CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting bestemmingsplan Enschotsestraat 250

Raadsvergadering 23 mei 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel Bestemmingsplan Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)17.819 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte

BESTEMMINGSPLAN

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250) Toelichting met bijlagen

Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2020028-b001

5 oktober 2021

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 4 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 4 1.2 Het plangebied 4 1.3 Voorgaande plannen 5 1.4 Ruimtelijke en functionele structuur 5 Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 9 2.1 Rijk 9 2.2 Provincie 11 2.3 Gemeente 12 Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 17 3.1 Inleiding 17 3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 17 3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 20 3.4 Volkshuisvesting 21 3.5 Groen en speelruimte 22 3.6 Verkeer en parkeren 23 Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 26 4.1 Inleiding 26 4.2 Milieueffectrapportage 26 4.3 Milieuhinder bedrijven 26 4.4 Externe veiligheid 27 4.5 Vuurwerk 28 4.6 Geluid 28 4.7 Trilling 30 4.8 Lucht 31 4.9 Geur 31 4.10 Bodem 31 4.11 Natuur en ecologie 32 Hoofdstuk 5 Wateraspecten 35 5.1 Bestaand watersysteem 35 5.2 Beleidskader 35 5.3 Duurzaam watersysteem 36 5.4 Watertoets 37 Hoofdstuk 6 Opzet planregels 38 6.1 Inleiding 38 6.2 Standaard plansystematiek 38 6.3 Bouw- en gebruiksregels 38 6.4 Bestemmingen en aanduidingen 38 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 40 Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 41 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 41 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 41 8.3 Omgevingsdialoog 41 8.4 Zienswijzen 41

Toelichting

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

1

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de herontwikkeling van het (voormalige) binnenwijks bedrijvencomplex aan de Enschotsestraat 250 naar woningbouw. Er komen in totaal 143 woningen in het gebied. De woningen worden deels gestapeld en deels grondgebonden gebouwd waarbij er sprake is van koop- en huurwoningen. De woningen worden aan weerszijden van een nieuw in te richten openbaar gebied gerealiseerd. In onderstaande afbeelding is de nieuwe situatie weergegeven.

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat het (voormalige) binnenwijkse bedrijvencomplex aan de Enschotsestraat 250 en wordt globaal begrensd door de Madeliefstraat in het noorden, de Rozenstraat in het oosten, de Goudenregenstraatin het zuiden en de Enschotsestraat in het westen. Op de volgende pagina is een luchtfoto opgenomen met daarop het plangebied geprojecteerd in de omgeving.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

2

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het op 17 oktober 2016 vastgestelde bestemmingsplan Theresia-Loven-Besterd 2016.

1.4 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied ligt in Loven-Besterd, dat weer deel uitmaakt van Theresia, Loven-Besterd en de Kanaalzone. Het totale gebied Theresia, Loven-Besterd en de Kanaalzone is aangelegd tussen grofweg 1900 en 1960. Hierbij is de wijk Theresia als eerste gebouwd, vervolgens is de wijk Loven-Besterd gerealiseerd en de Kanaalzone is van meest recente datum. Daarbij is gebouwd rond de (historische) linten en de later aangelegde RingbaanOost. Bij de linten is de huidige verschijningsvorm meer relevant voor het bestemmingsplan dan de historie c.q. ontstaansperiode. De Besterdring is daarvan een goed voorbeeld. Dit is een bedrijvig lint, evenals de Gasthuisring, Veldhovenring, Koestraat en Van Meterenstraat. De Besterdring vervult daarnaast ook nog een functie als winkelconcentratiegebied. Tussen de linten is de bebouwing veelal projectmatig van opzet en gestructureerd rondom centrale pleintjes. Binnen die gebieden zijn een aantal binnenwijkse bedrijventerreinen, herstructureringsprojecten en bijzondere functies en parken aanwezig. De Kanaalzone buiten de Ringbanen is voornamelijk een gemengd bedrijventerrein.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

3

Linten De linten worden conform de Structuurvisie Linten in de Oude Stad (2013) (zie hierna 2.3.2) onderscheiden in bedrijvige linten en rustige linten. De Veldhovenring, Rosmolenplein- Van Meterenstraat, NS-plein- Besterdring en Koestraat zijn bedrijvige linten. Dit zijn tevens de oudste straten. In de loop der tijd is de functie veranderd van lommerrijke straten met voorzieningen naar meer stenige straten met relatief veel appartementenbouw. Ze vormen echter nog steeds belangrijke structuren c.q. dragers van de wijk. In deze straten worden bedrijvigheid, detailhandel horeca en andere voorzieningen gecombineerd met wonen. De linten vormen met hun gedifferentieerde straatbeeld en functies de dragers van de wijk. De Besterdring heeft een belangrijke functie voor o.a. de dagelijkse boodschappen. Verder liggen verspreid over de wijk enkele kleinere maatschappelijke en detailhandelsfuncties. Naast de genoemde linten zijn er ook nog een aantal secundaire dragers van een lagere orde: de Stedekestraat, Oude Langstraat, Lange Nieuwstraat, Molenstraat, Enschotsestraat en Lovensestraat. Dat zijn rustige linten, waar het accent ligt op wonen. De aanduiding lint heeft hier met name betrekking op het historische karakter van straat als verbinding tussen de oude stad en het gebied ten noordoosten daarvan en niet op gestapeld wonen en andere functies. Tussen de linten liggen de woonbuurten.

Deze zijn over het algemeen monofunctioneel van opzet en hebben een vrij hoge bebouwingsdichtheid. Dit resulteert in vrij veel verharding, relatief weinig groen en kleine tuinen. Dat maakt de kwaliteit van het openbaar gebied extra belangrijk en tegelijkertijd kwetsbaar. Daaraan wordt bij nieuwe ontwikkelingen, binnen de budgettaire mogelijkheden, extra aandacht geschonken. Loven-Besterd De buurt Loven-Besterd kan worden getypeerd als een mix van binnenwijkse bedrijvigheid en woningbouw. Het gebied tussen de Molenstraat, Besterdring en Koestraat is min of meer gestructureerd rondom het Besterdplein. Deze centrale ruimte met voorzieningen is vrij recentelijk heringericht. Aan de zuidzijde ervan staat een modern appartementencomplex. In de jaren '70 en '80 van de 20e eeuw kwam het terrein van de textielfabriek Jansen Horion vrij. Dit terrein werd gereconstrueerd tot woongebied. Ook de R.K. Kerk aan de Koestraat werd gesloopt en op het vrijkomende terrein is gestapelde woningbouw en een basisschool ontwikkeld. Het Molenbochtplein en omgeving kan worden beschouwd als een uitzondering op de orthogonale wijkopzet. Hier is vooroorlogse woningbouw gerealiseerd in een meer tuindorpachtige architectuur. Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

4

Naast het Molenbochtplein zijn nog een aantal groene ruimtes aanwezig, die in vorm, omvang en gebruik variëren: Rozenstraat en Rozenplein, Rosmolenplein, Javastraat, Sint Willebrordplein en Insulindeplein. De laatste drie pleinen liggen ten oosten van de Lovensestraat. In dat gebied ligt een bedrijventerrein in het noorden, grenzend aan de begraafplaats, een tankstation en autowasplaats en Basisschool Jan Ligthart. Daaraan grenzend, aan de Ringbaan en ter weerszijden van de Enschotsestraat, is intensieve nieuwe appartementenbouw gerealiseerd. Op de locatie van de (gesloopte) kerk aan de Enschotsestraat is, met behoud van de Kerktoren, een nieuw wooncomplex gebouwd. Planbeschrijving Het plangebied ligt tussen de Enschotsestraat en de Rozenstraat. De bedrijfsbebouwing op het Van Spaendonck terrein is van oorsprong een wollenstoffenfabriek. Deze bebouwing wordt gesloopt en vervangen door gestapelde en grondgebonden woningen en een nieuw groen binnenterrein, dat de Enschotsestraat en de Rozenstraat met elkaar verbindt.

Luchtfoto plangebied

Vogelvluchtimpressie plan vanuit het noorden De stedenbouwkundige opzet van het plan is gebaseerd op de bestaande stedenbouwkundige structuur van de buurt: woonstraatjes die in lengte en richting worden onderbroken door pleintjes. Hieraan wordt een nieuwe structuur toegevoegd, in de vorm van een royale groene doorsteek, tussen de Enschotsestraat en de Rozenstraat. Hierdoor wordt de ontsluiting van de buurt fijnmaziger c.q. wordt de relatief grote afstand tussen de Madeliefstraat en de Goudenregenstraat overbrugd met een nieuwe verbinding. De bestaande woningen in Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

5

die woonstraten hebben achtertuinen die grenzen aan het plangebied. Daarop wordt aangesloten met nieuwe achtertuinen respectievelijk een parkeerhof. De doorsteek wordt aan de Enschotsestraat gemarkeerd met een hoogteaccent van 8 bouwlagen en aan de Rozenstraat met een accent van 5 bouwlagen. De overige hoogtes sluiten aan op het bestaande stedelijk weefsel, met 4 lagen in de Enschotsestraat en 3 lagen aan de Rozenstraat en het binnengebied. Groenstructuur De wijk Theresia Loven-Besterd kent geen duidelijke groenstructuur. Er is evenmin sprake van een herkenbaar patroon dat zich in de verschillende wijkdelen herhaalt. Het aanwezige groen is een optelsom van verschillende groene plekken en elementen. Grenzend aan het plangebied bevindt zich het Wilhelminapark. Het Rosmolenplein valt net binnen het plangebied. Dit zijn de oudste en meest opvallende groene ruimtes. Ze zijn vooral op grotere schaal belangrijk en doen dienst als herkenningspunten. Daarnaast zijn eerder genoemde kleinere groene ruimtes aanwezig waaromheen de woonbuurten zijn gestructureerd. Verder zijn er een aantal groenere straten in de overwegend stenige wijk. Dat maakt het belang van groen in nieuwe ontwikkelingen extra groot.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

6

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 1. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 2. Afwentelen wordt voorkomen.

Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. Wegebruiken zode ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

7

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.

Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.

Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose In de periode 2020-2030 moet Tilburg volgens de actuele prognoses van de provincie (september 2020) met 14.000 woningen groeien. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De netto bouwopgave tot 2030 bedraagt daarmee meer

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

8

dan 1.400 woningen per jaar aangezien we ook onttrekkingen moeten compenseren. In de stedelijke ontwikkelstrategie waar momenteel aan gewerkt wordt zullen we de concrete opgave nader duiden. De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Vanwege de gewenste kwalitatieve samenstelling daarvan, zoals de behoefte aan verschillende woonmilieus, komt het zeer beperkt voor dat daarbij ook locaties buiten het bestaand stedelijk gebied verkend worden. Gelet op de toegenomen groeibehoefte verkennen we in de genoemde stedelijke ontwikkelstrategie of de behoefte aan ontwikkelingen buiten stedelijk gebied nodig is. Het plan tot de bouw van 143 woningen waarvan 83 huurappartementen, 33 grondgeboden koopwoningen en 27 koopappartementen in het gebied Enschotsestraat e.o. past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context en is opgenomen in de planlijst (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Over de samenhang van dit plan met de kwalitatieve woningbouwopgave verderop (paragraaf 3.4) meer.

2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen. • De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden. • De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.

• De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten. De ontwikkeling voorziet deels in de inrichting van een groen openbaar gebied dat toegankelijk is voor de directe omgeving.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

9

2.2.2 Interim omgevingsverordening De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten). Specifiek voor het plangebied geldt dat de ontwikkeling is gelegen binnen Stedelijk gebied. Het toevoegen van woningen is in lijn met de regionale afspraken hierover. Verder betreft het hier een transformatie van een voormalige bedrijfsfunctie gelegen in het centrum naar wonen. Het openbaar gebied zal groen worden ingericht.

2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: • de Brabantstrategie • de Regiostrategie • de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

10

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken. De vier stedelijke knooppunten: • Binnenstad van de 21e eeuw • Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing • Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven • Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn: • Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven • Stadsregionaal park Stadsbos013 • Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan.

De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn: • Bedrijvenpark Zuid • Zorgcluster Leijpark • Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: • Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. • Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: • Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten • Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig • Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk • Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.

• Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners • Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal • Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar • Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen • Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers • Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

11

welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. Specifiek voor dit plan geeft de Omgevingsvisie verder geen invulling, maar de ontwikkeling sluit aan bij de stadsstrategie. 2.3.2 Structuurvisie linten oude stad De Structuurvisie linten is vastgesteld omdat de huidige bestemmingsplannen onvoldoende de gewenste kwaliteit in de linten te sturen. Naast ruimtelijke aspecten (o.a. hoogte/ breedte nieuwbouw) is ook de eenzijdige gerichtheid van ontwikkelaars op appartementen een punt van zorg. Er wordt (te) kolossaal (in hoogte en breedte) gebouwd, winkels verdwijnen, er is steeds meer leegstand, historische panden worden gesloopt en er is een gebrek aan kwaliteit van de openbare ruimte. Kortom, de linten gaan in zijn algemeenheid in sfeer en functie achteruit en de roep om meer bijsturing wordt steeds luider. Algemene wens is te komen tot een introductie van een nieuwe manier van omgaan met de linten (dit gaat niet alleen om het bouwen, maar ook om de contacten met bewoners, ondernemers, de inrichting openbare ruimte etc.). Deze manier moet meer bijdragen en beter aansluiten op het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost. De linten zijn erg belangrijk voor de economie van Tilburg.

Circa 10% van de werkgelegenheid en 21% van het aantal winkels (met 17% van de winkelvloeroppervlakte) bevinden zich in de linten. De goede bereikbaarheid, de sterke menging van functies en de aanwezigheid van bekende winkels zijn sterke punten. In de structuurvisie wordt een onderscheid gemaakt tussen bedrijvige en rustige linten: a. bedrijvige linten: Bedrijvige linten kenmerken zich door relatief veel doorgaand verkeer met veel bedrijven en winkels (meer dan 20%). Samen met de ringbanen vormen de 'bedrijvige linten' het huidige ontsluitingssysteem voor auto's in de Oude Stad; b. rustige linten: In deze linten ligt het accent op de functie wonen (min. 80 %). De bedrijvigheid is hier ondergeschikt. Doelen De doelen met betrekking tot rustige en bedrijvige linten in de Oude Stad zijn de volgende: a. bescherming van de historische structuur en het erfgoed, alsmede aandacht voor de historische uitstraling van de linten: naast behoud van de meest waardevolle beeldbepalende ensembles kan de historie in de linten als randvoorwaarde, inspiratiebron of referentie voor nieuwe ontwikkelingen benut worden; b. vergroten van de herkenbaarheid van de linten en hun identiteit (openbare ruimte en verkeer; c. introductie van een nieuwe manier van bouwen die meer bijdraagt aan het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost; d.

behoud en stimulering van de dynamiek van de bedrijvige linten: onder dynamiek wordt verstaan de combinatie van doorgaand verkeer en de aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid winkels en bedrijven (meer dan 20%); e. behoud en bevordering van de diversiteit van het wonen aan de linten met respect voor de historische perceelsgewijze bouwwijze van woningen en door beperking van de mogelijkheden van appartementenbouw. Visie en uitvoeringsprogramma De visie op de linten volgt de drie thema's ruimtelijke ordening (met de subthema's detailhandel/bedrijvigheid, wonen, cultuurhistorie en stedenbouw), openbare ruimte en samenwerking met partijen op de linten. Omdat het hier uitsluitend om wonen gaan, worden de subthema's detailhandel en bedrijvigheid niet beschreven. Ruimtelijke ordening: I Wonen • behouden en versterken van de diversiteit in bebouwing en bewoning • beperken van appartementenbouw • historisch karakter van de linten als woonkwaliteit behouden - maatregelen wonen A. Aanpassing van de functie wonen in bestemmingsplannen B. Aanpassing van richtlijnen bouwbreedte en bouwhoogte (K1,'korrel overig') C. Stimuleren van nieuwe woonvormen Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

12

Het beleid om betaalbare woningen te bouwen en de haalbaarheid van het plan zijn redenen om af te wijken bovenstaand uitgangspunt om appartementenbouw te beperken. Bovendien sluiten de diverse woningtypologieën goed aan bij de bestaande omgeving en vormen daarmee geen contrast. II Cultuurhistorie • inzet erfgoed (objecten en structuur) als randvoorwaarde voor beheer en ontwikkeling • meer zorg voor historische bebouwing en de kenmerkende korrelgrootte • behoud van ensembles - maatregelen cultuurhistorie A. Planologisch vastleggen van cultuurhistorische ensembles B. Formaliseren in de systematiek van de beheerbestemmingsplannen C. Visie linten effectueren binnen specifieke planologische mogelijkheden D. Stimuleren van hergebruik van waardevolle ensembles en monumenten E. Investeren in uitstraling en communicatie van/over de linten Onder paragraaf 3.3 zal nog nader in worden gegaan op het behoud van de voormalige bedrijfsbebouwing op de locatie. III Stedenbouw • zorgvuldiger omgaan met de linten door aandacht voor: 1. de korrel, maat en schaal van de bebouwing 2. aanwijzing van ensembles 3. aandacht voor de overgang van de linten naar de buurt 4. benadrukken van het verschil tussen monofunctionele woongebieden achter de linten en rustige en bedrijvige linten door een andere manier van bouwen (bijv. grotere diversiteit of meer stedelijke woningtypes aan de bedrijvige linten) 5.

aandacht voor diversiteit in de linten - maatregelen stedenbouw A. Beperking van de bouwbreedte en bouwhoogte B. Niet alleen kijken naar de bebouwingswand, maar naar de volledige diepte van het perceel C. Ondergronds parkeren is niet verplicht. Het is wel verplicht om parkeerplaatsen mee te verkopen. D. Door het beschermen van ensembles verwanding (= te lange en brede gebouwen) tegengaan Onder paragraaf 3.2 zal hier verder op worden ingegaan. Openbare ruimte • behouden en versterken van de herkenbaarheid en continuïteit van de linten • investeren in de kwaliteit, uitstraling en aantrekkelijkheid van de openbare ruimte - maatregelen openbare ruimte A. Afstemmen van evt. hogere eisen in de bedrijvige linten met beheer en onderhoud bedrijvige linten B. Groen waar het kan C. Meer aandacht voor het verblijfskarakter D. Efficiënter omgaan met parkeren E. Toepassen van principeprofielen voor rustige en bedrijvige linten F. Bij herinrichting linten aansluiten op het Meerjarenprogramma Het centrale deel van het plangebied zal toegevoegd worden aan het openbaar gebied. Het gebied zal aansluiten op het aan de Enschotsestraat gelegen Park de Horion/Seringenhof waardoor een groene corridor ontstaat. Het openbaar gebied sluit aan de zuidzijde aan op de Rozenstraat. In de Rozenstraat ligt ook een klein parkje. Tezamen met deze nieuwe ontwikkeling ontstaat er een impuls voor de omgeving.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

13

Structuurvisie Linten oude stad: bedrijvige en rustige linten

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

14

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.2.1 Hoogbouw In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007. Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is. De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan. Gebiedsprofiel Ruimtelijke oriëntatie en silhouet/skyline: Hoogbouw moet ten goede komen aan de ruimtelijk oriëntatie in de stad, ook wel ‘leesbaarheid’ genoemd.

Daarnaast moet het een positieve bijdrage leveren aan de skyline van de stad (indien hoger dan 35 m). Het accent speelt een kleine rol in de ruimtelijke oriëntatie in de stad. Het accent kan stedenbouwkundig worden gelezen als een verghoging van het bouwblok. Het bouwblok sluit aan bij de overwegende hoogte in de Enschotsestraat. De uitbreiding is ca 25 m hoog, waardoor de invloed op de skyline van de stad zeer beperkt is. De hoogte wordt gemotiveerd vanuit de accentuering van de nieuwe doorsteek en de ruimtelijke relatie met het Seringenhof aan de overzijde van de Enschotsestraat. Inpassing in de omgeving: Hiermee wordt gevraagd om de inpassing in de gebouwde omgeving te motveren. Dit beleidsuitgangspunt is bedoeld om de bijdrage van hoogbouw aan het ensemble van de straat en/of omgeving te motiveren. Het accent ligt aan een de eerder genoemde open ruimtes: Seringenhof en nieuwe doorsteek. Daarmee neemt het tevens afstand van bestaande woonbebouwing. De inpassing is stedenbouwkundig logisch en niet conflicterend met de omgeving. Draagvlak en functiemenging: Hoogbouw kan in de stad een positieve bijdrage leveren aan het draagvlak voor voorzieningen, bijvoorbeeld in een winkelcentrum of bij een vervoersknooppunt. Daarvan is hier geen sprake, dus dit beleidsuitgangspunt is niet van toepassing.

Projectprofiel Hierbij worden in het hoogbouwbeleid de volgende criteria gehanteerd: windhinder, schaduwwerking, uitzicht, privacy, schaalsprong, plint/ openbare toegankelijkheid. Deze criteria zijn grotendeels toegespitst op hoogbouwontwikkelingen in de bestaande woonomgeving. Omdat hier sprake is van een hoogbouwontwikkeling die vanwege het programma geen stedelijke aantrekkingskracht heeft, zijn alleen de eerste 4 criteria van toepassing.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

15

Windhinder: De hoogbouw aan de Enschotsestraat van acht bouwlagen heeft een hoogte van 25 meter. De methode voor de beoordeling van het windklimaat is beschreven in de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. In de norm staat onder meer vermeld: • Voor beschut liggende gebouwen tot een hoogte van 15 m is geen nader onderzoek noodzakelijk. • Voor beschut liggende gebouwen met een hoogte tussen de 15 m en 30 m en voor onbeschut liggende gebouwen tot een hoogte van 30 m is de hulp van een windhinderdeskundige noodzakelijk om te beoordelen of er wel of niet windtunnel- of CFD-onderzoek noodzakelijk is. • Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 m is nader onderzoek met CFD- of windtunnelsimulatie noodzakelijk. Een beschutte ligging is in de norm als volgt gedefinieerd: Een bouwwerk en de directe omgeving liggen beschut wanneer op loop- of verblijfsniveau bij alle windsectoren (12 sectoren van 30°) aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Het oppervlak dat obstakels als bomen (kruinen) en gebouwen beslaan, bedraagt 20% of meer van het totale oppervlak binnen een straal van 300 m. • Het bouwwerk steekt niet meer dan 50% uit boven de gemiddelde hoogte h van de obstakels binnen een straal van 300 m.

Met een gebouwhoogte van maximaal circa 25 meter valt het plan in de categorie waarbij een windhinderdeskundige bepaald of een kwantitatief onderzoek op basis van simulaties noodzakelijk is. Daartoe heeft onderzoeksbureau Peutz een Notitie Windklimaat opgesteld (bijlage 1). Conclusie is dat een nader onderzoek niet noodzakelijk is. Bij zuidwestenwind zal achter de toren een lage druk gebied ontstaan (het gebied verscholen voor de wind) en aan de voorzijde waar de wind tegen de brede gevel aan waait een hoge druk gebied ontstaan. De wind zal vervolgens een weg zoeken om van een hoge luchtdruk naar een lage luchtdruk te stromen. Een deel van de zuidwestenwind zal over de toren heen buigen, een deel naar beneden afbuigen en een deel zal om de hoeken heen buigen in een poging om aan de achterzijde van de toren komen. Door de scherpe hoeken van het gebouw zal de wind echter niet deze buiging (een 90° knik) kunnen maken (dit vereist veel energie) en in plaatst daarvan 'loslaten' bij de hoeken. Dit manifisteert zich typisch in een lokaal verhoogde windsnelheid. In onderstaande figuur zijn de verwachte locaties waar dit zal optreden met gele ovalen aangegeven.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

16

Voor de beoordeling van de aangegeven gele vlakken mag worden uitgegaan van de functiecategorie doorlopen. Op basis van ervaring wordt aan de hand van de behandelde factoren ingeschat dat, beoordeeld met het criterium voor doorlopen volgens de norm NEN 8100, bij de in het figuur omcirkelde plekken een potentiëel matig windklimaat zal heersen. Schaduwwerking: In algemene zin wordt de nieuwe bebouwing in het plan op ruime afstand gelegd van de bestaande grondgebonden woningen aan de Madeliefstraat en Goudenregenstraat. T.o.v. van de bestaande situatie, waarbij een 6-10 meter hoge blinde fabrieksmuur op de erfgrens staat, zal voor deze woningen de bezonning gunstiger worden. De hoogbouw aan de Enschotsestraat ligt aan de noordzijde en in de centrale as van het plangebied. Uit de bezonningsdiagrammen (bijlage 2) blijkt dat de schaduwwerking van de hoogbouw het grootste deel van de dag in het park (Seringenhof) en op eigen terrein is gelegen. Alleen in de ochtenduren in het voorjaar en het najaar valt er extra schaduw op het appartementenblok Park de Horion 1 t/m14. Aangezien deze gevels de gehele middag in de zon zijn gelegen, hebben deze woningen nog voldoende zonuren en heeft de hoogbouw geen onaanvaardbare invloed op het woon- en leefklimaat. Uitzicht: In de huidige situatie zijn de fabrieksgebouwen op de erfgrens gebouwd. De gevels van deze panden zijn, m.u.v.

het kantoorgebouw aan de Enschotsestraat, vrijwel gesloten en grotendeels door achterstallig onderhoud in verval. Het uitzicht van de omliggende woningen is hierdoor beperkt en onaantrekkelijk. In de nieuwe situatie worden meerdere wijzigingen aangebracht om het uitzicht te verbeteren. Aan de Enschotsestraat wordt de rooilijn geknikt, waardoor meer ruimte ontstaat in het wegprofiel. Daarnaast brengt de nieuwe entree naar het centrale park meer groen in de straat en is er een doorkijk naar het achterliggende gebied. De gekozen positie van de hoogbouw bij de verbreding van de openbare ruimte ter plaatse van de Seringenhof en aan het einde van de knik zorgt voor de minste verstoring op uitzicht van de omringende woningen. Daarbij draagt de ligging van de hoogbouw op zichtlijnen vanuit de wijk bij aan een goede oriëntatie en accentueert de hoogbouw de entree naar het park. Privacy: In het nieuwe plan is aan de Enschotsestraat de onderlinge afstand tussen de voorgevels van de laagbouw en de bestaande woningen 14 meter. Door de wijkende rooilijn staat de hoogbouw minimaal 17 meter van de tegenoverliggende voorgevel. Voor een stedelijke situatie zijn dit acceptabele afstanden om voldoende privacy te waarborgen. Ter vergelijk: de afstand tussen de inbreiding uit 2004 aan de overzijde van vijf bouwlagen bedraagt in de Enschotsestraat 14 meter en in de Koestraat 12 meter.

Bovendien zorgt de wijkende positionering van de hoogbouw ten opzichte van de tegenoverliggende gevels ervoor dat het zicht van de nieuwe woningen met name is gericht op het Seringenhof en niet op de bestaande woningen. Een onaanvaardbare inbreuk op de privacy van de bestaande woningen is in dit plan niet aan de orde. 3.2.2 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie.

Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

17

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.3.1 Historische geografie • Het plangebied bevindt zich vermoedelijk op de flank van een dekzandrug, die overgaat in dekzandwelvingen. De flanken van dekzandruggen vormen van oudsher gunstige bewoningsplaatsen, doordat ze hoog en droog in het landschap lagen. Mogelijk zijn er in het plangebied enkeerdgronden aanwezig geweest. • Het onderzoeksgebied is op de kaart te vinden ten oosten van Heuvel en ten noorden van Enthoven. In dit gebied is van een fijnmazige structuur dan nog geen sprake. De Koestraat is de straat tussen Heuvel en de Veldhovense Rosmolen, De huidige Enschotsestraat splitst hiervan af in zuidoostelijke richting, in de richting van Enschot. Deze wegen zijn dan nog onverhard. Zijnen tekent een bomenrij aan weerszijden van deze wegen. • Het gebied waar de fabrieksgebouwen werden opgericht, is voor zover bekend voor het eerst afgebeeld op de kaart die Diederick van Zijnen maakte in 1760. De kaart, die bewaard wordt in het Regionaal Archief Tilburg, verbeeldt de heerlijkheid Tilburg en Goirle in dat jaar. Op de kaart is te zien hoe verspreid in de heerlijkheid herdgangen liggen, van oorsprong middeleeuwse, agrarische nederzettingen ingericht rondom een centrale ruimte met vaak een driehoekige vorm. Tussen deze relatief vruchtbare herdgangen lagen in de achttiende eeuw vooral woeste grond en heidegrond.

• Vanaf de jaren twintig van de twintigste eeuw ontwikkelt zich ten noorden van de spoorlijn om het plangebied planmatige woningbouw. In de decennia na 1920 wordt steeds meer ruimte ingenomen door de textielfabrieken van André van Spaendonck. De fabriek blijft zich uitbreiden tot het eind van de jaren vijftig waarna er op Kraaiven een nieuwe fabriek gebouwd wordt. 3.3.2 Archeologie • Het plangebied maakt deel uit van een gebied dat eerder archeologisch is onderzocht in het kader van het nieuw op te stellen beheerbestemmingsplan Theresia-Loven-Besterd (2004) (onderzoekmelding 2088386100; Van Dijk en Gheysen, 2004). Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat zich onder de bebouwde kern van Tilburg, net als daarbuiten, een door mensen opgebracht humeus dek bevindt. Dit humeuze dek (esdek) varieert onder de gehele bebouwde kom in dikte tussen 90 en 210 cm. Specifieke dikten zijn bij dit onderzoek niet voor het plangebied zelf aangeduid. Onder het plaggendek doet zich in veel gevallen nog de onverstoorde oorspronkelijke bodem (A- en C-horizonten) voor. In andere gevallen zijn verstoringen tot een diepte van wel 3 m -Mv waargenomen. Bij het onderzoek is geen informatie afgeleid uit over het plangebied zelf. • In 2021 is door Transect voor de planlocatie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd; Transect-rapport 2912 Tilburg, Enschotsestraat Gemeente Tilburg.

Omdat bij het onderzoek een middelhoge verwachting op archeologische resten vanaf maaiveld is vastgesteld, wordt geadviseerd om in het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Hierbij adviseert Transect b.v. om de vrijstellingsdiepte uit het bestemmingsplan (60 cm -Mv) te handhaven. De verschillende kelderbakken kunnen worden vrijgegeven, aangezien de ondergrond hier reeds verstoord zal zijn. Geadviseerd is om een verkennend booronderzoek uit te voeren. • Voor het verkennend booronderzoek zijn door Transect op 6 locaties in het plangebied boringen gedaan om de bodemopbouw in kaart te brengen. Het concept-rapport versie 1.3 dat het bureauonderzoek- en verkennend booronderzoek integreert (bijlage 3), is beoordeeld. Het rapport kan nog niet worden goedgekeurd; hiervoor dienen enkele verduidelijkingen, en aanvullingen in de tekst te worden verwerkt. Wel is duidelijk uit het onderzoek dat er in de ondergrond sprake is van grote verstoring én dat de eerdere verwachting t.a.v. de bewoningsmogelijkheden in het verleden moet worden bijgesteld. Hierdoor kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag voor alle perioden. • Er hoeft dan ook geen aanvullend archeologisch onderzoek meer plaats te vinden.

Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden sporen of resten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologie. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt bij de Minister. In de praktijk kan deze melding het beste gedaan worden bij de archeologen van gemeente Tilburg (het bevoegde gezag).

Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

18

3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen • In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988/Erfgoedwet 2016 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten. • Wel zijn langs de Enschotsestraat en in de achterliggende straten diverse panden geïnventariseerd in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Voor het grootste deel betreft dit woningbouw uit het interbellum. • In de nabijheid van het plangebied bevinden zich gen panden uit de wederopbouwperiode of objecten met een nader aan te duiden cultuurhistorische waarde. • De Enschotsestraat en de Koestraat, zijn lijnen van redelijk historisch geografisch belang. • Op circa 200 meter ten oosten van het plangebied is de voormalige NS-werkplaats gelegen. De werkplaats met een lengte van circa 1,5 km ontwikkelde zich kort na de aanleg van het spoor vanaf 1863. Diverse gebouwen uit de periode 1867-1960 zijn bewaard gebleven en worden hergebruikt. In 2011 werd de werkplaats gesloten en deels verplaatst naar het oosten van de stad. • Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.

3.3.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling; er worden geen waardevolle objecten of structuren aangetast. De te slopen fabrieksbebouwing is eerder anekdotisch interessant dan als te beschermen industrieel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie is er op de planlocatie geen aanvullend onderzoek nodig; wel dient het concept-rapport te worden verbeterd en opnieuw ter goedkeuring te worden aangeboden.

3.4 Volkshuisvesting

Woonvisie en Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek/KWBO Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de Woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. Centraal staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus in een ongedeelde stad. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. Met voorliggende ontwikkeling wordt gebouwd in een centrum-stedelijk woonmilieu. Deze ontwikkeling levert een goede bijdrage aan de behoefte in de wijk omdat er sprake is van een brede variëteit aan woningen in diverse prijsklassen waarmee deze ontwikkeling bijdraagt aan onze ongedeelde stad.

Woonadvies specifiek voor plangebied Ten aanzien van de kwalitatieve opgave waar we als stad voor staan worden hier specifiek een aantal kwaliteiten benoemd waar we vanuit de woonvisie en de opgave in de stad waarde aan hechten. Appartementen Toevoeging van nieuwe appartementen moet bijdragen aan een van onze kwalitatieve woningbouwopgaven. In dit project worden 110 appartementen gerealiseerd in zowel koop, als huur. De huurprijzen variëren van sociaal tot vrije sector. Er wordt v Betaalbare (huur)woningen In het bijzonder bij grotere gebiedsontwikkelingen wordt aangestuurd op een aandeel goedkope woningen. In dit geval betreft het ten minste 28% sociale huur en ten minste 11% middenhuur, maar wordt op basis van het stuurgroepbesluit nog onderzocht of dit aandeel kan worden verhoogd. Op de categorie middeldure huur is de Verordening Middenhuur van toepassing. Hierin hebben we als uitgangspunt onder meer opgenomen dat alle nieuwe grotere woningbouwontwikkelingen (meer dan 50 Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

19

woningen) minimaal 10% aan middeldure huurwoningen moeten bevatten en een vaste periode in dit segment behouden moeten blijven. Om te borgen dat de middeldure huurwoningen voorzien in voldoende kwaliteit zijn tevens kwaliteitseisen opgenomen en worden eisen gesteld aan het inkomen van de huurder. Levensloopbestendig / nultreden bouwen Als gevolg van de extramuralisatie van de zorg blijven ouderen en andere hulpbehoevenden langer zelfstandig thuis wonen. Door nieuwbouw zo veel mogelijk levensloopbestendig en nultreden te realiseren kunnen zo veel mogelijk mensen zo lang mogelijk thuis (blijven) wonen.

3.5 Groen en speelruimte 3.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: • Bomenverordening 2017 • Beoordelingscriteria houtopstanden • Nota 'overige houtopstanden' • Boomwaarde zoneringskaart 2017 • Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone.

Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. 3.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is.

Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: Theresia-Loven-Besterd 2016, 8e herziening (Enschotsestraat 250)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11483093/2