CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Bijlage 4 Aanvulling MER

Raadsvergadering 15 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Wijkevoort26.858 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

48 (65)

vleermuizen, marterachtigen en huismus. Daartoe worden voor 3 percelen een aantal opstallen behouden en zal bij de aanpassing van het bestemmingsplan de aanduiding 'natuurontwikkeling' worden opgenomen. Op deze manier draag het bij aan het behouden en versterken van de Hultenseweg als kernleefgebied voor deze soorten. Van hieruit kunnen zij de nieuw te realiseren faunavoorzieningen in de bedrijfsgebouwen of op bedrijfskavels koloniseren. 4.3

Natuurnetwerk Brabant

4.3.1 Geluidbelasting Uit het MER blijkt dat binnen het studiegebied van bestaand NNB reeds sprake is van een gecumuleerde geluidbelasting hoger dan 45 dB(A). Het betreft geluidhinder als gevolg van wegverkeer én industrielawaai. De provincie Noord-Brabant hanteert 45 dB(A) als grens waarboven effecten gecompenseerd moeten worden. Elk oppervlak NNB dat als gevolg van het planvoornemen te maken krijgt met een geluidbelasting die hoger ligt dan 45 dB(A) moet daarom worden gecompenseerd. De provincie Noord-Brabant hanteert een rekenregel om te bepalen hoeveel oppervlakte gecompenseerd dient te worden. De in de regel gebruikte compensatiefactor bedraagt 1/3. De huidige situatie toont een volledig gecumuleerde overbelaste situatie van bestaand NNB binnen het studiegebied van 45 dB(A) en hoger. Er is een inschatting gemaakt van de effecten vanuit geluidsverstoring. In onderstaand figuur is gevisualiseerd hoe de geluidsbelasting verandert ten opzicht van de referentiesituatie. Te zien is dat de grote toenames ontstaan als gevolg van het bedrijventerrein en dat deze op of vlakbij het bedrijventerrein optreden. In het geval van VKA 44,6 zal dit zich beperken tot het gebied ten westen van het Wijckermeer. Uit de analyse van Eelerwoude (bijlage 1 bij deze aanvulling MER) blijkt dat er geen extra verstoring wordt verwacht op aanwezige soorten.

Figuur 4.1

Netto toename gecumuleerde geluidsbelasting > 45 dB(A) t.o.v. referentiesituatie

Naast effecten als gevolg van verstoring op soorten in de NNB, wordt een extra controle uitgevoerd of er als gevolg van het VKA inderdaad geen sprake is van uitbreiding van NNB-

49 (65)

gebied met een belasting groter dan 45 dB(A). Daarvoor moet een berekening worden uitgevoerd die niet in het tijdsbestek van deze aanvulling is gelukt. Deze controle zal worden uitgevoerd vóór vaststelling van het bestemmingsplan, de resultaten zullen worden verwerkt in de toelichting bij het bestemmingsplan. Mocht blijken dat er toch sprake is van gebieden waar de geluidbelasting boven de grens van 45 dB(A) komt, dan zal de daarbij behorende compensatie in beeld worden gebracht en worden vastgelegd in het bestemmingsplan. 4.3.2 Effecten NNB algemeen De plangrens van VKA 44,6 komt precies overeen met die van Variant 30 ha. Daarmee gelden de conclusies die zijn getrokken voor variant 30 ha gelijk ook voor VKA 44,6. Met dit VKA treedt geen ruimtebeslag op NNB-gebied op en daarmee ook niet op de Groenblauwe mantel (die aan de zijdes van Wijkevoort overlapt met het NNB). Wel is er sprake van potentiële versnippering van de Groote Leij als gevolg van de twee verbindingswegen die worden aangelegd en deze beek kruisen. Door de aanleg van natuur rondom de beek en de realisatie van faunapassages worden deze effecten echter zodanig gecompenseerd, dat er geen effecten optreden. Voor verstoring door geluid: zie 4.3.1. In de Ontwikkelleidraad zijn voor lichthinder beleidsregels opgenomen.

Deze beleidsregels moeten onder andere voorkomen dat er sprake is van lichthinder op omliggende natuurgebieden. Voor de realisatie van VKA 44,6 is daarmee geen sprake van compensatie van NNB gebied. Er kan worden voldaan aan de vereisten van de omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.4 Biodiversiteit De maatregelen in de groenblauwe structuur die worden uitgevoerd als (wettelijk) verplichte maatregel c.q. compensatiemaatregel zijn als volgt: · Het realiseren van de ecologische verbindingszone (evz) Hultensche Leij en Groote Leij als 50 meter brede in plaats van 25 meter brede zones (de realisatie van 25 meter brede zones wordt als autonome ontwikkeling beschouwd op basis van eerder vastgestelde overeenkomsten met het waterschap). · Het realiseren van 15 hectare uilencompensatiegebied. · Het realiseren van faunavoorzieningen zoals nestkasten en faunabouwwerken voor vogels (huismus, kerkuil en steenuil), vleermuizen en marterachtigen. De volgende maatregelen volgen niet uit een compensatieverplichting vanuit natuur en zijn te beschouwen als ‘extra’ nieuwe natuur: 1. De aanleg van nieuwe natuur tussen de Groote Leij en Burgemeester Letschertweg, aanvullend op de 50 meter brede evz Groote Leij. 2.

De te nemen maatregelen in het Soortenmanagementplan voor kievit, boerenzwaluw en huiszwaluw, bestaande uit het beheren van een vervangend weidevogelgebied en het plaatsen van nestvoorzieningen in of nabij nieuwbouw. 3. De ecologische inrichting van het groenblauwe lint. 4. Maatregelen uit de Ontwikkelleidraad zoals groene daken en gevels. Ad 1) De onder 1 genoemde maatregel betreft een nieuw natuurgebied dat momenteel buiten het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ligt, maar na inrichting zal worden toegevoegd aan het NNB. Uit eco-hydrologisch onderzoek is gebleken dat deze locatie zeer kansrijk is voor de ontwikkeling van schrale natte natuur door de aanwezigheid van een lemige veenlaag en zeer sterk gebufferd, calciumrijk grondwater (kwelwater). Hier zal een afwisselende zone met laagveenbos en vochtig hooiland ontwikkeld worden. De zone staat in de huidige situatie onder invloed van geluidsverstoring door de Burgemeester Letschertweg en vliegverkeer. Dit is niet bezwaarlijk voor de te ontwikkelen natuurwaarden, omdat er vooral wordt ingezet op het ontwikkelen van botanische waarden

50 (65)

(kwelgebonden natuur) en een bijbehorende insectenrijkdom. Daarnaast worden biotopen voor amfibieën zoals vinpootsalamander en boomkikker ontwikkeld. Het gebied zal weliswaar worden doorsneden door een ontsluitingsweg voor het bedrijventerrein, maar de negatieve effecten worden als volgt gemitigeerd: · Aanleg van faunatunnel en geleidingschermen; · Er wordt geen verlichting / ecodynamische verlichting aangebracht langs de weg; · De bestaande weg voor landbouwverkeer parallel aan de Burgemeester Letschertweg zal worden verwijderd. Ad 2) De onder 2 genoemde soorten gelden in de provincie Noord-Brabant niet als jaarrond beschermde vogelsoorten. Desalniettemin worden hier maatregelen voor genomen, omdat deze soorten zowel landelijk als in het gebied van Wijkevoort onder druk staan. De maatregel voor kievit wordt nog nader uitgewerkt en zal buiten de directe omgeving van Wijkevoort worden uitgevoerd. Ad 3) Het onder 3 genoemde groenblauwe lint is bedoeld voor waterretentie en infiltratie, landschappelijke inpassing en als uitloopgebied voor werknemers. De ambitie zoals beschreven in het rapport “Groen-Blauw Raamwerk Werklandschap Wijkevoort” is om deze zone maximaal te laten bijdragen aan ontwikkeling van biodiversiteit.

In paragraaf 4.5 van dat rapport staan als natuurdoelen voor het groenblauwe lint schraallandvegetaties met verspreide struwelen en poelen, en deels ook (riet)moeras. De belangrijkste doelsoorten zijn planten, insecten en amfibieën. Versnippering en barrièrewerking in het groenblauwe lint is zoveel mogelijk te voorkomen door het realiseren van een aaneengesloten lint. In het voorkeursalternatief sluit dit lint direct aan op de evz Hultensche Leij. De enige barrière wordt de ontsluitingsweg aan de westzijde van Wijkevoort tussen de Groote Leij en het groenblauwe lint. De barrièrewerking hiervan wordt beperkt door de aanleg van faunatunnels en geleidingsschermen. In de Ontwikkelleidraad zijn beleidsregels opgenomen ter beperking van lichthinder op het groenblauwe lint (zie figuur 4.2).

51 (65)

Figuur 4.2

Beleidsregels voor groen-blauwe lint uit de Ontwikkelleidraad

Ad 4) In de Ontwikkelleidraad zijn tevens maatregelen opgenomen die bedrijven verplichten om vegetatiedaken (groene daken), groene gevels en groene erfafscheidingen met gemengde inheemse beplanting te realiseren. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke de aanleg en instandhouding van de beschreven maatregelen waarborgt. 4.5

Stikstof in relatie tot Natura 2000

4.5.1 Afbakening verkeersnetwerk in AERIUS Op het moment van opstellen van deze aanvulling op het MER is nog geen berekening beschikbaar van het VKA 44,6 en een vertaling van de resultaten daarvan in de passende beoordeling. Wel is een eerste berekening uitgevoerd van de in het MER onderzochte alternatieven Compact en Verspreid. Deze berekening geeft een indicatie van wat er gebeurt als andere uitgangspunten worden gehanteerd ten aanzien van de afbakening van het wegennet en het los laten van de 5 kilometergrens. Uitgangspunt in het MER was dat je het verkeersnetwerk meeneemt tot het punt waar extra verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Vanwege de onnauwkeurigheid van verkeersmodellen, zijn in het MER de wegvakken met minder dan 500 mvt/etmaal niet meegenomen in de AERIUS-berekeningen. Op basis van het toetsingsadvies is gekeken

52 (65)

naar een andere afbakening van het verkeersnetwerk. Daarbij is aansluiting gezocht bij de werkwijze van de provincie Noord-Brabant3. Deze werkwijze is als volgt: · Indien op een snelweg de intensiteitsverschillen a.g.v. de maatregel kleiner zijn dan 500 voertuigen/dag (incl. vrachtverkeer), hoeft het betreffende wegvak niet meegenomen te worden in de AERIUS-berekening (Werkwijze RWS). · Indien op een buitenweg of een weg binnen de bebouwde kom de intensiteitsverschillen a.g.v. de maatregel kleiner zijn dan 2,5% van de intensiteiten in de referentiesituatie, dan hoeft het betreffende wegvak niet meegenomen te worden in de AERIUSberekening (2,5% volgt uit (on)nauwkeurigheid van verkeerstellingen). · Indien op een buitenweg of een weg binnen de bebouwde kom met verkeersintensiteiten in de referentiesituatie van meer 20.000 mvt/dag de intensiteitsverschillen a.g.v. de maatregel kleiner zijn dan 500 voertuigen/dag (incl. vrachtverkeer), hoeft het betreffende wegvak niet meegenomen te worden in de AERIUS-berekening (2,5% van 20.000 is 500 mvt/dag). · Alle wegvakken met intensiteitsverschillen kleiner of gelijk aan 100 mvt/dag hoeven niet meegenomen te worden in de AERIUS-berekening (volgt uit (on)nauwkeurigheid van verkeersmodel). Op basis van deze uitgangspunten is het nieuwe studiegebied bepaald. Daarbij is de 5 kilometer afstandsgrens losgelaten.

Het nieuwe studiegebied is weergegeven in figuur 4.2. Hierin is te zien dat met de nieuwe uitgangspunten een groter wegennet meegenomen moet worden in de AERIUS-berekening.

Figuur 4.3

Nieuwe studiegebied AERIUS-berekening (links) versus het studiegebied dat in het MER is gehanteerd (rechts)

Met het nieuwe wegennet als input is een nieuwe AERIUS-berekening uitgevoerd voor de in het MER onderzochte alternatieven Compact en Verspreid. De berekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator 2020, waarbij voor het wegverkeer zowel met SRMII als met OPSROAD is gerekend, zodat ook op meer dan 5 km afstand de bijdrage van het wegverkeer is meegenomen. Worstcase is omwille van het snel kunnen uitvoeren van de berekening binnen 5 km de bijdrage van het wegverkeer voor OPS-ROAS en SRMII bij elkaar opgeteld. Dit betekent dat een deel van de emissie er dubbel in zit. De daadwerkelijke depositie zal daarom lager uitvallen dan nu in onderstaande tabel weergegeven. Richting vaststelling van het bestemmingsplan zal een nieuwe berekening worden uitgevoerd voor VKA 44,6, waarin een nauwkeurigere rekenmethode wordt gehanteerd. Onderstaande resultaten geven wel een indicatie van de orde grootte van het projecteffect en wat de verschillen zijn tussen de onderzochte alternatieven en varianten. Tussen haakjes ( ) is aangegeven welke waarde voor het MER was berekend. 3

Werkwijze bij het invoeren van gegevens t.b.v. Aerius-berekeningen voor infrastructurele projecten, versie 30-32020.

53 (65)

Tabel 4.1

Resultaten AERIUS-berekening met nieuwe uitgangspunten

maximaal projecteffect alternatief 80 ha

Hectare met hoogste projecteffect

Compact en Verspreid

(mol/ha/jaar) Regte Heide

Loonse en

Kampina &

Ulvenhoutse

& Riels Laag

Drunense Duinen

Oisterwijkse

Bos

& Leemkuilen

Vennen

Variant compact 0% logistiek 100% industrie

1,07 (0,71)

1,55 (0,59)

1,16 (0,38)

1,76 (0,62)

Variant compact 100% logistiek 0% industrie

1,20 (0,76)

1,50 (0,59)

1,30 (0,42)

1,73 (0,73)

Variant verspreid 0% logistiek 100% industrie

1,08 (0,72)

1,55 (0,58)

1,17 (0,39)

1,75 (0,61)

Variant verspreid 100% logistiek 0% industrie

1,22 (0,78)

1,50 (0,58)

1,31 (0,42)

1,72 (0,72)

Uit de nieuwe berekening komt naar voren dat het uitgebreidere wegennet leidt tot een hoger projecteffect. Het grootste effect vindt nu plaats op het Ulvenhoutse Bos (in het MER was dit nog Regte Heide & Riels Laag). Voor alle gebieden geldt dat het projecteffect een stuk groter is dan in het MER berekend. Bij de effectbeoordeling wordt vaak de grens gelegd bij 1 mol/ha/jaar als het gaat om een negatief effect (-) en een zeer negatief effect (- -). Aangezien op de vier Natura 2000-gebieden nu sprake is van een toename boven de 1 mol/ha/jaar, moet de effectbeoordeling zoals die in het MER is gegeven worden aangepast van negatief (-) naar zeer negatief (- -). Kanttekening daarbij is dat mogelijk de variant 100% industrie in twee gebieden door de dubbelling in de rekenmethode onder de 1 mol/ha/jaar zou uitkomen (deze zijn blauw weergegeven in de tabel). Omdat dit met de nu beschikbare gegevens niet inzichtelijk gemaakt kan worden, zijn alle varianten als zeer negatief beoordeeld.

54 (65)

4.5.2 Passende beoordeling ontwerpbestemmingsplan (VKA 44,6) De ten behoeve van de passende beoordeling gehanteerde verdeling van 65% categorie 3 en 35% categorie 4 is gebaseerd op de ruimte die beschikbaar is op basis van extern salderen. Dit is in het ontwerpbestemmingsplan niet vertaald naar de regels. Voor vaststelling van het bestemmingsplan zal dit wel in de regels worden opgenomen. Kanttekening daarbij is dat op basis van de resultaten uit paragraaf 4.5.1 eerst opnieuw bekeken moet worden of volstaan kan worden met de huidige veehouderijen die zijn gebruikt voor extern salderen en zo ja, welke ruimte er dan nog over blijft. Dit zou dus kunnen leiden tot een andere verdeling tussen de milieucategorieën.

55 (65)

5

Borging van maatregelen

5.1 Algemeen In het MER zijn verschillende maatregelen benoemd om effecten te voorkomen, compenseren of mitigeren of om ambities te halen. in dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke manier deze maatregelen zijn meegenomen in het VKA en hoe deze worden geborgd. Verkeer Ten behoeve van de bereikbaarheid moeten op vier kruispunten aanpassingen worden doorgevoerd, welke overeenkomen met de maatregelen die in het MER zijn benoemd voor de onderzochte alternatieven Compact en Verspreid: · Kruispunt N260 (Burgemeester Letschertweg) - N282 (Bredaseweg): Bij realisatie van VKA 44,6 ha is geen aanpassing nodig, voor VKA 80 moet er één extra rijstrook worden gerealiseerd (linksaf op de noordelijke tak van de N260). · Kruispunt N260 (Burgemeester Letschertweg) - N260A (Burgemeester Ballingsweg): Hier is autonoom reeds een extra rijkstrook nodig op de noordelijke tak van de N260 in zuidelijke richting. Voor VKA 44,6 is een extra rijstrook nodig voor het afslaan naar Wijkevoort (zowel vanuit noordelijke als zuidelijke richting). Daarnaast moet er aan de zuidzijde een fietsoversteek worden ingepast. Deze maatregelen zijn ook voor VKA 80 voldoende. · Kruispunt N260 (Burgemeester Letschertweg) - Nerhoven - Hultenseweg: Autonoom is reeds een extra rijstrook nodig in de vorm van een rechtdoorstrook op de N260 in noordelijke richting.

Bij VKA 44,6 moet ook in zuidelijke richting een extra rijstrook komen. Bij VKA 80 moet daarbovenop een extra linksafstrook op de Hultenseweg komen. · Kruispunt N260 (Burgemeester Letschertweg) - op-/afrit A58: Autonoom is een extra rijkstrook nodig in de vorm van een extra rechtsaf- en linksafstrook vanaf de westelijke afrit A58. Bij VKA 44,6 komt daar een extra linksafstrook bij op de noordelijke N260, richting de A58. Bij VKA 80 zijn geen extra maatregelen nodig. è Afweging: De benodigde maatregelen worden mogelijk gemaakt in het kader van het vast te stellen bestemmingsplan voor fase 1. De kosten voor de aanleg zijn verankerd in de grondexploitatie (en exploitatieplan) voor deze eerste fase. Gezondheid Ten aanzien van gezondheid worden de volgende maatregelen voorgesteld voor de in het MER onderzochte alternatieven Compact en Verspreid: · Geluid: In het MER is aangegeven dat er maatregelen getroffen kunnen worden om geluidhinder als gevolg van wegverkeerlawaai (bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen) en industrielawaai (gevelmaatregelen) te beperken. è Afweging: Voor VKA 44,6 zijn geen maatregelen nodig. Geluidhinder als gevolg van wegverkeerlawaai overschrijdt de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB(A) niet en voor geluid als gevolg van industrie is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het plangebied.

Voor een eventueel bestemmingsplan voor fase 2 zal dit opnieuw worden beoordeeld. · Luchtkwaliteit: Omdat de wettelijke normen niet worden overschreden (zowel voor VKA 44,6 als VKA 80), is het toepassen van mitigerende maatregelen niet aan de orde. · Externe veiligheid: Om het risico op ongevallen te beperken zijn de volgende maatregelen in het MER benoemd: - het plaatsen van een brandwerend scherm tussen de A58 en het plangebied; - gebouwen zo ver mogelijk van risicobronnen plaatsen;

56 (65)

- voorzien in voldoende vluchtwegen; - burgers die wonen of werken binnen het invloedsgebied informeren over hoe zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen mocht er iets gebeuren; - verlagen aanwezigheidsdichtheid dichter bij de risicobronnen. è Afweging: Voor VKA 44,6 zijn enkele maatregelen doorgevoerd. Zo zijn binnen de PAG geen bouwvlakken opgenomen. De gemeente Tilburg probeert via goede communicatie de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Nooduitgangen en vluchtroutes worden van de risicobronnen af aangelegd en bij vestiging van nieuwe bedrijven zal de gemeente het nut van centraal afsluitbare aanzuiging van buitenlucht benadrukken plus aandringen op borging van deze maatregel in de vergunningenfase. Het bevoegd gezag accepteert het resterende risico en neemt de daarbij behorende verantwoordelijkheid op zich. · Geur: De beperkt negatieve effecten kunnen worden beperkt door bedrijvigheid en kantoren zoveel mogelijk buiten de geurcontouren van de veehouderijen te realiseren. è Afweging: Het plangebied van VKA 44,6 ligt niet binnen de geurcontour van een veehouderij. Wel ligt in de huidige situatie voor één veehouderij de minimum afstandsnorm van 100 meter voor een klein deel over het plangebied.

Er is voor gekozen hier geen specifieke maatregelen (voor de te vestigen bedrijven) aan te koppelen in het bestemmingsplan, omdat met de nu aanwezige maximale geurbelasting het gebied bestempeld kan worden als een ’goede milieukwaliteit’. Wel wordt ingezet op aankoop en daarna beëindiging van de agrarische activiteiten. Dit is ook vertaald door de bestemming van de betreffende veehouderij te wijzigen van 'agrarisch' naar 'wonenbuitengebied' in het ontwerp-bestemmingsplan Wijkevoort. Woon-, werk en leefomgeving Ten aanzien van de woon-, werk en leefomgeving worden de volgende maatregelen voorgesteld voor de in het MER onderzochte alternatieven Compact en Verspreid: · Verandering in werkgelegenheid: hiervoor zijn geen mitigerende maatregelen voorgesteld. · Gedwongen vertrek: hiervoor zijn geen mitigerende maatregelen voorgesteld. · Visuele hinder in de woonomgeving: Er zijn mogelijkheden om de visuele hinder van gebouwen en (vracht)verkeer te verminderen. Geadviseerd wordt om verkeersstructuren niet aan de rand van het bedrijventerrein te positioneren maar de ontsluiting zoveel mogelijk binnen de uitgeefbare gebieden te plaatsen. Daarnaast kan gedacht worden aan het beperken van bouwhoogten aan de noord- en westrand van het bedrijventerrein door het toepassen van een zonering. Hierdoor komen bedrijfsgebouwen minder prominent in het zicht te staan.

è Afweging: de verkeersontsluiting bevindt zich alleen aan de west- en zuidzijde. Aan de noordzijde is de verkeersontsluiting niet in het VKA opgenomen. Daarmee wordt aan die zijde (waar het grootste effect optreedt) de visuele hinder beperkt. è Afweging: In het VKA is een lagere bouwhoogte mogelijk gemaakt dan in het MER onderzocht (15 in plaats van 20 meter). Via een afwijkingsbevoegdheid kan hiervan tot 25 meter van worden afgeweken, maar alleen binnen vastgestelde zones en voor een deel van het bedrijfsgebouw. · Kwaliteit van de werkomgeving: De kwaliteit van de werkomgeving kan verder worden versterkt door ook (landschaps)architectonische eisen aan de ontwikkeling van de uitgeefbare gebieden te koppelen. Een andere optie is de implementatie van groene gevels of groendaken zodat de belevingswaarde van de gebouwen zelf versterkt wordt en meer een eenheid vormt met het landschap. Aangezien de gebouwen optimaal beleefd worden van buiten is het heel belangrijk de omliggende openbare ruimte af te stemmen op het gebouw en bruikbaar te maken voor de werknemers. Het is eveneens van belang dat de buitenruimte buiten werkuren een aantrekkelijk karakter heeft en een

57 (65)

positief effect heeft op de sociale veiligheid. De combinatie van bedrijvigheid met recreatieve voorzieningen kunnen het ook voor omwonenden en recreanten een aantrekkelijk gebied maken. Het robuuste groenblauwe raamwerk vormt de basis van waaruit landschappelijke kwaliteiten het bedrijventerrein binnen kunnen dringen. In het bestemmingsplan kunnen voorschriften opgenomen worden voor de inrichting van de bedrijfskavels om de kwaliteiten en toegevoegde waarden van de robuuste groenblauwe structuren nog verder te versterken. è Afweging: de beschreven maatregelen zijn opgenomen in de Ontwikkelleidraad en worden daarmee als onderdeel van het VKA uitgevoerd. Natuur Ten aanzien van natuur worden de volgende maatregelen voorgesteld voor de in het MER onderzochte alternatieven Compact en Verspreid: · Natura 2000: De effecten van vermesting kunnen gemitigeerd worden door duurzame energieconcepten, duurzame mobiliteit (op termijn) en het benutten van mogelijkheden voor externe saldering. è Afweging: er is voor gekozen de effecten te mitigeren middels externe saldering. Dit is vooralsnog geregeld voor VKA 44,6.

· Natuurnetwerk Brabant: Om de effecten die mogelijk optreden door het planvoornemen te mitigeren kan er gekozen worden nieuwe natuur te ontwikkelen aan de noordzijde van het plangebied, passend bij het bestaande landschap door kleinschalige inrichting met bijvoorbeeld hagen en struwelen. Vooruitlopend op de definitieve invulling van Werklandschap Wijkevoort, is een gebied binnen de contouren van het plangebied aangemerkt als ‘tijdelijke natuur’. Dit gebied is ingericht met kruidenrijk grasland en struweelhagen. Het beheer van deze kruidenrijke graslanden is gericht op herstel van het bodemleven, vermindering van de bemestingsdruk en het bevorderen van insecten. è Afweging: In het bestemmingsplan is vastgesteld dat zolang gronden nog niet zijn aangewend voor bedrijvigheid, ze gebruikt kunnen worden als tijdelijke natuur. Aan de westzijde wordt tussen de N260 en de Groote Leij een extra natuurgebied aangelegd. Verder zijn er geen compenserende maatregelen nodig als gevolg van ruimtebeslag, verstoring etc. van NNB. · Flora en faunasoorten: Bij uitwerking van individuele uitbreidingsmogelijkheden bestaan mitigerende maatregelen om het effect lokaal zodanig te voorkomen dan wel te mitigeren, dat er geen sprake is van aantasting van de gunstige staat van instandhouding van soorten. Daarnaast moet ieder alternatief zorgdragen voor de benodigde compensatie van leefgebied.

Mogelijkheden voor mitigatie zijn voorhanden. Dit zijn onder andere het herbestemmen van bestaande bebouwing en daar waar mogelijk het behoud van bestaande erven en aanleg van nieuwe landschappelijke beplanting (zoals erfbeplanting). Zo kan de functionaliteit van vliegroutes van vleermuizen langs de Wijkevoort en de Hultenseweg worden behouden. Dit kan bijvoorbeeld door hier rekening mee te houden in het verkavelingsplan, het verlichtingsplan en middels inpassing van landschappelijke beplanting, waaronder laanbeplanting, bosstroken en natuurzones. Er zijn mogelijkheden voor het versterken van bestaand foerageergebied en aanleg van natte natuur. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is voorzien in de inzet van Tijdelijke Natuur, een traject dat reeds gestart is, en het Soortenmanagementplan Wijkevoort. Laatstgenoemde voor de duur van 10 jaar. Voor acht soorten, waaronder de steenuil en kerkuil kunnen negatieve effecten niet op voorhand worden uitgesloten. Omwille hiervan is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

58 (65)

è Afweging: Zoals reeds in het MER genoemd is een Soortenmanagementplan (SMP) opgesteld, die dient voor de aanvraag van de ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. In paragraaf 4.2 is eerder al ingegaan op de maatregelen die daarin per soort zijn beschreven. Het SMP is in de regels van het bestemmingsplan voor VKA 44,6 op verschillende plekken opgenomen. De realisatie van het uilencompensatiegebied is in voorbereiding en zal na vaststellen van het bestemmingsplan in de winter 2021-2022 plaatsvinden. Ook in de tijdelijke natuur wordt voorzien, naast de realisatie van nieuwe natuur aan de westzijde en langs de Lange Leij. Voor de weg Wijkevoort is een inspanningsverplichting in de Ontwikkelleidraad opgenomen om deze te behouden. Dit betekent dat deze structuur uiteindelijk kan komen te vervallen. Landschap, cultuurhistorie en archeologie Ten aanzien van landschap, cultuurhistorie en archeologie worden de volgende maatregelen voorgesteld voor de in het MER onderzochte alternatieven Compact en Verspreid: · Landschap: In beide alternatieven liggen kansen om de herkenbaarheid van de beekdalen te verbeteren. Door bij de aanleg van de robuuste groenstructuren rondom de uitgeefbare gebieden aan te sluiten op de realisatie van de ecologische verbindingszones langs de beekdalen, wordt de landschappelijke waarde van de beekdalen verder vergroot.

Als gevolg van de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort moeten de beoogde ecologische verbindingszones verbreed worden van 25 meter naar 50 meter. De natuur rond de beek als onderdeel van een ecologische verbindingszone van 25 meter wordt beschouwd als autonome ontwikkeling in het kader van het Natuurnetwerk Brabant. De bijkomende 25 meter maakt onderdeel uit van het planvoornemen. è Afweging: De zone van 50 meter wordt gerealiseerd. In het bestemmingsplan voor VKA 44,6 is reeds langs de gehele lengte van het plangebied van VKA 80 een natuurbestemming rondom de Lange Leij opgenomen. In het plangebied van VKA 44,6 is aansluitend een bestemming Groen opgenomen over een breedte van 25 meter. Aansluitend moet op de bedrijfskavel een 25 meter brede groen/waterretentie zone worden opgenomen. Dit is in de regels geborgd. · Cultuurhistorie: De effecten op de cultuurhistorische waarden kunnen worden voorkomen door op de plankaart en/of in de planregels de weg Wijkevoort en de historische groenstructuur te beschermen. è Afweging: De als waardevol aangemerkte woonobjecten blijven behouden (de functie komt wel te vervallen). De Hultenseweg is op de verbeelding aangeduid en daarmee beschermd. Voor de weg Wijkevoort is een inspanningsverplichting tot behoud van deze structuur in de Ontwikkelleidraad opgenomen.

Dit kan betekenen dat deze alsnog kan verdwijnen, al gelden hiervoor wel criteria die zullen worden opgenomen in de ontwikkelleidraad. · Ruimtelijk-visuele kwaliteit en belevingswaarde: Geadviseerd wordt om de visueelruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van het groenblauwe raamwerk verder te versterken door de volgende maatregelen op te nemen op de plankaart of in de planregels: o Beperk verstoringen in het groenblauwe raamwerk. Gemotoriseerde verkeers- en vervoersbewegingen lopen langs deze structuren en moeten zo optimaal mogelijk geïntegreerd worden. o Sluit de groenstructuren in en rondom de uitgeefbare gebieden zoveel mogelijk aan op het robuuste groenblauwe raamwerk. Grotere groenstructuren komen bij voorkeur aan de randen van de uitgeefbare gebieden te liggen zodat deze ingezet

59 (65)

kunnen worden om het groenblauwe raamwerk (met name de beekdalen) nog robuuster te maken. o Op gebouwniveau zijn ingrepen mogelijk om aan te sluiten op de landschappelijke uitstraling van het groenblauwe raamwerk. Te denken valt hierbij aan beperkingen in de bouwhoogte en het vergroenen van gevels en daken. è Afweging: De verkeersstructuur is beperkt in het VKA tot alleen de west en zuidzijde. è Afweging: De zone van 50 meter wordt gerealiseerd. In het bestemmingsplan voor VKA 44,6 is reeds langs de gehele lengte van het plangebied van VKA 80 een natuurbestemming rondom de Hultensche Leij opgenomen. In het plangebied van VKA 44,6 is aansluitend een bestemming Groen opgenomen over een breedte van 25 meter. Aansluitend moet op de bedrijfskavel een 25 meter brede groen/waterretentie zone worden opgenomen. Dit is in de regels geborgd. è In het VKA is een lagere bouwhoogte mogelijk gemaakt dan in het MER onderzocht (15 in plaats van 20 meter). Via een afwijkingsbevoegdheid kan hiervan tot 25 meter van worden afgeweken, maar alleen binnen vastgestelde zones en voor een deel van de bebouwing. Het vergroenen van gevels en daken is als onderdeel opgenomen in de Ontwikkelleidraad, welke is gekoppeld aan de bestemmingsplanregels. · Recreatie: Er zijn geen extra maatregelen benoemd.

· Archeologische waarden: Er is een aanlegvergunning nodig op basis van de dubbelbestemming archeologie in het bestemmingsplan. Hiervoor zal nader archeologische onderzoek nodig zijn. è Afweging: in het nieuwe bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen archeologie weer opgenomen. Klimaat en energie Ten aanzien van klimaat en energie worden de volgende maatregelen voorgesteld voor de in het MER onderzochte alternatieven Compact en Verspreid: · Klimaat: Om de versnelde afvoer van water tegen te gaan kunnen maatregelen worden genomen om regenwater langer vast te houden binnen de grenzen van het plangebied. Op daken van gebouwen kunnen bijvoorbeeld groene daken worden toegepast die het water bergen en vertraagd afvoeren. Daarnaast kunnen infiltratiezones worden ingericht waar water vertraagd wordt opgevangen en tijd heeft om in de bodem te infiltreren. Tot slot zijn er mogelijkheden om verharding beter doorlatend te maken waardoor water eenvoudiger kan infiltreren in de ondergrond en de afvoersnelheid wordt beperkt. Om opwarming van het gebied tegen te gaan is het van belang om zo min mogelijk verharding bloot te stellen aan zonlicht. Dit kan door veel bomen en planten in het gebied aan te planten die zorgen voor voldoende beschaduwing. Ook op de gevels en daken van gebouwen is begroeiing mogelijk.

è Afweging: Het vergroenen van gevels en daken is als onderdeel opgenomen in de Ontwikkelleidraad, welke is gekoppeld aan de bestemmingsplanregels. Rondom de kavels worden zones ingericht om water te infiltreren. Ook dit is opgenomen in de Ontwikkelleidraad, evenals het gebruik van doorlatende verharding, het beperken van de hoeveelheid verharding en het maximaliseren van het aandeel groen. · Energie: De gemeente kan er voor kiezen om in het uitgiftebeleid criteria op te nemen om klimaatdoelstellingen in relatie tot duurzame energie te borgen, dit kan met behulp van een verankering in het bestemmingsplan. Ook zijn er ideeën om in het uitgifteproces te werken met een zogenaamd uitgifteteam. Dit uitgifteteam bestaat uit vakinhoudelijke medewerkers op het gebied van bijv. stedenbouw, ecologie en duurzame energie en kan bedrijven op deze manier helpen om de gewenste ambities voor het klimaat te realiseren. Voor veel bedrijven is een duurzaam imago van belang bij de verkoop van hun producten of diensten. Stimulering, advisering en facilitering

60 (65)

daarvan is goed mogelijk en zal leiden tot bedrijven die investeren in het verduurzamen van hun energieverbruik. è Afweging: In de Ontwikkelleidraad en het bestemmingsplan is bepaald dat het dakoppervlak maximaal benut moet worden voor opwekken van duurzame energie. Er is een adviescommissie Wijkevoort benoemd. Deze commissie moet de aanvragen van bedrijven die zich op Wijkevoort willen vestigen toetsen op economische en maatschappelijke waarden zoals genoemd in de Ontwikkelleidraad en adviseert het college van burgemeester en wethouders van Tilburg daarover. Naast de adviescommissie wordt een kwaliteitsteam ingesteld dat toetst of het kavelplan en gebiedsplan voldoen aan de criteria zoals opgenomen in bestemmingsplan en Ontwikkelleidraad. Pas bij akkoord (bekrachtigd door besluit van het college van B&W) kan worden overgegaan tot gronduitgifte en afgifte van de omgevingsvergunning. Daarbij wordt, voorafgaand aan de gronduitgifte en afgifte van de omgevingsvergunning, tevens advies gevraagd aan de Omgevingscommissie en ook een toets aan het planteam Wijkevoort gevraagd. Bodem en water Ten aanzien van bodem en water zijn in het MER geen extra maatregelen voorgesteld. 5.2 Welke maatregelen worden getroffen en hoe worden deze geborgd? In paragraaf 5.1 is beschreven welke keuzes zijn gemaakt ten aanzien van het al dan niet meenemen van maatregelen in het VKA.

In deze paragraaf wordt concreet gemaakt op welke manier deze maatregelen worden geborgd. Niet alle ambities kunnen via het bestemmingsplan worden geregeld en het is ook niet altijd wenselijk dit via het bestemmingsplan te doen. Zo gaan de ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid snel. Normen en eisen op het gebied van duurzaamheid die ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan ambitieus zijn, kunnen in de praktijk snel worden ingehaald door de tijd. Dit kan het gevolg zijn van innovaties en nieuwe ontwikkelingen, maar ook door nieuwe inzichten, uitkomsten van pilots, nieuw beleid en nieuwe wet- en regelgeving. Het bestemmingsplan is een juridisch instrument en om deze reden omgeven met de nodige procedurele waarborgen. Dit houdt echter wel in dat wijziging van het bestemmingsplan gebonden is aan een procedure en daarmee te statisch is in het geval dat sprake is van doorlopend nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Om deze reden is er bewust voor gekozen om het bestemmingsplan Werklandschap Wijkevoort voor wat betreft de realisatie van de doelstellingen/ambities en het gewenste stedenbouwkundige eindbeeld vooral zo flexibel mogelijk vorm te geven, in die zin dat het bestemmingsplan in ieder geval géén beperkingen oplevert voor innovatie en ontwikkeling.

Alleen daar waar sprake is van harde minimale normen – bijvoorbeeld maximale bouwhoogtes of milieuzoneringen – zijn deze vastgelegd in het bestemmingsplan. Voor het overige is het bestemmingsplan voorwaardenscheppend. Het bestemmingsplan maakt dus relatief veel mogelijk, maar de concrete invulling vindt ook via andere instrumenten plaats. Belangrijkste instrumenten die worden ingezet zijn de Ontwikkelleidraad en het Soortenmanagementplan. De Ontwikkelleidraad bevat beleidsregels die invulling geven aan de open normen uit het bestemmingsplan. In de bestemmingsplanregels is het voldoen aan de beleidsregel als voorwaarde opgenomen om te mogen bouwen. Daarmee worden diverse ambities van de gemeente geborgd die niet rechtstreeks in de regels geregeld kunnen worden, of waarvoor de gemeente flexibel wil kunnen inspringen op toekomstige ontwikkelingen/kennis.

61 (65)

Thema

Maatregel

Borging

Mobiliteit en

Aanpassingen aan vier

Bestemming verkeer + aanduiding en regels

bereikbaarheid

kruispunten

bestemmingsplan, middelen gereserveerd in de grondexploitatie

Externe veiligheid

Externe veiligheid bedrijven zijn in beginsel uitgesloten in de regels van het bestemmingsplan Zelfredzaamheid personen

Goede communicatie via de Risicokaart en de

vergroten

risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit

Vluchtroutes/nooduitgangen

Via vergunningverlening

van risicobronnen af leggen Visuele hinder

Verkeersontsluiting alleen aan

Verbeelding en regels bestemmingsplan (door

west- en zuidzijde

bestemming verkeer voor een deel van de wegen en hiervoor in de Ontwikkelleidraad profielen op te nemen en daarmee ook de Cul-de-sac)

Bouwhoogte

Regels bestemmingsplan (hoger dan 15 meter alleen via een afwijkingsbevoegdheid en binnen in de regels vastgestelde zones)

Natuur

Mitigatie stikstofdepositie

Vergunning Wet natuurbescherming en berekening die

middels externe saldering

uitgaat van projecttoets (ipv plantoets) ter waarborg van de realiseerbaarheid van de voorgestelde mitigatie (middels externe saldering)

Mitigatie effecten NNB door

Verbeelding en regels bestemmingsplan (waarin aparte

tijdelijke natuur en nieuwe

bestemming Natuur is opgenomen)

natuur Mitigerende maatregelen

Soortenmanagementplan in combinatie met regels

soorten

bestemmingsplan / Ontheffing Wet natuurbescherming en beleidsregels in de ontwikkelleidraad

Landschap,

Behoud enkele lijnstructuren

cultuurhistorie en

Verbeelding en regels bestemmingsplan (middels een aanduiding voor Hultensweg) en beleidsregels in de

archeologie

ontwikkelleidraad voor de weg Wijkevoort Vergroenen daken en gevels

Ontwikkelleidraad

Bescherming archeologische

Verbeelding en regels bestemmingsplan (middels een

waarde

dubbelbestemming)

Klimaat en

Inrichten infiltratiezones rond

Ontwikkelleidraad in combinatie met regels

energie

kavels en waterdoorlatende

bestemmingsplan

verharding Energie en

Regels in hetbestemmingsplan

duurzaamheidsmaatregelen

Beleidsregels ontwikkelleidraad en benoeming van een Kwaliteitsteam Wijkevoort, die ook in de regels van het bestemmingsplan is genoemd

62 (65)

6

Conclusies

6.1 Aanleiding voor deze aanvulling In de periode van 5 april tot en met 17 mei 2021 hebben het ontwerpbestemmingsplan (inclusief ontwikkelleidraad en ontwerp-exploitatieplan) en het MER voor Werklandschap Wijkevoort voor zienswijzen ter inzage gelegen. Er zijn verschillende zienswijzen ingediend en de Commissie m.e.r. heeft een voorlopig toetsingsadvies gegeven voor het MER. Uit de zienswijzen en het advies blijkt dat voor een aantal onderwerpen een nadere onderbouwing nodig is. Zo heeft de Commissie een aantal tekortkomingen gesignaleerd waarvan zij de informatie essentieel acht voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over Werklandschap Wijkevoort. Voorliggende aanvulling op het MER geeft deze nadere onderbouwing. 6.2 Tekortkomingen De Commissie heeft de volgende tekortkomingen gesignaleerd: · Effecten voorkeursalternatief. De effecten van het voorkeursalternatief (VKA) zoals opgenomen in het bestemmingsplan zijn niet beschreven. Daardoor is de link tussen het MER en het te nemen besluit moeilijk navolgbaar. · Haalbaarheid doelen. De doelen voor klimaat, energie en mobiliteit zijn niet voldoende concreet uitgewerkt, zodat niet duidelijk is in hoeverre het VKA voldoet aan die doelstellingen. Er is ook niet getoetst in hoeverre alle voorgenomen doelen en ambities van het plan met elkaar te verenigen zijn.

Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat de doelen en ambities met betrekking tot natuur, landschap en duurzaamheid ook werkelijk gerealiseerd kunnen worden. · Soortenbescherming. Het is onduidelijk welke maatregelen nodig zijn voor beschermde soorten, in relatie tot de effecten van het bestemmingsplan. De Commissie kan niet beoordelen of aannemelijk is of het plan uitvoerbaar is. · Compensatie natuurnetwerk. De conclusie dat er geen compensatie nodig is voor effecten op Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe mantel is niet onderbouwd met een toets aan juridische kaders. · Stikstofeffecten op Natura 2000. Significante effecten van het voornemen op Natura 2000-gebieden kunnen niet worden uitgesloten. In de passende beoordeling zijn de wegvakken met een toename van wegverkeer van minder dan 500 per etmaal niet meegenomen in de depositieberekeningen. Daarnaast is niet toegelicht of met de uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de depositieberekeningen, de maximale mogelijkheden van het plan in beeld zijn gebracht. Daardoor bevat het MER nu geen alternatief dat uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. 6.3 Belangrijkste conclusies uit de nadere onderbouwing In onderstaande tabel zijn de resultaten van deze Aanvulling MER samengevat weergegeven en is aangegeven of deze leiden tot een wijziging in het bestemmingsplan.

Op basis van de uitwerking van het VKA en de nadere onderbouwingen wordt geconcludeerd dat er geen noodzaak is om het VKA en daarmee het bestemmingsplan aan te passen.

63 (65)

Onderwerp Effecten voorkeursalternatief - Algemeen

Effecten voorkeursalternatief – Landschap

Effecten voorkeursalternatief – Geluidhinder omwonenden

Haalbaarheid doelen

Conclusie Op basis van een verschilanalyse tussen het VKA en de in het MER onderzochte alternatieven (par. 2.1) zijn de effecten van VKA 44,6 (zoals vastgesteld in het bestemmingsplan) en VKA 80 op een rij gezet. Het VKA 44,6 heeft in het algemeen minder effecten dan de in het MER onderzochte alternatieven Compact en Verspreid. Dit komt hoofdzakelijk doordat er een kleiner gebied wordt gebruikt voor realisatie van bedrijventerrein. Dit levert minder effecten op als gevolg van ruimtebeslag. Daarnaast zorgt minder bedrijven voor minder verkeersaantrekkende werking en daaraan gerelateerde effecten (verkeersafwikkeling, geluid, luchtkwaliteit). Voor verschillende effecten komt VKA 44,6 wat dat betreft overeen met de effecten van de eveneens in het MER onderzochte Variant 30 ha. Op een aantal onderdelen wijken de effecten van VKA 44,6 af van al de in het MER onderzochte alternatieven/varianten. Het betreft de thema’s externe veiligheid, Natura 2000, flora en fauna, visuele hinder woonomgeving, kwaliteit werkomgeving, landschappelijke waarde, cultuurhistorie, recreatief medegebruik en grond- en oppervlaktewaterkwantiteit. In bijna alle gevallen heeft dit te maken met het feit dat in VKA 44,6 keuzes zijn gemaakt om mitigerende maatregelen op te nemen als onderdeel van het VKA, terwijl deze nog geen onderdeel uitmaakte van de onderzochte alternatieven.

Wanneer in een tweede fase het volledige bedrijventerrein wordt ontwikkeld (VKA 80), komen de effecten voor een groot deel overeen met de effecten zoals in het MER beschreven bij alternatief Compact. Dit komt hoofdzakelijk doordat het bedrijventerrein ten zuiden van de Hultensche Leij blijft, wat effecten aan de noordzijde voorkomt. Geconcludeerd wordt dat de realisatie van gebouwen op een bedrijventerrein impact heeft op de ruimtelijk-visuele kwaliteit en belevingswaarde van het landschap en voor omwonenden. Zeker de eerste 3 – 5 jaar zullen gebouwen duidelijk zichtbaar in het landschap aanwezig zijn. Na die tijd zal begroeiing in de groenstroken een hoogte bereiken waarbij de gebouwen voor een groot deel worden afgeschermd. Dit komt in het MER ook terug in beperkte tot negatieve effectbeoordelingen voor de aspecten landschap, ruimtelijk-visuele kwaliteit en belevingswaarde. De nadere onderbouwing onderschrijft de conclusie dat Variant 30 ha tot een beperkter effect leidt dan alternatieven Compact en Verspreid. De cijfers uit het akoestisch onderzoek voor het bestemmingsplan wijzen er op dat voor 11 in plaats van 34 adressen sprake zal zijn van een cumulatieve toename van geluidbelasting als gevolg van industrieen wegverkeerslawaai.

Voor zowel geluid als gevolg van wegverkeer als van industrielawaai wordt gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het plangebied. Uit een analyse in paragraaf 3.1 blijkt dat de keuzes die in het VKA zijn gemaakt grotendeels overeenkomen met het beoogde doelbereik zoals was bedoeld in de alternatieven Compact en Verspreid. In paragraaf 3.3 is vervolgens het doelbereik van het VKA toegelicht. Uit het overzicht blijkt dat de gemaakte keuzes er voor zorgen dat de ambitie om cultuurhistorische waarden te behouden niet geheel gehaald zou kunnen worden. De ambitie om ecologische waarden te versterken kan lokaal bij het Wijckermeer conflicteren met het mogelijk maken van recreatief medegebruik van het Wijckermeer. Tot slot conflicteert het bereiken van een goed bereikbaar bedrijventerrein lokaal met het

Wijziging bestemmingsplan De effectbeoordeling geeft geen aanleiding om wijzigingen door te voeren in het bestemmingsplan.

De nadere onderbouwing geeft geen aanleiding om wijzigingen door te voeren in het bestemmingsplan.

De nadere onderbouwing geeft geen aanleiding om wijzigingen door te voeren in het bestemmingsplan.

De toelichting op het doelbereik geeft geen aanleiding om wijzigingen door te voeren in het bestemmingsplan. De punten waar een afwijking wordt geconstateerd, komen voort uit bewust gemaakte keuzes op basis van de effectbeschrijvingen

64 (65)

Soortenbescherming

Compensatie natuurnetwerk

Stikstofeffecten op Natura 2000

versterken van ecologische waarden bij de Groote Leij. Verder zijn er enkele ambities die zowel met elkaar conflicteren als dat ze elkaar versterken. Meerder ambities hebben juist een versterkend effect op elkaar. In paragraaf 4.2 zijn de maatregelen op een rij gezet die nodig zijn voor beschermde soorten. De conclusie is dat deze reeds goed worden geborgd met het Soortenmanagementplan (SMP). Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig voor beschermde soorten. Er is een extra toets uitgevoerd op het juridische kader van Natuurnetwerk Brabant (paragraaf 4.3). Hieruit volgt dat er inderdaad geen compensatie nodig is als gevolg van het VKA. Dit is ook afgestemd met de provincie Noord-Brabant. Op basis van nieuwe uitgangspunten is een nieuwe berekening uitgevoerd van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hieruit volgt dat er met deze nieuwe uitgangspunten een groter projecteffect ontstaat. Omdat het projecteffect nu boven de 1 mol/ha/jaar uitkomt (maximale berekende waarde is 1,76 mol/ha/jaar), is de effectbeoordeling aangepast van negatief (-) naar zeer negatief (- -). Deze conclusie betekent dat de berekening die is uitgevoerd ten behoeve van de passende beoordeling voor het bestemmingsplan opnieuw moet worden uitgevoerd. Op het moment van opstellen van deze aanvulling is dit nog niet gedaan.

De resultaten daarvan (en mogelijke aanpassingen aan de passende beoordeling en benodigde mitigerende maatregelen) zullen voor vaststelling van het bestemmingsplan in de toelichting worden verwerkt.

bij het samenstellen van het VKA.

De nadere onderbouwing geeft geen aanleiding om wijzigingen door te voeren in het bestemmingsplan. De nadere onderbouwing geeft geen aanleiding om wijzigingen door te voeren in het bestemmingsplan. De nieuwe berekening leidt mogelijk tot andere conclusies ten aanzien van benodigde mitigerende maatregelen. De resultaten van de nog uit te voeren berekeningen worden verwerkt in het bestemmingsplan.

65 (65)

Bijlage 1

Effecten geluid op aanwezige soorten

Effecten geluid op aanwezige soorten Werklandschap Wijkevoort te Tilburg Projectnummer: Datum: Opgesteld:

8980 14-7-2021 Jessica Loeffen

Gemeente Tilburg is bezig met de ontwikkeling van het Werklandschap Wijkevoort. Voor de ontwikkeling zijn ecologische onderzoeken uitgevoerd en is een Masterplan opgesteld. Daarbinnen is de globale ligging van het werklandschap weergegeven en zijn ambities en uitgangspunten voor Wijkevoort vastgelegd. Doordat met de gebiedsontwikkeling sprake is van effecten op aanwezige, beschermde soorten, is een Soortenmanagementplan (SMP) opgesteld. Deze notitie dient als aanvulling op het MER en SMP om effecten van de toename in geluidsbelasting voor soorten weer te geven.

Aanwezige soorten en hun gevoeligheid voor geluid Het Soortenmanagementplan (SMP) is opgesteld voor de volgende soorten (Tabel 1) waarbij een aantal soorten op meeliften (Tabel 2). Daarbij is de geluidsgevoeligheid van de soort weergegeven in relatie tot het plangebied. De toename van geluid door bedrijvigheid en verkeer is hierbij als uitgangspunt genomen, gebaseerd op onderzoeken (Kleijn, 2008 en Krijgsveld et al., 2008). Tabel 1. Overzicht van de ontheffingsplichtige soorten van het SMP

Ontheffingplichtige soorten

Gevoeligheid voor geluid i.r.t. het plangebied

Gewone dwergvleermuis

Geen

Gewone grootoorvleermuis

Geen

Rosse vleermuis

Geen

Laatvlieger

Geen

Wezel Bunzing Steenmarter Huismus

Matig

Steenuil

Matig

Kerkuil

Matig

Vinpootsalamander (binnen SMP, maar alleen in fase 2)

Werklandschap Wijkevoort te Tilburg | Eelerwoude | 1

Tabel 2. Overzicht van soorten die meeliften bij het SMP

Meelift soorten

Gevoeligheid voor geluid i.r.t. het plangebied

Buizerd

Matig

Sperwer

Matig

Havik

Matig

Franjestaart

Geen

Ruige dwergvleermuis

Geen

Watervleermuis

Geen

Boerenzwaluw

Matig

Huiszwaluw

Matig

Kievit

Gemiddeld

In het algemeen kunnen de effecten van geluid worden onderverdeeld in (Kleijn, 2008): Veranderingen in gedrag als gevolg van minder of niet goed waarnemen van akoestische signalen van andere individuen of potentiële predatoren (vooral bij continue geluiden) Veranderingen in gedrag als gevolg van schrik- of vluchtreactie (vooral bij impulsgeluiden) Veranderingen in de fysiologie als gevolg van stress (bij beide type geluidsoverlast) Tijdelijke of permanente vermindering of zelfs verlies van het horend vermogen (bij beide type geluidsoverlast) Voor de eerste twee typen is het aannemelijk dat het negatieve effecten kan hebben op de populatiedynamiek. Vooral soorten die hun akoestische signalen of gedrag slecht kunnen aanpassen aan de verstoringsbron en soorten die voor hun communicatie gebruik maken van geluidsignalen met een relatief lage frequentie (overeenkomend met de frequenties van menselijke geluidbronnen).

Veranderingen in geluid in het Werklandschap Wijkevoort De netto toename aan geluidsbelasting ten opzichte van de referentiesituatie is in beeld gebracht (Sweco, 2021) op een meethoogte van 1,5 meter. Daarbij zijn de twee uiterste genomen als basis: 100% industrie (Afbeelding 1) 100% logistiek (Afbeelding 2). Het akoestisch onderzoek laat zien dat met name ten noordoosten van het Wijkermeer een flinke toename is aan geluidsbelasting met 10 – 15 of 15 – 20 dB.

Werklandschap Wijkevoort te Tilburg | Eelerwoude | 2

Afbeelding 1. Toename geluidsbelasting 100% industrie op een hoogte van 1,5 meter. Bron: Sweco, 2021

Afbeelding 2. Toename geluidsbelasting 100% logistiek op een hoogte van 1,5 meter. Bron: Sweco, 2021

Werklandschap Wijkevoort te Tilburg | Eelerwoude | 3

Effecten per soort(groep) Vleermuizen Vleermuizen maken gebruik van echolocatie om te foerageren en als navigatie. Uit experimentele studies blijkt da de frequentie van echolocatiesignalen van vleermuizen hoger is (20 – 60 kHz voor soorten in Nederland) dan de dominante frequentie van menselijk geluid en dat ze deze vrij gemakkelijk aan kunnen passen om geen last te hebben van verstorende of maskerende signalen (Bates et al., 2008). Ook is een studie uitgevoerd naar het gedrag van vleermuizen, passieve luisteraars, mede in relatie tot het Airforce Festival (Janssen et al., 2017). Daaruit blijkt dat hoogfrequent geluid niet ver draagt. Ook overstemt het achtergrondgeluid, zoals het ritselen van bladeren aan bomen door de wind, al snel het in dit geval festival geluid doordat het ritselen van bladeren al snel een hoogfrequent geluid produceert. Voor gewone grootoorvleermuizen neemt de gevoeligheid in het oor toe naarmate frequentie boven de 8 kHz komt. Onder de 5 kHz kunnen ze geen geluid detecteren. Er bestaan geen studies die testen in hoeverre verstoring door menselijke geluidsbronnen de efficiëntie van het foerageren van vleermuizen aantast. De baltsroep van rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis heeft een frequentie tussen de 13 en 20 kHz.

In theorie zouden menselijke geluidsbronnen de effectiviteit van de baltsroep kunnen verminderen, maar hierover is niets bekend (Koolstra et al., 2001). Dit wordt ook niet verwacht doordat de landschappelijke inpassing zoals het groenblauwe raamwerk, bestaande bomenlanen die blijven behouden en aanwezig groen verspreid door het gebied zorgt voor barrières waardoor geluidsbronnen niet over het hele gebied dragen. Vleermuizen zijn uiterst gevoelig voor verstoring tijdens de winterslaap. Studie bij overwinterende vleermuizen (Speakman et.al. 1991) toonde aan dat geluid en licht de dieren niet verstoorde, aanraking wel (tot 2,5 - 8,5 uur later) (Thomas, 1995). Te verwachten effect: doordat vleermuizen gebruik maken van geluiden op een ander geluidsniveau dan geluid dat wordt geproduceerd door toekomstige bedrijven en verkeer, kan er bij de soortgroep vleermuizen vanuit worden gegaan dat de toename in geluidsbelasting geen dusdanig groot effect heeft dat het plangebied ongeschikt wordt. In theorie zou de baltsroep van soorten kunnen worden overstemd door harde geluiden. Echter, de vleermuizen laten dit gedrag zien in de nachtelijke uren wanneer geluid door verkeer en bedrijvigheid beperkt is.

Mede doordat geen verdere onderzoeken een negatief effect laten zien, wordt in Werklandschap Wijkevoort ook geen dusdanig groot effect verwacht dat de paar- en baltsfunctie in het gebied vervalt of verminderd.

Vogels Kerkuil De kerkuil is matig verstoringsgevoelig (Krijgsveld et al., 2008). De uil heeft een range van circa 1.000 meter rond de nestlocatie. Tijdens de jacht vliegt de kerkuil vooral laag over de grond (Vogelbescherming). De functionele leefomgeving van een nest voldoet bij voorkeur aan de volgende voorwaarden (Kennisdocument Kerkuil): Er is geen verstoring en versnippering door grotere wegen (dat wil zeggen: wegen waarop tachtig kilometer of sneller mag worden gereden). Migratie is de seizoensgebonden beweging heen en terug tussen delen van het leefgebied. De kerkuil volgt hierbij vaak vaste routes langs beplantingen en ruigtestroken bij het foerageren. Daarbij komt hij ook vaak in de

Werklandschap Wijkevoort te Tilburg | Eelerwoude | 4

buurt van (snel)wegen. Er zijn aanwijzingen dat op bepaalde plekken meer verkeersslachtoffers vallen dan op andere plekken. Uit deze informatie blijkt dat wegen een gevaar vormen voor kerkuilen, met name wegen waar 80km/h wordt gereden of sprake is van een hogere snelheid. Aanrijding is dan het grootste gevaar, niet geluid van wegen of bedrijven/fabrieken. Steenuil De steenuil is matig verstoringsgevoelig (Krijgsveld et al, 2008). De uil heeft een range van circa 300 meter rond de nestlocatie. De uil jaagt vanaf zitplaatsen die een hoogte hebben van één tot anderhalve meter (paaltjes van hekwerken bijvoorbeeld) (Vogelbescherming). Ideale leefgebied (Kennisdocument Steenuil): geen verstoring en versnippering door grote wegen Normaal agrarisch gebruik of gewoon gebruik van een erf is voor de steenuil geen probleem qua verstoring. Als er geen drukke wegen zijn, is er een lagere mortaliteit te verwachten. Uit deze informatie blijkt aanwezige wegen niet door aanwezig geluid een dreiging vormen voor steenuilen, maar het gevaar van aanrijdingen. Te verwachten effecten kerkuil en steenuil: Op basis van bestaande literatuur en expert judgement zorgt de toename van geluidsbelasting voor kerkuilen en steenuilen niet dat in het gebied de functie van leefgebied, foerageergebied en voortplantingslocatie, vervalt of verminderd.

Het uilencompensatiegebied (blauwe arcering) ligt daarnaast buiten de zone waar de geluidsbelasting het meest zal toenemen (Afbeelding 3).

Afbeelding 3. Weergave van het uilencompensatiegebied (blauwe omlijning) ten opzichte van de toename in geluidsbelasting bij 100% logistiek. Bron: Sweco, 2021

Werklandschap Wijkevoort te Tilburg | Eelerwoude | 5

Huismus De huismus is een soort met een matige verstoringsgevoelig, die sterk aan mensen is aangepast. Onderzoek toonde aan dat huismussen met schuilgelegenheden in de buurt minder snel opvlogen bij benadering dan huismussen die zich verder van schuilplaatsen bevonden (Krijgsveld et al, 2008). Huismussen zijn echte cultuurvolgers en broeden veelal in gebouwen/de bebouwde omgeving waar sprake is van aanwezigheid van mensen, verkeer en geluid. De huismus stelt de volgende eisen aan zijn leefomgeving (Kennisdocument Huismus): • Ruim voldoende nestgelegenheid. • Continu voedsel in de directe omgeving van dekking. • Voldoende inheems groen als leverancier van eiwitrijk voedsel voor de jongen. • Evergreens (bladhoudende of groenblijvende plant) in hagen of gevelbegroeiing. • Zandbad. • Water. Te verwachten effecten huismus: Op basis van de eisen die huismussen stellen aan hun leefgebied en het type leefgebied met veel reuring door mensen, zal de mate waarin schuilplaatsen aanwezig zijn een belangrijke factor vormen voor de al dan niet verstorende werking van de gebiedsinrichting op de populatie. De toename van geluidsbelasting zorgt er niet voor dat in het gebied de functie van leefgebied, foerageergebied en voortplantingslocatie, vervalt of verminderd.

Kleine marters – steenmarter Kleine marters wezel en bunzing maken gebruik van lage begroeiing, dat tot de grond reikt om te jagen, schuilen en te migreren. In hun leefgebied zijn verschillende verblijfplaatsen aanwezig. Vooral verkeer, mensen en honden zijn verstorende factoren voor kleine marters (Bouwens, 2017). Er zijn geen onderzoeken die het effect van geluid meten op kleine marters en steenmarter. Geluid laag bij de grond draagt minder ver doordat het wordt tegengehouden door obstakels als bebouwing, groenstructuren, bomen en dergelijke. O basis daarvan en doordat kleine marters laag bij de grond blijven, heeft de beperkte toename aan geluid geen tot een matig effect op kleine marters. Voor steenmarters zijn ook geen onderzoeken gedaan naar effecten van geluid. Wel zijn kastjes in omloop die geluid produceren en claimen steenmarters daarmee te verjagen (en vele andere soorten). Deze kasten maken een continue geluid van 85 dB / 12 – 24 kHz. Onduidelijk is of dit ‘bewezen effectief’ is en of een minder hoge frequentie/ minder aantal decibel tevens verstorend werkt. Te verwachten effecten: doordat kleine marters laag bij de grond blijven, tussen de aanwezige begroeiing en geluid zo laag bij de grond minder ver draagt, hebben zij naar verwachting beperkt effect van de toename in geluidsbelasting.

De groenblauwe zone, aanwezige begroeiing dat blijft gehandhaafd (bijvoorbeeld de bomenlaan langs de Hultenseweg) en de compensatiegebieden die worden gerealiseerd, zorgen voor dekking en beperking van de hinder van geluid door kleine marters. Steenmarters zijn echte jagers en verblijven veelal rond boerderijen en de bebouwde omgeving. Deze soort is daarmee gewend aan geluid dat wordt geproduceerd. Verkeer en de bedrijven zorgen niet voor een continue hoge geluidsbelasting of piep, zoals kastjes doen die steenmarters verjagen. Naar verwachting blijft het gebied met toename aan geluidsbelasting functioneel voor steenmarters.

Werklandschap Wijkevoort te Tilburg | Eelerwoude | 6

Conclusie Met name aan de noordoostzijde van het Wijkermeer zal de geluidsbelasting toenemen, zowel bij de meting met 100% logistiek als bij 100% industrie. Soorten die van dit gebied in de huidige en nieuwe situatie gebruik maken, lijken matig gevoelig te zijn voor een dergelijke toename in geluidsbelasting. Steenmarters komen reeds voor op plekken met veel geluid. Compensatiegebied ligt buiten de zone waar de geluidsbelasting het grootst is. Daarnaast zijn veel soorten meer vatbaar voor een toename van verkeer met het oog op aanrijdingen, dan een verhoogde geluidsbelasting. Voor huismussen geldt daarnaast dat de mate waarin schuilgelegenheid aanwezig, belangrijk is voor de mate van benadering en daarmee verstoring. Te verwachten effect: doordat vleermuizen gebruik maken van geluiden op een ander geluidsniveau dan geluid dat wordt geproduceerd door toekomstige bedrijven en verkeer, kan er bij de soortgroep vleermuizen vanuit worden gegaan dat de toename in geluidsbelasting geen dusdanig groot effect heeft dat het plangebied ongeschikt wordt. In theorie zou de baltsroep van soorten kunnen worden overstemd door harde geluiden. Echter, de vleermuizen laten dit gedrag zien in de nachtelijke uren wanneer geluid door verkeer en bedrijvigheid beperkt is.

Mede doordat geen verdere onderzoeken een negatief effect laten zien, wordt in Werklandschap Wijkevoort ook geen dusdanig groot effect verwacht dat de paar- en baltsfunctie in het gebied vervalt of verminderd. Te verwachten effecten kerkuil en steenuil: Op basis van bestaande literatuur en expert judgement zorgt de toename van geluidsbelasting voor kerkuilen en steenuilen niet dat in het gebied de functie van leefgebied, foerageergebied en voortplantingslocatie, vervalt of verminderd. Het uilencompensatiegebied (blauwe arcering) ligt daarnaast buiten de zone waar de geluidsbelasting het meest zal toenemen Te verwachten effecten huismus: Op basis van de eisen die huismussen stellen aan hun leefgebied en het type leefgebied met veel reuring door mensen, zal de mate waarin schuilplaatsen aanwezig zijn een belangrijke factor vormen voor de al dan niet verstorende werking van de gebiedsinrichting op de populatie. De toename van geluidsbelasting zorgt er niet voor dat in het gebied de functie van leefgebied, foerageergebied en voortplantingslocatie, vervalt of verminderd. Te verwachten effecten: doordat kleine marters laag bij de grond blijven, tussen de aanwezige begroeiing en geluid zo laag bij de grond minder ver draagt, hebben zij naar verwachting beperkt effect van de toename in geluidsbelasting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10731259/1