06 Toelichting bp streepstraat D2451 zonder bijlagen
Tekst van het document
GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451) Toelichting met bijlagen
Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2020037-b001
11 juli 2023
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
4
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 1.2 Het plangebied 1.3 Voorgaande plannen 1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
4 4 5 5
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
8
2.1 Rijk 2.2 Provincie 2.3 Gemeente
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding 3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.4 Volkshuisvesting 3.5 Groen 3.6 Verkeer en parkeren
8 10 13
15 15 15 15 17 17 19
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
22
4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.3 Milieuhinder bedrijven 4.4 Externe veiligheid 4.5 Vuurwerk 4.6 Geluid 4.7 Lucht 4.8 Geur 4.9 Bodem 4.10 Natuur en ecologie 4.11 Spuitzones
22 22 22 23 25 25 27 27 28 29 31
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
32
5.1 Bestaand watersysteem 5.2 Beleidskader 5.3 Toekomstige situatie
32 33 34
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
38
6.1 Inleiding 6.2 Bouw- en gebruiksregels 6.3 Systematiek bestemmingen
38 38 38
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
40
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg
41
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.3 Omgevingsdialoog 8.4 Zienswijzen
41 41 41 43
Toelichting
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van 9 woningen aan de Streepstraat te Berkel‐Enschot, op perceel sectie D, nummer 2451. In de huidige situatie is dit perceel als weiland in gebruik. Beoogd wordt hier 7 vrijstaande woningen en 2 woningen onder 1 gezamenlijke kap te bouwen, met een uniforme uitstraling en een goede landschappelijke inpassing. Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied Het plangebied omvat het perceel aan de Streepstraat, ten zuiden van de woningen Boscheweg 41 t/m 53. Ten oosten van het perceel bevinden zich 8 vrijstaande woningen, die ook aan de Streepstraat zijn gesitueerd. Ten zuiden en zuidwesten van het perceel bevindt zich agrarisch gebied, dat in gebruik is bij een boomkwekerij. Het noordelijk deel van de westelijke zijde van het perceel grenst aan de tuin van de woning aan Bosscheweg 53.
Afbeelding 1: Ligging plangebied in de gemeente Tilburg
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
Afbeelding 2: Perceel gemeenteTilburg, sectie D, nummer 2451
1.3 Voorgaande plannen Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Buitengebied De Voorste Stroom, vastgesteld op 14 december 2009. In dit bestemmingsplan is op perceel D nummer 2451 een agrarische gebiedsbestemming opgenomen. Op het perceel is tevens het paraplubestemmingsplan Tilburg, Parkeerregeling 2017, vastgesteld op 7 augustus 2018, van toepassing. Dit plan ziet op het borgen van parkeervoorzieningen bij ontwikkelingen. De voorbereidingsbesluiten 'hyperscale datacenters' (8‐11‐2022), 'flitsbezorgers met darkstores' (6 februari 2023) en 'mestbewerking 2023' (6 februari 2023) zijn ook van toepassing, maar hebben geen relatie tot de beoogde ontwikkeling, omdat deze niet op deze thema's ziet.
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur Gebiedsbeschrijving Het plangebied ligt op de overgang tussen het bebouwingslint aan de Bosscheweg en landschapspark Moerenburg. De Bosscheweg vormt, samen met de Bredaseweg, een unieke bebouwingsstructuur in het stedelijk weefsel van Tilburg. Beide wegen liggen in het verlengde van elkaar en maken van oudsher onderdeel uit van de oude heerbaan tussen Breda en ‘s‐Hertogenbosch. Aan deze wegen vinden we een uniek en rijk woonmilieu met een forse kavelgrootte en riante voortuinen. Bijzonder aan de Bosscheweg is daarbij, dat deze
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
ruime kavels de overgang vormen naar Moerenburg. Het statige woonmilieu in combinatie met een mooi achterland is van grote waarde. Ter plaatse van het kruispunt van de Bosscheweg ‐ Kerkstraat ‐ Streepstraat zien we dat de bebouwingsstructuur anders van karakter is. Rond het kruispunt zien we meer aaneengebouwde woningen op kleinere percelen. Mede hierdoor is landschapspark Moerenburg vanuit het kruispunt slecht waarneembaar. Pas als men de Streepstraat inrijdt, ontvouwt het landschap zich voor de bezoeker. Het opnieuw vormgeven van deze entree is een uitgangspunt geweest van het voorliggend plan. Stedenbouw / voorgenomen ontwikkeling Het voorliggend plan is gebaseerd op een zorgvuldige studie van de omgeving. Bij deze analyse is veel aandacht geweest voor de verschillende (bebouwings)structuren die in deze omgeving met elkaar kruisen. Doordat nu gekozen is voor een plan in twee delen (een boskamer aan de noordzijde, een losliggend woonerf aan de zuidzijde) kan hier op een goede manier bij aan worden gesloten. Zo is het plan georiënteerd op de Streepstraat, maar sluit het plan ook aan op de groene tuinen van de villa's aan de Bosscheweg. Daarnaast geeft het plan op een slimme manier vorm aan de overgang tussen stad en buitengebied. Door te kiezen voor een woonerf op enige afstand van de weg, wordt het overgangsmoment tussen stad en land bewust gekozen.
Het plan is hierdoor geen aanzet tot verder verstedelijking, maar een afronding van een stadsrand.
Afbeelding 3: Verkavelingsmodel met 9 woningen (bron: Ontwikkeling aan de Streepstraat Berkel Enschot landschappelijke inpassing, 30 juni 2022)
Bij de uitwerking van het plan is bijzondere aandacht geweest voor de architectonische verschijningsvorm van de woningen en de landschappelijke inpassing daarvan. Het uitgangspunt is een archetype huis te ontwerpen door middel van eenduidige ingetogen architectuur, met eenheid in materiaal. Elke woning kent subtiele
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
unieke wijzigingen afhankelijk van de specifieke positionering in het plan. Daarnaast is het doel de daken zo schoon mogelijk te houden. Het landschap is de drager van het plan, met bebossing aan de noordzijde, aan de zuidzijde blijft het landschap maximaal open. Uitbreidingsopties worden in het plan mee ontworpen om de openheid in de toekomst te borgen. Middels weloverwogen geplaatste hagen en tuinmuren wordt op specifieke plekken privacy geborgd. Er is gezocht naar rust in de architectuur zodat het groen en het landschap de boventoon zullen voeren. Technische infrastructuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijk relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones, zoals bijvoorbeeld kabels, leidingen of hoogspanningsverbindingen).
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen.
Belangrijkste keuzes in de Novi Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; De verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven‐ en industriegebied; De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.
Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water‐ en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI‐gebieden.
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.
Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.
Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van 9 woning mogelijk gemaakt. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeven dat een bestemmingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord‐Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis‐ en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas op 1 januari 2024) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. 2.2.2 Interim omgevingsverordening De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. Dit betreft de regels van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. Sinds 2019 zijn regelmatig delen van de Interim omgevingsverordening herzien. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd.
Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking treedt, treedt ook de definitieve omgevingsverordening in werking. In deze definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bijvoorbeeld bestemmingsplannen en besluiten).
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
Stedelijk gebied en zone verstedelijking afweegbaar Specifiek voor het plangebied geldt dat het grootste deel van het plangebied is gelegen in gemengd landelijk gebied, binnen de zone verstedelijking afweegbaar. De meest noordelijk gelegen strook van het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als stedelijk gebied.
Afbeelding 5: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, geconsolideerde versie 15-4-2022): ligging perceel D 2451 in zone verstedelijking afweegbaar en stedelijk gebied Gezien deze ligging is een nadere verantwoording nodig voor de ontwikkeling in de zone verstedelijking afweegbaar, waarin de bouwvlakken van de woningen gelegen zijn. Op basis van artikel 3.43 'Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar' kan een bestemmingsplan in deze zone voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a: binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b: transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c: de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; d: de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere regio gemeenten deel uit van de regio Hart van Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord‐Brabant afspraken gemaakt
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings‐ en woningbehoefteprognose. In de periode 2017‐2027 is de bouwopgave voor Tilburg ongeveer 9.600 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. Tot ongeveer 2030 is de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld 1.100 woningen per jaar. In dat tempo worden ook de onttrekkingen in de stad jaarlijks gecompenseerd. De woningbouwopgave die Tilburg in bovenstaande context heeft, kan en wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Het voorliggend plan voor 9 woningen aan de Streepstraat in Berkel‐Enschot past ruimschoots binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Het initiatief vormt een aanvulling op de plaatselijke dorpse woningbouwopgave.
De ontwikkeling sluit direct aan op de bestaande bebouwing aan de Bosscheweg (het stedelijk gebied) en de 8 vrijstaande woningen aan de oostelijke zijde van de Streepstraat. De bebouwing wordt daarmee gezien als een uitloper van het stedelijk gebied. Door de ingetogen architectuur en ruime plaatsing van de woningen op grote kavels, wordt het landelijk karakter van het gebied echter wel behouden. Hierdoor is sprake van een overgangszone. Er is sprake van woningbouwverkaveling met een landelijk karakter in het te verstedelijken gebied, aansluitend op het bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 1.4 ruimtelijke en functionele structuur wordt ook op dit thema ingegaan. Om de ontwikkeling goed in te passen is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (bijlage 1 bij deze toelichting). De landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd door een 'boskamer' te realiseren in het noorden van het plangebied en het zuidelijk deel meer open te houden. In paragraaf 1.4 is dit ook nader toegelicht. Kwaliteitsverbetering landschap Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.
De toelichting op het bestemmingsplan bevat hiertoe een verantwoording van de wijze waarop de bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is gewaarborgd. Voor de voorliggende ontwikkeling moet circa 20% van de waardevermeerdering van de betreffende gronden worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit komt neer op een investering van €260.000,‐, uitgaande van de regionaal vastgelegde werkafspraken kwaliteitsverbetering (2015). In de bijlage van de plantoelichting 'Toelichting landschappelijke inpassing Streepstraat D 2451' is de landschappelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling in beeld gebracht en toegelicht. Ook in paragraaf 1.4 is beschreven op welke wijze deze inpassing aansluit op het bestaande landschap. De realisatie en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing is via een voorwaardelijke verplichting in de planregels geborgd. De in de bijlage in beeld gebrachte landschappelijke inpassing komt neer op een bijdrage van €34.800,‐. Het is niet mogelijk de gehele bijdrage van €260.000,‐ in de omgeving te investeren. Daarom wordt het resterende bedrag ad €225.200,‐ gestort in een gemeentelijke reserve, waarna de gemeente een project in het kader van kwaliteitsverbetering landschap realiseert en in stand houdt. Hiervoor is het project 'Prinsenhoef' in het Stadsbos 013 in Tilburg in beeld.
Dit betreft een locatie van circa 10 hectare, waar agrarisch gebied omgevormd wordt natuur, met poelen, bossages, kruidenrijk grasland en bomen. Om naleving van deze afspraken te borgen zijn deze in een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van het voorliggend plan en de gemeente vastgelegd. Deze 'overeenkomst kwaliteitsverbetering landschap Streepstraat D2451' is toegevoegd in de bijlagen van de planregels. Via een voorwaardelijke verplichting in deze regels is geborgd dat de afspraken worden nageleefd.
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon‐ en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: <0000> de Brabantstrategie <0000> de Regiostrategie <0000> de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten: <0000> Binnenstad van de 21e eeuw <0000> Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en ‐toepassing <0000> Modern Industrieel Cluster Vossenberg‐Loven <0000> Modern Industrieel Cluster Midden‐Brabant De drie stadsregionale parken zijn: <0000> Stadsregionaal park Moerenburg ‐ Koningshoeven <0000> Stadsregionaal park Stadsbos013 <0000> Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags)
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn: <0000> Bedrijvenpark Zuid <0000> Zorgcluster Leijpark <0000> Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: <0000> Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. <0000> Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: <0000> Ruimte voor zelf‐ en samenredzaamheid in wijken en buurten <0000> Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig <0000> Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk <0000> Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
<0000> Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners <0000> Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal <0000> Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar <0000> Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen <0000> Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers <0000> Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers‐ en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. In de Omgevingsvisie is te zien dat het plangebied van de voorliggende ontwikkeling gelegen is nabij stadsregionaal park Moerenburg ‐ Koningshoeven. In afbeelding 6 wijst de pijl de locatie van het plangebied aan. Het stadsregionaal park combineert een kleinschalig agrarisch (beekdal)landschap samen met andere functies.
Voor wat betreft wonen benoemt de omgevingsvisie dat individualisering ook doorwerkt in de woningbehoefte, er is aandacht voor het aansluiten van woningbouw op verschillende woonwensen.
Afbeelding 6: Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven met plangebied (aangewezen met pijl)
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Het concept verkavelingsplan en ‐inpassingsplan is besproken met de Omgevingscommissie, verslag hiervan is te vinden in bijlage 2 van deze toelichting. De commissie zegt zich te kunnen vinden in de hoofdopzet van een boscluster en een erf, alsook met de architectonische uitgangspunten. Voor wat betreft de boscluster vraagt de commissie aandacht voor het minimaliseren van verharding in de vorm van paden en wegen binnen de woonbestemmingen. Voor wat betreft het open erf adviseert de commissie meer in te zetten op collectiviteit in de zin van bijvoorbeeld een gezamenlijke parkeeroplossing en het minimaliseren van de afstand van de woningen tot het erf. Daarnaast vraagt de commissie aandacht voor de herkenbaarheid van hoofdgebouwen met bijgebouwen en de optie om de uitbreiding te realiseren binnen de kapvorm, om zo het geheel rustiger en conceptueel en typologisch helderder te houden.
Ook onderstreept de commissie meermaals het belang van de openheid van het landschap en de tegenstrijdige wensen van bewoners tot . Volgens de commissie is het positief als dit in het bestemmingsplan wordt opgenomen, dit dient ook slim opgelost te worden. In het bestemmingsplan is het verkavelingspatroon via situering van woonbestemmingen en bouwvlakken vastgelegd. De ontsluitingen van de boscluster en de open cluster hebben een verkeersbestemming. Het landschappelijk inrichtingsplan, met meer bossages in het noordelijk deel, meer openheid en hagen in het zuidelijk deel, wordt geborgd via de planregels.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.3.1 Historische geografie Het plangebied bevindt zich in de kadastrale gemeente Berkel , sectie D nr. 2532 in een gebied aan de westelijke zijde van de Streepstraat, direct ten zuiden van de bebouwing aan de zuidwand van de Bosscheweg en ruim ten noorden van de Spoorlijn Tilburg‐Oisterwijk. Het plangebied bevindt zich op de dekzandrug Tilburg ‐Oisterwijk. De gronden bestaan uit lemig zand. De Streepstraat is onderdeel van een oud tracé dat via de Houtsestraat, De Kraan en de Kerkstraat in de richting van Heukelom liep. Over de Streepstraat liep eertijds de grens tussen de 'gemeint'
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
(gemeenschappelijke gronden) van Haaren en Enschot. Ook de naam van het dorp Enschot zelf verwijst naar een grensscheiding: het komt in oude bronnen voor als Endeschit, waarin de woorden 'einde' en 'scheiding' zijn samengevoegd. Ook de Kerkstraat heette vroeger Streepstraat. Op de kaarten van Diederik Zijnen (1760) en Hendrik Verhees (1794) wordt het tracé van de Streepstraat al aangeduid. De gronden aan weerszijden daarvan zijn in die periode in gebruik als akker‐ en weideland. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw verrijst er in de nabijheid van het plangebied enige bebouwing. Deze concentreert zich vooral langs de noordelijk gelegen Bosscheweg en de zuidelijk gelegen Oisterwijksebaan, zij het dat de bebouwing daar een meer verspreid karakter heeft. Voor het plangebied gezichtsbepalende ontwikkelingen waren de aanleg van de Bosscheweg in de jaren na 1826 en van de spoorlijn naar Oisterwijk die in 1865 tot stand kwam. Ruim ten westen van het plangebied werd in de jaren tussen 1998 en 2004 de Burgemeester Bechtweg (de noordoosttangent) aangelegd. Aan de oostzijde van de Streepstraat werden in de jaren vanaf 2014 vrijstaande woningen gebouwd. 3.3.2 Archeologie In de nabijheid van het plangebied zijn in Moerenburg enkele terreinen gelegen die zijn opgenomen in de Archeologische Monumenten Kaart.
Het plangebied heeft een zeer hoge verwachtingswaarde (IKAW) en een zeer hoge archeologische verwachting (ArWaTi). De locatie ligt op de dekzandrug Tilburg ‐ Oisterwijk. Dit gebied wordt gekenmerkt door haar veelheid aan archeologische vindplaatsen en wordt gezien als een erg waardevolle en kwetsbare archeologische microregio. Ten westen van de locatie is langs het tracé van de NOT recent een deel van een urnenveld en een vroegmiddeleeuwse nederzetting opgegraven. Ten zuiden van de locatie is in 2013 tijdens proefsleuven een vroegmiddeleeuwse nederzetting vastgesteld. Tussen de vroegmiddeleeuwse nederzetting zijn op een akker 10/11e eeuwse scherven aangetroffen. In 2013, 2014 en 2016 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd respectievelijk langs de westzijde van de Streepstraat (Streepstraat‐noord: Huijbers, A.M.J.H, 2018. Een opgraving aan de Streepstraat in Berkel‐Enschot, gemeente Tilburg. Vondsten uit het Neolithicum en bewoningssporen uit de vroege en volle middeleeuwen. RAAP‐Rapport 3243. Weesp) tegenover het huidige plangebied Streepstraat D2451, langs het zuidelijk deel van de Streepstraat (Streepstraat‐zuid: Jezeer, W., 2019. Aan de rand van het dorp Enschot. Bewoning uit de prehistorie en de Vroege Middeleeuwen langs de Streepstraat. Een archeologische opgraving. ADC Rapport 4929. CONCEPT) en ten westen van het huidige plangebied (Bosscheweg 57: Alma, X.J.F., W.
Roessingh & P. Valentijn, 2021. Tilburg – Enschot – Bosscheweg 57. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van Proefsleuven (IVO‐P) en Archeologisch Opgraving (DO). ADC Rapport 4844. Amersfoort). In al deze onderzoeken zijn middeleeuwse plattegronden aangetroffen. Het huidige plangebied Streepstraat D2451 ligt midden tussen de locaties van deze opgravingen. In het recente (2022) archeologische bureauonderzoek ‘Streepstraat tegenover 1‐3, Berkel‐Enschot (gemeente Tilburg)’ (Rubicon Erfgoed Rapport 103) is een hoge archeologische verwachting vastgesteld voor het plangebied Streepstraat D2451. Dit onderzoek is te vinden in bijlage 3 van deze plantoelichting. Onderzoek door middel van proefsleuven dient meer duidelijkheid te geven over de aanwezige archelogische waarden. Om de betreffende waarden te beschermen is een dubbelbestemming Archeologie opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan. 3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen In het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumenten‐ verordening gemeente Tilburg beschermde monumenten. Direct ten westen van het plangebied bevindt zich langs de Bosscheweg (nrs. 55‐57) het rijksmonumentale complex (complexnummer 354391) de Lange Akker. Dit is een voormalige fabrikantenvilla met dienstbodewoning uit 1920‐1921, naar ontwerp van architect F. Warners.
Op de hoek met de Streepstraat (Bosscheweg 39) bevindt zich een voormalige keuterboerderij uit 1885. De boerderij is een gemeentelijk monument. De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen panden voor uit die periode. Historische structuren De Oisterwijksebaan is een route die, gelet op de archeologische vondsten die langs het tracé gedaan zijn, in zijn ontstaanstijd vermoedelijk teruggaat tot de prehistorie. Recentere structuren van historisch‐geografische waarde zijn: de Streepstraat, waarvan het ontstaan tenminste middeleeuws is, de Bosscheweg (aangelegd vanaf 1826) en de spoorlijn Tilburg Oisterwijk (ingebruikname 1865). De zone met villabebouwing aan
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
weerszijden van de Bosscheweg is door de provincie aangeduid als een gebied met hoge stedenbouwkundige waarde. Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig. 3.3.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie is de geplande ontwikkeling niet bezwaarlijk. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. Voor wat betreft de archeologie wordt in het voorliggend bestemmingsplan vanwege de hoge archeologische verwachting voor het hele plangebied een dubbelstemming waarde archeologie opgenomen. Voorafgaand aan de realisatie van een nieuwe inrichting van het gebied dient ook archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven te worden uitgevoerd. Wanneer blijkt dat behoudenswaardige archeologische vindplaatsen in het gebied aanwezig zijn, moet eerst gekeken worden naar mogelijkheid van behoud in de bodem. Als dit niet mogelijk is zullen de vindplaatsen definitief opgegraven moeten worden. Pas na afloop van het archeologisch onderzoek kan het gebied worden vrijgegeven voor verdere werkzaamheden.
3.4 Volkshuisvesting De voorgenomen ontwikkeling de Streepstraat D 2451 van 7 vrijstaande en 2 woningen onder een gezamenlijke kap verlangt vanwege het beperkte aantal woningen geen toetsing of onderbouwing volgens de Ladder voor Duurzame stedelijke ontwikkeling. Alhoewel toetsing niet nodig is past het plan in de gemeentelijke woningbouwopgave en voldoet het aan de beleidsdoelen‐Wonen in de WoonVisie en de Woonagenda 2020‐2025, met name wat betreft het leveren van een bijdrage in de opgave grondgebonden woningen in een dorps woonmilieu, alsook in de ontwikkeling van woningen in particulier opdrachtgeverschap. Voor het verder verloop van de planontwikkeling wordt aanbevolen de woningen levensloopbestendig te ontwerpen en te laten voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen.
3.5 Groen 3.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2021 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2021 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Op de plek van de zuidelijke inrit aan de Streepstraat staat een boom. Deze boom zal, op grond van bescherming in de bomenverordening, slechts met vergunning gekapt of verplaatst mogen worden. Daarbij moet worden aangetoond dat de boom op juiste wijze wordt gecompenseerd.
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ‐kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco‐, hoofd‐, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten‐zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) De Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord‐Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen.
Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten‐zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ‐kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw‐, herontwikkelings‐ of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ‐kaart aangeduid als Boomwaardekaart (toegevoegd als bijlage bij de planregels). Bomen met een eco‐ en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch‐planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.
3.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon‐ en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek‐, recreatief‐ en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus.
Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide‐ en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn.
Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (collegevergadering 19‐07‐2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke‐ en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040.
Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
3.6 Verkeer en parkeren 3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers‐ en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september. 3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.
De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW‐richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS‐gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.6.3 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets‐ en scooterparkeren opgenomen.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen.
3.6.4 Verkeer en parkeren binnen plangebied Verkeersbewegingen De Streepstraat is beperkt toegankelijk, in die zin dat het niet mogelijk is linksaf te slaan vanaf de Bosscheweg in Berkel‐Enschot. De Streepstraat is vanuit alle overige richtingen wel toegankelijk. De verkeersgeneratie van de 9 woningen is beperkt. De 9 woningen in het buitengebied genereren (CROW) maximaal 8,6 ritten per woning. De verwachte toename komt daarmee uit op 77,4 ritten per etmaal. Dit aantal verkeersbewegingen is op de huidige infrastructuur af te wikkelen. Ook de kruising Streepstraat ‐ Bosscheweg, die met verkeerslichten wordt geregeld, kan de toename van dit verkeer veilig afwikkelen.
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Hiermee is er geen overlast van parkeren in de omgeving te verwachten. Inritten Een bestaande inrit komt te vervallen en er komen twee nieuwe inritten in het plangebied. Deze kunnen veilig op de Streepstraat worden aangesloten. Aandachtspunt daarbij is dat is dat het zicht op de Streepstraat bij het oprijden daarvan niet belemmerd mag zijn. De weg en de aanliggende fietsstroken moet vanaf de inritten/uitritten goed zichtbaar blijven. Beplanting moet daartoe laag gehouden worden en er kunnen geen hoge erfafscheidingen worden geplaatst. Dit is in het landschappelijk inpassingslan en de planregels geborgd.
Buitengebied De Voorste Stroom, 8e herziening (Streepstraat D2451)
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.2 Milieueffectrapportage Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: ‐ er sprake is van een m.e.r.‐(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; ‐ voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen. De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.‐richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten. Op 29 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het initiatief Streepstraat D 2451 in Berkel‐Enschot geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld. Het besluit en de beoordelingsnotitie zijn te vinden in bijlage 4 van deze plantoelichting.
4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG‐brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. In de VNG‐uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren. Het voorliggende plan maakt 9 woningen mogelijk middels een woonbestemming. Dit zijn milieugevoelige bestemmingen. In de omgeving ligt geen milieuhinderlijke bedrijvigheid. Er is dan ook geen sprake van milieucontouren die over het plangebied liggen.
Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM‐onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden‐ aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenhouders (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) is het ook raadzaam om naar de zgn. omgekeerde werking van deze regeling te kijken en na te gaan of er sprake is van