CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

08 Voorhof 1_ontwerpbestemmingsplan Toelichting_Pdf

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Voorhof 116.179 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude. De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels. Voor de functies in het planvoornemen (zorg- en onderwijsvoorziening) kan niet volledig worden voldaan aan de geldende richtafstanden ten opzichte van bestaande en nieuw te bouwen woningen. Aan de oostzijde van de onderwijsvoorziening kan t.o.v. de bestaande woningen (net) niet aan de 10 meter voldaan worden. Het maatgevende aspect voor de onderwijsvoorziening is geluid. De akoestisch maatgevende bron (het schoolplein) is wel ruim buiten de richtafstand van 10 meter gesitueerd. Daarnaast is stemgeluid van spelende kinderen (conform het Act. Besluit) uitgezonderd van toetsing. Daarmee is er voor wat betreft de situering van de onderwijsvoorziening ten opzichte van de bestaande woningen toch sprake van een goede ruimtelijke ordening. Voor de overige omliggende bedrijven geldt dat voor de nieuw te realiseren functies in dit plan wordt voldaan aan de geldende minimale richtafstanden. Daarmee vormt Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering voor dit plan.

Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: 1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; 2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; 3.

met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; 4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. De planlocatie ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Daarmee is het geitenmoratorium niet van toepassing.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron.

Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Memo Externe veiligheid Voorhof Tilburg (opgesteld door Arcadis met referentie D57M7DWFQS4A-1187028864-44:2.0 en datum 19 december 2022) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijnen Tilburg – Vught, Tilburg – Boxtel eb de Rijkswegen A58 en A65. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijnen Tilburg – Vught, Tilburg – Boxtel eb de Rijkswegen A58 en A65. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Memo Externe veiligheid Voorhof Tilburg). De brandweer Midden- en West-Brabant heeft d.d. 20 december 2022 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem) en daarnaast biedt NL-Alert de mogelijkheid de aanwezigen in het gebied tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe woningen (25 grondgebonden woningen), het zorgcomplex (met in totaal 113 wooneenheden) en de basisschool geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder en zijn geprojecteerd binnen de wettelijke geluidszone van de Generaal Eisenhowerweg en Raadhuisstraat. De lengte van de geluidszone langs de Raadhuisstraat is beperkt, aangezien de maximumsnelheid van 50 km/h alleen geldt op het wegvak dat aansluit op de Generaal Eisenhowerweg over een lengte van circa 20 m. Het merendeel van de Raadhuisstraat heeft geen geluidszone omdat de maximumsnelheid er 30 km/h bedraagt. De wegen Eikenboschweg, Oranjesingel, Heuneind en Joost van den Vondellaan hebben geen geluidszone, omdat de maximumsnelheid 30 km/h bedraagt op deze wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de geluidsbelasting afkomstig van deze wegen wel beschouwd te worden. Om de geluidbelastingen vanwege wegverkeer in beeld te brengen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

(“Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Heijmans – Voorhof Tilburg”, Arcadis, D10057447:13, 22 september 2022). De geluidsbelasting van het wegverkeer is berekend voor de toekomstige situatie in 2033.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

De wegen Generaal Eisenhowerweg en de Raadhuisstraat zijn als één weg beschouwd bij het toetsen van de geluidsbelasting. Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidsbelasting afkomstig van de Generaal Eisenhowerweg/Raadhuisstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt ter plaatse van 4 nieuwe woningen binnen het plangebied Voorhof 1. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 54 dB. De maximaal toegestane waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor deze vier woningen dient een Hogere Waarde vastgesteld te worden. Voor drie woningen is de geluidsbelasting hoger dan 53 dB. Voor deze woningen geldt de eis dat de woningen moeten beschikken over een geluidluwe zijde en -buitenruimte. Onder ‘geluidluw’ wordt verstaan dat de cumulatieve geluidsbelasting niet hoger is dan 55 dB. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de achtergevel maximaal 46 dB bedraagt, zonder aftrek conform artikel 110g Wgh. Dit betekent dat sprake is van een geluidluwe gevel. 4.6.2 Railverkeerlawaai Het plangebied ligt voor een klein deel binnen het "aandachtsgebied" van het spoortraject Tilburg's-Hertogenbosch. De kortste afstand tussen het plangebied en het spoor bedraagt 580 meter. Aan de hand van de gemeentelijke geluidbelastingkaart is een inschatting gemaakt van de optredende geluidbelastingen.

Daaruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarden vanwege railverkeerslawaai op het plangebied ruimschoots worden gerespecteerd.. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 4.6.5 Stiltegebied Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied. 4.6.6 Trillingen Het plangebied ligt buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder redelijkerwijs gezien niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van in totaal 138 wooneenheden (deels gelegen binnen een zorgcomplex) en een onderwijsgebouw. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen functies met een relevante industriële geuremissie. Het plan zelf maakt ook geen functie mogelijk met een relevante industriële geuremissie. Daarmee is industriële geur geen belemmering voor het plan. 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen functies met een relevant agrarische geuremissie.

Het plan zelf maakt ook geen functie mogelijk met een relevante agrarische geuremissie. Daarmee is agrarische geur geen belemmering voor het plan.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. In het archief van de gemeente Tilburg zijn enkele bodemonderzoeken bekend. Deze onderzoeken omvatten echter niet de gehele locatie en zijn bovendien te oud om als representatief beschouwd te worden. Wel is in enkele onderzoeken ter plaatse van een voormalige stomerij een bodemverontreiniging met VOCL aangetroffen. De aanvrager heeft naar aanleiding van de aanvraag een bodemonderzoek laten uitvoeren. <0000>

Verkennend bodem en asbestonderzoek Voorhof Berkel-Enschot, Heijmans Infra BV, kenmerk 22.0076, d.d.: 6 juli 2022.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Met uitzondering van de grondwaterverontreiniging met VOCL ter plaatse van de voormalige stomerij (Eikenbosch 26) vormen de resultaten geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanwijziging. De grondwaterverontreiniging is nog niet voldoende in beeld, waardoor geen uitspraak kan worden gedaan met betrekking tot risico’s voor het toekomstig gebruik. Er moet daarom aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Conclusie Ter plaatse van het bestemmingsplangebied is bodemverontreiniging aangetoond. Hierbij is op het moment van opstellen van de paragraaf niet voldoende onderzoek uitgevoerd om een geval van ernstige bodemverontreiniging uit te sluiten. Strikt genomen is dit een belemmering voor het instemmen met de bestemmingsplanwijziging. Echter wordt een voorwaarde in het bestemmingsplan opgenomen waaraan moet worden voldaan alvorens men met grondwerkzaamheden mag starten. Tevens zal eventueel een saneringsplan verplicht zijn. Dit is afhankelijk van de uiteindelijke bouwplannen en inrichting van het gebied. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.

In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is.

Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. 4.10.3 Gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten Met de Tilburgse gebiedsontheffing gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels worden de procedures in het kader van de Wet natuurbescherming en de Wabo vereenvoudigd. Om de gebiedsontheffing te kunnen toepassen zijn soortenmanagementplannen (SMP) opgesteld en worden de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in kaart gebracht. De gebiedsontheffing en bijbehorende SMP’s zijn erop gericht de instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Alle projecten (van de gemeente en van derden) die onder de werking van de SMP vallen, kunnen profiteren van de gebiedsontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

4.10.4 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op ongeveer 2,8 kilometer afstand tot het plangebied. De ontwikkeling bevindt zich binnen de mogelijke effectafstand van het betreffende Natura 2000-gebied, waarbij sprake is van een stikstofgevoelige habitat. Om die reden is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd middels een Aerius-berekening. Voor de ruimtelijke procedure is voldoende onderbouwd dat zowel de aanleg als het gebruik van niet tot een toename van de depositie van 0,01 mol/ha/jaar of meer leidt ten opzichte van het huidig gebruik. Daarmee is aannemelijk dat significante effecten als gevolg van stikstof op Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten en is de haalbaarheid van het plan voldoende onderbouwd. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ruim één kilometer afstand van het plangebied.

Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Er zijn geen effecten op het Natuurnetwerk Brabant te verwachten. Soortenbescherming De totale beoogde ontwikkeling van het Voorhof in Berkel-Enschot bestaat uit drie afzonderlijke deelgebieden. Deelgebied B en C zijn braakliggende terreinen waar de gebouwen reeds gesloopt zijn. (bestemmingsplan Voorhof 1) Op deze percelen heeft zich reeds een verruigde begroeiing ontwikkelt. Deelgebied A (bestemmingsplan Voorhof 2) bestaat uit een verzorgingscentrum bestaande uit meerdere lagen en een plat dak. Tussen de deelgebieden B en C staan woningen waarin meerdere huismusnesten aanwezig zijn. Door de verruigde terreinen met deels open zandgronden zal hier geschikt leef- en foerageergebied voor de huismus aanwezig zijn. Uit onderzoek is naar voor gekomen dat verblijfplaatsen van vleermuizen niet uitgesloten kunnen worden in de aanwezige bebouwing. Uit de eerste onderzoeksronden is gebleken dat er twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Nader onderzoek wordt nog uitgevoerd.

Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.

De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.

Conclusie Ten aanzien van de gebiedenbescherming zijn er geen belemmeringen om het plan uit te voeren. Voor de soortenbescherming is nog onduidelijk welke maatregelen er ten behoeve van de gebouwbewonende soorten worden genomen. Onderzoeken naar de gebouwbewonende soorten is reeds in gang gezet. Door gebruik te maken van de gebiedsontheffing van de gemeente Tilburg kan voldaan worden aan de soortenbescherming betreffende de gebouwbewonende soorten huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Voor wat betreft de vleermuizen dient er nog een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld en ter goedkeuring aan de gemeente te worden aangeboden. Ten aanzien van de huismus zullen binnen het plangebied (minimaal deelgebied B en C) voldoende nestgelegenheden en alternatief leefgebied aangeboden moeten worden voor de huismus. Uit een aan te leveren quick scan zal moeten blijken dat er geen andere beschermde soorten aanwezig zijn binnen het plangebied. Als daaruit blijkt dat er (mogelijk) andere beschermde soorten aanwezig zijn, zal ontheffing bij het bevoegd gezag moeten worden aangevraagd. Het plan kan doorgang vinden, mits: <0000> er een ecologisch werkprotocol op wordt gesteld waarin minimaal maatregelen zijn opgenomen ten gunste van de huismus en vleermuizen. Dit plan dient door de gemeente te worden goedgekeurd alvorens met de werkzaamheden gestart kan worden.

<0000> er ten aanzien van de huismus voldoende alternatief leefgebied word gerealiseerd. Dit moet in het ontwerp worden meegenomen en goedgekeurd. <0000> er een quick scan aangeleverd wordt, waarin duidelijk is dat andere beschermde soorten uitgesloten kunnen worden. Bij (mogelijke) aanwezigheid van andere beschermde soorten zal aanvullend onderzoek nodig zijn en dient er een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023 Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.

Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 - 150 m2: <0000> indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave <0000> indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1 3. >150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1

Tabel 1 - regenwateropgave De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.

5.2 Bestaand watersysteem Het te ontwikkelen plangebied, genaamd Deelgebied 8, bestaat uit 3 deelgebieden en is in de bestaande situatie deels verhard en deels onverhard. De belangrijkste kenmerken van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. Kenmerk

In plangebied

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Deelgebied A: 20.191 m2 Deelgebied B: 3.365 m2

Bruto oppervlakte plangebied

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater

Deelgebied C: 12.750 m2 A: tussen NAP+11,9 m en NAP+12,2 m B: tussen NAP+11,8m en NAP+12,0m C: tussen NAP+11,5m en NAP+12,0m ca. NAP+10,8 m Deelgebied A: tussen 1,1m en 1,4m Deelgebied B: tussen 1,0m en 1,2m Deelgebied C: tussen 0,7m en 1,2m Zwakzandige leemlenzen dikker dan 1m Gemengde/Gescheiden riolering Blauwe Ader bouwontwikkeling n.v.t. zie afbeelding 1

Keur beschermde gebieden

n.v.t. zie afbeelding 2

Terreinhoogte

Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte

Tabel 1; Gebiedskenmerken In de nabije omgeving ligt overwegend een gemengde riolering. De reeds ontwikkelde delen van Koningsoord zijn gescheiden gerioleerd. In en rondom de gehele wijk worden, naast een geplande uitbreiding van de Blauwe Aderstructuur, delen van de wijk in de toekomst afgekoppeld. In de bestaande situatie binnen de ontwikkeling wordt het regenwater van verharde oppervlakte afgevoerd naar de gemengde riolering. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem. Voor de nieuwe situatie mag voor locatie A gebruik worden gemaakt van de binnen de ontwikkeling aan te leggen Blauwe Ader leidingen. Deze zullen ruimer worden uitgevoerd om aan de opgave te voldoen. De ontwikkeling staat los van de reeds ontwikkelde delen van Koningsoord.

Afbeelding 1; Locatie plangebied (rode cirkels) ten opzichte van oppervlaktewater

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Afbeelding 2; Locatie plangebied (rode cirkels) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur

5.3 Beleidskader Het Provinciale “Regionale Water en Bodem Programma” (RWP) 2022 – 2027 heeft als doel een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Rode draad is het herstel van de systeemwerking. Het water en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Waterschap De Dommel heeft zijn actuele waterbeleid opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). In dit programma staat een watertransitie centraal die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. De transitie heeft drie leidende principes: 1) elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2) functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; 3) wat schoon is moet schoon blijven. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

Toekomstige situatie De ontwikkeling betreft gedeeltelijk sloop en het realiseren van een zorgcomplex, school en woningen. In afbeelding 3 is de verbeelding van de gewijzigde bestemming weergegeven.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Afbeelding 3; verbeelding

Voor de verharding in de nieuwe situatie van de ontwikkeling wordt uitgegaan van de vastgestelde verhardingspercentages zoals opgenomen in tabel 3.

Type verharding

Totale oppervlakte [m2]

Afstromende oppervlakte [m2]

Bergingsopgav e [m3]

Deelgebied A Panden

606

606

36

Wegen

2987

2987

179

Wegrenovatie (onderhoud)

1181

0

0

Parkeervakken

1229

1229

74

Tuinen

524

262

16

Groen

2834

0

0

Eigen Terrein

10830

0

0

20191

5084

305

Daken

1089

1089

65

Wegen

1059

1059

64

Tuinen

649

325

20

Groen

281

0

0

Parkeervakken

150

150

9

Wadi

137

0

0

3365

2623

158

Daken

2792

2792

168

Wegen

1567

1567

94

Tuinen

4509

2255

135

Groen

2211

0

0

Parkeervakken

848

848

51

Totaal deelgebied A: Deelgebied B:

Totaal deelgebied B: Deelgebied C:

Wadi Totaal deelgebied C:

823

0

0

12750

7462

448

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Totaal deelgebied 8:

36306

15169

911

Tabel 3; Afvoerende oppervlakken in de plansituatie

5.4 Duurzaam watersysteem De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringsdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving.

Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene- en/of blauwe daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Doorgroeibare verharding. Andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. Er wordt gestreefd naar een bergingsruimte voor 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding. Voor dit plan moet worden uitgegaan van een opgave van 60 mm voor de toename of wijziging aan verhard oppervlak. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie (15.169 m²) geldt voor het plangebied een bergingsopgave van 911 m3. Deze opgave dient bij verdere uitwerking mogelijk te worden bijgesteld op basis van de werkelijke afvoerende verharde oppervlakken.

De verharde oppervlakte kan worden gereduceerd door de toepassing van groene daken en doorgroeibare verhardingen en door verhardingen direct in het groen af te wateren en verwerken. Als invulling van de waterberging wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi’s als kansrijk gezien, aangevuld met ondergrondse voorzieningen. De voorziening(en) word(t)/(-en) voorzien van een overloop op Blauwe Aderstructuur. Tevens wordt de mogelijkheid geboden om de overgedimensioneerde aan te leggen leidingen van de Blauwe Ader te gebruiken voor de resterende opgave. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater kan worden afgevoerd via de bestaande riolering in de omliggende straten.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

5.5 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Toch heeft Waterschap de Dommel de voorkeur uitgesproken om een voorlopig advies te geven voorafgaand aan de terinzagelegging. In deze waterparagraaf is rekening gehouden met dit voorlopige wateradvies, voordat de waterparagraaf is openomen in het ontwerpbestemmingsplan.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: Gemengd Gemengd - Dorps Groen Maatschappelijk Verkeer - Verblijf Woongebied Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: Langzaam verkeer Tuin Maximum bouwhoogte Maximum goothoogte Maximum aantal wooneenheden

6.3 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, bouwhoogte, gebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Wijzigingsbevoegdheid Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Uitvoerbaarheid Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Met de initiatiefnemers Heijmans gebiedsontwikkeling BV en TBV is een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van de gemeentelijke plan- en apparaatskosten, bovenwijkse kosten en mogelijke planschadeclaims. De totale businesscase kent een tekort. In de anterieure overeenkomst is afgesproken hoe dit tekort wordt verdeeld over de partijen. Gezien het bovenstaande wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht en is het kostenverhaal verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee voor dit plangebied niet noodzakelijk. Op het plangebied ligt het exploitatieplan Koningsoord dat gekoppeld is aan het oorspronkelijke bestemmingsplan Koningsoord, Berkel-Enschot 2017. Daarin zijn tevens locatie-eisen opgenomen voor de situering van de sociale woningen. In dit nieuwe bestemmingsplan blijft het vereiste aantal sociale woningen hetzelfde, maar wordt de situering anders als gevolg van het gewijzigd stedenbouwkundig plan.

De benodigde aanpassing van de regels in het exploitatieplan en de mogelijke effecten hiervan op de exploitatiebijdrage zullen via de reguliere jaarlijkse herziening van het exploitatieplan plaatsvinden (jaarlijkse herzieningsplicht op basis van de Wro).

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 1 juli 2022 gepubliceerd.

8.2 Omgevingsdialoog Inloopavond Op 2 november 2022 heeft in Ons Koningsoord (Kapittelzaal) een openbare informatiebijeenkomst plaatsgevonden over de ontwikkeling van het Voorhof te Berkel-Enschot. Tijdens deze bijeenkomst is het stedenbouwkundig plan gepresenteerd aan belangstellenden. Voor deze bijeenkomst zijn de omwonenden van het Voorhof uitgenodigd middels een brief. Ook is de bijeenkomst aangekondigd in de Schakel op de website van de gemeente Tilburg. Vanuit het projectteam waren verschillende betrokkenen aanwezig, waaronder verschillende projectteamleden en specialisten van de gemeente, TBV en Heijmans Vastgoed. Daarnaast worden de arcitect en directeur van basisschool Rennevoirt aanwezig. De ruimte was voorzien van informatie borden waar een projectmedewerker bij stond voor het beantwoorden van de vragen. De volgende onderdelen zijn per bord toegelicht: <0000> <0000> <0000> <0000>

stedenbouwkundig plan; groen, water en duurzaamheid; verkeer en parkeren; procedure bestemmingsplan.

Gedurende de bijeenkomst was ruimte om vragen te stellen. Na de bijeenkomst was het mogelijk om tot 16 november 2022 schriftelijke reactie in te dienen middels een reactieformulier of een mail. Tijdens de bijeenkomst en nadien zijn door diverse personen vragen gesteld en is contact opgenomen met de initiatiefnemer. De gestelde vragen en gemaakte opmerkingen zijn terug te lezen in de bijlage bij de toelichting bij dit bestemmingsplan.

8.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009). INVULLEN (per genummerde zienswijze een inhoudelijk oordeel, met conclusie dat zienswijze geheel of gedeeltelijk gegrond dan wel ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is).

Koningsoord Berkel-Enschot 2017, 2e herziening (Voorhof 1)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13588831/1