CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting bestemmingsplan Enschotsestraat 250

Raadsvergadering 23 mei 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel Bestemmingsplan Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)17.819 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

20

1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur.

Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).

De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

3.6 Verkeer en parkeren 3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

21

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september. 3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen.

Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: • Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; • In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; • Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; • Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; • Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.

3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen (bijlage 4). Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. 3.6.4 Parkeren in het plangebied Omliggende wegenstructuur: Aan de noordzijde ligt de Enschotsestraat, een erftoegangsweg met een maximaal toegestane snelheid van 30 km/h.

Aan de zuidzijde ligt de Rozenstraat, een erftoegangsweg met een maximaal toegestane snelheid van 30 km/h en met eenrichtingsverkeer van west naar oost.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

22

Ontsluiting van het plangebied: Het plangebied zelf is autovrij, de parkeerplaatsen ontsluiten via de Enschotsestraat en Rozenstraat. Voornoemde straten ontsluiten aan de westzijde op het NS Plein en aan de oostzijde op de Ringbaan-Oost, beide gebiedsontsluitingswegen met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/h. Fietsroutes en -stalling: Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Voor het bepalen van het aantal in te passen fietsstallingsplaatsen dient een inschatting van de behoefte te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW (zie de CROW Kennisbank). Deze verwachte stallingbehoefte is een richtlijn. Bij het indienen van de vergunningsaanvraag voor een bouwplan moet de initiatiefnemer aangeven op welke manier wordt voorzien in voldoende fietsstallingsvoorzieningen. Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte. Openbaar vervoer: Het gebied ligt nabij het openbaar vervoersknooppunt waar he NS station en het busstation liggen. Op loopafstand liggen enkele bushaltes. Afvalinzameling: Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld.

Parkeren: Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de vastgestelde normen van de gemeente Tilburg zoals vastgelegd in de hiervoor aangehaalde nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Voor het bouwplan zijn volgens de nota 120 parkeerplaatsen benodigd. De parkeerplaatsen dienen daarbij op eigen terrein te worden gerealiseerd. Er worden op eigen terrein 96 parkeerplaatsen aangelegd. De parkeerplaatsen zijn gelegen aan de achterzijde van de woningen/appartementen en scheiden het plangebied van de omliggende woningen. De overige parkeerbehoefte wordt opgevangen door de inzet van 6 deelauto’s die op bruikbare en bereikbare locaties geplaatst worden. Hiermee wordt invulling gegeven aan het principe van Mobility As Service. De ontwikkelaar heeft hiervoor een overeenkomst gesloten met een aanbieder van elektrische deelauto's. Daarnaast is in de anterieure overeenkomst opgenomen dat de ontwikkelaar verplicht een dergelijke overeenkomst t.a.v. de deelmobiliteit te continueren met een andere partij indien de overeenkomst met de aanbieder komt te vervallen. Daarmee blijft het mobiliteitsconcept is stand naar de toekomst. Noodhulpdiensten: Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

23

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad. a. In de bijlage bij het Besluit m.e.r is opgenomen welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879). ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse vennen op 3,5 kilometer van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. De bouw van 143 woningen blijft onder de drempel zoals opgenomen in het Besluit m.e.r en de locatie ligt op voldoende afstand van een Natura2000 of NNN-gebied. Een m.e.r. is dus niet nodig. 4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 5). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten Op P.M. heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het initiatief geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.

4.3 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Voor het plan is onderzoek gedaan naar de bedrijven in de omgeving door AGEL adviseurs, Memo Omgevingstoets bedrijven en milieuzonering d.d. 5 mei 2021, projectnummer 20200278, bijlage 6.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

24

Uit deze memo blijkt dat er in de omgeving geen activiteiten zijn die het woon- en leefklimaat van het plan aantasten. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen in het plan. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVMonderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: I. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn.

inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; II. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; III. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; IV. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; V. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Het plan ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron.

Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Onderzoek externe veiligheid: Bouwplan Enschotsestraat 238 – 250-03 te Tilburg (AGEL d.d. 4 mei 2021, projectnummer 20200278, versie v03, bijlage 7) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoortraject Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

25

Breda – Tilburg – Vught/Boxtel en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. Hierbij is omschreven welke veiligheidsmaatregelen zijn overwogen en in hoeverre deze maatregelen zijn verwerkt in het plan. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportasgebied gelden de volgende voorwaarden: • Kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; • Combinatie met gemengd of intensief gebied is mogelijk; • Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; • Beheersbaarheid spoor en gemeentelijke wegen op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Breda – Tilburg – Vught/Boxtel en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage 7). De brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies (bijlage 8).

De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: • het plangebied is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar ten gevolge van het spoortraject Breda-Tilburg. Er wordt voldaan aan de grenswaarde; • het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde. De maximale waarde van het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie toe ten opzichte van de huidige situatie; • het plangebied bevat meerdere vluchtroutes, waarvan er één van het spoor af is gericht (Enschotsestraat); • bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij gebruik van mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; • goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; • de locatie is tweezijdig bereikbaar voor hulpdiensten, er wordt een calamiteitenroute door het plangebied aangelegd en er zijn bluswatervoorzieningen aanwezig op de vier hoeken van de bouwlocatie. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

26

4.6.1 Wegverkeerlawaai en railverkeerslawaai De nieuwe woningen zijn: • gelegen binnen de zone van een weg zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betreft: NS-Plein, Besterdring, Burgemeester Broxlaan en de Spoorlaan; • gelegen binnen het aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 1.4a lid 1 van het Besluit geluidhinder van de spoorlijn Tilburg-’s-Hertogenbosch en Tilburg-Boxtel. Daarom is voor de oprichting van de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch rapport opgesteld door AGEL, d.d. 4 mei 2021, projectnummer 20200278, versie v05, bijlage 9. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat: • de voorkeurgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai niet wordt overschreden. • de voorkeurgrenswaarde van 55 dB voor spoorweglawaai op diverse rekenpunten wordt overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt 61 dB op bouwblok 1 en 8.

De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt hiermee niet overschreden; • maatregelen aan de bron (zoals het verlagen van de verkeersintensiteit of het weren van goederenvervoer) en in de overdracht (er zijn reeds geluidschermen aanwezig) om de geluidbelasting terug te brengen tot aan de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 55 dB voor spoorweglawaai niet doelmatig zijn. Om de woningen akoestisch mogelijk te maken: • is het noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen voor spoorweglawaai (bijlage 11); • heeft het college van burgemeester en wethouders voor dit bestemmingsplan een hogere waarde besluit genomen dat bij het bestemmingsplan is gevoegd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn naast de wettelijke geluidbronnen de bijdrage van de 30 km/uur wegen beschouwd waaronder de Enschotsestraat en de Rozenstraat. Uit de geluidberekeningen blijkt dat met name de bouwblokken gelegen aan de Enschotsestraat hoog geluidbelast (maximaal 68 dB) door het wegverkeer op de Enschotsestraat. De geluidbelasting op de bouwvlakken aan de Rozenstraat bedraagt maximaal 58 dB. Op grond van het gemeentelijk geluidbeleid kunnen geen aanvullende voorwaarden gesteld worden voor woningen die hoog geluidbelast zijn t.g.v. 30 km/uur wegen.

Om voor deze woningen een aanvaardbaar woonen leefklimaat te realiseren streeft ontwikkelaar ernaar in de geest van het gemeentelijk geluidbeleid dat elke woning in principe beschikt over een geluidluwe gevel en een (gezamenlijke) geluidluwe buitenruimte en dat de woningen zodanig geïsoleerd worden dat wordt voldaan aan het binnenniveau conform het Bouwbesluit. Uit het gevelweringsonderzoek opgesteld door AGEL d.d. 15 april 2021, projectnummer 20200278, versie D02, bijlage 10, blijkt dat met de in het onderzoek voorgestelde gevelvoorzieningen de woningen voldoen aan het gestelde in het Bouwbesluit inzake de eisen die aan de karakteristieke geluidwering van de gevels worden gesteld. 4.6.2 Gemeentelijk geluidbeleid Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015. Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op geluidbelaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon- en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen. Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen berekend volgens de Wet geluidhinder meer bedraagt dan 53 dB voor wegverkeerslawaai respectievelijk 60 dB voor spoorweglawaai.

Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting t.g.v. spoorweglawaai op 5 appartementen hoger is dan 60 dB. Voor deze 5 appartementen zijn conform het gemeentelijk geluidbeleid aanvullende voorwaarden gesteld om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. Dit betekent dat de appartementen moeten beschikken over een geluidluwe gevel, een geluidluwe buitenruimte en dat voldaan wordt aan het wettelijk binnenniveau van 33 dB conform het Bouwbesluit. Uit het akoestisch rapport

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

27

(bijlage 9) respectievelijk het gevelweringsonderzoek (bijlage 10) blijkt dat de woningen aan de aanvullende voorwaarden voldoen. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Het plangebied zelf is niet gelegen binnen de 50 dB(A) contour van een gezoneerd industrieterrein respectievelijk de 50 dB(A) contour van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is opgesteld. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.7 Trilling

Door Agel adviseurs is een trillingsonderzoek c.q. beschouwing uitgevoerd vanwege de ligging van de nieuwbouw binnen een afstand van ca. 100 meter tot het doorgaande spoor Tilburg-Den Bosch-Boxtel. In 2019 is door Agel adviseurs onderzoek gedaan nabij de nieuwbouwlocatie op een afstand gelegen op ca. 30 meter tot hetzelfde spoor. De resultaten uit dit onderzoek zijn weergegeven in het rapport 20190010 “Trillingsonderzoek ten gevolge van spoortraject 651” d.d. 27 februari 2019. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek is door Agel adviseurs door middel van een overdrachtsberekening c.q. extrapolatie met behulp van de Barkan-formule de trillingssterkte ter plaatse van de nieuwbouw aan de Enschotsestraat 250 bepaald. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de “Memo trillingen Spaendonck”, nummer 20200278 d.d. 29 maart 2021, bijlage 12. Voor nieuwe situaties is het streven dat de streefwaarde van de SBR-richtlijn B zoals weergegeven in Tabel 1 niet worden overschreden.

Indien de streefwaarden in acht worden genomen is volgens de SBR-richtlijn B sprake van een goed woon- en leefklimaat c.q. een goede ruimtelijke ordening en is trillinghinder niet te verwachten. Uit de overdrachtsberekening c.q. extrapolatie met behulp van de Barkan-formule blijkt dat in de dag- en avondperiode sprake is van een maximum trillingssterkte Vmax van ruim 0,03 re 1 mm/s en minder dan 0,03 re 1 mm/s in de nachtperiode. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de onderste streefwaarde voor Vmax t.w. A1=0,1 re mm/s, zijnde de gemiddelde voelbaarheidsgrens voor mensen.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

28

Geconcludeerd kan worden dat voor de nieuwbouw sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en hiermee een goede ruimtelijke ordening en dat er voor de nieuwbouw geen ingrijpende bouwkundige maatregelen nodig zijn om aan de streefwaarden voor een nieuwe situaties te kunnen voldoen.

4.8 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de oprichting van 143 woningen (verdeeld over 8 verschillende bouwblokken) waardoor het plan wordt gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast worden er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) gerealiseerd. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.9 Geur 4.9.1 Industriële geurhinder In en om het plangebied wordt geen (zware) industrie toegestaan. Hierdoor is er geen sprake van industriële geurhinder.

4.10 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelin-gen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de onderzoeksprotocol NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. Bodembeheerplan (Bodemkwaliteitskaart) Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwali-teitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Wonen' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone/ambitieniveau mag de bodemkwaliteit niet verslechteren d.w.z., er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit. Grond uit deze zone kan worden toegepast worden in de eigen zone of een zone met dezelfde kwaliteit ('Wonen') en in de zone 'Industrie'.

Zie verder voor onder het kopje 'Bodemonderzoek/-kwaliteit plangebied'. Gebiedsgericht grondwaterbeheer (Gebiedsbeheerplan) De gemeente Tilburg heeft veel locaties met grootschalige grond- en grondwaterverontreiniging. Ter plaatse van het plangebied is dit aan de orde vanwege de aanwezigheid van specifieke grondwaterverontreinigingen. Met name verontreinigd grondwater belemmert de ontwikkeling van bedrijven en van de stad. Het kost de gemeente en de bedrijven geld en (procedure-)tijd om het verontreinigd grondwater per locatie te saneren. Dat geld kunnen we effectiever inzetten via gebiedsgericht grondwaterbeheer. Gebiedsgericht grondwaterbeheer (Ggb) past binnen het wettelijk kader namelijk de Europese Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Wet bodembescherming (artikelen 3b, 55 en 88) en het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020. Gemeente Tilburg wil die mogelijkheid benutten om de kwaliteit van het grondwater onder Tilburg te verbeteren en te beschermen door gebiedsgericht beheer. Daartoe heeft zij een gebiedsbeheerplan opgesteld (versie mei 2016): we beschermen beekdalen en drinkwaterwinning door er voor te zorgen dat verontreinigd grondwater daar niet naar toe stroomt. We monitoren de kwaliteit van het grondwater via een meetnet. We nemen maatregelen die de kwaliteit van het grondwater verbeteren waar dat het meest effect heeft.

We verwachten van bedrijven met een grondwaterverontreiniging een bijdrage aan de Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

29

totale aanpak van de grondwaterverontreiniging (afkoop). Een particuliere ontwikkelaar bijvoorbeeld blijft weliswaar verantwoordelijk voor de bronaanpak (bronsanering), maar kan de aanpak van het grondwater overdragen aan de gebiedsbeheerder (gemeente). Zo zorgen we er voor dat de kwaliteit van het grondwater op langere termijn voldoet aan de functie die het heeft en kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden. Bodemgegevens locatie Ter plaatse van de Enschotsestraat 250 is een bedrijventerrein gesitueerd in een voormalige wollenstoffen fabriek. Deze fabriek maakte deel uit van een groter bedrijf (van Spaenendonck) dat ook tegenover het perceel aan de Koestraat een aanzienlijk terrein in gebruik had. In het verleden zijn ter plaatse van het bedrijfsdeel aan de Enschotsestraat een of meerdere ondergrondse brandstoftanks aanwezig geweest. In het milieuarchief zijn verder geen verdachte deellocaties naar voren gekomen gerelateerd aan de wollenstoffenfabriek. Mogelijk dat er toch sprake is van onbekende bodembedreigende activiteiten in deze periode. Ook in de periode na de sluiting van de fabriek zijn verschillende activiteiten op de locatie bekend waaronder een schietvereniging, die nog onbekende bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Voor zover bekend bij de gemeente is geen bodemonderzoek op de locatie uitgevoerd.

Wel zijn ter plaatse van het bedrijfsdeel ter plaatse van het huidige Seringenhof bodemonderzoeken uitgevoerd, waarbij echter onvoldoende naar de bodembedreigende activiteiten onderzoek is verricht. Conclusie Voor de herbestemming van de locatie is strikt genomen een bodemonderzoek vereist. Gezien de historie en de huidige situatie van het terrein, wordt een bodemonderzoek in deze fase nog niet zinvol geacht. Wel zal voor de omgevingsvergunning in het kader van de nieuwbouw een bodemonderzoek conform NEN5740 worden geëist. Het onderzoek kan het beste na de sloop van de bebouwing worden uitgevoerd, waarbij wel rekening moet worden ge-houden met de mogelijke aanwezigheid van ondergrondse (brandstof)tanks; in ieder geval de 6000 liter tank aan de voorzijde van het pand. Hierbij moet bij het aantreffen van ondergrondse tanks of leidingen melding gemaakt worden bij het bevoegd gezag en deze tanks laten saneren door een KIWA-erkend bedrijf. Ook in het geval van het aantreffen van een mogelijke bodemverontreiniging moet dit direct aan het bevoegd gezag worden gemeld.

4.11 Natuur en ecologie 4.11.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

30

•

• • •

•

Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) Overige inheemse broedvogels Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.11.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse vennen op 3,5 kilometer afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

31

Er is onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie als gevolg van zowel de bouw van de woningen als de fase waarin de woningen in gebruik worden genomen (bijlage 13) Na beoordeling van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat ingestemd kan worden met de conclusie in het onderzoek en dat er negatieve effecten zijn. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 950 meter van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Op 16 juli 2020 heeft er een veldbezoek plaats gevonden en is er een quickscan (bijlage 14) uitgevoerd. Uit de quickscan komt naar voren dat de aanwezigheid van vleermuizen niet uitgesloten kan worden. Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen.

In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten.

Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusie Vanuit ecologie zijn er geen belemmeringen om het project uit te voeren. Hierbij dienen ze zich wel te houden aan de voorwaarden van de gebiedsgerichte ontheffing Oude Stad Tilburg.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

32

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem

De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. In plangebied Kenmerk Stroomgebied Waterbeheerders

Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden Tabel 1; Gebiedskenmerken

Nvt Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Ca. NAP+13,8 m NAP+12,0 m

1,8 m Sterkzandige leemlenzen dikker dan 1 meter Gemengde riolering Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing

Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van oppervlaktewater en keur beschermde gebieden

In de bestaande situatie is het plangebied nagenoeg geheel verhard met bedrijfspanden en terreinverharding. Rondom het plangebied is gemengde riolering aanwezig. Het regenwater van de verharde oppervlakken wordt opgevangen en voert af naar de riolering.

5.2 Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

33

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023 (bijlage 15). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Duurzaam watersysteem

De wijziging van het bestemmingsplan biedt ruimte voor bewoning binnen het plangebied. Het huidige plan voorziet in de ontwikkeling van 146 woningen. In de onderstaande tabel zijn de oppervlakken voor de nieuwe situatie opgenomen. Oppervlakken * Oppervlak Verharding Afvoerend (%) (m²) (m²) Daken 4.454 100 Verharding 4.818 100 Tuinen 1.050 30 Onverhard 2.796 0 Totaal (m²) 13.118 Tabel 2; Afvoerende oppervlakken in de plansituatie

4.454 4.818 315 0 9.587

* Bron: haalbaarheidsstudie 20TB122, TBI, 27-11-2020 Grondwater De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: • voldoende ontwateringdiepte; • de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; • aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); • geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; • afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol.

In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: • Minder terrein verharden; • Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; • Groene daken; • Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; • Waterdoorlatende verharding; • Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

34

60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie uit tabel 2 geldt voor het plangebied een bergingsopgave van 9.587 m² * 0,06 m = 575 m³. Uitgangspunt hierbij is dat alle aangenomen verharde oppervlakken volledig afwateren. De toepassing van groene daken en doorgroeibare verhardingen in het plangebied kan leiden tot een reductie van deze opgave. De werkelijk te compenseren ruimte voor waterberging dient op basis van het definitieve ontwerp te worden vastgesteld. Als invulling voor de bergingsopgave wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi’s en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. Aanvullend benodigde waterberging zal in ondergrondse voorzieningen moeten worden vormgegeven. De voorzieningen ledigen in principe door infiltratie in de bodem. Een overloop voor het teveel aan water dient in overleg met de gemeente Tilburg te worden bepaald. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Voor de ontwikkeling dient nieuwe openbare riolering te worden aangebracht.

In overleg met de gemeente Tilburg wordt de vormgeving, locatie en de aansluitlocatie(s) op de omliggende riolering afgestemd.

5.4 Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

35

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2.2 Bouwdiepte De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken.

6.3 Bouw- en gebruiksregels

Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Om het woningbouwprogramma te waarborgen is het maximaal aantal te bouwen woningen opgenomen, waarbij aangegeven is hoeveel sociale huurwoningen en hoeveel huurwoningen in het middensegment worden gebouwd. In de regels t.a.v. het gebruik komt dit ook terug. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

6.4 Bestemmingen en aanduidingen

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: • Groen • Verkeer - Verblijf • Wonen • Wonen - Gestapeld • Waarde - Archeologie (dubbelbestemming)

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

36

Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: • Luchtvaartverkeerzone • Veiligheidszone-aandachtsgebied trillinghinder • Veiligheidszone-aandachtsgebied gevaarlijke stoffen. • Erf; • Gestapeld; • Onderdoorgang De veiligheidszone zijn besproken onder hoofdstuk 4. De bouwaanduiding 'gestapeld' binnen de bestemming "Wonen" is opgenomen om een aantal specifieke woonsituaties mogelijk te maken.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

37

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. In de overeenkomst is ook aandacht besteed aan het woningbouwprogramma. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

38

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 26 februari 2021 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Er zijn geen provinciale belangen betrokken bij dit bstemmingsplan. Er heeft daarom geen vooroverleg plaatsgevonden met de provincie. Het watertoetsproces heeft een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11483093/2