CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting bp streepstraat D2451 zonder bijlagen

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Streepstraat17.480 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: ‐ wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte‐woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; ‐ met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; ‐ nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; ‐ de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een advies van de GGD nodig.

In overleg met de GGD is voor wat betreft het geitenmoratorium het advies overgenomen uit de Gezondheidskundige beoordeling appartementencomplex Bosscheweg, opgesteld in februari 2021: <0000>

<0000>

<0000>

In het onderzoek Veehouderij en Gezondheid (VGO) werd gevonden dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen omwonenden een grotere kans op longontsteking hebben. Dit verband is tussen 2009 en 2016 elk jaar gevonden. Ook in aanvullend onderzoek in Utrecht/ Gelderland/ Overijssel werd eenzelfde verband gevonden. Op dit moment is nog niet bekend wat de oorzaak van het verhoogd voorkomen van longontsteking is, waardoor het nog niet mogelijk is passende maatregelen te treffen om het risico te beheersen. Vervolgonderzoek hiernaar vindt momenteel plaats, maar resultaten zullen naar verwachting niet op korte termijn beschikbaar zijn. In de aangevraagde situatie is de planning dat de ontwikkeling wordt gerealiseerd aan de rand van de bebouwde kom. Dit betekent dat er geen sprake is van een inbreidingslocatie. Uit onderzoek blijkt dat de risico op longontsteking toeneemt naarmate men dichter bij de geitenhouderij woont. Hoeveel het risico toeneemt is nog niet goed gekwantificeerd. Bekend is dat bij heel jonge kinderen en ouderen een longontsteking heftiger kan verlopen (grotere kans op ziekenhuisopname, langer ziekbed). In de Beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen van de gemeente Tilburg staat: “de gevolgen van longontsteking kunnen voor personen jonger dan 6 maanden en ouder dan 60 groter zijn dan voor personen tussen de 6 maanden en 60 jaar.

Hoewel we kwetsbare doelgroepen niet uit kunnen sluiten binnen reguliere woningbouw‐projecten, kiezen we er wel voor om bestemmingsplanfuncties die specifiek gericht zijn op deze leeftijdsdoelgroepen niet toe te staan. Concreet moet hierbij gedacht worden aan kinderdagverblijven en (intramurale) woonvoorzieningen voor ouderen”. In het voorgelegde plan gaat het om de realisatie van 9 woningen voor (willekeurige) huishoudens. De ontwikkeling is niet gericht op huisvesting van kwetsbare groepen.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegde Risico‐inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijnen Tilburg – Boxtel, Tilburg – Vught, Tilburg ‐ Breda en de Rijkswegen A65/N65 en A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied.

Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi‐inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Om de bereikbaarheid van de woningen voor hulpdiensten na te gaan is ook een aanvullende notitie opgesteld (notitie bereikbaarheid hulpverleningsdiensten, zie bijlagen). Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijnen Tilburg – Boxtel, Tilburg – Vught, Tilburg ‐ Breda en de Rijkswegen A65/N65 en A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico‐inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden ‐en West Brabant heeft d.d. 12 juli 2022 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10‐6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie‐campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS‐installatie (Waarschuwings‐ en alarmeringssysteem), dit biedt de mogelijkheid de aanwezigen in het gebied tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings‐ en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten‐ en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen") respectievelijk hs 11 van de Wet milieubeheer. Dit betreft de: <0000> Rijksweg A65; <0000> Streepstraat; <0000> Bosscheweg. Ingevolge de Wgh geldt voor nieuwe woningen een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Voor de oprichting van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh plaatsgevonden. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek “Bouwplan Streepstraat te Berkel‐Enschot, Onderzoek weg‐ en railverkeerslawaai” opgesteld door Adromi B.V., d.d. 11 juli 2022, projectnummer R202049, versie 02a, opgenomen als bijlage 6 van deze toelichting. Uit het akoestisch onderzoek blijkt: <0000> dat de voorkeurgrenswaarde van 48 dB enkel wordt overschreden t.g.v. de Rijksweg A65. Dit geldt voor alle woningen; <0000> dat de maximale ontheffingswaarde van 53 dB t.g.v.

de Rijksweg A65 wordt overschreden voor de woningen E (oostgevel), G (oost‐ en zuidgevel) en I (oost‐ en zuidgevel) op een rekenhoogte van 5 meter. De maximale geluidsbelasting bedraagt 57 dB op de oostgevel van woning I; <0000> de gevels waar de geluidbelasting meer bedraagt dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB doof worden uitgevoerd. Voor de Rijksweg A65 kan als bronmaatregel geluidarm asfalt als wegdekverharding worden aangebracht. Echter de Rijksweg A65 is reeds voorzien van geluidsreducerend asfalt. Andere maatregelen aan de bron om de geluidbelasting te reduceren tot aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB (bijvoorbeeld het beperken verkeersintensiteit of het verlagen van de rijsnelheid) ontmoeten overwegende bezwaren van verkeerskundige aard. Om de geluidbelasting te reduceren kunnen geluidschermen worden toegepast. Om een optimaal effect van geluidschermen te creëren, moeten deze bij voorkeur dicht bij de bron (in dit geval evenwijdig aan de A65) of dicht bij de ontvanger worden geplaatst. De kosten hiervan worden als niet doelmatig beschouwd mede gelet op het gegeven dat hier slechts sprake is van het oprichten van een beperkt aantal woningen. Om de woningen akoestisch mogelijk te maken is het noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen voor de Rijksweg A65 tot een maximum van 53 dB. Hierbij is rekening gehouden dat voor de woningen E, G en I

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

dove gevels in het ontwerp (1e verdieping) worden toegepast. Voor dit bestemmingsplan heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde besluit genomen waarbij tevens rekening is gehouden met (eisen vanuit) het gemeentelijk geluidbeleid, zie paragraaf 5.5.3. Dit besluit is opgenomen in de bijlagen bij de planregels. Via de planregels is geborgd dat bij bouw van de woningen rekening wordt gehouden met benodigde maatregelen, zoals dove gevels op 3 van de woningen. 4.6.2 Railverkeerlawaai De nieuwe woningen zijn gelegen binnen het aandachtsgebied zoals aangegeven in artikel 1.4a lid 1 van het Besluit geluidhinder. Voor nieuwe woningen bedraagt de voorkeurgrenswaarde 55 dB. Artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om hogere waarden vast te stellen tot ma ximaal 68 dB. Voor de oprichting van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh/Besluit geluidhinder plaatsgevonden. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek “Bouwplan Streepstraat te Berkel‐Enschot, Onderzoek weg‐ en railverkeerslawaai” opgesteld door Adromi B.V., d.d. 11 juli 2022, projectnummer R202049, versie 02a (bijlage 6).

Uit het akoestisch onderzoek blijkt: <0000> dat de voorkeurgrenswaarde van 55 dB enkel wordt overschreden voor de woningen F, G, H en I; <0000> dat de maximale ontheffingswaarde van 68 dB niet wordt overschreden. Bronmaatregelen om de geluidbelasting te reduceren tot aan de voorkeurgrenswaarde van 55 dB zoals het beperken van de verkeersintensiteit of het verlagen van de rijsnelheid zijn vervoerskundig niet gewenst. Het plaatsen van raildempers wordt als niet doelmatig gezien omdat slechts sprake is van een geringe overschrijding van de voorkeurgrenswaarde en het hier om slechts 4 woningen gaat. Een andere maatregel is het toepassen van geluidschermen. Om een optimaal effect van geluidschermen te creëren, moeten deze bij voorkeur dicht bij de bron (in dit geval evenwijdig aan het spoor) of dicht bij de ontvanger worden geplaatst. De kosten hiervan worden als niet doelmatig beschouwd mede vanwege de geringe overschrijding van de voorkeurgrenswaarde en het gegeven dat het om slechts 4 woningen gaat. Om de woningen akoestisch mogelijk te maken is het noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen. Hierbij is rekening gehouden dat voor de woningen G en I dove gevels in het ontwerp (1e verdieping) worden toegepast.

Voor dit bestemmingsplan heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde besluit genomen waarbij tevens rekening is gehouden met (eisen vanuit) het gemeentelijk geluidbeleid, zie paragraaf 5.5.3. Het besluit is te vinden in de bijlagen van de planregels. 4.6.3 Gemeentelijk geluidbeleid Voor woningen die worden blootgesteld aan een geluidbelasting van meer dan 53 dB ten gevolge van wegverkeer (inclusief wettelijke aftrek) en respectievelijk 60 dB ten gevolge van railverkeer worden aanvullende voorwaarden gesteld zoals vastgelegd in het gemeentelijk geluidsbeleid. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor de woningen E, G en I de geluidbelasting voor wegverkeerslawaai meer dan 53 dB bedraagt. Daarom zijn voor deze woningen conform het gemeentelijk geluidbeleid aanvullende voorwaarden gesteld om een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat te waarborgen. Deze voorwaarden houden in: <0000> dat de woningen E, G en I over minimaal één geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte moeten beschikken. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de woningen E, G en I aan deze voorwaarden kunnen voldoen.

<0000> dat bij de aanvraag om vergunning ingevolge de Wabo onderdeel bouwen aan de hand van een gevelweringsonderzoek wordt aangetoond dat aan afdeling 3.1 van het Bouwbesluit wordt voldaan en de eisen met betrekking tot de aanwezigheid van een geluidluwe gevel, een geluidluwe buitenruimte en de toepassing van dove gevels zoals bedoeld in lid 2 onder a van het hogere waarden besluit. Via een voorwaardelijke verplichting in de planregels is geborgd dat aan de eisen wordt voldaan. 4.6.4 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

4.6.5 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze‐Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke‐zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 4.6.6 Stiltegebied en Attentiezone Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied. 4.6.7 Trillingen Het plangebied ligt ver buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder redelijkerwijs gezien niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de oprichting van 9 woningen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"‐project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Bovendien is geen sprake van luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis‐effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een significante industriële geuremissie. Industriële geur is daarmee geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V‐Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele agrarische bedrijven. Op basis van de achtergrondkaart geur blijkt dat de achtergrondbelasting in het plangebied geclassificeerd kan worden als ‘redelijk goed’. De planontwikkeling leidt voor de betreffende agrarische bedrijven niet tot nieuwe maatgevende woningen. De woningen uit dit plan liggen buiten de vaste afstanden voor de betreffende agrarische bedrijven. Daarmee vormt agrarische geur geen belemmering voor het plan.

Afbeelding 7: Achtergrondbelasting geur (bron: Omgevingsdienst Zuidoost Brabant)

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering. Door Moerdijk Bodemsanering BV is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, om de bodemkwaliteit te beoordelen. Uit de veld‐ en analyseresultaten wordt geconcludeerd dat er geen bodemveronteiniging is aangetroffen en de locatie als 'onverdacht' kan worden beschouwd. De resultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging. Het onderzoek is te vinden in bijlage 7 van deze plantoelichting.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000‐gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora‐ en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel‐ en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000‐gebieden heeft betrekking op de Natura‐2000‐gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000‐gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant‐ en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora‐ en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.

In Noord‐Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord‐Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust‐ en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed‐ en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust‐ en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.

Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur ‐ EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord‐Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur‐ en landschapswaarden via een "nee‐tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.

De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja‐mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden / onderzoek stikstofdepositie Om na te gaan of de beoogde ontwikkeling kan leiden tot significant negatieve effecten op Natura2000‐gebieden, veroorzaakt door stikstofdepositie, is deze zowel voor de gebruiks‐ als de bouwfase in beeld gebracht. Dit onderzoek is te vinden in bijlage 8 van deze plantoelichting. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige natuurgebieden zijn ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’. Met de beoogde ontwikkeling treedt geen stikstofdepositie op van hoger dan 0,00 mol/ha/jaar als gevolg van de activiteiten in zowel de bouw‐ als gebruiksfase. Hiermee is aangetoond dat er geen mogelijke significante effecten vanwege de stikstofemissies vanuit het project op de natuurgebieden zijn. Het aspect stikstofdepositie staat de realisatie en het gebruik van de nieuwe woningen niet in de weg. Quickscan Voor de voorliggende ontwikkeling is een Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd.

Deze is toegevoegd als bijlage 9 bij deze plantoelichting. Hieruit blijkt het volgende: Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

Afbeelding 8: Overzicht soortenbescherming

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000‐gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000‐gebieden geen sprake. Een AERIUS‐berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’‐toets is niet noodzakelijk.

Afbeelding 9: Overzicht beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming Houtopstanden In de beoogde ruimtelijke ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Conclusie De realisatie van 9 vrijstaande woningen aan de Streepstraat ong. te Berkel‐Enschot is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming, derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

4.11 Spuitzones Grenzend aan de beoogde woningbouwlocaties is sprake van gronden waar agrarische teelten zijn toegelaten. Op deze gronden is het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uitgesloten. Met het oog op de beoogde ontwikkeling is een spuitzone onderzoek uitgevoerd (bijlage 10). De ruimtelijke aanvaardbaarheid wat betreft woon‐ en leefklimaat van de nieuw te realiseren woningen in relatie tot toepassing van gewasbeschermingsmiddelen is onderzocht. Hierbij zijn de agrarische exploitaties die plaatsvinden op minder dan 50 meter afstand van de beoogde woningen en flankerende functies zoals tuinen betrokken. In de conclusie van het rapport worden aanbevelingen gedaan om de risico’s zo klein mogelijk te maken. De aanbevelingen zijn verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. Dit betreft: a. Binnen 5 meter van de percelen waarop gewassen geteeld worden, beperking stellen aan regulier menselijk verblijf én; b. Uit voorzorg op de perceelgrens een vanggewas in de vorm van een haag te plaatsen. In het bestemmingsplan worden regels opgenomen worden over de hoogte en breedte van de te planten haag. Er moet sprake zijn van een aaneengesloten haag en de haag moet vervangen moet worden bij ziekte of afsterven.

Met de genomen maatregelen accepteert het bevoegd gezag het berekende blootstellingsniveau ‘Acceptable Operator Exposure Level (AOEL)’ als weergegeven in het spuitzone onderzoek in tabel 1. Door de situering van de 9 woonbestemmingen op een afstand groter dan 5 meter van omliggende agrarische percelen en door de (verplichte) aanleg van een bladhoudende haag (zie bijlage 1 Toelichting landschappelijke inpassing Streepstraat D2451) wordt opvolging gegeven aan de aanbevelingen.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied en het perceel zijn weergegeven in afbeelding 10. Het te ontwikkelen perceel is in de bestaande situatie in gebruik als grasland en onverhard.

Afbeelding 10: Gebiedskenmerken Illustraties behorende bij de waterparagraaf:

Afbeelding 11: Locatie plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van oppervlaktewater

Afbeelding 12: Hittestresskaart met locatie plangebied

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Afbeelding 13: Water op straat kaart (zomerbui T100) met locatie plangebied Aan de westzijde van het perceel is een druk riolering aanwezig. Voor het aansluiten van de woningen op de riolering dient afgestemd te worden met de gemeente Tilburg. In de bestaande situatie is er geen sprake van afvoerende verharde oppervlakten. Het regenwater infiltreert op het perceel in de bodem tot het grondwater.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerprogramma 2022‐2027 vastgesteld op 31 maart 2021. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Nieuw Regionaal Water en Bodem Programma provincie Noord‐Brabant 2022 ‐ 2028 (RWP (6 jaar)) is in 22 december 2021 door de provincie Noord‐Brabant vastgesteld. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu‐ en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland. Zowel het RWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020‐2023.

Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010‐2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Hierbij de algemene uitgangspunten voor de (her)ontwikkeling, in de geest van het vigerende waterbeleid in PWR: <0000> Het watersysteem wordt ontworpen in samenhang (integraal) met de overige opgaven van het plangebied en kan effectief beheerd worden. <0000> In het ontwerpproces van de bouwmassa’s en het stedenbouwkundige ontwerp (incl. openbare ruimte) wordt een water‐robuust en klimaatbestendig plan neergezet. <0000> Water‐robuust: het nieuwe gebied moet bestendig zijn tegen wateroverlast bij extreme neerslag. <0000> Klimaatbestendig: het nieuwe gebied moet verdroging en het ontstaan van excessieve hitte zoveel mogelijk voorkomen. <0000> ‘Water’ is een positief onderdeel van het plan, dat via slimme combinaties met ‘groen’ een belangrijke bijdrage heeft aan de kwaliteit van het plangebied. <0000> De woningen, gebouwen en de openbare ruimte zijn bestand tegen weerextremen.

<0000> In het wettelijk verplichte proces van de watertoets (sectoraal) worden de integrale afwegingen vanuit de waterbelangen onderbouwd en omschreven. Er wordt aannemelijk gemaakt dat er voldoende ruimte beschikbaar is voor een water‐robuust en klimaatbestendig watersysteem.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Toepassing van deze principes op het plan en enkele technische aspecten: <0000> Hydrologisch positief watersysteem: de plandelen waarvan de regenwaterafvoer gekoppeld is op de bestaande gescheiden riolering worden bij de nieuwe plannen ontkoppeld en dan aangekoppeld op de aan te leggen infiltrerende waterberging. <0000> Gebiedseigen water wordt vastgehouden: Aan de hand van de maatgevende grondwaterstanden (GHG 10.8+) is de ontwateringdiepte bij de Streepstraat net voldoende. Verlaging van het grondwater is niet toegestaan (geen drainage). <0000> Bouwdelen onder het maaiveld dienen water‐ en vochtdicht te zijn. Verlagingen van het maaiveld voor bijvoorbeeld half‐verdiepte inrichtingen moet rekening houden met dat het grondwater jaarlijks gedurende een periode het GHG mag overschrijden en dan ongewenste vochtigheid, kwel en onstabiliteit van het grondpakket onder het maaiveld. <0000> Voldoende infiltrerende waterberging: de verplichte waterbergingsopgave is minimaal; <0000> Nieuwe af te wateren oppervlakken: 60 mm (l/m2) o.b.v. de uit het inrichtingsplan nieuwe verharde terreinoppervlakken, plus de in bestemmingsplan maximaal toegestaan dakoppervlakken.

5.3 Toekomstige situatie De ontwikkeling betreft het bouwen 7 vrijstaande woningen en 2 aaneengesloten woningen onder 1 kap op een onbebouwd agrarisch perceel. Voor de nieuwe situatie is uitgegaan van de volgende gegevens:

Afbeelding 14: Afvoerende oppervlakken in de plansituatie ¹ Uitgegaan van volledig gesloten verharding = 100% verhard * Bron: verbeelding en ontwerpvoorstel nieuwe situatie Duurzaam watersysteem De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water‐ en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> de vuil‐ en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T‐hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreem neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. Ten opzichte van bestaand maaiveldniveau is de ontwateringsdiepte voldoende en zijn geen maatregelen benodigd.

Bij verdiepte bouwdelen is er sprake van onvoldoende ontwateringsdiepte waardoor maatregelen moeten worden genomen om grondwater‐ of vochtoverlast te voorkomen. Ondergrondse bouwdelen worden waterdicht uitgevoerd. Ook verlaagde maaivelden buiten de bouwdelen worden waterdicht uitgevoerd tot minimaal 15 á 20 cm boven bestaand maaiveldniveau waarmee ook oppervlakkige inloop van regenwater naar het verlaagde maaiveld wordt voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T‐hoogte) gehandhaafd.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

De gemeente adviseert de terreinhoogten aansluitend op de bestaande openbare ruimte en aangrenzende percelen en de vloerhoogten minimaal 15 à 20 cm hoger te kiezen in verband met mogelijke effecten van extreme neerslag. Riolering In het plan dient hemelwater en vuilwater gescheiden aangelegd te worden (inpandig alsook buiten de panden), geen vermenging van water. Hemelwater op eigen terrein verwerken zoals hierboven reeds opgesomd. Het vuilwater zal middels een aanvraag rioolhuisaansluiting aangesloten worden op de gemeentelijke riolering. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden‐bergen‐afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden‐bergen‐afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d; <0000> Waterdoorlatende verharding; Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie.

Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie (3.844 m²) geldt voor het totale plangebied een bergingsopgave van minimaal ca. 233 m³. De opgave wordt bijgesteld op basis van de werkelijk afwaterende verharde oppervlakte van het plan. De verharde oppervlakte kan worden gereduceerd door de toepassing van bijvoorbeeld groene daken, doorgroeibare verhardingen en door het water van terreinverhardingen in de omliggende groenstroken te verwerken. Als invulling van de waterbergingsopgave in de vorm van wadi’s en sloten als kansrijk gezien. De waterbergingsvoorziening kunnen worden voorzien van een overloop op het oppervlaktewatersysteem. De locatie en vormgeving van deze overstort dient te worden vastgesteld in overleg met gemeente Tilburg en waterschap De Dommel. Regenwater dat valt op verlaagde maaivelden wordt via maaiveld afgevoerd naar de wadi’s of sloten op eigen terrein. Er is geen wateroverlast bekend op de locatie zelf (zie afbeelding 13). Bij het realiseren van de bergingsvoorzieningen dient aandacht te zijn voor de afmetingen van de voorzieningen en de situering daarvan. De bergingscapaciteit moet voldoende zijn voor de opgave (233m3). De bodemhoogte dient zich boven de gemiddeld hoogtste grondwaterstand (1,1m onder maaiveld) te bevinden.

Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem‐ en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van het nieuwe plan kan worden afgevoerd via een aansluiting op de riolering van de gemeente Tilburg, nadere afstemming hierover vindt in een later stadium van de ontwikkeling plaats. Vooroverleg Waterschap De Dommel De nieuwbouw in het plangebied zorgt voor een toename van verhard oppervlak. De Keur 2015 van Waterschap De Dommel en het Programma Water en Riolering 2020‐2023 van gemeente Tilburg schrijven voor dat een bergingsvoorziening wordt aangelegd voor het afstromend regenwater van deze verharding. De planregels van het plan bevatten een voorwaardelijke verplichting voor regenwaterberging, die borgt dat de regenwaterberging wordt aangelegd en in stand wordt gehouden.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

De regenwaterberging is niet beschreven in de plantoelichting. De tekening van de landschappelijke inpassing (te vinden in bijlage 1) laat wel twee bergingsvoorzieningen zien: zaksloten aan de westrand en in het middeldeel van het plangebied en een wadi in de zuidoosthoek van het plangebied. Bij realisatie dient er aandacht te zijn voor: <0000> De afmetingen van de voorzieningen: is de bergingscapaciteit voldoende voor de opgave (233 m³) en ligt de bodemhoogte boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (boven 1,1 meter onder maaiveld); <0000> De werking van de voorziening: vindt leegloop plaats via infiltratie naar de bodem, is de bodem hiervoor voldoende geschikt, is leegloop en/of noodoverloop nodig/mogelijk naar het oppervlaktewatersysteem.

Matrix advies water en klimaat in het kader van IDO Aspect Analyse Plan(locatie) Ruim opgezet plan. Het plan lijkt voldoende rekening te houden met deze (wettelijke) opgaven. Grondwater Uit de tekening kan ik niet opmaken of er ondergrondse bouwdelen komen. De GHG is 1.1m tot 1.6m ‐MV.

Regenwater

Het huidige beleid is gericht op positief hydrologisch ontwikkelen. Daaruit vloeit de bergingsopgave van minimaal 60 mm (oftewel l/m2 aangesloten afwaterende oppervlakte: dak en verharde terreinen) De waterberging moet op eigen terrein aangelegd worden.

Afvalwater

In deze fase van de ontwikkeling is alleen van belang te weten dat er geen onhaalbare aansluiting op de bestaande riolering wordt verwacht.

Risico wateroverlast

De locatie Streepstraat heeft geen verhoogd risico voor overlast door water op straat bij extreme neerslag. (afbeelding par. 5.1)

Klimaatadaptatie

Het plan houdt redelijk rekening met de groenopgave. De kwaliteit van de leefomgeving is gewenst en bij zeer warm weer, kunnen bewoners / gebruikers overlast hebben van overmatige hitte. (zie afbeelding 2 voor huidige hittestress, de nieuwe situatie is veel beter maar met weinig groen.)

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Advies Zorg voor genoeg ruimte voor met name de waterberging. De verharding neemt toe op deze locatie. Veel groen in combinatie met water. Opgave Bouwdelen / terreindelen onder maaiveld water‐ en vochtdicht gebouwd / aangelegd worden. Drainage onder maatgevende grondwaterstanden (gemiddelde hoogste grondwaterstand) is niet toegestaan. Opgave van 60 mm (l/m2) stellen. Bij de uitwerking van het plan t.b.v. omgevingsplanwijziging / ‐vergunning moet een haalbare waterberging opgenomen worden. Bij voorkeur een waterberging bovengronds, zoals bv. wadi’s. Gezien de ruimte is dit hier haalbaar. Zorg bij infiltratiekratten dat deze reinig‐ en inspecteerbaar zijn. Berging volume in toekomst gelijkblijvend. Gescheiden rioolstelsel in woning aanleggen. De aansluitmogelijkheden moeten in overleg met de beheerder bekeken worden bij de uitwerking. RUV zal hier een uitspraak over doen, aansluiten op drukriool of nieuw vrijverval zal bekeken moeten worden. Kosten zijn voor de initiatiefnemer. De keuze van terrein‐ en vloerpeilen moet rekening houden met voldoende bescherming tegen waterdieptes in de omgeving en water vanaf eigen maaiveld de woning kan binnendringen. De gemeente heeft de ‘Uitvoeringsagenda klimaatadaptatie Koel Tilburg’ vastgesteld. Daarin is te vinden hoe het beter kan. G:\TBRUI\Beleid_Wetten\Water\Klimaatadaptat ie (vastgesteld in juni 2020).

Hittestress

Het plan houdt redelijk rekening met de groenopgave. De kwaliteit van de leefomgeving is gewenst en bij zeer warm weer, kunnen bewoners / gebruikers overlast hebben van overmatige hitte. Nu is er alleen groen en bij bebouwing komt er meer verharding. (zie afbeelding 2 voor huidige hittestress, de nieuwe situatie is meer verhard).

Vooroverleg Waterschap De Dommel

De regenwaterberging is nit beschreven in de plantoelichting.

Overige

‐

Tegen overmatige hitte: aanleg van zoveel mogelijk bomen en streef naar minimaal 30% schaduw in terrein, waar geen bebouwing is. En dit te doen bij voorkeur door schaduw‐gevend groen (bomen) te realiseren. Positionering en oriëntatie van bomen graag afstemmen op standplaats van gebouw en (buiten)verblijfruimtes. Denk ook aan groene daken om omgeving te koelen en tevens (hemel)waterafvoer vertragend. De afmetingen van de voorzieningen: is de bergingscapaciteit voldoende voor de opgave (233 m³) en ligt de bodemhoogte boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (boven 1,1 meter onder maaiveld). ‐

Aandachtspunt: Bergingsvoorziening op eigen terrein voorzien van minimaal 233m3 groot en met een mogelijkheid tot lediging via infiltratie of overloop naar een oppervlaktewater of verlaging op eigen terrein.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen. Voorliggend plan betreft maatwerk, dat op de beoogde ontwikkeling is aangepast.

6.2 Bouw- en gebruiksregels De verschillende bestemmingen kennen bouwregels, gebruiksregelsen soms ook mogelijkheden om van deze regels af te wijken (afwijkingsmogelijkheden) of deze regels te wijzigen (wijzigingsbevoegdheden). Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan‐ en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. In het voorliggend plan zijn beperkte regels opgenomen voor bijgebouwen bij de wonignen. Zo wordt bijgedragen aan de ingetogen architectuur van het plan. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Wijzigingsbevoegdheden Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid voor bepaalde functies.

6.3 Systematiek bestemmingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel is omschreven wat in het voorliggend plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van het voorliggend plan moet worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Groen Ter plaatse van de delen van het plangebied die bedoeld zijn voor de landschappelijke inpassing is deze bestemming opgenomen. Wonen De regeling voor Wonen is gelegen op de plekken waar de woningen en de bijbehorende erven zijn gesitueerd. Binnen deze bestemmingen kunnen de hoofdgebouwen binnen de bouwvlakken worden opgericht. Daaromheen ligt (binnen de woonbestemming) de tuin die bij de woonbestemming hoort.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Verkeer en verblijf Deze bestemming biedt de regels die gelden voor de ontsluitingen van de woningen op de Streepstraat. Waarde-Archeologie Ter instandhouding en bescherming van in de grond verwachte archeologische waarde is de dubbelbestemming waarde archeologie toegevoegd aan de planregels. Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van bijvoorbeeld bouwen of afwijkingsmogelijkheden. Deze regels gelden aanvullend op de regels in de artikelsgewijze bestemmingen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Deze op grond van de Wet ruimtelijke ordening verplichte bepalingen geven vorm en inhoud aan het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruik. Slotregel Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan‐ en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu‐effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451) op 11 december 2020 gepubliceerd in het digitaal gemeenteblad van de gemeente Tilburg.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept‐ontwerpbestemmingsplan is in het kader van vooroverleg, onder vermelding van een reactietermijn van zes weken, verzonden aan de provincie Noord‐Brabant en waterschap De Dommel. Hierop zijn de volgende reacties ontvangen en in bijlage 11 toegevoegd aan deze plantoelichting. Waterschap De Dommel stemt in met het plan, maar verzoekt om in de bergingsvoorzieningen in de plantoelichting (zaksloten aan de westrand en in het middeldeel van het plangebied en een wadi in de zuidoosthoek van het plangebied) in de plantoelichting kort te beschrijven. Hoofdstuk 5 van de plantoelichting is hierop aangepast. In de tekst worden de aandachtspunten uit de vooroverlegreactie van het waterschap nu benoemd. De exacte vormgeving van de bergingsvoorzieningen wordt bij uitvoering vorm gegeven, dit is geborgd via de voorwaardelijke verplichting in de planregels. De provincie Noord‐Brabant benoemt dat het plan op hoofdlijnen in overeenstemming is met de Interim omgevingsverordening en benoemt twee onderdelen waarin het plan nog niet voldoet aan de nieuwe uitgangspunten voor de toepassing van de regeling kwaliteitsverbetering landschap. Beheer en onderhoud mag maar voor 6 jaar worden meegerekend en plankosten mogen niet meer worden opgevoerd.

Dit is verwerkt in de berekening van de kwaliteitsverbetering en de hierop gebaseerde bedragen (zie ook hoofdstuk 2 van deze toelichting).

8.3 Omgevingsdialoog Op 5 juli 2022 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond voor omwonenden gehouden in De Druiventros in Berkel‐Enschot. Op deze avond is het plan via powerpoint gepresenteerd aan de hand van het concept inrichtingsvoorstel, met daarop het beoogde verkavelingspatroon van de woningen, de ontsluiting en de landschappelijke inpassing. Van de informatieavond is een verslag gemaakt, zie bijlage 12 van deze toelichting. Omwonenden is twee weken de gelegenheid geboden op het conceptverslag te reageren, waarna een definitieve versie is opgesteld en rondgestuurd. Een later per email aangeleverde reactie is separaat aan bijlage 12 toegevoegd. Hieronder staat een verkorte weergave van de tijdens de gehele dialoog ontvangen reacties en de opmerkingen van de initiatiefnemer uit het schriftelijk verslag. De opmerkingen zijn per onderwerp bij elkaar gezet:

Onderwerp Bestemmingsplan procedure en proces

Reactie omwonende(n) Is het bestemmingsplanplan al definitief. Wil initiatiefnemer omwonenden uit verplichting informeren of suggesties ophalen om een beter en acceptabel plan te maken.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Opmerking initiatiefnemer Het bestemmingsplan is nog niet opgesteld, het plan wordt door deskundigen inhoudelijk getoetst, mogelijk leidt dit tot aanpassingen.

Onderwerp Groen en bosrijke omgeving, licht en uitzicht

Groeninrichting en situering woningen

Beheer groen Planschade en schade door beschaduwing

Prijssegment woningen

Ontwerp woningen

Ontsluiting Verkeer

Boomkwekerij CO2‐uitstoot Geluid Privacy

Reactie omwonende(n) Landelijk wonen aan de Streepstraat en Bosscheweg wordt aangetast. Licht en uitzicht verdwijnt voor de bestaande woningen. De bewoners van de villa’s aan de Streepstraat was vrij uitzicht beloofd, nu komt er bebouwing van 10m hoog. Woningen langs de Streepstraat zijn ongewenst. Dit plan tast de overgang tussen stedelijk gebied en natuur aan. De doorkijk naar het spoor zal worden belemmerd door erfafscheidingen. Wat wordt bedoeld met ‘bebossing’ tussen de te bouwen panden en achtertuinen van de Bosscheweg. Waarom worden de huizen pal achter de percelen Bosscheweg gepland, waarom niet eerst een groenstrook. De biodiversiteit en vergroening nemen af. Wordt het groen in en om de ontwikkeling wel bijgehouden. Bestaande huizen dalen in waarde. Ook ontstaat schade doordat nieuwe bomen zonlicht ontnemen aan bestaande tuinen. Er is geen noodzaak woningen in een hoge prijsklasse te bouwen. Waarom geen seniorenwoningen, laagbouw, bungalows of patiowoningen. Met dure villa’s komt geen doorstroom op gang. De woningen zijn saai. De woningen worden te hoog en massaal. Wat vindt de welstandscommissie? Kan er 1 in‐ en uitgang worden gemaakt, in plaats van 2. Er wordt verkeersoverlast gevreesd, tijdens de bouwperiode en daarna.

Het kruispunt Bosscheweg/ Streepstraat is gevaarlijk en de Streepstraat heeft geen trottoirs waardoor de combinatie vrachtwagens, tractoren met fietsers en voetgangers erg onveilig is. Meer bebouwing betekent meer verkeer. Er wordt nabij een boomkwekerij gebouwd. De CO2‐uitstoot neemt toe. Geluidsoverlast neemt toe. Door inkijk wordt privacy aangetast.

Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)

Opmerking initiatiefnemer

Dit wordt in het bestemmingsplan geborgd.

Tijdens de bouw dient aan de veiligheidsvoorschriften te worden voldaan.

Bouwperiode Verslag

Hoe lang wordt er gebouwd. Ontvangen deelnemers een kopie?

Delen plan/voornemen

Durft initiatiefnemer het plan te delen? Waarom is er niemand van de gemeente.

Rol gemeente

Inschatting is ruim 1 jaar. Deelnemers ontvangen verslag en kunnen aanvullingen geven. Kopie voornemen is beschikbaar in de zaal. Ambtelijk is de gemeente als toehoorder aanwezig. Naar aanleiding van deze vraag is de ruimtelijke procedure door de betreffende ambtenaar toegelicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13588965/1