voor een duurzame invulling van het watersysteem <0000> Stel op basis van veldonderzoek vast of het plangebied geschikt is voor het toepassen van infiltratievoorzieningen; <0000> Beperk de hoeveelheid verharde oppervlakte; <0000> Pas groene daken toe, een combinatie van een groendak met zonnepanelen is goed mogelijk en leidt tot een hoger rendement van de panelen; <0000> Voer (een deel van) de terreinverhardingen zoals parkeervakken uit in een halfverharding/grastegels; <0000> Pas voor de resterende opgave ondergrondse waterberging toe in een centraal elementensysteem of een waterbergende verhardingsfundering. In deze ontwikkeling wordt al doorlatende bestrating toegepast. De waterbergingsopgave is daardoor kleiner dan normaal gesproken bij een dergelijke voorziening. Een overloop van de waterbergingsvoorziening(en) mag worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Het regenwater en het huishoudelijk afvalwater moeten separaat worden aangesloten zodat de stromen makkelijk gescheiden kunnen worden als de Sint Annastraat wordt voorzien van een gescheiden stelsel.

Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het afvalwater kan, separaat van de regenwateroverloop, worden aangesloten op het rioolstelsel in de Sint Annastraat.

5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

29

wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

30

Hoofdstuk 6 Opzet planregels De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.1 Standaard plansystematiek 6.1.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.1.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: a. oppervlakte: 1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2; 2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2; 3. 80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2; 4. 100m2 bij erf vanaf 1000m2; b. bouwhoogte: 1. maximaal 3m bij plat dak; 2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3m; 3. bouwhoogte maximaal 4,5m. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen. In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan: a. 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²; b. 150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²; c. 200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²; terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.

6.2 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Wonen; <0000> Verkeer-Verblijf. Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: <0000> Functieaanduiding 'maatschappelijk'; <0000> Bouwaanduiding 'bijgebouwen';

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

31

<0000>

Bouwaanduiding 'gestapeld'.

6.3 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

32

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken, waaronder de kosten ten behoeve van aanpassingen in het openbaar gebied en de bijdrage aan de Reserve Bovenwijkse Voorzieningen 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

33

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20) op 26 februari 2021 gepubliceerd in het digitale Gemeenteblad.

8.2 Omgevingsdialoog Op woensdag 25 november 2020 heeft ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond plaatsgevonden op de planlocatie aan de Sint Annastraat 20 in Tilburg. Tijdens deze informatieavond, die door 11 van de 112 genodigden is bijgewoond, is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het plan, ondersteund door tekeningen. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Volgens opgave van de ontwikkelaar is het plan door het merendeel van de bezoekers positief ontvangen en hadden de vragen met name betrekking op parkeren en de invulling van het groen. Verwezen wordt naar Bijlage 5 Verslag omgevingsdialoog. Naast de informatieavond heeft de ontwikkelaar op 11 november 2020 een gesprek gevoerd met de wijkraad. Volgens opgave van de ontwikkelaar is het plan positief ontvangen. De wijkraad heeft wel de zorg geuit dat de kantoorruimten voor maatschappelijke doeleinden wellicht leeg zullen komen te staan. Daarom is er in dit bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van deze toelichting.

8.3 Zienswijzen Deze paragraaf is gereserveerd voor de resultaten uit de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Oude Stad Zuidwest 2016, 6e herziening (Sint Annastraat 20)

34

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen 2021 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen 2021

Bijlage 2 Boomeffectanalyse Boomeffectanalyse

Bijlage 3 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico

Bijlage 4 Quickscan flora en fauna Quickscan flora en fauna

Bijlage 5 Verslag omgevingsdialoog Verslag omgevingsdialoog

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen 2021 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen 2021

UPDATE

STEDELIJKE ONTWIKKELINGSSTRATEGIE WONEN SEPTEMBER 2021 UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN

1

SAMENVATTING Het is goed wonen in Tilburg. Met haar levendige binnenstad, diversiteit aan woonwijken en landelijke dorpen telde Tilburg op 1 januari 2021 221.973 inwoners. In de periode tot 2040 groeit de stad met zo’n 36.000 nieuwe inwoners. Daarvoor zijn 25.000 extra woningen nodig. We willen de stad niet nog verder uitbreiden, maar zoeken de ruimte voor nieuwe woningen vooral in de bestaande stad en de dorpen. Anders gezegd; we gaan verdichten. Ons doel is voor elke Tilburger een passende woning te bieden. In deze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen geven we aan hoe we dat doel willen behalen. Waar zien we kansen woningen toe te voegen en hoe doen we dat op een verantwoorde manier. Een manier die bijdraagt aan onze kernwaarden ‘Gezond en Gelukkig in Tilburg’. Dit betekent dat we een inclusieve, duurzame en vitale stad zijn, die we samen met onze partners bouwen. We nodigen onze partners uit om op basis van de principes uit deze Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie een waardevolle bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van Tilburg. We hebben onze partners en inwoners gevraagd te reageren op deze strategie. Dat heeft geleid tot een boeiend gesprek over de kansen en bedreigingen van verdichting en reacties via toekomstvan@tilburg.nl. De opbrengst heeft bijgedragen aan de afronding en aanscherping van onze strategie. Dit is niet het eindpunt.

We blijven het gesprek met de stad voeren rond concrete gebiedsontwikkelingen en projecten.

De woonopgave We staan voor een grote en urgente woningbouwopgave. Landelijk zijn tot het jaar 2030 zo’n 1 miljoen extra woningen nodig. In Tilburg gaat het op basis van de provinciale prognoses tot 2040 om zo’n 25.000 woningen. De grootste groei vindt waarschijnlijk plaats in de periode tot 2030. We hebben dan in totaal 15.000 woningen nodig. Onze jaarlijkse doelstelling voor het toevoegen van woningen stellen we op basis van deze prognoses bij van 950 naar gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar.

ners moeten een wooncarrière kunnen maken binnen de wijk of het dorp wanneer zij dat willen. Dit vraagt ook om het bevorderen van doorstroming. Zeker voor ouderen zijn meer geschikte woningen nodig om doorstroming op gang te brengen. We willen een passende woning voor iedere Tilburger. De zekerheid dat iedereen in onze stad betaalbaar kan wonen draagt bij aan bestaanszekerheid van inwoners. Met name in de dorpen zien we dat de betaalbaarheid van wonen onder druk staat. Dit vraagt onze aandacht. Met de corporaties hebben we afspraken gemaakt over het realiseren van meer sociale huurwoningen in de periode tot 2030. Deze afspraken liggen vast in het Convenant Wonen 2020-2025. Om nieuwe woningen in een zo hoog mogelijk tempo op te kunnen leveren, stellen we onze doelen voor het woningbouwprogramma bij. In het woningbouwprogramma staan alle woningbouwplannen die in verkenning en voorbereiding zijn. In 2025 omvat ons woningbouwprogramma ten minste 17.500 nieuwe woningen. Dat is wat ruimer dan nodig is, maar daarmee anticiperen we op mogelijke vertragingen en plannen die niet door kunnen gaan. Om de bouw te kunnen starten is het belangrijk dat de ruimtelijke procedures zijn afgerond. We spreken dan van harde plancapaciteit. We stellen ons als doel dat de harde plancapaciteit binnen het woningbouwprogramma altijd ten minste 5.000 woningen telt1.

In deze Stedelijke ontwikkelstrategie Wonen geven we aan op welke plekken we kansen zien om woningbouw toe te voegen, hoe we dat op een verantwoorde manier kunnen doen en hoe we meer tempo gaan maken.

De opgave integraal bekeken De substantiële groei van het aantal huishoudens vraagt ook om meer werkgelegenheid, en leidt tot intensiever gebruik van (maatschappelijke) voorzieningen, infrastructuur en groenvoorzieningen. De claims op de openbare ruimte – met name in het binnenstedelijk gebied – worden steeds groter. Iedereen heeft ruimte nodig om ambities waar te maken. Intensief ruimtegebruik of dubbelgebruik wordt een uitdaging op het gebied van wonen, werken, verblijven en mobiliteit.

In de Woonagenda 2020-2025 hebben we beschreven dat we het belangrijk vinden dat er sprake is van een ongedeelde stad met een divers woningaanbod in alle wijken. Inwo-

UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN

2

SAMENVATTING

De strategie 

We kiezen voor een ontwikkelingsstrategie met zes uitgangspunten: 1. We verdichten volgens de voorkeursvolgorde van de NOVI:



 



Tilburg zal de woningbouwopgave grotendeels realiseren binnen en aansluitend op bestaand stedelijk gebied (stap 1 en 2). 2. We benutten en stimuleren gebiedsgerichte kwaliteiten en potenties. 3. We sluiten aan op Van Gogh Nationaal-park door het landschap tot in de stad te versterken: in stedelijk gebied voegen we substantieel woningen toe, waarbij we zorgen voor een aantrekkelijke, gezonde, klimaatadaptieve openbare ruimte, waarin we beweging en ontmoeting stimuleren. 4. We bouwen in en rondom de dorpen, maar laten de dorpen niet aan elkaar groeien. 5. Onze wijken zijn goed bereikbaar en onderling verbonden. 6. We zetten in op menging en nabijheid van functies. Rondom de OV-knooppunten Station Tilburg en Station Universiteit en wijkcentra voegen we woningen toe gemengd met voorzieningen, kennisintensieve bedrijven, winkels en onderwijs. We creëren gemengde hoogstedelijke topmilieus, de zogenaamde Metro Mix.



Op basis van deze zes uitgangspunten onderscheiden we voor de woningbouwopgave drie categorieën verstedelijking: 1. Binnenstedelijke verdichting in het dynamisch binnenstedelijk kerngebied Dit is grofweg het gebied van de Piushaven tot en met het Kenniskwartier. Hier willen we vooral een ‘Metro Mix’ realiseren: gebieden waar wonen, werken, leren en verblijven samengaan. Hier is veelal spraken van hoogbouw. In elk afzonderlijk deelgebied ontwerpen we samen met initiatiefnemers een woon-werkmilieu dat past bij die plek. In deze gebieden speelt de bijdrage van verdichting aan de stedelijke economie een centrale rol. 2. Differentiatie in woningaanbod in met name de wijken West, Noord en Zuid In deze Pactwijken dragen uitbreidingsplannen vooral bij aan de sociaal-maatschappelijke opgaven, waaronder de veerkracht van de wijk. De focus ligt op het verbeteren van de balans in de woningvoorraad en de kwaliteit van de openbare ruimte met mogelijkheden voor ontmoeting. 3. Ontwikkeling van de dorpen Ook in onze dorpen zijn nieuwe en betaalbare woningen nodig, zodat ouderen en starters kunnen doorstromen naar een passende woning en het voorzieningenniveau op peil kan blijven. Daarbij kiezen we ervoor om zoveel mogelijk binnen en aansluitend op de dorpsgrenzen te bouwen om het omliggende landschap open te houden en te versterken.

De gemeente lobbyt voor een nieuw NS station in Berkel-Enschot, zodat de dorpen goed zijn aangesloten op het OV-netwerk. Aanvullend op de ontwikkelingsstrategie werken we met verdichtingsprincipes. De vier verdichtingsprincipes hebben betrekking op de wijze waarop we op een verantwoorde manier kunnen verdichten. We verdichten: 1. Met een menselijke maat: een omgeving waarin mensen zich prettig voelen, met een stedelijk leven op ooghoogte, interactie tussen gebouwen en openbare ruimte, een fijnmazig netwerk van openbare ruimte en inrichting en beheer van de openbare ruimte die aansluit op toekomstig gebruik. Daarbij vinden we ook het kwaliteitsniveau en de representativiteit van de openbare ruimte belangrijk. 2. Duurzaam en toekomstgericht: een klimaatadaptieve, klimaatneutrale en gezonde omgeving die ontmoeting stimuleert, en verstedelijking in combinatie met veranderende duurzame mobiliteit. 

De Stedelijke Ontwikkelingsstrategie geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. In de Update zijn zoekgebieden aangewezen die wij kansrijk vinden om te verdichten. We formuleren richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien.



De stedelijke ontwikkelingsstrategie

UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN

3

SAMENVATTING 3. Voortbouwend op het Tilburgse weefsel: de cultuurhistorische tijdslagen en het DNA van stad blijven zichtbaar. Daarvoor het nodig dat we gebiedsgericht werken en er op een passende wijze en mate wordt verdicht, ingeweven en vermengd. 4. Met maatschappelijk rendement en betrokkenheid: we creëren een actief proces van denken en doen met bewoners, marktpartijen, instellingen en andere partners om toegevoegde waarde te realiseren in de stad. Dit vindt plaats op verschillende abstractieniveaus; van het opstellen van beleid, het ontwikkelen van visies tot en met het ontwerpproces in verschillende gradaties van participatie tot co-creatie. De gebruiker staat hierbij centraal.

Samenwerking De opeenstapeling van verschillende ruimteclaims met name woningbouw en bedrijvigheid) kunnen we niet meer alleen en binnen onze gemeentegrenzen oplossen. We zoeken daarom nog sterkere samenwerking met onze buurgemeenten. Het Verstedelijkingsakkoord benutten we daarbij als kapstok voor gezamenlijke, gemeentegrensoverschrijdende, gebiedsuitwerkingen. Zo gaan we samen met de gemeente Oisterwijk en andere partners de ontwikkelingsstrategie voor de dorpen en het omliggende landschap uitwerken.

De uitvoering De ontwikkeling van woningbouwinitiatieven doen we samen met partners uit de stad. We zijn helder in onze ambities. De Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie is bedoeld om initiatieven te stimuleren die daaraan bijdragen. We nodigen partners dan ook van harte uit om op basis van de principes die beschreven zijn in deze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie voorstellen te doen die een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van Tilburg. We beoordelen initiatieven op hun meerwaarde voor de stad. Om daadwerkelijk tot uitvoering te komen is uitwerking per gebiedsontwikkeling nodig. Voor de Pact-wijken worden ruimtelijke gebiedsperspectieven gemaakt. Deze perspectieven worden gemaakt voor initiatiefnemers van woningbouwprogramma’s zoals ontwikkelaars en woningcorporaties. Daarnaast zijn ze van belang voor afstemming op gebiedsniveau met andere beleidsvelden en voor bespreking met bewoners en andere stakeholders in de wijken, die meedenken over de ontwikkeling van het gebied.

De ruimtelijke uitwerking pakken we integraal op: dat wil zeggen dat we ook kijken naar wat er nodig is op het gebied van mobiliteit (parkeerplaatsen of bijvoorbeeld gedeeld autogebruik), de behoefte aan voorzieningen zoals scholen en openbaar groen en nieuwe bedrijven. Vergroenen en het klimaatadaptief maken van de buurt zijn daarbij belangrijk. Met name in de PACT-wijken kijken we welke extra maatschappelijke voorzieningen er nodig zijn. Gezien de grote woningbouwopgave is het belangrijk dat er versnelling komt in de realisatie van het aantal woningen in combinatie met het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Dit willen we bereiken door vier verbeteringen van onze bestaande werkwijze: 1. Opgaven meer systematisch te prioriteren. Onze ambtelijke capaciteit richten we met name op grotere integrale gebiedsontwikkelingen, waar we vaker de regierol gaan pakken en sturen op het resultaat. 2. Te beoordelen wat extra nodig is om het tempo hoog te houden. Dit doen we periodiek voor alle ontwikkelingen. Denk hierbij aan planologische, programmatische of financiële maatregelen. 3. Eerder in het proces samen te werken met zowel marktpartijen als corporaties, zodat bouwinitiatieven direct bij de start ‘de juiste richting’ meekrijgen. We geven zo vroeg mogelijk richting initiatiefnemers aan wat we belangrijk vinden en waar we strak op sturen. 4.

Meer gebiedsgericht in plaats van projectgericht zaken op te pakken en inwoners en de wijk conform het actieplan inwonersparticipatie centraal te stellen.

UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN

4

INHOUDSOPGAVE 6.3

Verdichtingsprincipes 33

1.

Inleiding 6

7.

Potentiële verdichtingslocaties 36

1.1 1.2 1.3

Inleiding 7 Wat is de stedelijke ontwikkelingsstrategie Wonen? 8 Leeswijzer 8

7.1 7.2 7.3

Inleiding 37 Soorten verdichtingslocaties 37 Potentiële verdichtingslocaties 37

2. 

Context Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 9

8.

De woningbouwopgave in relatie tot andere ruimtevragers 43 Inleiding 44 Bedrijvigheid op bedrijventerreinen 44 (Gedeeltelijke) transformatie van bedrijventerreinen naar wonen 44 Kantoren 45 Detailhandel en horeca 45 Maatschappelijke voorzieningen 45 Leisure 46 Groen 46 Mobiliteit 47 Energietransitie 48

2.1 Inleiding 10 2.2 Nationale Omgevingsvisie, Verstedelijkingsstrategie, Verstedelijkingsakkoord Breda-Tilburg en gemeentelijke kader 10 2.3 Nieuwe stedelijkheid 11 2.4 Onze bijdrage 13 2.5 Wat vragen wij van onze partners 13

3.

Trends en ontwikkelingen 14

3.1 3.2

Inleiding 15 Trends en ontwikkelingen 15

8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7 8.8 8.9 8.10

4.

De opgave 18

9.

Werkagenda 49

4.1 4.2 4.3 4.4

Inleiding 19 De kwalitatieve opgave 19 De kwantitatieve opgave 21 Uitwerking naar gebieden 22

9.1 9.2 9.3 9.4

Inleiding 50 Bouwen, bouwen, bouwen 50 Prioritaire gebiedsontwikkelingen, versnellings- en onderzoekslocaties 51 Vervolgopgaven 52

5.

Kansen en bedreigingen 23

Bijlagen 55

5.1 5.2 5.3

Inleiding 24 Kansen 24 Bedreigingen 27

6. 

Ontwikkelingsstrategie en verdichtingsprincipes

Bijlage 1. Benchmark 56 Bijlage 2. Bijstelling van onze kwalitatieve opgave 57 Bijlage 3. Een analyse van de ontwikkeling van Tilburg 59 Bijlage 4. Potentiële verdichtingslocaties met indicatieve woningaantallen, ambities, dilemma’s, opgaven en planning 63

6.1 6.2

Inleiding 30 Uitgangspunten ontwikkelingsstrategie 30

29

UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN

5

1. INLEIDING

UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN

6

1. INLEIDING 1.1 Inleiding De gemeente Tilburg heeft voor de komende jaren een forse woningbouwopgave, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. In 2018 hebben we een update van onze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen vastgesteld om richting te geven aan onze woningbouwopgave. Deze is, samen met de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de Woonagenda 2020-2025 richtinggevend voor de keuzes die we maken bij nieuwe woningbouwinitiatieven. De Gebiedsprofielen Wonen die gelijktijdig met deze ontwikkelingsstrategie zijn opgesteld ondersteunen de advisering op initiatieven vanuit de specifieke kenmerken en opgaven per gebied.

De Stedelijke Ontwikkelingsstrategie geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave.





Twee ontwikkelingen vragen op dit moment opnieuw om actualisatie van de Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen: 1. De nieuwe bevolkings- en woningbehoefteprognoses van de provincie Noord-Brabant (sept. 2020) zijn fors hoger en van een hele andere orde dan de prognoses uit 2017. Deze prognoses zijn aanleiding om de groeiambitie van 950 woningen per jaar aan te passen naar 1.500 woningen. Dat vraagt om goed naar de ontwikkeling van de stad te kijken, zowel op het gebied van beleid als uitvoering. 2. De Nationale Omgevingsvisie is in het najaar van 2020 vastgesteld. Deze geeft richting aan verstedelijkingsopgaven. De Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen biedt het kader voor de gemeente Tilburg op het gebied van wonen, is input voor het Verstedelijkingsakkoord Stadsregio Breda-Tilburg (SRBT), en is in samenhang met het Verstedelijkingsakkoord opgesteld.

UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN

7

1. INLEIDING 1.2 Wat is de stedelijke ontwikkelingsstrategie Wonen? De Stedelijke Ontwikkelingsstrategie geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. In de Update zijn zoekgebieden aangewezen die wij kansrijk vinden voor verdichting. Ook hebben wij richtinggevende verdichtingsprincipes geformuleerd, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien. De woningbouwopgave realiseren we grotendeels in de bestaande stad, waarbij we het bestaand stedelijk gebied efficiënter benutten door intensivering en het slim combineren van functies. We noemen dat ook wel verdichting. Hoewel de focus van deze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie op wonen ligt, zoeken we juist naar de samenhang met andere opgaven in de stad. Het gaat erom dat we een toekomstbestendige stad blijven, dat wil zeggen duurzaam, inclusief en vitaal. En dat is meer dan alleen maar het realiseren van extra woningen in de bestaande stad. Met deze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie nodigen we onze partners nadrukkelijk uit om met hun plannen bij te dragen aan deze maatschappelijk opgaven. De Stedelijke Ontwikkelingsstrategie is een bouwsteen voor de integrale ruimtelijke visie, de Omgevingsvisie Tilburg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12002040/1