06 Toelichting ontwerpbestemmingsplan Korvelseweg 199
Tekst van het document
Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte. Openbaar vervoer Op loopafstand van het plangebied liggen bushaltes. Afvalinzameling Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld.
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad. a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Echter, op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Een van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r.
genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e,r,-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Omdat de voorgenomen activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag op 3,9 kilometer afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Er heeft een vormvrije mer beoordeling plaatsgevonden (zie bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan). Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse.
Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.-procedure.
4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren. Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort.
Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude. De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die niet kunnen voldoen aan de richtafstand conform VNG ten opzichte van het plangebied. In het plangebied worden enkel woningen mogelijk gemaakt. Daarmee vormt Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering voor de planontwikkeling. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod).
Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: 1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; 2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; 3. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; 4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; 5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Het plangebied ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij.
Daarmee vormt het geitenmoratorium geen belemmering voor de planontwikkeling.
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron.
Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Verantwoording Hoogte Groepsrisico, uitgevoerd door Kragten met datum 18 juli 2022 en rapportnummer 20220718-AERO53-NOT-VGR 2.0, zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en de spoorlijn Breda-Tilburg. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en de spoorlijn Breda-Tilburg.
Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Verantwoording Hoogte Groepsrisico). De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 6 en 11 juli 2022 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), dit (en daarnaast NL-Alert) biedt de mogelijkheid de aanwezigen in het gebied tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. <0000>
4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe woningen (27 in totaal) liggen binnen de zone van een weg (Korvelseweg) zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betekent dat formeel gezien getoetst moet worden aan de normen van de Wgh. Echter naar verwachting zal de rijsnelheid op de Korvelseweg in 2024 worden afgeschaald van 50 km/uur naar 30 km/uur/ Hiermee komt de wettelijke geluidzone voor de Korvelseweg te vervallen. Omdat de nieuwe woningen grotendeels worden afgeschermd door de aanwezige eerste lijnsbebouwing (zie onderstaande afbeelding), is het vrij aannemelijk dat de voorkeurgrenswaarde van 48 dB voor nieuwbouw niet overschreden wordt. Dit betekent dat er ook geen aanleiding is om hogere grenswaarden voor wegverkeerslawaai vast te stellen en aanvullende voorwaarden te stellen op basis van het gemeentelijk geluidbeleid. Uit de EU geluidkaart voor wegverkeerslawaai blijkt dat de geluidbelasting t.g.v.
de Korvelseweg (ten zuiden van de nieuwbouw) en de Capucijnenstraat (ten noorden van de nieuwbouw) lager is dan 55 dB. Op basis van de te verwachten geluidbelasting kan gesteld worden dat voor de nieuwbouw sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening.
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
4.6.2 Railverkeerlawaai Hoewel de nieuwe woningen buiten het "aandachtsgebied" van het spoortraject Tilburg’s-Hertogenbosch liggen (dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wgh) is gelet op de aanwezige bestaande bebouwing tussen het spoor en de nieuwbouw een overschrijding van de voorkeurgrenswaarde van 55 dB op voorhand niet te verwachten. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Daarnaast zijn de nieuwe woningen niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 4.6.5 Stiltegebied Attentiezone Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied. 4.6.6 Trillingen Het plangebied ligt ver buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor.
Dit betekent dat trillinghinder niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.
4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 27 woningen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Bovendien is geen sprake luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) en blijkt uit de Nsl-monitoringstool dat voldaan wordt
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
aan de wettelijk eisen voor de luchtkwaliteit. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In het plangebied worden geen bedrijven met een significante geuremissie mogelijk gemaakt. Er bevinden zich geen bedrijven uit bedrijfscategorieën zoals vastgesteld in de NeR in de omgeving van het plangebied. Daarmee vormt industriële geur geen belemmering voor deze planontwikkeling. 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven met een significante geuremissie. Daarmee is agrarische geur geen belemmering voor deze planontwikkeling.
4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. <0000>
Binnen het bestemmingsplangebied zijn meerdere historische bodembedreigende activiteiten bekend. Ook in de directe omgeving is sprake van (historische) bodembedreigende activiteiten. Ter plaatse van Capucijnenstraat 114 en 116 was in het verleden een sigarenfabriek gesitueerd. Deze fabriek is omstreeks 1940 gestopt. Daarna is de locatie in gebruik geweest als benzineservicestation en garage. Op het
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
achterterrein hebben meerdere ondergrondse tanks gelegen: 2 8000 liter tanks met benzine en gasolie, 1 12.000 liter tank met super, en een lpg tank.
<0000>
<0000>
<0000>
Ter plaatse van de garage was een hefbrug aanwezig. De bebouwing van numer 114 is in 1983 gesloopt, waarna dit huisnummer is vervallen. Ter plaatse van de Korvelseweg 195 en 205 hebben in het verleden op het achterterrein ondergrondse tanks gelegen. Aleen van de tank op nummer 205 is bekend dat deze in 1996 KIWA gecertificeerd is gesaneerd. Van de tank op nummer 195 is verder niets bekend. Ter plaatse van de Capucijnenstraat 96-98, het terrein dat het bestemmingsplangebied aan de oostgrens raakt, zijn in het verleden meerder onderzoeken uitgevoerd. Als laatste conclusie wordt nader bodemonderzoek geadviseerd. Ter plaatse van de Korvelseweg 185-187 zijn in 2008 en 2009 onderzoeken uitgevoerd, waarbij een koperverontreiniging is geconstateerd. Deze verontreiniging is in 2010 middels een plan van aanpak gesaneerd.
Er zijn geen bodemonderzoeken aangeleverd door de aanvrager van de bestemmingsplanwijziging. In het bodeminformatiesysteem zijn voor een deel van het gebied bodemonderzoeken bekend: <0000>
<0000> <0000>
Verkennend bodemonderzoek wooncomplexen Capucijnenstraat 116-120, UDM, september 2005. Tijdens het bodemonderzoek zijn maximaal licht verhoogde gehalten gemeten; Historisch bodemonderzoek Capucijnenstraat 114-116, CSO, april 2008; Verkennend bodemonderzoek 29 september 2008. Tijdens het onderzoek zijn ter plaatse van de garage en de ondergrondse tanks maximaal licht verhoogde gehalten aan minerale olie, xylenen, en metalen in de grond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan naftaleen en vinylchloride gemeten.
Conclusie Voor het bestemmingsplangebied zijn enkele bodemonderzoeken beschikbaar. In deze onderzoeken zijn geen sterk verhoogde gehalten gemeten ter plaatse van de historische bronnen binnen de onderzoeklocatie. Er zijn echter niet voor het gehele gebied bodemonderzoeken bekend. Tevens zijn de onderzoeken die wel bekend zijn sterk verouderd. Aangezien er binnen het bestemmingsplangebied ook openbaar groen/tuinen worden voorzien, en dit een gevoeliger gebruik is ten opzichte van het huidige gebruik, is een actueel bodemonderzoek nodig. Aangezien er sprake is van geplande sloop van opstallen ter plaatse, en sloop als bodembedreigende activiteit wordt beschouwd, mag het onderzoek na sloop worden uitgevoerd voor het gehele terrein, dus niet alleen de bouwblokken.
4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht.
Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime.
Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft.
Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden.
Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. 4.10.3 Gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten Met de Tilburgse gebiedsontheffing gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels worden de procedures in het kader van de Wet natuurbescherming en de Wabo vereenvoudigd. Om de gebiedsontheffing te kunnen toepassen zijn soortenmanagementplannen (SMP) opgesteld en worden de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in kaart gebracht. De gebiedsontheffing en bijbehorende SMP’s zijn erop gericht de instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Alle projecten (van de gemeente en van derden) die onder de werking van de SMP vallen, kunnen profiteren van de gebiedsontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is.
4.10.4 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag op ongeveer 3,9 kilometer afstand. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ruim 2 kilometer afstand van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Op 14 april 2022 heeft er een quick scan plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de panden waar tegen gebouwd gaat worden in potentie geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Om ook in de toekomstige situatie voldoende geschikte verblijfplaatsen te garanderen worden in de nieuwbouw maatregelen getroffen.
Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere (strenger) beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.
Conclusie Er zijn geen belemmeringen om het project uit te voeren, mits wordt voldaan aan de voorwaarden uit de gebiedsontheffing. Hiervoor is reeds een plan opgesteld wat bij de vergunningverlening getoetst zal worden.
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023 Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 - 150 m2: <0000> indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave <0000> indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1 3. >150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1
Tabel 1 - regenwateropgave De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.
5.2 Bestaand watersysteem Locatie plangebied De Korvelseweg 199 e.o. ligt in Tilburg centrum-zuid, in de wijk Sint Anna (zie Figuur 1). Aan de noordkant van de Korvelseweg. De locatie is bestaande bebouwing met op het achtererf garageboxen. Het plangebied ligt in stedelijke omgeving en is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Locatie is gevoelig voor wateroverlast op straat. Het huidige gebied is veel stedelijke bebouwing en verhard waardoor hittestress ervaren wordt. Oppervlaktewater In het plangebied en de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.
5.3 Beleidskader Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Het Provinciale “Regionale Water en Bodem Programma” (RWP) 2022 – 2027 heeft als doel een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Rode draad is het herstel van de systeemwerking. Het water en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Het waterschap De Brabantse Delta heeft in 2021 het ‘Waterbeheerprogramma 2022-2027; klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’ vastgesteld. Met dit waterbeheerprogramma bepaalt Brabantse Delta de doelstellingen en strategie: een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050) Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het PWR (Programma Water en Riolering) dat in 2020 is ingegaan. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
5.4 Duurzaam watersysteem Hemelwater Het plangebied blijft veel verhard. De opgave vanuit de gemeente Tilburg voor de waterberging dient een goede invulling te krijgen op eigen plangebied. De Korvelseweg t.h.v. huisnummer 199 komt voor als een locatie met water op straat bij een hevige bui. Hierdoor is er kans op wateroverlast op deze locatie.(zie afbeelding 3). Door op eigen terrein 60mm berging te voorzien voor elke verharde vierkante meter levert een bijdrage op aan het verminderen van water op straat. Het regenwater dat op de openbare weg valt wordt verzameld met riolering. Hierop mag geen hemelwater ondergronds op aan gesloten worden vanuit het plan/project. Afvalwater De planontwikkeling leidt tot een toename van het afvalwater door toename van de woningbouw op deze locatie. Op deze locatie wordt hier geen hinder door verwacht. Wel zal er naar gekeken moeten worden dat de huisaansluitingen correct worden aangesloten op het gemeentelijk systeem. Grondwater Laag gelegen bouwdelen onder het huidige maaiveld. Dan zijn deze bouwdelen onder de invloed van grondwaterstanden en/of bodemvocht. Dat tast de wettelijke plicht mogelijk aan t.a.v. grondwateroverlast. Afvoer van grondwater t.b.v. voldoende drooglegging is uitgesloten. Bouwdelen / terreindelen onder maaiveld water- en vochtdicht gebouwd / aangelegd worden.
Drainage onder maatgevende grondwaterstanden (gemiddelde hoogste grondwaterstand = 12,2m +NAP) is niet toegestaan. Hittestress Het plan houdt weinig rekening met de groenopgave. De kwaliteit van de leefomgeving is minder dan gewenst en bij zeer warm weer, kunnen bewoners / gebruikers overlast hebben van overmatige hitte. (zie afbeelding 2 voor huidige hittestress, de nieuwe situatie is niet veel beter met weinig groen.) Tegen overmatige hitte: zoveel mogelijk behoud van bestaande bomen en streef naar minimaal 30% schaduw in terrein, waar geen bebouwing is. En dit te doen bij voorkeur door schaduw-gevend groen (bomen) te realiseren. Positionering en oriëntatie van bomen graag afstemmen op standplaats van gebouw en (buiten)verblijfruimtes.
5.5 Watertoets De invloed van deze ontwikkeling op het watersysteem is niet erg groot. Wel een toename van vuilwaterafvoer ten opzichte van huidige situatie. De hemelwaterafvoer zal afnemen in de huidige situatie door de infiltratieplicht. Het Waterschap De Dommel zal hier geen voorlopig advies voor hoeven te geven, er kan een verkort traject doorlopen worden.
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Illustraties behorende bij de waterparagraaf
Locatie plangebied, ligging in Tilburg centrum - Zuid
Locatie plangebied, hittestresskaart - water op straat kaart
Matrix advies water en klimaat ihkv IDO Aspect
Analyse
Advies
Plan(locatie)
Erg compact plan, waarbij vooral rode en grijze delen weinig ruimte overlaten voor andere functies. Het plan lijkt onvoldoende rekening te houden met deze (wettelijke) opgaven.
De invulling van het plan moet heroverwogen worden, zodat ruimte is voor ontbrekende opgaven, zoals waterberging, (voldoende) groen, e.d.
Grondwater
Uit de tekening is niet op te maken of er een kelder wordt gerealiseerd. Indien deze tocht komt dan geldt het onderstaande:
Opgave Bouwdelen / terreindelen onder maaiveld water- en vochtdicht gebouwd / aangelegd worden.
Laag gelegen bouwdelen / (een deel van) het terrein is voorgesteld onder het huidige maaiveld. Daardoor zijn die ruimtes onder de invloed van grondwaterstanden en/of bodemvocht. Dat tast de wettelijke plicht mogelijk aan t.a.v. grondwateroverlast.
Drainage onder maatgevende grondwaterstanden (gemiddelde hoogste grondwaterstand) is niet toegestaan
Afvoer van grondwater t.b.v. voldoende drooglegging is uitgesloten. Regenwater
Het huidige beleid is gericht op positief hydrologisch ontwikkelen. Daaruit vloeit de bergingsopgave
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Opgave van 60 mm (l/m2) stellen.
van minimaal 60 mm (oftewel l/m2 aangesloten afwaterende oppervlakte: dak en verharde terreinen) De waterberging moet in eigen terrein aangelegd worden, voor de aansluiting op het gemeentelijke afwateringssysteem.
Bij de uitwerking van het plan t.b.v. omgevingsplanwijziging / -vergunning moet een haalbare waterberging opgenomen worden. Bij voorkeur een waterberging bovengronds, zoals bv. wadi’s.
Afvalwater
In deze fase van de ontwikkeling is alleen van belang te weten dat er geen onhaalbare aansluiting op de bestaande riolering wordt verwacht.
De aansluitmogelijkheden moeten in overleg met de beheerder bekeken worden bij de uitwerking.
Risico
De locatie heeft een verhoogd risico voor overlast door water op straat bij extreme neerslag.
De keuze van terrein- en vloerpeilen moet rekening houden met voldoende bescherming tegen waterdieptes in de omgeving
Klimaatadaptatie
Het plan houdt weinig rekening met de groenopgave. De kwaliteit van de leefomgeving is minder dan gewenst en bij zeer warm weer, kunnen bewoners / gebruikers overlast hebben van overmatige hitte. (zie afbeelding 2 voor huidige hittestress, de nieuwe situatie is niet veel beter met weinig groen.)
De gemeente heeft de ‘Uitvoeringsagenda klimaatadaptatie Koel Tilburg’ vastgesteld. Daarin is te vinden hoe het beter kan. G:\TBRUI\Beleid_Wetten\Wate r\Klimaatadaptatie (vastgesteld in juni 2020)
Hittestress
Het plan houdt weinig rekening met de groenopgave. De kwaliteit van de leefomgeving is minder dan gewenst en bij zeer warm weer, kunnen bewoners / gebruikers overlast hebben van overmatige hitte. (zie afbeelding 2 voor huidige hittestress, de nieuwe situatie is niet veel beter met weinig groen.)
Overige
-
Tegen overmatige hitte: zoveel mogelijk behoud van bestaande bomen en streef naar minimaal 30% schaduw in terrein, waar geen bebouwing is. En dit te doen bij voorkeur door schaduw-gevend groen (bomen) te realiseren. Positionering en oriëntatie van bomen graag afstemmen op standplaats van gebouw en (buiten)verblijfruimtes. -
wateroverlast
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
6.3 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemming aanwezig: Wonen - Gestapeld; Waarde - Archeologie; Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: Luchtvaartverkeerzone; Erf; Bouwvlak; Maatvoeringsvlak; Maximum bouwhoogte.
6.4 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Wijzigingsbevoegdheid Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 15 april 2022 gepubliceerd.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Bij het plan worden geen provinciale belangen aangetast. Daarom heeft er geen vooroverleg plaatsgevonden met de provincie. Het watertoetsproces heeft een verkort traject doorlopen. Bij dit verkorte trajact geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij terinzagelegging van het bestemmingsplan.
8.3 Omgevingsdialoog Conform de 'Richtlijn omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen' van de gemeente Tilburg is invulling gegeven aan de Omgevingsdialoog in het kader van het bestemmingsplan door een informatiebijeenkomst te organiseren en omwonenden de gelegenheid te bieden om vooraf, tijdens en na afloop vragen te stellen. Informatiebijeenkomst 19 september 2023 Op dinsdag 19 september 2023 heeft de initiatiefnemer een informatiebijeenkomst georganiseerd in de vorm van een inloopavond. Voorafgaand hieraan zijn circa 140 uitnodigingen verspreid bij de omwonenden van de planlocatie. Ook is de hierbij de mogelijkheid gegeven om vragen of opmerkingen per mail toe te sturen aan de initiatiefnemer. Uiteindelijk zijn ca. 30 buurtbewoners naar de bijeenkomst gekomen. Tijdens de bijeenkomst was de initiatiefnemer aanwezig met de architecten van het Ontwerplab en de omgevingsmanagers van gemeente Tilburg. De bezoekers van de bijeenkomst worden geïnformeerd door middel van posters, een manquette en een mondelinge toelichting. De posters gaven informatie over het plan, de planlocatie en bezonningssituatie middels tekeningen, referentiebeelden en visualisaties van de nieuwe situatie. De manquette leit een beeld zien van de nieuwe situatie met inplanting van de nieuwbouw in de omgeving.
Tijdens de bijeenkomst was een goede actie en interactie waarbij de vragen en opmerkingen voor zover als mogleijk werden beantwoord. Het plan werd door het merendeel van de bezoekers als postief ontvangen. De vragen en zorgen van bezoekers gingen hoofdzakelijk over parkeren, de sociale veiligheid en de schaduwwerking van de bebouwing. Vervolg op de informatiebijeenkomst De initiatiefnemer heeft aangegeven nader in gesprek te gaan met het drietal aanwezigen dat zorgen heeft over het plan om te zoeken naar oplossingen.
8.4 Zienswijzen P.M
Oude Stad Zuidwest 2016, 7e herziening (Korvelseweg 199)