06 Toelichting met bijlagen-b001
Tekst van het document
GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte
BESTEMMINGSPLAN Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
Toelichting met bijlagen
Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2019001-b001
1 september 2020
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 4 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 4 1.2 Het plangebied 4 1.3 Voorgaande plannen 4 1.4 Ruimtelijke en functionele structuur 5 Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 6 2.1 Rijk 6 2.2 Provincie 7 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie 7 2.2.2 Interim omgevingsverordening 7 2.3 Gemeente 8 Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 11 3.1 Inleiding 11 3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 11 3.3 Groen en speelruimte 13 3.4 Bedrijvigheid 14 3.4.3 Nota Bedrijvigheid op Binnenwijkse Bedrijventerreinen 3.5 Verkeer en parkeren 17 Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 19 4.1 Inleiding 19 4.2 Milieueffectrapportage 19 4.3 Milieuhinder bedrijven 22 4.4 Externe veiligheid 22 4.5 Vuurwerk 24 4.6 Geluid 24 4.7 Lucht 24 4.8 Geur 25 4.9 Bodem 25 4.10 Natuur en ecologie 25 Hoofdstuk 5 Wateraspecten 29 5.1 Bestaand watersysteem 29 5.2 Beleidskader 29 5.3 Watertoets 30 Hoofdstuk 6 Opzet planregels 31 6.1 Inleiding 31 6.2 Bestemmingen en aanduidingen 31 6.3 Bouwregels 31 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 32 Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 33 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 33 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 33 8.3 Omgevingsdialoog 33 8.4 Zienswijzen 33
15
Toelichting
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
1
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Op 26 november 2018 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen voor diverse percelen aan de Koningshoeven (Kempenbaan-Oost) te Tilburg. Doel hiervan was om de komst van een distributiecentrum en de hiermee gepaard gaande ongewenste verkeersdruk op de weg Koninghoeven te voorkomen. Na het nemen van dit voorbereidingsbesluit is een overleg tot stand gekomen tussen de gemeente en de grondeigenaren om te kijken wat een voor alle partijen gewenste ruimtelijk verantwoorde ontwikkeling op de locatie is. Dit overleg heeft gedurende de looptijd van het voorbereidingsbesluit niet geleid tot een concreet ontwerpbestemmingsplan. De gemeenteraad heeft daarom op 16 september 2019 voor een groter gebied een voorbereidingsbesluit genomen. Het besluit van 16 september 2019 heeft werking voor één jaar. Ook binnen dit jaar is het niet tot een overeenstemming gelijk gekomen tussen de gemeente en de grondeigenaren in het gebied. Om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan is besloten om het voorbereidingsbesluit te laten volgen door een bestemmingsplan dat dat de mogelijkheden voor de vestiging van bedrijven toestaat welke gelet op hun aard en uitstraling naar de omgeving toe, passend zijn binnen de (woon-)omgeving rondom de Koninghoeven.
Concreet betekent dit, dat bedrijven in milieucategorie 3.1 en bedrijven met een gemiddelde en meer dan gemiddelde verkeersaantrekkende werking niet meer mogelijk zijn. Ook de in het bestemmingsplan mogelijke vestiging van zelfstandige kantoren en horeca is niet meer mogelijk. Voor een volwaardige herontwikkeling van het terrein is een volwaardige verkeersaansluiting op de Kempenbaan nodig. Dit is in dit plan niet opgenomen omdat dit verkeerstechnisch en financieel nog niet uitgewerkt is. Zodra er een ontwikkeling is die onder andere landschappelijk, stedenbouwkundig, verkeerskundig en financieel verantwoord is, zal voor die ontwikkeling een nieuwe planologische procedure gevolgd worden.
1.2 Het plangebied Het plangebied omvat de begrenzing van het voorbereidingsbesluit van 16 september 2019. Het gaat om de percelen kadastraal bekend Tilburg, sectie W, nrs. 596 (ged.), 337 (ged.), 603 (ged.), 604 (ged.), 579 (ged.), 686, 685, 687 581 (ged.), 542, 578 (ged.) 688, 620, 786, 785, 1234,1235 (ged.).
1.3 Voorgaande plannen Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Leijpark-Koningshoeven 2008.
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
2
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur Het gebied is een bedrijventerrein dat door de sloop van opstallen nu gedeeltelijk braak ligt. Voorheen was hier een transportbedrijf aanwezig en een aantal midden- en kleinbedrijven. Technische infrastructuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones).
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
3
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.
Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren.
In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
4
ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. Het bestemmingsplan voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het is niet nodig om de ladder te doorlopen.
2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor dit plan kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen. <0000> De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden. <0000> De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
2.2.2 Interim omgevingsverordening De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
5
nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten). Specifiek voor het plangebied geldt dat het terrein is gelegen binnen het werkingsgebied Stedelijk gebied, binnen de onderverdeling stedelijk concentratiegebied. Nieuwe ontwikkelingen dienen bij te dragen aan een duurzame stedelijke ontwikkeling. Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe stedelijke onwikkelingen. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de Ley. De Ley maakt onderdeel uit van het Natuur Netwerk Brabant en is aangewezen als ecologische verbindingszone. Bij de opstelling van een nieuw plan zal hier rekening mee moeten worden gehouden.
Dit plan laat geen nieuwe otwikkelingen toe mar beperkt de huidige planologische mogelijkheden.
2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: <0000> de Brabantstrategie <0000> de Regiostrategie <0000> de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
6
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken. De vier stedelijke knooppunten: <0000> Binnenstad van de 21e eeuw <0000> Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing <0000> Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven <0000> Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn: <0000> Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven <0000> Stadsregionaal park Stadsbos013 <0000> Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn: <0000> Bedrijvenpark Zuid <0000> Zorgcluster Leijpark <0000> Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: <0000> Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. <0000> Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: <0000> Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten <0000> Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig <0000> Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk <0000> Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
<0000> Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners <0000> Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal <0000> Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar <0000> Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen <0000> Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers <0000> Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
7
Het gebied is onderdeel van de zorgknoop zoals beschreven in de omgevingsvisie van de stad Tilburg 2040. De ambitie voor het gebied is aan te sluiten bij de ontwikkelingen binnen de zorg en ruimte te bieden aan de spinn-off van het ziekenhuisterrein. Tevens is de ambitie de zorgknoop landschappelijk te verbinden met het buitengebied. In dat kader draagt een afschaling qua mogelijke bedrijfsvestiging en de zelfstandige kantoor- en horecafunctie bij aan de verdere ontwikkeling van dit zorgcluster.
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
8
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand Het gebied van de Koningshoeven is een belangrijke verbinding tussen het centrale deel van de stad, de Piushaven, met het landschap. Oorspronkelijk was de Koningshoeven via de Sint Josefstraat en de Prinsenhoef, onderdeel van de lintenstructuur die op een organische manier het landschap in liep en Tilburg verbond met de omringende dorpen. De namen van de straten Prinsenhoeven en Koningshoeven verwijzen naar het bezit van Koning Willem II in dit gebied.
Historische groei van Tilburg (bron structuurvisie linten in de oude stad gemeente Tilburg). Lange tijd is het gebied van de Koningshoeven een welvarend deel van de stad geweest, toen de textielfabrikanten hier hun villa's bouwden en hun fabrieken neerzetten. Het ineenstorten van de textielindustrie heeft een grote verandering in het gebied gebracht, de textielfabrieken verdwenen, veel bedrijfsgebouwen zijn hergebruikt voor andere bedrijfsfuncties. Daarnaast is, in de loop van de tijd, het gebied van de Koningshoeven door de komst van het ringbanenstelsel, het kanaal, de snelweg en de Kempenbaan afgesneden van de stad. Het gebied is echter nog steeds op een indirecte manier (fysiek via kruispunten, onder viaducten en bruggen) verbonden met de stad, de Abdij en het landschap. De structuur van vroeger is nog wel herkenbaar in het gebied. Op verschillende manieren is de aansluiting op de stad nog zicht- en voelbaar, door onder andere de waterloop en ecologische zone langs de Leij en de woontorens van het Cenakel die als zicht- en herkenningspunt de verbinding tussen de stad en Koningshoeven markeren. De opbouw van het vroegere lint is ook nog herkenbaar in de opbouw van de straat. Het is herkenbaar in het straatprofiel met losse bebouwing links en rechts van de weg met groene voortuinen en veel volwassen bomen.
In het huidige straatbeeld is de samenhang tussen straatprofiel, tuin en bebouwing een belangrijke ruimtelijke kwaliteit waarbij o.a. de bebouwing is georiënteerd op de straat, de bebouwing met de frontbreedte van het gebouw parallel loopt met de straat en de oriëntatie van de kavels en kavellijnen haaks op het lint staan. Er is een duidelijk verschil tussen de eerste lijns-bebouwing en bebouwing in de tweede lijn. Achter deze eerste lijns-bebouwing, in de tweede lijn, vinden we gebieden van een andere schaal. Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
9
Aan de oostzijde van de Koningshoeven, richting het kanaal, is de schaal vooral kleinschalig en groen. Aan de westzijde is het een schaalsprong naar een grotere schaal, die van de voormalige textielfabrieken en bedrijfsbebouwing. Het gebied bestaat hierbij vooral uit verharde erven. De verkaveling volgt het oorspronkelijke verkavelingspatroon, haaks op het lint. Aan de noordzijde wordt het begrensd door de groene ruimte van de oevers van de Leij en de ecologische verbinding. In het zuiden eindigt het gebied met de achtertuinen van de villa's tegen de bosschages op het talud van de snelweg. De oostzijde van de Koningshoeven loopt met de groene sfeer van de achtertuinen over in de groene randen van het kanaal. Aan de westzijde snijdt de Kempenbaan het gebied van de Koningshoeven van de stad af en liggen de bedrijventerreinen met hun achterkanten naar de entree van de stad. Het is de wens van de stad om deze entree te verbeteren en een betere uitstraling te geven.
Schematische weergave van de opbouw van dit deel van de Koningshoeve. (bron gemeente Tilburg) Het gebied is onderdeel van de zorgknoop zoals beschreven in de Omgevingsvisie van de stad Tilburg 2040. De ambitie voor het gebied is aan te sluiten bij de ontwikkelingen binnen de zorg en ruimte te bieden aan de spinn-off van het ziekenhuisterrein. Tevens is de ambitie de zorgknoop landschappelijk te verbinden met het stadsregionaal park Koningshoeven - Moerenburg. Koningshoeven is een belangrijke schakel in de verbinding tussen stad en land, via de Koningshoeven kunnen de inwoners van Tilburg het zuidelijk deel van het stadsregionale park bereiken en dit als startpunt gebruiken naar het buitengebied en de natuurgebieden aan deze zijde van de stad. 3.2.1 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012).
De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
10
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
3.3 Groen en speelruimte 3.3.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2017 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2017 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg.
Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. 3.3.2 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af.
Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
11
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
Onder paragraaf 4.10 zal nader in worden gegaan op de ligging van de Leij als ecologische verbindingszone aan de noordzijde van het plangebied.
3.4 Bedrijvigheid 3.4.1 Kadernota Ruimte voor Bedrijven Het doel van de nota is het oplossen van de knelpunten op korte termijn en het reserveren van voldoende ruimte op langere termijn om in de vraag naar bedrijventerreinen te kunnen voorzien. In de nota is de behoefte aan bedrijventerreinen in kaart gebracht. De behoefte is sterk afhankelijk van de conjunctuur en alleen globaal te ramen. De feitelijke ontwikkelingen ten aanzien van de vraag naar en het aanbod van nieuwe bedrijventerreinen worden gevolgd door middel van voortgangsrapportages. Op basis daarvan wordt het ontwikkelingsprogramma voor nieuwe bedrijventerreinen periodiek geactualiseerd, zowel kwantitatief als kwalitatief. In de Voortgangsrapportage Bedrijventerreinen 2004 is de segmentering enigszins aangepast. Nieuwe bedrijventerreinen worden in drie segmenten verdeeld (kwalitatief): 1. grootschalig gemengd (kavels groter dan 2ha): voor milieuhinderlijke bedrijven (t/m categorie 5) en voor bedrijven die veel verkeer aantrekken, zoals grote verladers, transport en distributie; 2. kleinschalig gemengd (kavels tot 2ha): voor industrie (t/m categorie 4), ambacht, bouw, reparatie, groothandel, perifere detailhandel en kantoorachtige bedrijven;
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
12
3. lokaal gemengd (kavels tot 5.000m2): voor bedrijvigheid met een lokale afzet- of arbeidsmarkt, zoals installatie- of reparatiebedrijven. Op deze bedrijventerreinen behoort werken aan huis ook tot de mogelijkheden. Het segment lokaal gemengd is te zien als verbijzondering van het segment kleinschalig gemengd en is te vinden in de dorpen en in woonwerkgebieden in het stedelijke gebied. Binnen de typen grootschalig en kleinschalig gemengd worden twee subtypen onderscheiden en wel standaardterreinen en hoogwaardige terreinen. De locatie Kempenbaan kan niet specifiek in een van de drie segmenten onderverdeeld worden. De situatie ter plaatse is van oudsher ontstaan. Voor de locatie geldt een gebiedseigen profiel. Om beter aan te sluiten bij de omgeving (wonen en zorgcluster) is gekozen voor afschaling van de milieucategorie en niet (meer) toestaan van zelfstandige kantoren en horeca. 3.4.2 Regionale Agenda Werken De lokale programmering van bedrijventerreinen wordt vanwege de provinciale verordening Ruimte vanaf 2012 op regionaal niveau afgestemd met de Hart van Brabant gemeenten. In december 2011 zijn de regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld in het bestuurlijke Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van de regio Hart van Brabant met de provincie Noord-Brabant.
De regionale afspraken bedrijventerreinen bevat de programmering van nieuwe bedrijventerreinen in de regio Hart van Brabant en wordt jaarlijks in december herbevestigd of herijkt. De regionale afspraken bedrijventerreinen zijn gebaseerd op een prognose voor de ruimtevraag naar nieuwe bedrijventerreinen die tenminste 1 keer per bestuursperiode door de provincie wordt opgesteld. Die prognose wordt aangevuld met gegevens over reeds bouwrijpe beschikbare kavels, restlocaties, strategische reserves, transformatie- en herstructureringsplannen. In opdracht van de provincie zijn in 2014 nieuwe prognoses voor de ruimtevraag naar bedrijventerreinen opgesteld, op basis waarvan in 2015 de kwalitatieve ruimtevraag nader in beeld is gebracht. In juni 2016 is de visie bovenregionale afstemming zeer grootschalige logistiek vastgesteld. Op basis van deze stukken hebben de Hart van Brabant gemeenten en de provincie bij het RRO van 7 juli 2016 de principes voor de nieuwe regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld. Vervolgens is een aantal elementen nader uitgewerkt en bij het RRO/gecombineerd portefeuillehoudersoverleg ROV/EZ&RT van 22 september 2016 vastgesteld. Op 18 december 2019 zijn nieuwe afspraken gemaakt in het Bedrijventerreinenafspraken Regio Hart van Brabant 2020-2024.
Voor Kempenbaan Oost is met name het volgende relevant: Vraaggericht ontwikkelen in relatie tot de bestaande voorraad "We ontwikkelen pas bij concrete vragen van concrete bedrijven. Vanzelfsprekend kijken we eerst, samen met de initiatiefnemer, of die vraag niet net zo goed op een bestaand of bouwrijpbedrijventerrein kan worden geaccommodeerd. Dit is conform de ladder voor duurzameverstedelijking. Pas als dat niet kan gaan we over tot ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein,maar alleen voor die bedrijven die ook echt gaan bouwen. Het huidige aanbod van (bouwrijpe) bedrijventerreinen zetten we optimaal in. Dit houdt dus ook in dat we bestaande bedrijventerreinen herstructureren om de concrete vraag te laten landen. De ontwikkeling van nieuwe terreinen kan bijdragen aan de herstructurering van bestaande terreinen. Voordat we overwegen een nieuwe bedrijfslocatie te creëren garanderen wij dat deze niet concurreert met bouwrijpe en bestaande bedrijventerreinen. Maar de bouwrijpe bedrijventerreinen mogen ook geen blokkade vormen voor het accommoderen van vraag die daar niet past, bijvoorbeeld vanwege de schaalgrootte van een bedrijf, de verwachte milieubelasting, de gevraagde ontsluiting of de sterke lokale binding van een te vestigen of verhuizen bedrijf.
Als een gemeente geen oplossing kan vinden in het bestaande lokale en regionale aanbod mag deze gemeente ruimte creëren voor lokaal gevestigde bedrijven: Het gaat dan primair om reeds ter plaatse gevestigde bedrijven, of bedrijven die aantoonbaar een belang hebben bij vestiging in de betreffende gemeente. Doet zich een concrete vraag voor uitbreiding/vestiging van zo’n bedrijf voor, dan mag de gemeente ten behoeve van die vraag haar bedrijventerreinareaal uitbreiden."
3.4.3 Nota Bedrijvigheid op Binnenwijkse Bedrijventerreinen
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
13
Het college heeft op 17 mei 2016 definitief de Aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen vastgesteld. Voorafgaande hieraan heeft de Raadscommissie Vestigingsklimaat op 14 maart 2016 de aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen besproken en haar wensen en bedenkingen gegeven. Verkleuring is kort gezegd het fenomeen waarbij (toekomstige) eigenaren en gebruikers op bedrijventerreinen activiteiten willen ontplooien of zodanig willen veranderen dat het gebruik daardoor anders wordt dan oorspronkelijk beoogd. De gemeente wil enerzijds ruimte bieden aan de economische dynamiek die de economische kracht van de stad en de regio versterkt. Maar de gemeente wil ook zorgen voor 'de juiste functies op de juiste plek'. De stad wil duurzaam verstedelijken en leegstand en verdringing tegengaan. Ook wil de gemeente onderlinge hinder van bedrijven en functies en kwaliteitsverlies op andere locaties in de stad voorkomen. Het college heeft daarom een aantal uitgangspunten over het al dan niet toestaan van nieuwe soorten gebruik op bestaande bedrijventerreinen vastgesteld: 1. Industrie en logistieke bedrijven optimaal bedienen in hun verkleuringswensen. 2. Stedelijke economie en consumentgerichte stedelijke functies soms faciliteren op sommige terreinen 3. Geen nieuwe solitaire kantoorfuncties; uitzondering voor kleinschalige kantoren ‘in de industriële keten’. 4.
Ondergeschikte consumentendiensten bij werkplaatsen en ateliers mogelijk (tot 20% van vloeroppervlak) 5. Zelfstandige horeca: in principe niet. 6. Stedelijke functies: bij voorkeur in de stad. Alleen als zij op een bedrijventerrein beter passen mag het daar. 7. Wonen op bedrijventerreinen is niet gewenst, met uitzondering van bedrijfswoningen. 8. Geen nieuwe solitaire detailhandel op bedrijventerreinen, focus op clustering, saldo 0 benadering. 9. Afhaalpunten (binnen strikte definitie) toegestaan. 10. Branchering. Géén verruiming. Concentratie woninginrichting op Leijpark / AaBé Op de verschillende Tilburgse bedrijventerreinen spelen verschillende vormen van verkleuring. We maken een driedeling in typen terreinen: Type 1: Terreinen voor Moderne Industrie en Logistiek We werken mee aan de ontwikkelingen en vragen van bedrijven (verbreding en verdieping van bedrijfsactiviteiten) die passen bij de economische speerpunten van modern industrieel en logistiek cluster en kennisintensieve activiteiten. We werken dus mee aan de verkleuring en menging als onderdeel van de transitie van bedrijfsprocessen. Daarbij denken we vooralsnog aan shared services met opleidingscentra, laboratoria, een restaurant of informele werkplek met vergaderfaciliteiten etc.
Deze terreinen zijn niet bedoeld voor wonen en stedelijke functies als (perifere) detailhandel, studio’s en ateliers, feestzalen, et cetera. Type 2: Terreinen voor gemengde bedrijven in stedelijk gebied Op de terreinen voor gemengde bedrijven in stads- of dorpsgebied zien we steeds meer vermenging van functies ontstaan. We werken mee aan ontwikkelingen die passen bij het aantrekken van hoogwaardige productie- en kennisintensieve werkgelegenheid. Hiertoe staan we een grotere mate van 'kantoorachtige' werkgelegenheid toe, mocht dit gewenst zijn. Denk hierbij aan installatiebedrijven, die ook het ontwerp en de voorbereiding doen. Nieuwe solitaire kantoren en detailhandelsfuncties staan we hier echter niet toe. We zetten op sommige deelgebieden in op een grotere mate van stedelijke functies dan bij andere. Hoe dichter in en op de woonomgeving, hoe minder er sprake mag zijn van (verkeers- en geluids)hinder. Type 3: Detailhandelslocaties: GDV/ PDV We willen per saldo geen toevoeging van vierkante meters detailhandel. We staan geen brancheverruiming toe op de PDV-locaties. Leijpark / AaBé terrein is het de enige woonboulevard waar nieuwe woninginrichting en GDV-branches worden toegestaan. De locatie Kempenbaan Oost is aangemerkt als binnenwijks bedrijventerrein. Het laten vervallen van de mogelijkheid zelfstandige kantoor- en horecafuncties te realiseren is in lijn met het beleid.
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
14
Het afschalen van de milieucategorien is niet in strijd met dit beleid. Grootschalige logistiek is bijvoorbeeld gewenst op locaties zoals nader beschreven in de Regionale Agenda Werken. Er is nieuw beleid in ontwikkeling (Toekomstbestendige werklocaties). Het afschalen van het type bedrijvigheid en het niet meer toestaan van solitaire kantoren is hier niet strijdig mee. Bij de ontwikkeling van een nieuw plan zal met dit nieuwe beleid rekening worden gehouden.
3.5 Verkeer en parkeren 3.5.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.5.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.
De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.5.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' (bijlage 1) zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
15
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. 3.5.4 Specifiek voor dit plan Ligging plangebied: Het plangebied, gelegen in het zuidoosten van Tilburg, wordt begrensd tussen de Kempenbaan, Koningshoeven en A58. De belangrijkste ontsluitingsweg is de Kempenbaan als oostelijke entree van de stad aansluitend op de Ringbaan Zuid en Ringbaan Oost. De maximum toegestane snelheid is 70 km/u tot aan de bebouwde komgrens ter hoogte van de Leij. Daarna is de maximum toegestane snelheid 50 km/h. Functie/ontsluiting: De Koningshoeven is een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/u. Deze weg is aangesloten middels een verkeerslichtentregelinstallatie (VRI) ter hoogte van het Cenakel op de Kempenbaan. Hiermee worden ook andere functies ontsloten zoals een hotel en sportclub aan de Ijsclubweg.
De Koningshoeven functioneert als ontsluiting voor diverse woningen en bedrijvigheid. Bovendien dient de weg ook als ontsluiting voor het buitengebied rondom de Eindhovenseweg waar diverse functies zoals het Trappistenklooster en agrarische bedrijven zijn gelegen. De Eindhovenseweg is ook de verbinding richting Moergestel. Dit levert veel ongewenst sluipverkeer op, van en naar de A58 richting Eindhoven. Het bestemmingsplan is erop gericht om de planologische ruimte die het bestemmingsplan Leijpark-Koningshoeven 2008 biedt te beperken tot bedrijven in een maximale milieucategorie 2. Dit betekent dat de nu nog toegestane functies van zelfstandige kantoren, horeca en bedrijven tot en met milieucategorie 3.1. komen te vervallen. Het wegnemen van potentieel verkeersaantrekkende functies is voor de Koningshoeven als positief aan te merken. Met het vervallen van milieucategorie 3.1 wordt met name zwaar vrachtverkeer verminderd. Naar de toekomst bezien is er de wens om het bedrijventerrein direct te laten ontsluiten op de Kempenbaan. Dit is nu (financieel en verkeerstechnisch) nog niet aangetoond. Fietsverkeer: Door het gebied loopt via de Koningshoeven een secondaire fietsroute richting Torentjeshoeve en Eindhovenseweg.
Het profiel op de Koningshoeven is te smal voor aparte fietsvoorzieningen, echter door het wegnemen van de verschillende verkeersstromen kan de veiligheid voor langzaam verkeer beter gewaarborgd worden. De wens bestaat om een nieuwe ongelijkvloerse langzaam verkeersverbinding te realiseren tussen Kempenbaan Oost en Kempenbaan West. Hiervoor is nog nader onderzoek nodig naar de ruimtelijke inpassing en financiële onderbouwing. Openbaar Vervoer: Door het plangebied loopt een streeklijn 141 richting Moergestel. Op 2 plaatsen binnen de bebouwde kom liggen bushaltes. Parkeren: De ontwikkelingen moeten voldoen aan het parkeerbeleid van de gemeente Tilburg. Nieuwe ontwikkelingen in dit gebied moeten voldoen aan de, op dat moment, vastgestelde parkeernormen. Voor het programma zijn de meest recent vastgestelde parkeernormen voor zone C van toepassing.
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
16
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig.
Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (Kampina en Oistwerwijkse vennen) bevindt zich op circa 2 kilometer van het plangebied. Vanwege de afstand leidt alleen stikstofdepositie tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied. Dit wordt in paragraaf 4.2.3.2 onderzocht en beoordeeld. Er heeft een vormvrije mer beoordeling plaatsgevonden (zie hieronder). Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.
4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden
Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
17
wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.: Voor deze ruimtelijke onderbouwing/ dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, te weten: D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van een bedrijventerrein Het beoogde bestemmingsplan behelst het beperken van de toegelaten bedrijvigheid. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e,r,-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen.
Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling. Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-MER als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op ruime afstand ca. 2 km van gebieden die wel als Natura 2000-gebied zijn aangewezen (Kampina en Oisterwijkse vennen). Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Gezien de afschaling van de bedrijvigheid zijn geen extra negatieve effecten op de nabijgelegen NNB en Natura2000-gebieden te verwachten. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 Wet milieubeheer. De criteria betreffen: 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2.
Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4. Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. Toetsing: 1. Fysieke kenmerken van het plan: Het plan heeft betrekking op het beperken van de mogelijkheid voor vestiging van verkeersaantrekkende bedrijven. Leijpark-Koningshoeven 2008, 1e herziening (bedrijventerrein Kempenbaan Oost)
18
2. Plaats van het plan: Het plan wordt uitgevoerd op een locatie die nu in gebruik is als bedrijventerrein en gebruikt gaat worden als bedrijventerrein. 3. Kenmerken van de potentiele effecten: Het plan betreft het beperken van de planologische mogelijkheden. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Bodem: Verwezen wordt naar paragraaf 4.9 van het ontwerpbestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat deze aanpassing van de bestemming geen gevolgen heeft voor de bodem. Water: Verwezen wordt naar hoofdstuk 5 van het ontwerpbestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat deze aanpassing van de bestemming geen gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Natuur/Ecologie: Verwezen wordt naar paragraaf 4.10 van het ontwerpbestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat deze aanpassing van de bestemming geen gevolgen heeft voor de natuur/ecologie. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest nabijgelegen gebied betreft het gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Dit ligt (op ca.2 kilometer afstand. Veel Natura 2000 gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbeschermingvergunning (Wnb-vergunning).
Omdat de planologsiche mogelijkheden beperkt worden door bedrijven die gemiddeld of veel verkeer aantrekken uit te sluiten wordt de uitstoot van dit terrein dan op dit moment mogelijk is. waardoor er mede gelet op de afstand tot het Natura-2000 gebied, er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op het natuurgebied. Geluid: Verwezen wordt naar paragraaf 4.6 van het voorontwerpbestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat deze aanpassing van de bestemming geen gevolgen heeft voor het onderdeel geluid. Luchtkwaliteit: Verwezen wordt naar paragraaf 4.7 van het ontwerpbestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat deze aanpassing van de bestemming geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Geurhinder: Verwezen wordt naar paragraaf 4.8 van het ontwerpbestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat deze aanpassing van de bestemming geen gevolgen heeft voor het onderdeel geur. Externe veiligheid: Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 van het ontwerpbestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat deze aanpassing van de bestemming geen gevolgen heeft voor de externe veiligheid. Conclusies en advies Het doel van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.