08 obp toelichting
Tekst van het document
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
17
4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-Vught, de spoorlijn Breda-Tilburg en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan.
De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-Vught, de spoorlijn Breda-Tilburg en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De Brandweer Midden- en West- Brabant heeft d.d. 6 oktober 2021 advies uitgebracht. De relevante onderdelen uit dit advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> Aangezien het plan op >567 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.
In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem). Dit biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumenten-vuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheids-contour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
18
houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied. 4.6.1 Wegverkeerlawaai Het plangebied voorziet in de realisatie van o.a. een appartementencomplex (geluidgevoelig object) en een gezondheidzorgcentrum. Binnen de bestemming Maatschappelijk waar het gezondheidscentrum komt, komen geen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen. Voor de oprichting van het appartementencomplex is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd en heeft er een toetsing plaatsgevonden aan de normen van de Wgh en het gemeentelijk geluidbeleid d.d. april 2015. Naast de gezoneerde wegen zijn tevens de 30 km/uur wegen rondom het plangebied meegenomen in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten van het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar het rapport d.d. 24 maart 2022 (projectnummer 0475120, definitief revisie 00) opgesteld door Anteagroup.
De nieuwe appartementen worden gerealiseerd binnen zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen"). Dit betreft de Ringbaan Zuid en de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg. Voor nieuwe woningen geldt als wettelijke voorkeurgrenswaarde 48 dB. Indien de voorkeurgrenswaarde wordt overschreden, dient beoordeeld te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. Als maatregelen niet mogelijk zijn of onvoldoende beperking van geluid bieden, kan een hogere waarde worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders voor een binnenstedelijke situatie van maximaal 63 dB. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat: <0000> de wettelijke voorkeurgrenswaarde voor de Ringbaan Zuid niet wordt overschreden; <0000> de wettelijke voorkeurgrenswaarde met 5 dB wordt overschreden voor de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor een binnenstedelijke situatie wordt niet overschreden; <0000> de gecumuleerde geluidbelasting, exclusief toepassing van de wettelijke aftrek, maximaal 66 dB bedraagt ter plaatse van de noordgevel van de nieuwe appartementen. Maatgevende geluidbron hierbij is het verkeer op het Pater van den Elsenplein. Maatregelen Voor alle relevante wegen rondom het plangebied (Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg, Pater v.d.
Elsenplein, Don Sartostraat) is onderzocht of er bronmaatregelen (lees geluidreducerende wegdekverharding) genomen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren tot bij voorkeur de voorkeurgrenswaarde. De toepassing van een bronmaatregel in de vorm van een stiller wegdekverharding op de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg verlaagt de geluidbelasting als gevolg van verkeer op deze weg ter plaatse van de geprojecteerde woontoren met circa 2 dB. Voor de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg blijft sprake van een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de oostelijke gevel van het bouwvlak op de 3de tot en met 10de bouwlaag. Mede gelet op het geringe geluidreducerend effect maar ook gelet op de investeringskosten van een nieuwe wegdekverharding wordt deze bronmaatregel als niet doelmatig gezien. De toepassing van een bronmaatregel op het Pater van den Elsenplein en de Don Sartostraat verlaagt weliswaar de geluidbelasting als gevolg van verkeer op deze wegen ter plaatse van de geprojecteerde woontoren met enkele dB’s, maar de Don Sartostraat is een paar jaar geleden nog voorzien van een nieuwe wegdekverharding en het Pater van den Elsenplein is zeer recent opnieuw gereconstrueerd. Het aanleggen van een nog stiller wegdektype wordt dan ook gezien als kapitaalvernietigend.
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
19
Maatregelen in de overdracht (toepassen geluidschermen) zijn vanuit stedenbouwkundige argumenten voor een binnenstedelijke situatie niet gewenst. Gemeentelijk geluidbeleid april 2015 Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015. Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op geluid belaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon- en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen. Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen meer bedraagt dan 53 dB voor gezoneerde wegen. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op het nieuwe appartementengebouw niet meer bedraagt dan 53 dB t.g.v. het verkeer op de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg. Dit betekent dat er vanuit het gemeentelijk geluidbeleid geen aanvullende voorwaarden worden gesteld aan het nieuwe appartementencomplex. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat met name het verkeer op het Pater van den Elsenplein maatgevend is voor de hoogte van de gecumuleerde geluidbelasting op het nieuwe appartementengebouw.
Gezien de hoogte van de gecumuleerde geluidbelasting wordt geadviseerd bij het ontwerpen van het gebouw rekening te houden met de positionering van de buitenruimtes. In analogie met het gemeentelijk beleid dienen de buitenruimtes zoveel mogelijk aan de geluidluwe zijden van het gebouw gesitueerd te worden. (definitie geluidluw: gecumuleerde geluidbelasting (Lcum), bepaald volgens bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, van maximaal 55 dB) Optioneel hierbij is om de buitenruimtes te voorzien van een dichte balustrade al dan niet gecombineerd met een (zeer) absorberend plafond om zo een geluidluwe buitenruimte (met daarachter gelegen een geluidluwe gevel) te realiseren waarmee het woon- en leefklimaat aanzienlijk wordt verbeterd. Gezien het feit dat de geluidbelasting afkomstig van verkeer op de niet-gezoneerde wegen in dit geval maatgevend is ten opzichte van verkeer op de gezoneerde wegen, is tevens het advies de gevelgeluidwering af te stemmen op de totale gecumuleerde geluidbelasting. Om de appartementen akoestisch mogelijk te maken en te kunnen voldoen aan de normen van de Wgh, heeft het college van burgemeester en wethouders voor dit bestemmingsplan een hogere waarden besluit genomen dat bij het bestemmingsplan is gevoegd. 4.6.2 Railverkeerlawaai De nieuwe woningen liggen ver buiten het "aandachtsgebied" van het spoortraject Tilburg's-Hertogenbosch.
Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wgh/Besluit geluidhinder. Trillingen Het plangebied ligt ver buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Het plangebied is niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
20
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van een o.a. een appartementencomplex en een gezondheidzorgcentrum. Het appartementencomplex kan gelet op het aantal appartementen die gerealiseerd worden, worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). De verkeersgeneratie die toegekend kan worden aan het nieuwe gezondheidscentrum is van zodanige omvang dat deze ook kan worden aangemerkt als “niet in betekenende mate”. Hierbij opgemerkt dat een groot deel van het aantal verkeersbewegingen al plaatsvonden en toegekend kunnen worden aan de bestaande huisartsenpraktijk. Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Er is geen sprake van industriële geurhinder in of nabij het plangebied. 4.8.2 Agrarische geurhinder Er is geen sprake van agrarische geurhinder in of nabij het plangebied.
4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. De aanleiding voor onderhavige planherziening is de geplande herinrichting en nieuwbouw op het perceel. Op dit moment is een huisartsenpraktijk op een deel van het bestemmingsplangebied gesitueerd. Voor het overige is het gebied in gebruik als openbaar groen. De huidige bebouwing zal worden gesloopt en deels zal nieuwbouw van een woontoren binnen het plangebied worden gerealiseerd. Het gebruik zal voor een deel dus gevoeliger worden ten opzichte van het huidige gebruik. Ter plaatse van het bestemmingsplangebied is mogelijk een voormalige erfverharding in de bodem aanwezig.
Voor het overige hebben voor zover bekend geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden In 2021 is ter plaatse van het bestemmingsplangebied een bodemonderzoek (Anteagroup kenmerk 0461051.187, d.d.: 7-10-2021) uitgevoerd (bijgevoegd). In dit onderzoek zijn in boven- en ondergrond en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten gemeten. Deze gehalten vormen geen aanleiding voor het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek. Conclusie Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek worden geen belemmeringen voor de beoogde bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van het gebied verwacht. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
21
4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.
Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
22
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.
De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. 4.10.3 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ op ongeveer 3,3 kilometer afstand.
Het project heeft in de gebruiksfase een sterk verkeersaantrekkende werking, waardoor kan worden gesteld dat de stikstofdepositie mogelijk significant is. Om juridisch zeker te zijn dat het project geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt, heeft er een AERIUS-toets plaatsgevonden. Uit de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Het in gebruik hebben van het gezondheidscentrum en de woningen zal dan ook niet leiden tot mogelijke significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 512 meter van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Op 26 november 2021 heeft er een ecologische quick scan plaatsgevonden.
Uit het onderzoek komt naar voren dat verblijfplaatsen van gierzwaluw en huismus in het plangebied en de huidige bebouwing kunnen worden uitgesloten. Het gebouw is wel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, waardoor deze niet kunnen worden uitgesloten. Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht moeten nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
23
In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.
Conclusie Ten aanzien van de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen om uitvoering te geven aan het plan. Voor wat betreft de soorten zal er gewekt moeten worden volgens de voorwaarden uit de gebiedsgerichte ontheffing. Als onderdeel hiervan is reeds een ecologisch werkprotocol opgesteld. In de toekomstige nieuwbouw zal naast het aanbrengen van voorzieningen voor vleermuizen ook het principe van natuurinclusief bouwen in acht genomen moeten worden.
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
24
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023 Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
<0000>
<0000>
Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 - 150 m2: indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1 3. >150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1
Tabel 1 - regenwateropgave De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.
5.2 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. Het te ontwikkelen plangebied bestaat uit meerdere kadastrale percelen en is in de bestaande situatie deels verhard en deels onverhard. Kenmerk In plangebied Waterbeheerders Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Bruto oppervlakte plangebied Totaal (deel)percelen 5.857 m2 Terreinhoogte Tussen NAP+14,1 m en NAP+14,6 m Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
25
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden Tabel 1; Gebiedskenmerken
ca. NAP+11,6 m Tussen 2,5 m en 3,0 m Sterk lemig, matig fijn zand Gemengde/Gescheiden riolering Reserveringsgebied tracés en ruilgebieden Er is geen oppervlaktewater in de nabijheid van het plangebied Niet van toepassing (zie afbeelding 1)
Afbeelding 1; Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur In de Don Sartostraat is gescheiden riolering aanwezig. In de Forelstraat, het Visserijplein en het Pater van den Elsenplein is gemengde riolering aanwezig, maar is het voornemen om binnen enkele jaren gescheiden riolering aan te leggen. Tussen het geplande gezondheidscentrum en de woontoren in is in het huidige park een gemengd riool aanwezig. In de bestaande situatie wordt het regenwater van verharde oppervlakte afgevoerd naar de gemengde riolering. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem. Oppervlakken Oppervlak Verharding Afvoerend (m²) (%) (m2) Daken 760 100 760 Elementenverharding 1.360 100 1.360 Groen 3.737 0 0 Totaal 5.857 2.120 Tabel 2; Afvoerende oppervlakken in de bestaande situatie
5.3 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
26
beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Toekomstige situatie De ontwikkeling betreft de sloop van de huidige huisartsenpraktijk en het realiseren van een woontoren en een gezondheidscentrum. In afbeelding 2 is de verbeelding van de gewijzigde bestemming weergegeven.
Afbeelding 2; conceptverbeelding Voor de verharding van de nieuwe situatie van de percelen wordt uitgegaan van aangenomen verhardingspercentages van de nieuwe situatie zoals opgenomen in tabel 3. Oppervlakken Oppervlak Verharding Afvoerend (m²) (%) (m2) Woontoren 767 100 767 Maatschappelijk 1.431 100 1.431 Verkeer en verblijf 3.074 70 2.469 Groen 585 0 0 Totaal 5.857 4.350 Tabel 3; Afvoerende oppervlakken in de plansituatie
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
27
5.4 Duurzaam watersysteem De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringsdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving.
Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene- en/of blauwe daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Doorgroeibare verharding. <0000> Andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. Er wordt gestreefd naar een bergingsruimte voor 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding. Voor dit plan moet worden uitgegaan van een opgave van 60 mm voor de toename aan verhard oppervlak en een opgave van 20 mm voor vervangende verharding. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie (4.350 m²) geldt voor het plangebied de volgende bergingsopgave: Toename verharding 2.230 m² x 0,06 m = ca. 134 m³ Vervangende verharding 2.120 m² x 0,02 m = ca. 43 m³ De totale bergingsopgave voor het plangebied komt hiermee op ca. 177 m³.
Deze opgave dient bij verdere uitwerking mogelijk te worden bijgesteld op basis van de werkelijke afvoerende verharde oppervlakken. De verharde oppervlakte kan worden gereduceerd door de toepassing van groene daken en doorgroeibare verhardingen en door verhardingen direct in het groen af te wateren en verwerken. Als invulling van de waterberging wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als groene-/waterbergende daken, wadi’s en greppels als kansrijk gezien, eventueel aangevuld met ondergrondse voorzieningen. De voorziening(en) wordt voorzien van een overloop op de regenwaterriolering. Deze overloop dient als een separate leiding te worden aangeboden. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater kan worden afgevoerd via de bestaande riolering in de omliggende straten. In overleg met de gemeente moet worden vastgesteld of de bestaande gemengde riolering die door het plangebied loopt gehandhaafd kan en moet blijven.
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
28
5.5 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
29
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Dit bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een te realiseren ontwikkeling op gemeentelijke grond. Het verhaal van kosten die de gemeente moet maken is 'anderszins verzekerd' door de gemeentelijke gronduitgifte. Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de grondexploitatie, die is opgenomen in de gemeentelijke begroting. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
30
Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg 7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 18 september 2020 gepubliceerd in het (digitale) Gemeenteblad.
7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het waterschap geeft volgens de geldende werkafspraken pas advies in de ontwerpfase. Het concept-ontwerpbestemmingsplan is op 10 november 2023 (digitaal) voorgelegd aan de provincie. Uitkomst van die exercitie was dat het vooroverleg als afgerond kan worden beschouwd.
7.3 Omgevingsdialoog Er is in de periode 2020-2023 een uitgebreide Omgevingsdialoog gevoerd, die heeft bestaan uit meerdere fases en componenten. Zie hiervoor het bij de plantoelichting gevoegde verslag. De Omgevingsdialoog heeft geleid tot enkele ondergeschikte aanpassingen van het plan, zoals het strakker begrenzen van het bouwvlak van de hoogbouw.
7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009). INVULLEN (per genummerde zienswijze een inhoudelijk oordeel, met conclusie dat zienswijze geheel of gedeeltelijk gegrond dan wel ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is).
Groenenwoud 2008, 8e herziening (Gezondheidscentrum Pater van den Elsenplein)
31
Bijlage bij toelichting Bijlage 1 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen 2021 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen 2021
Bijlage 2 Archeologisch bureauonderzoek Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 3 Inventarisatie risicobronnen en beperkte verantwoordng groepsrisico Inventarisatie risicobronnen en beperkte verantwoordng groepsrisico
Bijlage 4 Akoestisch onderzoek Akoestisch onderzoek
Bijlage 5 Ecologische quickscan Ecologische quickscan
Bijlage 6 Ecologisch werkprotocol Ecologisch werkprotocol
Bijlage 7 Bodemonderzoek Bodemonderzoek
Bijlage 8 Parkeernormen Tilburg 2017 Parkeernormen Tilburg 2017
Bijlage 9 Stikstofnotitie Stikstofnotitie
Bijlage 10 AERIUS bouwfase AERIUS bouwfase
Bijlage 11 AERIUS gebruiksfase AERIUS gebruiksfase
Bijlage 12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 13 Rapportage bezonningsstudie Rapportage bezonningsstudie
Bijlage 14 Windonderzoek Windonderzoek
Bijlage 15 Kaptekening Kaptekening
Bijlage 16 Verslag omgevingsdialoog Verslag omgevingsdialoog
Bijlage 17 BIJLAGE 1 Omgevingsdialoog BIJLAGE 1 Omgevingsdialoog
Bijlage 18 BIJLAGE 2 Omgevingsdialoog BIJLAGE 2 Omgevingsdialoog
Bijlage 19 BIJLAGE 3 Omgevingsdialoog BIJLAGE 3 Omgevingsdialoog
Bijlage 1 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen 2021 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen 2021
UPDATE
STEDELIJKE ONTWIKKELINGSSTRATEGIE WONEN SEPTEMBER 2021 UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN
1
SAMENVATTING Het is goed wonen in Tilburg. Met haar levendige binnenstad, diversiteit aan woonwijken en landelijke dorpen telde Tilburg op 1 januari 2021 221.973 inwoners. In de periode tot 2040 groeit de stad met zo’n 36.000 nieuwe inwoners. Daarvoor zijn 25.000 extra woningen nodig. We willen de stad niet nog verder uitbreiden, maar zoeken de ruimte voor nieuwe woningen vooral in de bestaande stad en de dorpen. Anders gezegd; we gaan verdichten. Ons doel is voor elke Tilburger een passende woning te bieden. In deze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen geven we aan hoe we dat doel willen behalen. Waar zien we kansen woningen toe te voegen en hoe doen we dat op een verantwoorde manier. Een manier die bijdraagt aan onze kernwaarden ‘Gezond en Gelukkig in Tilburg’. Dit betekent dat we een inclusieve, duurzame en vitale stad zijn, die we samen met onze partners bouwen. We nodigen onze partners uit om op basis van de principes uit deze Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie een waardevolle bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van Tilburg. We hebben onze partners en inwoners gevraagd te reageren op deze strategie. Dat heeft geleid tot een boeiend gesprek over de kansen en bedreigingen van verdichting en reacties via toekomstvan@tilburg.nl. De opbrengst heeft bijgedragen aan de afronding en aanscherping van onze strategie. Dit is niet het eindpunt.
We blijven het gesprek met de stad voeren rond concrete gebiedsontwikkelingen en projecten.
De woonopgave We staan voor een grote en urgente woningbouwopgave. Landelijk zijn tot het jaar 2030 zo’n 1 miljoen extra woningen nodig. In Tilburg gaat het op basis van de provinciale prognoses tot 2040 om zo’n 25.000 woningen. De grootste groei vindt waarschijnlijk plaats in de periode tot 2030. We hebben dan in totaal 15.000 woningen nodig. Onze jaarlijkse doelstelling voor het toevoegen van woningen stellen we op basis van deze prognoses bij van 950 naar gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar.
ners moeten een wooncarrière kunnen maken binnen de wijk of het dorp wanneer zij dat willen. Dit vraagt ook om het bevorderen van doorstroming. Zeker voor ouderen zijn meer geschikte woningen nodig om doorstroming op gang te brengen. We willen een passende woning voor iedere Tilburger. De zekerheid dat iedereen in onze stad betaalbaar kan wonen draagt bij aan bestaanszekerheid van inwoners. Met name in de dorpen zien we dat de betaalbaarheid van wonen onder druk staat. Dit vraagt onze aandacht. Met de corporaties hebben we afspraken gemaakt over het realiseren van meer sociale huurwoningen in de periode tot 2030. Deze afspraken liggen vast in het Convenant Wonen 2020-2025. Om nieuwe woningen in een zo hoog mogelijk tempo op te kunnen leveren, stellen we onze doelen voor het woningbouwprogramma bij. In het woningbouwprogramma staan alle woningbouwplannen die in verkenning en voorbereiding zijn. In 2025 omvat ons woningbouwprogramma ten minste 17.500 nieuwe woningen. Dat is wat ruimer dan nodig is, maar daarmee anticiperen we op mogelijke vertragingen en plannen die niet door kunnen gaan. Om de bouw te kunnen starten is het belangrijk dat de ruimtelijke procedures zijn afgerond. We spreken dan van harde plancapaciteit. We stellen ons als doel dat de harde plancapaciteit binnen het woningbouwprogramma altijd ten minste 5.000 woningen telt1.
In deze Stedelijke ontwikkelstrategie Wonen geven we aan op welke plekken we kansen zien om woningbouw toe te voegen, hoe we dat op een verantwoorde manier kunnen doen en hoe we meer tempo gaan maken.
De opgave integraal bekeken De substantiële groei van het aantal huishoudens vraagt ook om meer werkgelegenheid, en leidt tot intensiever gebruik van (maatschappelijke) voorzieningen, infrastructuur en groenvoorzieningen. De claims op de openbare ruimte – met name in het binnenstedelijk gebied – worden steeds groter. Iedereen heeft ruimte nodig om ambities waar te maken. Intensief ruimtegebruik of dubbelgebruik wordt een uitdaging op het gebied van wonen, werken, verblijven en mobiliteit.
In de Woonagenda 2020-2025 hebben we beschreven dat we het belangrijk vinden dat er sprake is van een ongedeelde stad met een divers woningaanbod in alle wijken. Inwo-
UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN
2
SAMENVATTING
De strategie
We kiezen voor een ontwikkelingsstrategie met zes uitgangspunten: 1. We verdichten volgens de voorkeursvolgorde van de NOVI:
Tilburg zal de woningbouwopgave grotendeels realiseren binnen en aansluitend op bestaand stedelijk gebied (stap 1 en 2). 2. We benutten en stimuleren gebiedsgerichte kwaliteiten en potenties. 3. We sluiten aan op Van Gogh Nationaal-park door het landschap tot in de stad te versterken: in stedelijk gebied voegen we substantieel woningen toe, waarbij we zorgen voor een aantrekkelijke, gezonde, klimaatadaptieve openbare ruimte, waarin we beweging en ontmoeting stimuleren. 4. We bouwen in en rondom de dorpen, maar laten de dorpen niet aan elkaar groeien. 5. Onze wijken zijn goed bereikbaar en onderling verbonden. 6. We zetten in op menging en nabijheid van functies. Rondom de OV-knooppunten Station Tilburg en Station Universiteit en wijkcentra voegen we woningen toe gemengd met voorzieningen, kennisintensieve bedrijven, winkels en onderwijs. We creëren gemengde hoogstedelijke topmilieus, de zogenaamde Metro Mix.
Op basis van deze zes uitgangspunten onderscheiden we voor de woningbouwopgave drie categorieën verstedelijking: 1. Binnenstedelijke verdichting in het dynamisch binnenstedelijk kerngebied Dit is grofweg het gebied van de Piushaven tot en met het Kenniskwartier. Hier willen we vooral een ‘Metro Mix’ realiseren: gebieden waar wonen, werken, leren en verblijven samengaan. Hier is veelal spraken van hoogbouw. In elk afzonderlijk deelgebied ontwerpen we samen met initiatiefnemers een woon-werkmilieu dat past bij die plek. In deze gebieden speelt de bijdrage van verdichting aan de stedelijke economie een centrale rol. 2. Differentiatie in woningaanbod in met name de wijken West, Noord en Zuid In deze Pactwijken dragen uitbreidingsplannen vooral bij aan de sociaal-maatschappelijke opgaven, waaronder de veerkracht van de wijk. De focus ligt op het verbeteren van de balans in de woningvoorraad en de kwaliteit van de openbare ruimte met mogelijkheden voor ontmoeting. 3. Ontwikkeling van de dorpen Ook in onze dorpen zijn nieuwe en betaalbare woningen nodig, zodat ouderen en starters kunnen doorstromen naar een passende woning en het voorzieningenniveau op peil kan blijven. Daarbij kiezen we ervoor om zoveel mogelijk binnen en aansluitend op de dorpsgrenzen te bouwen om het omliggende landschap open te houden en te versterken.
De gemeente lobbyt voor een nieuw NS station in Berkel-Enschot, zodat de dorpen goed zijn aangesloten op het OV-netwerk. Aanvullend op de ontwikkelingsstrategie werken we met verdichtingsprincipes. De vier verdichtingsprincipes hebben betrekking op de wijze waarop we op een verantwoorde manier kunnen verdichten. We verdichten: 1. Met een menselijke maat: een omgeving waarin mensen zich prettig voelen, met een stedelijk leven op ooghoogte, interactie tussen gebouwen en openbare ruimte, een fijnmazig netwerk van openbare ruimte en inrichting en beheer van de openbare ruimte die aansluit op toekomstig gebruik. Daarbij vinden we ook het kwaliteitsniveau en de representativiteit van de openbare ruimte belangrijk. 2. Duurzaam en toekomstgericht: een klimaatadaptieve, klimaatneutrale en gezonde omgeving die ontmoeting stimuleert, en verstedelijking in combinatie met veranderende duurzame mobiliteit.
De Stedelijke Ontwikkelingsstrategie geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. In de Update zijn zoekgebieden aangewezen die wij kansrijk vinden om te verdichten. We formuleren richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien.
De stedelijke ontwikkelingsstrategie
UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN
3
SAMENVATTING 3. Voortbouwend op het Tilburgse weefsel: de cultuurhistorische tijdslagen en het DNA van stad blijven zichtbaar. Daarvoor het nodig dat we gebiedsgericht werken en er op een passende wijze en mate wordt verdicht, ingeweven en vermengd. 4. Met maatschappelijk rendement en betrokkenheid: we creëren een actief proces van denken en doen met bewoners, marktpartijen, instellingen en andere partners om toegevoegde waarde te realiseren in de stad. Dit vindt plaats op verschillende abstractieniveaus; van het opstellen van beleid, het ontwikkelen van visies tot en met het ontwerpproces in verschillende gradaties van participatie tot co-creatie. De gebruiker staat hierbij centraal.
Samenwerking De opeenstapeling van verschillende ruimteclaims met name woningbouw en bedrijvigheid) kunnen we niet meer alleen en binnen onze gemeentegrenzen oplossen. We zoeken daarom nog sterkere samenwerking met onze buurgemeenten. Het Verstedelijkingsakkoord benutten we daarbij als kapstok voor gezamenlijke, gemeentegrensoverschrijdende, gebiedsuitwerkingen. Zo gaan we samen met de gemeente Oisterwijk en andere partners de ontwikkelingsstrategie voor de dorpen en het omliggende landschap uitwerken.
De uitvoering De ontwikkeling van woningbouwinitiatieven doen we samen met partners uit de stad. We zijn helder in onze ambities. De Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie is bedoeld om initiatieven te stimuleren die daaraan bijdragen. We nodigen partners dan ook van harte uit om op basis van de principes die beschreven zijn in deze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie voorstellen te doen die een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van Tilburg. We beoordelen initiatieven op hun meerwaarde voor de stad. Om daadwerkelijk tot uitvoering te komen is uitwerking per gebiedsontwikkeling nodig. Voor de Pact-wijken worden ruimtelijke gebiedsperspectieven gemaakt. Deze perspectieven worden gemaakt voor initiatiefnemers van woningbouwprogramma’s zoals ontwikkelaars en woningcorporaties. Daarnaast zijn ze van belang voor afstemming op gebiedsniveau met andere beleidsvelden en voor bespreking met bewoners en andere stakeholders in de wijken, die meedenken over de ontwikkeling van het gebied.
De ruimtelijke uitwerking pakken we integraal op: dat wil zeggen dat we ook kijken naar wat er nodig is op het gebied van mobiliteit (parkeerplaatsen of bijvoorbeeld gedeeld autogebruik), de behoefte aan voorzieningen zoals scholen en openbaar groen en nieuwe bedrijven. Vergroenen en het klimaatadaptief maken van de buurt zijn daarbij belangrijk. Met name in de PACT-wijken kijken we welke extra maatschappelijke voorzieningen er nodig zijn. Gezien de grote woningbouwopgave is het belangrijk dat er versnelling komt in de realisatie van het aantal woningen in combinatie met het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Dit willen we bereiken door vier verbeteringen van onze bestaande werkwijze: 1. Opgaven meer systematisch te prioriteren. Onze ambtelijke capaciteit richten we met name op grotere integrale gebiedsontwikkelingen, waar we vaker de regierol gaan pakken en sturen op het resultaat. 2. Te beoordelen wat extra nodig is om het tempo hoog te houden. Dit doen we periodiek voor alle ontwikkelingen. Denk hierbij aan planologische, programmatische of financiële maatregelen. 3. Eerder in het proces samen te werken met zowel marktpartijen als corporaties, zodat bouwinitiatieven direct bij de start ‘de juiste richting’ meekrijgen. We geven zo vroeg mogelijk richting initiatiefnemers aan wat we belangrijk vinden en waar we strak op sturen. 4.
Meer gebiedsgericht in plaats van projectgericht zaken op te pakken en inwoners en de wijk conform het actieplan inwonersparticipatie centraal te stellen.
UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN
4
INHOUDSOPGAVE 6.3
Verdichtingsprincipes 33
1.
Inleiding 6
7.
Potentiële verdichtingslocaties 36
1.1 1.2 1.3
Inleiding 7 Wat is de stedelijke ontwikkelingsstrategie Wonen? 8 Leeswijzer 8
7.1 7.2 7.3
Inleiding 37 Soorten verdichtingslocaties 37 Potentiële verdichtingslocaties 37
2.
Context Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 9
8.
De woningbouwopgave in relatie tot andere ruimtevragers 43 Inleiding 44 Bedrijvigheid op bedrijventerreinen 44 (Gedeeltelijke) transformatie van bedrijventerreinen naar wonen 44 Kantoren 45 Detailhandel en horeca 45 Maatschappelijke voorzieningen 45 Leisure 46 Groen 46 Mobiliteit 47 Energietransitie 48
2.1 Inleiding 10 2.2 Nationale Omgevingsvisie, Verstedelijkingsstrategie, Verstedelijkingsakkoord Breda-Tilburg en gemeentelijke kader 10 2.3 Nieuwe stedelijkheid 11 2.4 Onze bijdrage 13 2.5 Wat vragen wij van onze partners 13
3.
Trends en ontwikkelingen 14
3.1 3.2
Inleiding 15 Trends en ontwikkelingen 15
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7 8.8 8.9 8.10
4.
De opgave 18
9.
Werkagenda 49
4.1 4.2 4.3 4.4
Inleiding 19 De kwalitatieve opgave 19 De kwantitatieve opgave 21 Uitwerking naar gebieden 22
9.1 9.2 9.3 9.4
Inleiding 50 Bouwen, bouwen, bouwen 50 Prioritaire gebiedsontwikkelingen, versnellings- en onderzoekslocaties 51 Vervolgopgaven 52
5.
Kansen en bedreigingen 23
Bijlagen 55
5.1 5.2 5.3
Inleiding 24 Kansen 24 Bedreigingen 27
6.
Ontwikkelingsstrategie en verdichtingsprincipes
Bijlage 1. Benchmark 56 Bijlage 2. Bijstelling van onze kwalitatieve opgave 57 Bijlage 3. Een analyse van de ontwikkeling van Tilburg 59 Bijlage 4. Potentiële verdichtingslocaties met indicatieve woningaantallen, ambities, dilemma’s, opgaven en planning 63
6.1 6.2
Inleiding 30 Uitgangspunten ontwikkelingsstrategie 30
29
UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN
5
1. INLEIDING
UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN
6
1. INLEIDING 1.1 Inleiding De gemeente Tilburg heeft voor de komende jaren een forse woningbouwopgave, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. In 2018 hebben we een update van onze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen vastgesteld om richting te geven aan onze woningbouwopgave. Deze is, samen met de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de Woonagenda 2020-2025 richtinggevend voor de keuzes die we maken bij nieuwe woningbouwinitiatieven. De Gebiedsprofielen Wonen die gelijktijdig met deze ontwikkelingsstrategie zijn opgesteld ondersteunen de advisering op initiatieven vanuit de specifieke kenmerken en opgaven per gebied.
De Stedelijke Ontwikkelingsstrategie geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave.
Twee ontwikkelingen vragen op dit moment opnieuw om actualisatie van de Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen: 1. De nieuwe bevolkings- en woningbehoefteprognoses van de provincie Noord-Brabant (sept. 2020) zijn fors hoger en van een hele andere orde dan de prognoses uit 2017. Deze prognoses zijn aanleiding om de groeiambitie van 950 woningen per jaar aan te passen naar 1.500 woningen. Dat vraagt om goed naar de ontwikkeling van de stad te kijken, zowel op het gebied van beleid als uitvoering. 2. De Nationale Omgevingsvisie is in het najaar van 2020 vastgesteld. Deze geeft richting aan verstedelijkingsopgaven. De Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen biedt het kader voor de gemeente Tilburg op het gebied van wonen, is input voor het Verstedelijkingsakkoord Stadsregio Breda-Tilburg (SRBT), en is in samenhang met het Verstedelijkingsakkoord opgesteld.
UPDAT E ST EDEL IJKE ONT WIKKEL INGSST RAT EGIE WONEN
7
1. INLEIDING 1.2 Wat is de stedelijke ontwikkelingsstrategie Wonen? De Stedelijke Ontwikkelingsstrategie geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. In de Update zijn zoekgebieden aangewezen die wij kansrijk vinden voor verdichting. Ook hebben wij richtinggevende verdichtingsprincipes geformuleerd, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien. De woningbouwopgave realiseren we grotendeels in de bestaande stad, waarbij we het bestaand stedelijk gebied efficiënter benutten door intensivering en het slim combineren van functies. We noemen dat ook wel verdichting. Hoewel de focus van deze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie op wonen ligt, zoeken we juist naar de samenhang met andere opgaven in de stad. Het gaat erom dat we een toekomstbestendige stad blijven, dat wil zeggen duurzaam, inclusief en vitaal. En dat is meer dan alleen maar het realiseren van extra woningen in de bestaande stad. Met deze Stedelijke Ontwikkelingsstrategie nodigen we onze partners nadrukkelijk uit om met hun plannen bij te dragen aan deze maatschappelijk opgaven. De Stedelijke Ontwikkelingsstrategie is een bouwsteen voor de integrale ruimtelijke visie, de Omgevingsvisie Tilburg.