07 Toelichting zonder bijlagen
Tekst van het document
Aan de oostzijde komt een fietsenstalling die bereikbaar is via het bestaande fietspad, zodat het auto- en fietsverkeer wordt gescheiden. De voetpaden leiden allemaal naar een centrale as. Dit zorgt voor een veilige route vanuit de busjes naar de entree van de school. Op de centrale as heeft men voorrang ten opzichte van het gemotoriseerde verkeer. Aan de Prof. van Buchemlaan ligt het ETZ Elisabeth Busstation waar 2 stadslijnen en een streeklijn langskomen met een frequente dienstregeling (overdag 6 bussen/uur naar het treinstation). Tevens is er een bushalte aan de Hilvarenbeekseweg nabij de huidige hoofdingang van het ziekenhuis. Hiermee is het terrein goed ontsloten met het openbaar vervoer. Conclusie Voor zowel de 1e fase als de eindsituatie kan een goede en veilige verkeerssituatie worden gecreëerd. Er vindt een scheiding plaats tussen het halen en brengen van de kinderen, het parkeren voor personeel en langzaam verkeer, met name door het verkeer af te wikkelen over meerdere in- en uitgangen. Hiermee vindt drukverdeling plaats en zijn de wachttijden voor het verlaten van het parkeerterrein acceptabel.
Planstandaard Tilburg 2018
18
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad. a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879). ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft “Kampina & Oisterwijkse Vennen" op 3,1 kilometer van het plangebied. Met het project wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Een toename van stikstofemissie is mogelijk te verwachten. 4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 5). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg heeft besloten dat voor de verplaatsting van OCL naar het parkeerterrein ETZ geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.
4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren. Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het
Planstandaard Tilburg 2018
19
bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude. De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels. In het kader van Bedrijven en Milieuzonering is een aanvullend onderzoek uitgevoerd (Quick scan bedrijven en milieuzonering verplaatsing Onderwijscentrum Leijpark, SAB, kenmerk: 220323, datum: 13-9-2022) bijlage 6 Het projectgebied bevindt zich ten zuidoosten van de Tilburgse bebouwde kom. De locatie grenst aan het Tilburgse ziekenhuis. Ter plekke van het onderzoeksgebied ligt momenteel de bezoekersparkeerplaats van het ETZ. Er zijn meerdere functies aanwezig in de buurt van het projectgebied.
Ten noorden van de Professor van Buchemlaan en ten zuiden van de Hilvarenbeekseweg zijn woonfuncties aanwezig. Aan de zuidzijde van de snelweg zijn enkele gronden bestemd voor bedrijvigheid, agrarisch en ook wonen. De gronden van het ziekenhuis zijn bestemd voor maatschappelijke doeleinden. Daarnaast is de planlocatie gelegen binnen de invloedssfeer (en wettelijke geluidzone) van de A58 (hoofdinfrastructuur). Derhalve is er in de directe omgeving van de ontwikkellocatie zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van een afwisseling van functies. De omgeving kan daarom als een ‘gemengd gebied’ getypeerd worden. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNG-procedure dienen te worden aangehouden, met verlaging van één afstandsstap (met uitzondering van het aspect ‘gevaar’). Uitwaartse zonering Ten aanzien van hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling op de omliggende hindergevoelige functies wordt geconcludeerd dat er aan de richtafstanden voor gemengd gebied wordt voldaan. Deze afstanden worden in alle gevallen in de maximaal planologische situatie voldaan. Inwaartse zonering Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er aan de richtafstanden voor gemengd gebied wordt voldaan.
Deze afstanden worden in bijna alle gevallen in de maximaal planologische situatie voldaan. Enkel voor de bestemming ‘maatschappelijk’ van het bestemmingsplan ‘St. Elisabeth ziekenhuis e.o. 2009, 1e herziening’ wordt pas in de feitelijke situatie voldaan. Gebaseerd op bovenstaande conclusies vormt bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d.
14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.
Planstandaard Tilburg 2018
20
Dit houdt in dat: <0000> wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; <0000> kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; <0000> met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; <0000> nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; <0000> de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. De locatie is gelegen binnen 2 kilometer van een aantal geitenhouderijen. Het geitenmoratorium van de gemeente Tilburg gaat primair over woningbouw, maar enkele specifieke gevoelige bestemmingen (waaronder kinderopvang) worden ook benoemd.
De onderwijslocatie betreft specifiek een onderwijsvoorzieining, maar het kan niet uitgesloten worden dat bij de ontwikkeling van OCL geen kinderopvang gerealiseerd wordt. Omdat het de verplaatsing betreft van de huidige onderwijsvoorziening (welke ook reeds binnen 2km van dezelfde geitenhouderijen ligt) én het een binnenstedelijke inbreidingslocatie betreft levert het geitenmoratorium geen beperking op voor de voorgenomen vestiging van OCL op de planlocatie.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron.
Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Quick scan Externe Veiligheid (bijlage 7) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda – Tilburg en de rijkswegen A58/A65. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Planstandaard Tilburg 2018
21
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda – Tilburg en de rijkswegen A58/A65. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden -en West Brabant heeft op 13 februari 2023 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.
In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem) en NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Het bouwwerk dient voorzien te zijn van een afsluitbare mechanische ventilatie. De BHV-ploeg zal hiervoor worden geïnstrueerd en regelmatig oefenen. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet niet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Voor overschrijdingen van de opkomsttijd wordt directe alarmering naar de meldkamer toegepast en zal de BHV-ploeg hulpdiensten begeleiden. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.5.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe onderwijslocatie wordt gerealiseerd binnen wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen") respectievelijk hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer: • Rijksweg A58 en A65; • Hilvarenbeekseweg, Professor van Buchemlaan en Leijweg (50 km/uur); • Berglandweg (deels 50/deels 30 km/uur); Ingevolge de Wgh geldt voor onderwijslocaties een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Voor de oprichting van de onderwijslocatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (“Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai – Tilburg Onderwijscentrum Leijpark”, SAB, projectnr. 220323, versie 1, dd. 14 april 2023) bijlage 9 en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh plaatsgevonden. Ten gevolge van de autosnelwegen A58 en A65 wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor Rijkswegen overschreden. Vanwege deze overschrijding dienen de zuidoostgevels van de onderwijslocatie ‘doof’ te worden uitgevoerd.
Voor de zuidwestelijke en noordoostelijke gevels wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden en dient een Hogere Waardenbesluit genomen te worden.
Planstandaard Tilburg 2018
22
Als gevolg van de Hilvarenbeekseweg en Professor van Buchemlaan wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB voor gemeentelijke wegen wordt niet overschreden. Als gevolg hiervan dient een Hogere Waardenbesluit genomen te worden. Als gevolg van de Berglandweg en de Leijweg wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Bij het vaststellen van een HW besluit is het Hogere Waardenbeleid van de gemeente Tilburg van toepassing. Voor onderwijslocaties volgen hier geen aanvullende voorwaarden uit ten aanzien van geluidluwe gevels en/of geluidluwe buitenruimten. Wel dient middels een aanvullend onderzoek gevelisolatie bij de vergunningaanvraag bouwen aangetoond te worden dat de eisen ten aanzien van het binnenniveau conform het Bouwbesluit worden gerespecteerd. Eventuele geluidisolerende maatregelen die volgen uit dit onderzoek zullen worden geborgd in de vergunning. 4.5.2 Railverkeerlawaai De nieuwe onderwijslocatie ligt niet binnen het "aandachtsgebied" van het spoortraject Tilburg’s-Hertogenbosch/Eindhoven of Breda-Tilburg. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing 4.5.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.
Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw. 4.5.4 Luchtvaartlawaai Geluidzones Gilze-Rijen Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. Landingsplaats Traumahelikopter In de omgeving van het plangebied is een landingsplaats aanwezig voor een traumahelikopter (t.b.v. het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis (ETZ)). Het Activiteitenbesluit bevat regels voor de inzet van traumahelikopters in het kader van spoedeisende medische hulpverlening. De geluidvoorschriften van de artikelen 2.17 tot en met 2.22 van het Activiteitenbesluit zijn niet van toepassing op het gebruik van traumahelikopters (vanwege het spoedeisende karakter van de vluchten met traumahelikopters). In plaats daarvan gelden de voorschriften van paragraaf 3.3.6 "Het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen". De voorschriften bevatten een grenswaarde voor het geluidsvermogen van een traumaheli en gedragsvoorschriften ter beperking van geluidhinder.
De voorschriften zijn zodanige opgesteld dat deze de inzet van traumahelikopters bij spoedeisende hulpverlening niet belemmeren. Ook voorkomen ze onnodige geluidsoverlast door het beperken van het gebruik van traumahelikopters voor niet medisch urgente doeleinden. Het is niet mogelijk om met maatwerkvoorschriften andere of aanvullende voorschriften voor helikopters voor te schrijven. In de voorschriften is onderscheid gemaakt tussen helitraumacentra en andere ziekenhuizen. De locatie ETZ in Tilburg betreft geen helitraumacentra, en valt daarmee onder ‘andere ziekenhuizen’. Het bronvermogenniveau van een helikopter bij een helitraumacentrum mag niet hoger zijn dan 140 dB(A). Niet-helitraumacentrum hebben geen traumahelikopters in eigen beheer. Daarom gelden bij een niet-helitraumacentrum geen eisen voor het geluidsvermogenniveau. Ondanks dat deze eis niet gesteld kan worden voor deze locatie, voldoen de huidige vloot van Nederlandse traumaheli’s volledig aan dit maximale bronvermogenniveau. In de huidige situatie is de landingsplaats gelegen op ca. 250 meter van de planlocatie. In verband met de nieuwbouwplannen van het ETZ zal de landingsplaats verplaatst worden. In de toekomstige situatie zal de
Planstandaard Tilburg 2018
23
landingsplaats op ca. 400 meter van de planlocatie gesitueerd worden. De aanvlieg- en vertrekroutes in zowel de huidige als de toekomstige situatie zullen niet over de planlocatie voor OCL liggen.
4.6 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De planlocatie is gelegen binnen 300 meter van de A58 ligt. Daarmee is het “Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteitseisen” van toepassing. Op basis daarvan is een nieuwe vestiging van een onderwijslocatie binnen 300 meter van een Rijksweg niet mogelijk, tenzij aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. Om deze randvoorwaarden te toetsen is een luchtkwaliteitsonderzoek (Onderzoek luchtkwaliteit Tilburg, Onderwijscentrum Leijpark, SAB, Projectnummer: 220323. datum: 7-4-2023) bijlage 10 uitgevoerd. Hiermee is de haalbaarheid van de vestiging van het OCL op de beoogde nieuwe locatie getoetst ten aanzien van luchtkwaliteit.
De randvoorwaarden zijn getoetst en de conclusie is dat daaraan voldaan wordt: <0000> Op de beoogde planlocatie is geen sprake van dreigende overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen als gevolg van de A58; <0000> De beoogde aanleg/reconstructie van de nieuwe Leijweg en Dr. Bloemenlaan leidt niet tot een (dreigende) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen op de beoogde locatie; <0000> De planontwikkeling zelf voldoet aan het NIBM (Niet In Betekenende Mate) criterium. Daarmee vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7 Geur 4.7.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In de omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie aanwezig. De planontwikkeling maakt ook geen functies mogelijk met een industriële geuremissie. Daarmee is industriële geur geen belemmering voor deze ontwikkeling. 4.7.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel
Planstandaard Tilburg 2018
24
(V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. In de omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven met een relevante agrarische geuremissie aanwezig. De planontwikkeling maakt ook geen functies mogelijk met een agrarische geuremissie. Daarmee is agrarische geur geen belemmering voor deze ontwikkeling.
4.8 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. In opdracht van SAB zijn een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd. In 2022 is door De Klinker B.V. een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd om te ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken (kenmerk K2220212, d.d. 19 oktober 2022). De resultaten van dat onderzoek duidden op meerdere verontreinigingen, waarbij de samenhang tussen de verontreinigingen en de doorkijk naar realisatie van de nieuwe bestemming nog voor te veel hiaten zorgde. Om met het oog op de omgevingsvergunningen de gebruiksmogelijkheden tot het terrein beter in beeld te krijgen heeft Antea Group begin 2023 opdracht gekregen tot het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek (kenmerk 0483615.100, d.d. 31 maart 2023 bijlage 11).
De in het voorgaande onderzoek aangetoond verontreinigingen zijn in het onderzoek van Antea Group verder in beeld gebracht: <0000> Centraal op het terrein is ook na afronding van het onderzoek van Antea Group nog sprake van een sterke grondverontreiniging met PAK, waarvan de omvang - en daarmee de noodzakelijke vervolg acties in het kader van de Wbb - niet bekend is. De betreffende grondverontreiniging bevindt zich ter plaatse van de voorgenomen bebouwing; <0000> Zuidwestelijk op het terrein, nabij de inrit vanuit de Professor van Buchemlaan is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen in de grond. De verontreiniging is voldoende in beeld en zal bij voorgenomen graafwerkzaamheden met een saneringsplan moeten worden gesaneerd; <0000> Lokaal zijn verder sterke verontreinigingen aangetoond, waarbij is vastgesteld dat deze een omvang hebben van minder dan 25 m3 sterk verontreinigde grond. Dat betekent dat hier geen sprake is van een geval en volgens de Wbb geen sanerende handelingen noodzakelijk zijn; <0000> Behoudens de aangetroffen verontreinigingen zijn in de bodem diverse bijmengingen met puin aangetroffen.
Puin is in principe verdacht op de aanwezigheid van asbest en gezien die verdachtmaking niet met het bodemonderzoek is weerlegt blijft dit wel een aandachtspunt Behoudens genoemde rapporten is van de omgeving van het terrein bekend dat op het terrein van Berglandstraat 22 sprake is van een beschikte grondwaterverontreiniging met VOCl. Deze vlek reikt niet tot het terrein van de herontwikkeling. Bij bronnering vormt het wel een aandachtspunt (kenmerk AA085534936, d.d. 29 maart 2021). Resume van uitgevoerde onderzoeken en projectie op bestemmingsplantoets: <0000> <0000>
Milieutechnisch (bodem)onderzoek Hilvarenbeekseweg (ong.) Tilburg, De Klinker B.V., kenmerk K2220212, d.d.: 19 oktober 2022. Aanvullend bodemonderzoek Hilvarenbeekseweg ong. te Tilburg, Antea Group, kenmerk 0483615.100, d.d. april 2023.
Met uitzondering van de grondverontreiniging met PAK ter plaatse van de toekomstige bebouwing én de puinhoudende bijmengingen in de bodem vormen de resultaten geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanherziening. De grondverontreiniging met PAK is nog niet voldoende in beeld, waardoor geen
Planstandaard Tilburg 2018
25
uitspraak kan worden gedaan met betrekking tot risico’s voor het toekomstig gebruik. Betreft het puin in de bodem is niet bekend of ter plaatse risico’s zijn ten aanzien van asbest. Er moet daarom aanvullend onderzoek worden uitgevoerd, gericht op beide aspecten. Conclusie Ter plaatse van het plangebied is bodemverontreiniging aangetoond. Hierbij is op het moment van opstellen van de bodemparagraaf niet voldoende onderzoek uitgevoerd om een geval van ernstige bodemverontreiniging uit te sluiten (PAK ter plaatse van geplande bebouwing) en is al wel vastgesteld dat buiten het bouwvlak sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvoor bij vergraving sanerende handelingen noodzakelijk zijn (zware metalen nabij inrit). Ook is niet bekend of sprake is van asbesthoudend puin in de bodem. In het bestemmingsplan is een voorwaarde opgenomen waar in staat dat het gebied geschikt moet worden gemaakt voor het toekomstige gebruik. Aan die voorwaarde moet worden voldaan alvorens men met grondwerkzaamheden mag starten. Tevens zal een saneringsplan verplicht zijn. De inrichting van het saneringsplan is afhankelijk van de invulling van de voorwaarden, de uiteindelijke bouwplannen en de inrichting van het gebied. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg.
De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
4.9 Natuur en ecologie 4.9.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen.
Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen
Planstandaard Tilburg 2018
26
te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones.
Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.9.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit.
Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. 4.9.3 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op circa 3 kilometer afstand. Omdat negatieve effecten op voorhand niet uit te sluiten zijn heeft er een stikstoftoets plaatsgevonden, waarbij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase getoetst zijn. Uit de Aerius-berekeningen blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op voorwaarde dat tijdens de sloop en bouw (naast elektrisch handgereedschap) uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van de in de Aerius-berekening genoemde mobiele bronnen.
Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ongeveer 175 meter van het plangebied en betreft de Ecologische Verbindingszone van de Leij. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Er zijn geen effecten op het Natuurnetwerk Brabant te verwachten. Soortenbescherming
Planstandaard Tilburg 2018
27
Op 7 september 2022 is er een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd (bijlage 12). Er zijn geen beschermde natuurwaarden aangetroffen. Het plangebied betreft een grotendeels verhard terrein (parkeerterrein) met bomen in rijen. Grenzend aan het plangebied staan bomenrijen die van belang zijn als groenstructuur voor vleermuizen. Het is van belang dat deze structuren behouden blijven vliegroute voor vleermuizen. Daarnaast zijn de noord- en westelijke groenstructuren onderdeel van de stadsnatuurkaart 2040, het gemeentelijk ecologisch netwerk. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat de extra aan te leggen uitrit richting de Hilvarenbeekseweg niet breder mag zijn van 5 meter. Deze afstand is door de vleermuizen prima te overbruggen. Binnen het plangebied zijn geen nesten van zoogdieren of jaarrond beschermde vogels waargenomen. Wel is het mogelijk dat er vogels in de aanwezige beplanting kan nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen.
De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Natuurinclusief bouwen Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient aan getoond te worden dat voldaan wordt aan het puntensysteem natuurinclusief bouwen. Conclusie Er zijn geen effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten mits er gewerkt wordt met de in de berekening opgevoerde apparaten.
Effecten op beschermde natuurwaarden zijn redelijkerwijs uit te sluiten, mits de bestaande bomenstructuur grenzend aan het plangebied behouden blijft en er bij het verwijderen van bomen binnen het plangebied rekening gehouden wordt met het broedseizoen van vogels. De ontwikkeling biedt gelegenheid om invulling te geven aan het puntensysteem natuurinclusief bouwen.
Planstandaard Tilburg 2018
28
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023 Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 - 150 m2: <0000> indien niet vergunningplichtig: geen regenwateropgave <0000> indien wel vergunningplichtig: regenwateropgave volgens tabel 1 3. >150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1
Tabel 1 - regenwateropgave De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.
5.2 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1. Gebiedskenmerken Kenmerk
In plangebied
Stroomgebied
De Leij
Waterbeheerders
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel
Planstandaard Tilburg 2018
29
Bruto oppervlakte
Ca. 2 ha
5.3 Beleidskader Het waterschap De Dommel omschrijft de koers en ambities voor de periode 2022-2027 in het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2022 - 2027'. In dit plan is beschreven hoe het waterschap toewerkt naar een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Hierbij zijn de volgende drie disciplines van belang: <0000> Elke druppel vasthouden en laten infiltreren waar deze valt <0000> Functie past zich aan aan het bodem- en watersysteem <0000> Wat schoon is moet schoon blijven Het beleid uit het waterbeheerplan is verder uitgewerkt in de ‘Keur’. Hierin staan gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot de waterhuishouding. De regels uit de keur hebben tot doel de doorstroming van de wateren te waarborgen, overstromingen te voorkomen, droogte tegen te gaan en de leefbaarheid met en rondom het water te kunnen blijven garanderen. De Tilburgse 'Omgevingsvisie 2040' is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn de algemene uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. De omgevingsvisie en het klimaatbeleid zijn uitgewerkt in het 'Programma Water en Riolering' (PWR) 2020-2023. Momenteel wordt gewerkt aan een PWR voor de planperiode 2024-2028. Het beleid in het nieuwe PWR is grotendeels ongewijzigd t.o.v. het PWR van de planperiode 2020-2023. Ook het nieuwe PWR is gericht op een klimaatbestendige en aantrekkelijke gemeente.
Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. Voor de ontwikkeling van het OCL geldt het watercompensatiebeleid van 60mm over het totale verhard oppervlak. De opgave van 60 mm heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken.
5.4 Duurzaam watersysteem Oppervlaktewater en regenwater De ontwikkeling ‘zorgcampus’ zal lang duren. Er wordt daarom niet alleen gekeken naar de huidige situatie en de eindsituatie maar ook naar de ‘tijdelijke’ situatie die in dit geval wellicht meer dan tien jaar zal duren. Ook in deze periode moet het watersysteem voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden. De waterhuishouding is, in samenhang met de waterhuishouding van de rest van de zorgcampus, uitvoerig beschreven in het rapport ‘waterparagraaf OCL Zorgcampus te Tilburg, 12 april 2023, RHDHV’ (zie bijlage 16). In deze paragraaf worden alleen de begin- en eindsituatie voor het deelgebied OCL beknopt beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het RHDHV rapport. In de huidige situatie is het plangebied ingericht als parkeerplaats en is er geen oppervlaktewater aanwezig. Wel ligt er direct ten oosten van het plangebied een retentievijver. Het regenwater van de parkeerplaats wordt naar deze vijver afgevoerd, vanuit deze vijver wordt het vertraagd afgevoerd naar de Nieuwe Leij. Ten zuiden van de zorgcampus ligt de Nieuwe Leij. Deze heeft een EVZ status. Hiervoor wordt, in nauwe samenwerking met het waterschap, een inrichtingsvisie opgesteld die aansluit bij de ontwikkeling op de zorgcampus. In de eindsituatie is er een centrale waterberging midden op de zorgcampus gerealiseerd.
Hierop is ook het OCL terrein aangesloten. Een voorlopige schets is opgenomen in de onderstaande figuur.
Planstandaard Tilburg 2018
30
Figuur: Schets regenwaterberging eindsituatie. Grondwater Tijdens het bodemonderzoek dat door De Klinker Milieuadviesbureau in oktober 2022 is verricht is de grondwaterstand aangetroffen tussen 2.3 en 2.6 m-mv. Let wel, dit betreft een momentopname. Op basis van de beschikbare grondwaterstandsgegevens is de grondwaterstandsfluctuatie op de onderzoekslocatie niet vast te stellen. Normaliter stijgt de grondwaterstand in deze periode om rond maart/april de maximale stand te bereiken. Volgens grondwatergegevens van de gemeente ligt de GHG in het zuiden van het plangebied op NAP +11,5 m. Dit is ca. 2 meter onder het bestaande maaiveld.
5.5 Watertoets Bij de totstandkoming van de waterparagraaf, en de onderliggende onderzoeken, is het waterschap nauw betrokken. Ook gedurende het vervolgtraject van de ontwikkeling zorgcampus en OCL zal het waterschap betrokken worden. Deze waterparagraaf is voor een voorlopig advies voorgelegd aan waterschap De Dommel.
Planstandaard Tilburg 2018
31
Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 De innovatiebepaling van de Crisis- en herstelwet In de aanloop naar de invoering van de Omgevingswet heeft de wetgever het wenselijk gevonden dat gemeenten kunnen experimenteren met de nieuwe mogelijkheden van het omgevingsplan. Daarom is in artikel 2.4 Chw de mogelijkheid opgenomen om ten behoeve van innovatie af te wijken van bepaalde wettelijke voorschriften. Deze innovatiebepaling is verder uitgewerkt in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw). In dit besluit is voor specifieke locaties bepaald van welke wettelijke voorschriften kan worden afgeweken. Voorliggend plangebied valt onder de reikwijdte van artikel 7c BuChw. Op grond van de bepaling kan in het kader van het platform 31-experiment 'Flexibele bestemmingsplannen' worden afgeweken van de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening. In de regels van dit plan wordt artikel 7c lid 6 BuChw toegepast door de uitleg van de toepassing van bevoegdheden in dit bestemmingsplan afhankelijk te stellen van beleidsregels. Met deze bepaling wordt vooruitgelopen op de vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteiten die na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in een omgevingsplan kan worden opgenomen.
In de volgende paragrafen worden ingegaan op de systematiek van de regels van dit bestemmingsplan en op welke wijze de innovatiemogelijkheden uit de Crisis- en herstelwet zijn toegepast.
6.2 Wijze van bestemmen Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, de planregels en een verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen nader worden ingevuld: via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding, bestaande uit een lijn, een figuur, een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de planregels iets specifieks geregeld. Dit kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook eigen regels hebben; De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.
Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
6.3 Algemene methodiek Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen worden opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: in dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de planregels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: in dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Het betreft regels voor het toegestane gebruik en bouwregels. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen, achter de bestemmingsregels. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld;
Planstandaard Tilburg 2018
32
3.
4.
Algemene regels: in dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel en algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings-, wijzigings-, procedure- en overige regels; Overgangs- en slotregels: in het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
6.3.1 Beschrijving van de hoofdbestemmingen In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: <0000> 'Groen'; <0000> 'Maatschappelijk' 'Groen' De bestemming groen bevat hoofdzakelijk bepalingen ten behoeve van de bestaande groenvoorzieningen. In deze bestemming zijn de aanduiding brug, voor de bestaande voetgangersbrug richting het Wolkatterrein en weg, voor de aan te leggen extra uitrit naar de Hilvarenbeekseweg opgenomen. Bij die laatste aanduiding is bepaald dat de inrit maximaal 5 meter breed mag zijn 'Maatschappelijk' De gronden binnen de bestemming 'Maatschappelijk' mogen worden gebruikt ten behoeve maatschappelijke voorzieningen waaronder een school. De maximale bouwhoogte en het maximale bebouwingspercentage voor bouwwerken binnen deze bestemming zijn op de verbeelding weergegeven. In deze bestemming wordt gebruik gemaakt van de innovatiemogelijkheden uit de Crisis- en herstelwet. Een omgevingsvergunning voor bouwen ten behoeve van deze bestemming kan alleen worden verleend als de activiteit waarvoor wordt gebouwd past binnen de beleidsregel 'Ontwikkelleidraad Zorgcampus - Beleidsregels ruimtelijke structuur'. 6.3.2 Algemene regels en Beleidsregels In de algemene regels van het bestemmingsplan zijn een aantal bepalingen opgenomen die een nadere toelichting behoeven.
Ondergrondse bouwwerken Binnen het plangebied mogen gronden die zijn bebouwd geheel worden aangewend voor ondergrondse bouwwerken, tenzij elders in de regels is bepaald dat ondergrondse bouwwerken niet zijn toegestaan. Voor onbebouwde gronden geldt dat 40% van de oppervlakte mag worden aangewend voor ondergrondse bouwwerken, tenzij elders in de regels is bepaald dat ondergrondse bouwwerken niet zijn toegestaan. Beschermwaardige bomen Binnen 15 m van beschermenswaardige bomen mogen geen werkzaamheden uitgevoerd worden die de boom kan schaden. Werkzaamheden zijn alleen toegestaan indien hiervoor een omgevingsvergunning is verkregen waarbij getoetst is of de boom geen schade zal ondervinden. Beleidsregels Er is een algemene regel opgenomen waardoor ook bij werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden. Hierdoor dient ook bij werkzaamheden voor de inrichting van het terrein getoetst te worden aan de beleidsregel 'Ontwikkelleidraad Zorgcampus - Beleidsregels ruimtelijke structuur'. In de planregels wordt voor de uitleg van de toepassing van de in het plan opgenomen bevoegdheid verwezen naar de beleidsregel 'Ontwikkelleidraad Zorgcampus - Beleidsregels ruimtelijke structuur'. Deze beleidsregels worden door de gemeenteraad vastgesteld en mogen alleen door de gemeenteraad worden gewijzigd.
Als de beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, wordt bij de toepassing van de beleidsregels rekening gehouden met de wijziging(en).
Planstandaard Tilburg 2018
33
6.3.3 Parkeren Gronden binnen het bestemmingsplan mogen uitsluitend worden gebruikt als kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Hierbij moet worden voldaan aan de parkeernormen en rekenmethode, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen en rekenmethode.
Planstandaard Tilburg 2018
34
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Dit bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een te realiseren ontwikkeling op gemeentelijke grond. Het verhaal van kosten die de gemeente moet maken is 'anderszins verzekerd' door de gemeentelijke gronduitgifte. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de grondexploitatie, die is opgenomen in de gemeentelijke begroting. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Planstandaard Tilburg 2018
35
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 1 mei 2023 gepubliceerd in het gemeenteblad.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Aangezien met deze ontwikkeling geen provinciale en rijksbelangen zijn gemoeid is het concept-ontwerpbestemmingsplan niet ingebracht in het vooroverleg.
8.3 Omgevingsdialoog Op 12 april 2023 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond gehouden in het Onderwijscentrum Leijpark. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Een verslag van de avond is bijgevoegd (bijlage 14.
8.4 Zienswijzen PM
Planstandaard Tilburg 2018
36
Bijlage bij toelichting
Bijlage 1 Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Bijlage 2 Archeologisch onderzoek Archeologisch onderzoek
Bijlage 3 Bomen inventarisatie Bomen inventariasatie
Bijlage 4 Verkeersonderzoek Verkeersonderzoek
Bijlage 5 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 6 Bedrijven en milieuzonering Quick scan bedrijven en milieuzonering
Bijlage 7 Externe veiligheid Externe veiligheid
Bijlage 8 Advies brandweer Advies brandweer
Bijlage 9 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 10 Onderzoek luchtkwaliteit Onderzoek luchtkwaliteit
Bijlage 11 Bodemonderzoek Bodemonderzoek
Bijlage 12 Natuuronderzoek Natuuronderzoek
Bijlage 13 Stikstofonderzoek Stikstofonderzoek
Bijlage 14 Verslag omgevingsdialoog Verslag omgevingsdialoog
Bijlage 15 ontwikkelleidraad Zorgcampus aanvulling Ontwikkelleidraad Zorgcampus definitief
Bijlage 16 Waterparagraaf Waterparagraaf