CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Toelichting en regels Schoorstraat Vincentius Udenhout

Raadsvergadering 6 juli 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 8e herziening (Schoorstraat Vincentius)22.064 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Schoorstraat, Tilburg; 18863'.

76

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

categorie

grenswaarde

2019

2020

2030

jaargemiddelde concentratie NO2

40 µg/m³

18,3

17,2

11,8

jaargemiddelde concentratie PM10

40 µg/m³

18,3

18,4

15,6

jaargemiddelde concentratie PM2.5

25 µg/m³

10,9

11,5

9,0

35

6,4

6,5

6,0

overschrijdingsdagen per jaargemiddelde concentratie PM10

Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.7

Geur

5.7.1

Industriële geurhinder

In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

5.7.2

Agrarische geurhinder

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan en dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven (omgekeerde werking). Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden (100 meter binnen de bebouwde kom). De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

77

5.7.3

Conclusie

Het initiatief omvat wel nieuwe geurgevoelige objecten, maar ligt niet in de directe omgeving van veehouderijen. Het uitvoeren van een geuronderzoek is niet nodig.

5.8

Bodem

5.8.1

Inleiding

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

5.8.2

Analyse

Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Lankelma uit Oirschot een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodem- en asbestonderzoek Locatie Vincentius, Schoorstraat 2a Udenhout" (3 december 2020, 1902808). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 10. Lankelma concludeert dat middels onderhavig bodemonderzoek de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater is vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande ontwikkeling op deze locatie. Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: 

wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de bovengrond indicatief als zijnde klasse AW2000 bestempeld. De ondergrond is indicatief bestempeld als klasse AW2000, met als uitzondering MM5 en boring B406;

het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag.

78

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

5.8.3

Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.9

Natuur en Ecologie

5.9.1

Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: 

Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

79

Overige inheemse broedvogels

Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn

Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)

Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en

80

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

5.9.2

Analyse plangebied

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Verstorende effecten Gezien de aard en omvang van het plan en de afstand tot Natuurnetwerk Nederland kan worden geconcludeerd dat het plan geen verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland. Stikstofdepositie DLV advies heeft een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd zoals opgenomen in bijlage 11. De onderbouwende raportage is bij de start van het project opgesteld (4 december 2019). Op 31 januari 2022 is met de meest recente Aerius-tool een nieuwe stikstofberekening uitgevoerd. Hierin is de gebruiksfase van het plan beoordeeld. Daaruit volgt dat het plan geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft. Beschikking Op 6 augustus 2021 is een aanvraag voor een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor het realiseren van een woningbouwproject aan de Schoorstraat 4, 5071 RA te Udenhout, in de gemeente Tilburg aangevraagd.

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

81

Op 6 april 2022 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant uit de bij de aanvraag aangeleverde stukken geconcludeerd dat de aangevraagde activiteit, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, geen significante gevolgen kan hebben voor de Natura 2000-gebieden ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Zij hebben de gevraagde vergunning verleend ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Deze is opgenomen in bijlage 12. Soortenbescherming Quickscan flora & fauna Wet natuurbescherming Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Gras Advies uit Almelo heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de effecten van het plan op beschermde soorten te bepalen: rapport "Rapportage quickscan flora & fauna Wet natuurbescherming, Vincentius Udenhout" (14 juni 2019, BOI00319). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 13. Gras Advies concludeert dat: Vleermuizen De gebouwen in het projectgebied bieden geschikte rust- en/of verblijfplaatsen voor gebouw-bewonende vleermuissoorten in de vorm van spouwmuren met open stootvoegen en openingen in de dakbedekking en kozijnen. De bomen in het projectgebied vormen een verbinding met de laanbomen langs de Schoorstraat en Groenstraat.

Mogelijk vormen deze daarmee een vliegroute die het gebouw met mogelijke verblijfplaatsen verbindt met geschikt foerageergebied in de omgeving. Het projectgebied beschikt over een open veld met verschillende vegetatiestructuren en hoogtes wat geschikt is als foerageergebied. Nader onderzoek naar de functie van het projectgebied voor vleermuizen en/of een ontheffing op de Wet natuurbescherming is benodigd. Gierzwaluw De daken van het hoofdgebouw en de vleugels bevat dakpannen die scheef liggen, gebroken zijn of ontbreken. Daarmee is het dak geschikt als broedlocatie voor gierzwaluwen. De aanwezigheid van broedlocaties van gierzwaluwen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Een nader onderzoek naar de functie van het projectgebied voor de gierzwaluw en/of een ontheffingsaanvraag is benodigd.

82

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

Broedvogels Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bosschages niet te beschadigen tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten Naar aanleiding van bovenstaande conclusies heeft Gras Advies uit Almelo een aanvullend onderzoek naar beschermde soorten uitgevoerd, rapport: ''Rapportage aanvullend onderzoek beschermde soorten Wet natuurbescherming, Vincentius Udenhout'' (1 november 2019, BOI00419). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 14. Gras Advies concludeert dat: Vleermuizen De aanwezigheid van de volgende verblijfplaatsen is vastgesteld: 

In het hoofdgebouw: zomer- en kraamverblijfplaats laatvlieger (minstens 18 exemplaren), 1 verblijfplaats gewone grootoorvleermuis (minstens 10 exemplaren, mogelijk jaarrond verblijfplaats), 2 zomerverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis en 1 paarverblijf gewone dwergvleermuis.

In de westelijke vleugel: 1 kraamverblijfplaats gewone dwergvleermuis (ca. 20 exemplaren).

In de eerste oostelijke vleugel: 1 zomerverblijfplaats gewone dwergvleermuis.

In de kapel: 3 zomerverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis

De aanwezigheid van de volgende vliegroutes is vastgesteld: 

Van het hoofdgebouw over het dak van de westelijke vleugel naar de bomenrij: essentiële vliegroute gewone grootoorvleermuis.

Langs de bomen langs de Schoorstraat: essentiële vliegroute gewone dwergvleermuis en niet-essentiële vliegroute voor laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis.

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

83

De aanwezigheid van de volgende foerageergebieden is vastgesteld: 

Tussen de bomen ten noorden van de oostelijke vleugels: essentieel foerageergebied gewone grootoorvleermuis.

Ten zuidwesten van het hoofdgebouw en westelijke vleugel: niet-essentieel foerageergebied laatvlieger.

Rondom de bebouwing: niet-essentieel foerageergebied gewone dwergvleermuis.

De voorgenomen ontwikkeling resulteert in een negatief effect op of verlies van: 

1 zomer- en kraamverblijfplaats laatvlieger

1 zomer- of mogelijk jaarrond verblijfplaats grootoorvleermuis

1 kraamverblijfplaats

3 zomerverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis

1 paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis

1 essentiële vliegroute gewone grootoorvleermuis

mogelijk 1 essentieel foerageergebied gewone grootoorvleermuis

Gierzwaluwen Gelet op het ontbreken van nestplaatsen en een functie als foerageergebied voor gierzwaluwen, is van een negatief effect op gierzwaluwen geen sprake. Bomen Gelet op de functie als essentieel foerageergebied voor gewone grootoorvleermuizen van het totaal aan bomen aan de noordzijde van de oostelijke vleugels, resulteert kap van een of meer van deze bomen mogelijk in verlies van de functie als essentieel foerageergebied. De bomen vervullen geen functie voor andere beschermde soorten. Wet natuurbescherming Voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling is een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de gewone grootoorvleermuis, de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Houtopstanden Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

84

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

5.9.3

Ontheffing

Op 19 april 2021 is een aanvraag voor een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor het overtreden van verboden ten aanzien van beschermde soorten, dit als gevolg van het restaureren van de gevels van de westelijke vleugel, eerste oostelijke vleugel en het hoofdgebouw van het rijksmonument Vincentius en het inpandig renoveren tot woningen, en de sloop van de meest oostelijk gelegen vleugels ten behoeve van woningbouw op deze locatie, uit te voeren aan de Schoorstraat 4, 5071 RA te Udenhout, in de gemeente Tilburg aangevraagd. In bijlage 16 is het Projectplan ten behoeve van de aanvraag ontheffing opgenomen. Op 7 april 2022 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant besloten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in de ontheffing de ontheffing te verlenen. In bijlage 15 is deze ontheffing met bijbehorende bijlagen opgenomen. In het kader van de ontheffing worden nieuwe bomen geplant zoals opgenomen op de in bijlage 5 bij de regels opgenomen bomentekening. Deze aanplant is ook opgenomen als voorwaardelijke verplichting.

5.9.4

Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

85

86

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

6.1

Bestaand watersysteem

Oppervlaktewater Er is in de huidige situatie binnen of direct aansluitend aan het plangebied geen oppervlaktewater. Op ca 100 meter van het plangebied bevinden zich A- en B-watergangen.

BESTAANDE SITUATIE AFVALWATER, HEMELWATER ENOPPERVLAKTEWATER

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

87

Waterschapsbelangen

KAART BESCHERMDE GEBIEDEN KEUR

88

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

Het plangebied ligt niet in een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning. Het plangebied ligt op ca. 100 m van beschermde gebieden en binnen het invloedsgebied van Natura 2000. Riolering In de huidige situatie sluit het plangebied aan op de bestaande riolering aan de Schoorstraat. In de watertoets (bijlage 17) wordt rekening gehouden met genoemde bestaande watersituatie.

6.2

Beleidskader

De verschillende overheidslagen hebben hun waterbeleid vastgelegd in diverse beleidsdocumenten. De algemene strekking met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen betreft: 

het scheiden van het schone hemelwater en het vuile afvalwater;

het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein, of middels een gezamenlijke voorziening heeft de voorkeur boven afvoer via het oppervlaktewater.

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

6.2.1 

Nationaal niveau

Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er is beschreven hoe wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

klimaatadaptatie

waterveiligheid

zoetwater en waterverdeling

waterkwaliteit en natuur

scheepvaart en

de functies van de rijkswateren.

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

89

Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot het aanscherping van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's.

Kaderrichtlijn Water (KRW) Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen.

6.2.2 

Provinciaal niveau (Noord-Brabant)

Het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. De doelen van het PMWP zijn:

voldoende water voor mens, plant en dier

een schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht)

bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s

verduurzaming van grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening

90

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

6.2.3

Waterschap De Dommel

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap De Dommel. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in: 

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma is een strategisch document. Hierin wordt aangegeven wat de doelen zijn voor de periode 22022-2027 en hoe het waterschap dit wil bereiken. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie. De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen. De ambitie en de verandering zijn gericht op:

van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal;

van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied; 1. van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2000 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid. 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

91

benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. De realisatie van de nieuwe appartementen hebben een toename van het verhard oppervlak tot gevolg. In paragraaf 6.3 is de beschrijving van de watertoets opgenomen. 

De notitie Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk De beleidsnotitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk’ maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om de negatieve hydrologische consequenties te compenseren. Tevens zijn de navolgende toetsaspecten opgenomen: 1. afvoer uit het gebied; 2. oppervlaktewaterstanden; 3. overlast/schade; 4. grondwateraanvulling; 5. grondwaterstanden.

6.2.4 

Gemeente Tilburg

Programma Water en Riolering 2020 - 2023

Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.

92

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 - 150 m2: 

·indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave

·indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1

3. >150 m2: regenwateropgave volgens onderstaande tabel.

REGENWATEROPGAVE

De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.

6.3

Beschrijving watersysteem plangebied

Om de benodigde waterberging inzichtelijk te maken heeft Akertech een watertoets opgesteld: rapport "Rapportage watertoets ontwikkellocatie Vincentius te Udenhout" (17 mei 2022, 2019137). Het onderzoeksrapport is als bijlage 17 bijgevoegd.

6.3.1

Systeembeschrijving - Hemelwater

Akertech concludeert dat de bergingsopgave 60 mm is voor een oppervlak van 4.933 m². De totale bergingseis bedraagt 296 m³.

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

93

Binnen het plangebied worden verschillende bergingssystemen op verschillende locaties toegepast. Bij het invullen van de bergingsopgave zijn de volgende stappen doorlopen: 1. hemelwater wordt waar mogelijk vastgehouden op de plaats waar het valt; 2. hemelwater wordt verzameld in een berging (voorkeur bovengronds); 3. hemelwater wordt vertraagd afgevoerd uit de berging (infiltratie/afvoerconstructie).

6.3.2

Bergingslocaties

In de onderstaande afbeelding zijn de bergingslocaties aangegeven.

BERGINGSLOCATIES

Allereerst is gekeken naar locaties waar het mogelijk is hemelwater vast te houden op de plaats waar het valt. Hierbij zijn 4 mogelijke locaties naar voren gekomen: 1. Daken appartementencomplexen (D en E) 2. Rijbaan en Parkeerplaatsen in eigendom VVE (A + B) 3. Plat dak carports grondgebonden woningen (F) 4. Binnentuin (G) Na het vasthouden op locatie is gekeken naar potentiële bergingslocaties waar hemelwater geborgen kan worden. Hierbij zijn 3 mogelijke locaties naar voren gekomen: 1. Wadi op het voorterrein (C) 2. Wadi achter gebouw R (-) 3. Fundering onder rijbaan en p-plaatsen in eigendom VVE (A+B)

94

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

In de rapportage (bijlage 17) zijn de verschillende bergingslocaties nader beschreven. Door de kenmerken van het plan is het hemelwatersysteem opgedeeld in verschillende deelsystemen. De bergingsopgave kan binnen de beschikbare berging gerealiseerd worden.

6.3.3

Systeembeschrijving - Grondwater

Er komen verlaagde tuinen op 9,05+ en 9,40+. De verlaagde tuinen van 9,05+ worden tot 9,40+ waterdicht gemaakt. De GHG wordt aangenomen op 8,90+. Vanuit het waterschap is aangeven dat de vlakbij gelegen Natte Natuurparel (NNP) De Brand West qua waterhuishouding op orde is (geen vernattingsopgave), en dus zal dit het toekomstige grondwaterpeil niet beïnvloeden. Door rondom de bebouwing een drain te leggen (zie onderstaande afbeelding) met peilbeheersing op 8,70+ zullen tijdelijke pieken in het grondwater voorkomen worden en daarmee de mogelijke wateroverlast. De afvoer zal onder vrijverval plaatsvinden naar de terreinriolering, het gemeentelijk riool en de A-watergang. Deze A-watergang heeft een T=100 van 8,41+ zodat een vrije uitstroming mogelijk is. De drainageleidingen zullen aangesloten worden in een verzamelput waarna deze met een overstortmuur op 8,70+ zal afvoeren. De hoogte van 8,70+ ligt 20cm onder de aangenomen GHG. In het direct achterliggende gebied ligt de weg op 9,35+, en het middenterrein op ca. 9,05+ waarbij de wadi een overstort heeft op 8,50+. De GHG is een zeer tijdelijke situatie en geen permanente grondwaterstand. De afvlakking van de GHG met 20cm heeft daarom slechts een zeer beperkte negatieve invloed op de algemene grondwaterstand en het eventueel verdrogend effect temeer dat dit in de natte winterperiode zal plaatvinden, en niet in de droge zomerperiode.

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

95

GRONDWATERSYSTEEM

6.4

Afvalwater

In de huidige situatie zit het afvalwater aangesloten op het gemeentelijk gemengd riool in de Schoorstraat. In de nieuwe situatie zullen er twee appartementencomplexen bijgebouwd worden. Deze 3 gebouwen zullen met een verzamelleiding op de bestaande put weer aangesloten worden.

VUILWATERSYSTEEM

96

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

6.5

Waterkwaliteit

Er wordt gestreegd naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Van de initiatiefnemer wordt vereist dat deze het vrijkomende regenwater niet onnodig vervuild en daarom geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt.

6.6

Samenvatting

Door bouwkundige aanpassingen, zoals waterdichte constructie tot 9,40+, en het toepassen van grondwaterpeilbeheersing op 8,70+ worden de risico's op (grond)wateroverlast voldoende beheerst. Vanuit het gemeentelijk- en waterschapsbeleid is de bergingsopgave bepaald van in totaal 296 m3. Door de kenmerken van het plan is het hemelwatersysteem opgedeeld in verschillende deelsystemen. De bergingsopgave kan binnen de beschikbare berging gerealiseerd worden. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat de waterbelangen voldoende evenwichtig zijn meegewogen bij de totstandkoming van dit plan.

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRATVINCENTIUS) | ONTWERP

97

98

BESTEMMINGSPLAN UDENHOUT UDENHOUT BESCHERMD DORPSGEZICHT, 8E HERZIENING (SCHOORSTRAAT VINCENTIUS) | ONTWERP

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12926317/2