CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Bijlage 3 Milieueffectrapport

Raadsvergadering 15 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Wijkevoort32.558 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

MER Werklandschap Wijkevoort Milieueffectrapport

Maart 2021

Inhoudsopgave Samenvatting .................................................................................................................... 4 1

Inleiding ........................................................................................................... 17

1.1

Aanleiding en doel ............................................................................................. 17

1.2

Plangebied ........................................................................................................ 17

1.3

Milieueffectrapportage ....................................................................................... 18

1.4

Procedure .......................................................................................................... 20

1.5

Leeswijzer ......................................................................................................... 20

2

Planvoornemen Werklandschap Wijkevoort .................................................. 21

2.1

Inleiding ............................................................................................................. 21

2.2

Planhistorie........................................................................................................ 21

2.3

Nut en noodzaak ............................................................................................... 24

2.4

Doelen, kaders en randvoorwaarden.................................................................. 26

3

Alternatieven en varianten .............................................................................. 27

3.1

Inleiding ............................................................................................................. 27

3.2

Referentiesituatie ............................................................................................... 27

3.3

Ontwikkeling van de alternatieven en varianten .................................................. 28

3.4

Alternatieven en varianten ................................................................................. 30

4

Effectbeschrijving- en beoordeling................................................................. 34

4.1

Toetsingscriteria ................................................................................................ 34

4.2

Verkeer.............................................................................................................. 35

4.3

Gezondheid ....................................................................................................... 49

4.4

Woon-, werk- en leefomgeving........................................................................... 70

4.5

Natuur ............................................................................................................... 75

4.6

Landschap, cultuurhistorie en archeologie ......................................................... 84

4.7

Klimaat en energie ............................................................................................. 96

4.8

Water en bodem .............................................................................................. 100

5

Alternatiefvergelijking en voorkeursalternatief ............................................ 108

5.1

Algemeen ........................................................................................................ 108

5.2

Alternatiefvergelijking ....................................................................................... 108

5.3

Conclusie effectbeoordeling ............................................................................. 111

5.4

Mitigerende en compenserende maatregelen ................................................... 112

5.5

Voorkeursalternatief......................................................................................... 115

6

Leemten in kennis en evaluatie..................................................................... 120

6.1

Algemeen ........................................................................................................ 120

6.2

Leemten in kennis............................................................................................ 120

2 (133)

6.3

Evaluatie ......................................................................................................... 121

Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen............................................................................... 122 Bijlage 2: Beleidskader ................................................................................................. 127

3 (133)

Samenvatting 1.1. Wat is de aanleiding voor de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort Tilburg is de afgelopen decennia geëvolueerd van een traditionele textielstad naar een stad waar moderne logistieke dienstverlening een belangrijke plaats heeft ingenomen. Tilburg en de regio Midden-Brabant kunnen zich tegenwoordig met recht profileren als logistieke hotspot in ons land. Om ook in de toekomst een aantrekkelijk vestigingsklimaat te kunnen blijven bieden, is het noodzakelijk dat er blijvend wordt geïnvesteerd in vernieuwing van het logistieke en industriële ecosysteem van Tilburg en de regio. Eén van deze ontwikkelingen is de realisatie van Werklandschap Wijkevoort. Met de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort speelt de gemeente in op de urgente vraag vanuit de markt naar grote kavels en faciliteert de gemeente het ontwikkel- en groeiperspectief van bestaande en nieuwe bedrijven. Doel hiervan is groei van de economie in de stad en de regio Hart van Brabant en het creëren van meer duurzame werkgelegenheid. Het plangebied ligt aan de zuidwestkant van de gemeente Tilburg en heeft momenteel een overwegend agrarisch karakter.

Figuur S.1 – Het plangebied Werklandschap Wijkevoort (rood) en omgeving

1.2 Waarom een milieueffectrapportage 1.2.1 Een Project-MER ten behoeve van de besluitvorming Op basis van de toetsing aan het Besluit m.e.r. en de voortoets is ervoor gekozen om een Project-MER op te stellen dat voor het bestemmingsplan gebruikt kan worden. Het doel van de m.e.r.-procedure (zie het tekstblok voor de toelichting van de begrippen m.e.r. en MER) is om het milieubelang een volwaardige en vroegtijdige plaats in het plan- en besluitvormingsproces te geven.

4 (133)

m.e.r. = milieueffectrapportage (de procedure) MER = milieueffectrapport (het product) Project-m.e.r.= procedure voor uitvoeringsprojecten/-plannen die volgens de wet m.e.r.plichtig zijn. Een Project-m.e.r. werd in het verleden ook wel Besluit-m.e.r. genoemd. Plan-m.e.r. = procedure voor plannen die een kader stellen voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Daarnaast geldt de Plan-m.e.r.-plicht voor wettelijke of bestuursrechtelijke plannen waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. 1.3 Wat is de doelstelling van de uitbreiding? Met de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort wil de gemeente Tilburg voorzien in de behoefte om de economie te versterken en ruimte te bieden aan bedrijvigheid met een hoge toegevoegde (economische) waarde en een toenemende arbeidsintensiteit én tegelijkertijd de landschappelijke en natuurwaarden versterken. Een tweede doelstelling is om van Wijkevoort een aantrekkelijk, economisch en kwalitatief hoogwaardig vernieuwend werklandschap met bovenregionale betekenis te maken in een robuust groenblauw raamwerk waarin ook cultuurhistorische kwaliteiten een plek krijgen.

1.4 Welke alternatieven en varianten zijn onderzocht? De doelstelling om een aantrekkelijk werklandschap met een sterk groenblauw fundament met aandacht voor cultuurhistorische kwaliteiten te realiseren is vertaald in twee inrichtingsalternatieven: 1. Wijkevoort compact; 2. Wijkevoort verspreid. Beide alternatieven bieden de mogelijkheid om maximaal 80 ha aan bedrijventerrein te ontwikkelen. Binnen ‘Wijkevoort compact’ wordt deze 80 ha in een kleiner gebied ontwikkeld dan in het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’. Het betreft bij het compacte alternatief dus een bedrijventerrein waarbij de bedrijven meer aaneengesloten bij elkaar zullen liggen. De doelstelling om binnen deze twee inrichtingsalternatieven een economisch hoogwaardig modern werklandschap te ontwikkelen is vervolgens in vier varianten uitgewerkt, namelijk: a. Variant logistiek 1: 80% logistiek, 20% industrie – onder de noemer ‘80L20I’; b. Variant logistiek 2: 100% logistiek, 0% industrie – onder de noemer ‘100L0I’; c. Variant moderne industrie 1: 80% industrie, 20% logistiek – onder de noemer ‘20L80I’; d. Variant moderne industrie 2: 100% industrie, 0% logistiek – onder de noemer ‘0L100I’. Het voornemen is om met een bestemmingsplan de ontwikkeling van een 30 ha uitgeefbaar bedrijventerrein mogelijk te maken, waarbij de overige 50 ha pas later vraaggericht kan worden ontwikkeld.

Omwille hiervan wordt er in dit milieueffectrapport ook een variant kwalitatief in ogenschouw genomen waarbij Wijkevoort beperkt blijft tot een ontwikkeling van in totaal 30 ha. Hieronder worden de projectalternatieven en varianten kort toegelicht. 1.4.1 Alternatief 1: ‘Wijkevoort compact’ In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ (zie figuur S.2) wordt het bedrijventerrein volledig ten zuiden van de Hultensche Leij ontwikkeld. Het netto uitgeefbare bedrijventerrein bedraagt maximaal 80 ha. Hiervan is op maximaal 65 ha vestiging van categorie 4.2 bedrijven mogelijk, op ca. 13 ha zijn bedrijven tot categorie 4.1 toegestaan. Op de overige ca. 2 ha zijn enkel bedrijven tot categorie 3.2 toegestaan in verband met aanwezige gevoelige bestemmingen in de omgeving.

5 (133)

De aanwijzing van het Wijckermeer als onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) komt als gevolg van het voornemen mogelijk gedeeltelijk te vervallen. De ecologische verbindingszones langs de Hultensche Leij en Groote Leij zijn onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant. Als gevolg van de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort moeten de beoogde ecologische verbindingszones verbreed worden. De natuur rond de beek als onderdeel van een ecologische verbindingszone van 25 meter wordt beschouwd als autonome ontwikkeling in het kader van het Natuurnetwerk Brabant. De bijkomende 25 meter maakt onderdeel uit van het planvoornemen. Nieuwe natuur wordt toegevoegd in de groenblauwe zone rondom de uitgeefbare gebieden en in de twee gebieden voor waterberging en/of natuurcompensatie (ca. 16 ha) aan de oosten westzijde van het plangebied. Het recreatief medegebruik van het plangebied beperkt zich in dit alternatief tot extensieve vormen van recreatie en enkele conceptversterkende activiteiten rondom het Wijckermeer.

Figuur S.2 – Wijkevoort compact

1.4.2 Alternatief 2: ‘Wijkevoort verspreid’ In Wijkevoort verspreid (zie figuur S.3) maakt het bedrijventerrein een sprong over de Hultensche Leij. Het netto uitgeefbare bedrijventerrein bedraagt ook in dit alternatief maximaal 80 ha. Hiervan is op maximaal 60 ha vestiging van categorie 4.2 bedrijven mogelijk, op maximaal 17 ha vestiging van categorie 4.1 bedrijven en op de overige ca. 3 ha zijn bedrijven van maximaal categorie 3.2 toegestaan1. De aanwijzing van het Wijckermeer als onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) komt mogelijk ook in dit alternatief als gevolg van het voornemen gedeeltelijk te vervallen. De ecologische verbindingszones zijn ook hier onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant. Uitzondering hierop is het verleggen van de Hultensche Leij aan de oostzijde van het 1

In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ is de vestiging van categorie 4.2 bedrijven ten noorden van de Hultensche Leij slechts beperkt mogelijk. Hierdoor is er in vergelijking met het alternatief Wijkevoort compact niet veel meer extra ruimte beschikbaar voor deze zwaardere bedrijfscategorieën.

6 (133)

plangebied. Hiermee is het uitgeefbare gebied ten zuiden van de beek beter geschikt te maken voor grootschalige bedrijfskavels. Het realiseren van natuur rondom de beek wordt deels als autonome ontwikkeling beschouwd in het kader van het Natuurnetwerk Brabant. Door de ontwikkeling moet de ecologische verbindingszone uitgebreid worden van 25 meter naar 50 meter. De bijkomende 25 meter maakt onderdeel uit van de ontwikkeling.

Figuur S.3 Wijkevoort verspreid

In Wijkevoort verspreid neemt de hoeveelheid groen binnen de uitgeefbare gebieden ten opzichte van het alternatief ‘Wijkevoort compact’ sterk toe (zie figuur S.3). Hierdoor zijn er binnen en rondom het bedrijventerrein meer mogelijkheden voor waterberging en natuurontwikkeling. Ook het gebied aan de westzijde van het plangebied rondom de Grote Leij (ca. 7 ha) blijft beschikbaar voor waterberging en/of natuurcompensatie. Naast extensieve vormen van recreatie en mogelijkheden voor conceptversterkende activiteiten rondom het Wijckermeer wordt in dit alternatief het Wijckermeer als recreatieplas ingericht. Het Wijckermeer krijgt hierdoor een regionale functie en is voor een breder publiek toegankelijk. 1.4.3 Onderzochte varianten Hoewel Wijkevoort zich richt op zowel logistieke én moderne industrie, zijn verschillende verhoudingen denkbaar. Daarom wordt in het MER door middel van varianten onderzocht wat de gevolgen van een verschillende invulling van het bedrijventerrein zijn. Omdat de exacte invulling zal volgen op de vraag en dit nog niet op voorhand eenduidig kan worden vastgelegd is een bandbreedte voor deze invulling gekozen. De bandbreedte is gebaseerd op een worst-case benadering voor eventueel optredende milieueffecten. Hiervoor worden de volgende varianten per alternatief onderzocht:

7 (133)

· · · · ·

Variant 80L20I: In deze variant wordt uitgegaan van een invulling met 80% logistiek en 20% industrie; Variant 100L0I: In deze variant wordt uitgegaan van een invulling 100% logistiek en 0% industrie; Variant 20L80I: In deze variant wordt uitgegaan van een invulling met 20% logistiek en 80% industrie; Variant 0L100I: In deze variant wordt uitgegaan van een invulling 0% logistiek en 100% industrie; Variant 30 ha.

Om de ontwikkeling van de 30 ha tot 80 ha inzichtelijk te maken wordt er een variant onderzocht waarin de 30 ha is uitgewerkt en de fasering tot 80 ha wordt beschreven. Omdat beide alternatieven uit verschillende dichtheden bestaan zijn ook de varianten per alternatief verschillend van aard en omvang. In voorliggend MER wordt voor de varianten met 30 ha kwalitatief onderbouwd hoe de effecten zijn ten opzichte van de varianten met 80 ha uitgeefbaar terrein. Figuur S.4 Varianten Wijkevoort compact 30 ha en verspreid 30 ha

1.5 Wat zijn de effecten van de onderzochte alternatieven en varianten 1.5.1 Verkeer In het MER zijn in paragraaf 4.2 de te verwachten effecten voor verkeer beschreven en beoordeeld. Het betreft hier de thema’s bereikbaarheid en verkeersveiligheid. In tabel S.1 zijn de vergelijkingstabellen voor de genoemde aspecten samengevat weergegeven. Tabel S.1 – Samenvattende beoordeling van de alternatieven voor verkeersaspecten Criterium Varianten Wijkevoort Wijkevoort compact verspreid Bereikbaarheid Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha 0/0/Verkeersveiligheid

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0 0 0 0 0

0 0 0 0 0

8 (133)

Uit tabel S.1 blijkt dat voor de effecten op bereikbaarheid de alternatieven vergelijkbaar scoren. De varianten zijn hierbij niet onderscheidend. Uiteraard heeft 30 ha uitgeefbaar terrein minder verkeersbewegingen tot gevolg. Omwille hiervan scoort deze variant minder negatief dan de andere varianten. 1.5.2 Gezondheid In het MER zijn in paragraaf 0 de te verwachten effecten voor gezondheid beschreven en beoordeeld. Het betreft hier de thema’s geluid, luchtkwaliteit, geurhinder en externe veiligheid. In tabel S.2 zijn de vergelijkingstabellen voor de genoemde aspecten samengevat weergegeven. Tabel S.2 - Samenvattende beoordeling van de alternatieven voor gezondheidsaspecten Criterium Varianten Wijkevoort Wijkevoort compact verspreid Aantal geluidgehinderden Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha 0/0/Verandering in de luchtconcentraties PM10, PM2,5 en stikstofdioxide NO2.

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0/0/0/0/0/-

0/0/0/0/0/-

Verandering van het groepsrisico en plaatsgebonden risico

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0

0 0 0 0 0

Verandering in de geurhinder

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0 0 0 0 0

0/0/0/0/0

Voor de aspecten geluid en luchtkwaliteit zijn de alternatieven en inrichtingsvarianten niet onderscheidend. Dit is een ander verhaal voor de externe veiligheid en de geurhinder. Omwille van de aanwezigheid van een vergelijkbaar aantal werknemers binnen een groter gebied binnen het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’, scoort deze positiever dan het alternatief ‘Wijkevoort compact’. Voor het aspect geurhinder is het juist net andersom. Door de sprong over de Hultensche Leij, ten westen van het Wijckermeer komt een groter deel van het plangebied binnen de geurcontour van veehouderij IDNR 35107 te liggen. Omwille hiervan wordt alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ negatiever beoordeeld dan alternatief ‘Wijkevoort compact’. De inrichtingsvarianten zijn in geen van de gevallen onderscheidend. Enkel de 30 ha variant is onderscheidend. Voor geurhinder en externe veiligheid krijgt de 30 ha variant zowel voor ‘Wijkevoort verspreid’ als ‘Wijkevoort compact’ en neutrale score. Op vlak van luchtkwaliteit en geluid scoort de 30 ha variant beperkt negatief. 1.5.3 Woon-, werk- en leefomgeving

9 (133)

In het MER zijn in paragraaf 0 de te verwachten effecten voor woon-, werk- en leefomgeving beschreven en beoordeeld. Het betreft hier de thema’s verandering in werkgelegenheid, gedwongen vertrek, visuele hinder in de woonomgeving en kwaliteit van de woonomgeving. In tabel S.3 zijn de vergelijkingstabellen voor de genoemde aspecten samengevat weergegeven. Tabel S.3 - Samenvattende beoordeling van de alternatieven voor woon- werk en leefomgeving Criterium Varianten Wijkevoort Wijkevoort compact verspreid Verandering in werkgelegenheid Variant 80L20I ++ ++ Variant 100L0I ++ ++ Variant 20L80I ++ ++ Variant 0L100I ++ ++ Variant 30 ha + + Gedwongen vertrek

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

-----

-----

Visuele hinder in de woonomgeving

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

-

-----

Kwaliteit van de werkomgeving

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0/+ 0/+ 0/+ 0/+ 0/+

0/+ 0/+ 0/+ 0/+ 0/+

Enkel voor het thema visuele hinder in de woonomgeving zijn de alternatieven onderscheidend. In alternatief ‘Wijkevoort compact’ liggen drie woongebieden binnen 200 m afstand van de rand van de bedrijventerreinen. Binnen alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ zelfs vijf. Daarnaast worden enkele woongebieden als gevolg van dit alternatief aan meerdere zijden door het bedrijventerrein begrensd. Deze laatste scoort dan ook zeer negatief en ‘Wijkevoort compact’ negatief. Enkel de 30 ha variant is voor enkele thema’s onderscheidend. Zo krijgt deze variant bij de verandering in werkgelegenheid een minder positieve beoordeling dan de andere varianten en in het geval van gedwongen vertrek juist een minder negatieve beoordeling. De overige inrichtingsvarianten worden voor elk thema gelijk beoordeeld. 1.5.4 Natuur In het MER zijn in paragraaf 0 de te verwachten effecten op natuur beschreven en beoordeeld. Het betreft hier de thema’s Natura 2000, Natuurnetwerk Brabant en flora & fauna. In tabel S.4 zijn de vergelijkingstabellen voor de genoemde aspecten samengevat weergegeven.

10 (133)

Tabel S.4 - Samenvattende beoordeling van de alternatieven voor natuuraspecten Criterium Varianten Wijkevoort compact Beïnvloeding van Natura 2000Variant 80L20I gebieden Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha -

Wijkevoort verspreid -

Beïnvloeding van het Natuurnetwerk Brabant

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0/0/0/0/0

----0

Beïnvloeding van flora- en faunasoorten

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

-

-----

Wat betreft de natuuraspecten zijn de alternatieven voor twee van de drie thema’s onderscheidend, namelijk beïnvloeding van flora- en faunasoorten en beïnvloeding van Natuurnetwerk Brabant. Voor beide thema’s geldt dat ‘Wijkevoort verspreid’ negatiever scoort dan ‘Wijkevoort compact’. De omvang van het in te richten bedrijventerrein is binnen het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ groter en heeft dan ook een groter ruimtebeslag en effect op natuurwaarden dan ‘Wijkevoort compact’. De inrichtingsvarianten 80L20I, 100L0I, 20L80I, 0L100I zijn bij geen van de thema’s onderscheidend. Dit geldt niet voor de variant van 30 ha, aangezien de keuze om een bedrijventerrein met een omvang van 30 hectare aan te leggen tot meer behoud van ecologische waarden leidt. 1.5.5. Landschap, cultuurhistorie en archeologie In het MER zijn in paragraaf 0 de te verwachten effecten op landschap, cultuurhistorie en archeologie beschreven en beoordeeld. Het betreft hier de thema’s landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, ruimtelijk-visuele kwaliteit en belevingswaarde, recreatie en archeologische waarden. In tabel S.5 zijn de vergelijkingstabellen voor de genoemde aspecten samengevat weergegeven.

Tabel S.5 - Samenvattende beoordeling van de alternatieven voor landschappelijke aspecten Criterium Varianten Wijkevoort Wijkevoort compact verspreid Beïnvloeding van waardevolle Variant 80L20I 0/landschappelijke waarden Variant 100L0I 0/Variant 20L80I 0/Variant 0L100I 0/Variant 30 ha 0 0 Beïnvloeding van waardevolle cultuurhistorische waarden

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0/0/0/0/0/-

0/0/0/0/0/-

11 (133)

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

-

-----

0/-

0/-

Mogelijkheden voor recreatief medegebruik

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

+ + + + +

+ + + + +

Archeologische waarden

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0/0/0/0/0

0/0/0/0/0

Beïnvloeding van de ruimtelijkvisuele kwaliteit en belevingswaarde

Enkel voor het aspect beïnvloeding ruimtelijk-visuele kwaliteit en belevingswaarde zijn de alternatieven onderscheidend. Voor de andere vier aspecten worden de alternatieven ‘Wijkevoort verspreid’ en ‘Wijkevoort compact’ gelijk beoordeeld. Er is hierbij geen verschil in beoordeling van de inrichtingsvarianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I. Wel wordt de variant van 30 ha bij enkele thema’s, beïnvloeding van waardevolle landschappelijke waarden; beïnvloeding van de ruimtelijk-visuele kwaliteit en belevingswaarde; en archeologische waarden minder negatief beoordeeld. Voor archeologie heeft dit onder meer te maken met het feit dat ongeacht het te kiezen alternatief een groot deel van het plangebied onaangeroerd blijft. 1.5.6 Klimaat en energie In het MER zijn in paragraaf 0 de te verwachten effecten op klimaat en energie beschreven en beoordeeld. Het betreft hier de thema’s klimaatadaptatie en duurzame energievoorziening. In tabel S.6 zijn de vergelijkingstabellen voor de genoemde aspecten samengevat weergegeven. Tabel S.6 - Samenvattende beoordeling van de alternatieven voor klimaat en energie Criterium Varianten Wijkevoort Wijkevoort compact verspreid Mogelijkheden voor Variant 80L20I 0/klimaatadaptatie Variant 100L0I 0/Variant 20L80I 0/Variant 0L100I 0/Variant 30 ha 0/0/Duurzame energievoorziening

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

+ + + + +

+ + + + +

Wat de duurzame energievoorziening betreft geldt voor elk van de alternatieven en varianten dat er mogelijkheden zijn om een energieneutraal bedrijventerrein te realiseren.

12 (133)

De gemeente zal dit borgen via het uitgifteproces. Alle varianten en alternatieven zijn dan ook positief beoordeeld. De alternatieven zijn wel onderscheidend wat klimaatadaptatie betreft. ‘Wijkevoort compact’ wordt negatiever beoordeeld dan ‘Wijkevoort verspreid’ aangezien er bij deze eerste een hoge dichtheid van gebouwen gehanteerd wordt met minder ruimte voor het groenblauwe raamwerk. Water kan moeilijker worden gebufferd binnen de grenzen van het plangebied en ook is er weinig ruimte voor groen om de negatieve effecten van hittestress te mitigeren. De ruimtelijke opbouw van de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I is gelijk aan de alternatieven. Aangezien er binnen de 30 ha variant minder verhard oppervlak ontwikkeld wordt scoort deze variant voor beide alternatieven beperkt negatief. 1.5.7 Water en bodem In het MER zijn in paragraaf 0 de te verwachten effecten op water en bodem beschreven en beoordeeld. Het betreft hier de thema’s bodem, grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en grond- en oppervlaktewaterkwantiteit. In tabel S.7 zijn de vergelijkingstabellen voor de genoemde aspecten samengevat weergegeven. Tabel S.7 - Samenvattende beoordeling van de alternatieven voor bodem en water Criterium Varianten Wijkevoort compact Beïnvloeding van de Variant 80L20I + bodemkwaliteit Variant 100L0I + Variant 20L80I + Variant 0L100I + Variant 30 ha 0/+

Wijkevoort verspreid + + + + 0/+

Beïnvloeding van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

+ + + + +

+ + + + +

Beïnvloeding van de grond- en oppervlaktewaterkwantiteit

Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha

0/+ 0/+ 0/+ 0/+ 0/+

+ + + + 0/+

Wat grond- en oppervlaktewaterkwantiteit betreft zijn de alternatieven onderscheidend. ‘Wijkevoort verspreid’ scoort door het in het plan geïntegreerde groenblauwe raamwerk positiever dan ‘Wijkevoort compact’, welke een groter bebouwingsdichtheid heeft. De inrichtingsvarianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I zijn niet onderscheidend. De 30 ha variant scoort op vlak van bodemkwaliteit minder positief dan de andere varianten, aangezien er minder grondverzet zal plaatsvinden waarbij aanwezige verontreinigingen verwijderd worden. 1.5.8 Conclusie effectbeoordeling Voor de milieueffecten worden de effecten op het verkeer, gezondheid (waaronder geur en externe veiligheid) en natuur als het meest bepalend gezien. De negatieve effecten op natuur zijn vanwege de grote omvang van het bedrijventerrein en de sprong over de Hultensche Leij het grootste bij alternatief ‘Wijkevoort verspreid’. De varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I zijn voor het milieuaspect natuur niet onderscheidend.

13 (133)

Op het vlak van geur wordt het alternatief ‘Wijkevoort compact’ positiever beoordeeld omwille van de lagere maximale geurbelasting in het plangebied. Beide alternatieven komen binnen de geurcontour van veehouderij INDR 35107 te liggen. De overlap van het plangebied met deze geurcontour is binnen het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ groter door de sprong over de Hultensche Leij. De sprong over de Hultensche Leij aan de oostzijde van het plangebied heeft geen invloed op omliggende veehouderijen. Dit maakt deze oostelijke sprong goed mogelijk binnen een eventueel voorkeursalternatief. Wat de externe veiligheid betreft is het juist goed om werknemers te spreiden over een groter gebied, verder weg van de aanwezige gasleiding. Hierdoor wordt de variant ‘Wijkevoort verspreid’ wat betreft externe veiligheid positiever beoordeeld. De toename in verkeersintensiteit is voor beide alternatieven gelijk, aangezien het in beide gevallen gaat om 80 ha uitgeefbaar bedrijventerrein. Wel legt deze ontwikkeling druk op het omliggende wegennet. Bij een mogelijke herinrichting van naastgelegen kruispunten dient hiermee rekening te worden gehouden. Voor de varianten van 30 ha geldt uiteraard een minder grotere verkeersontwikkeling en daardoor een kleinere druk om het omliggende wegennet. Omwille van de economische haalbaarheid is een variant van alleen 30 ha echter niet wenselijk.

Op basis van de milieueffecten kan er geconcludeerd worden dat de voorkeur ligt bij een combinatie van alternatief ‘Wijkevoort compact’ en ‘Wijkevoort verspreid’. Enkele elementen laten ‘Wijkevoort verspreid’ beter scoren dan ‘Wijkevoort compact’, zoals de spreiding over een groter gebied met het oog op externe veiligheid. Ook de ontwikkeling van een groenblauw netwerk met ruimte voor wadi’s en helofytenfilters is kansrijker in de verspreide variant. Op veel andere aspecten scoort ‘Wijkevoort compact’ positiever. 1.6 Totstandkoming voorkeursalternatief Het voorkeursalternatief voor Werklandschap Wijkevoort lijkt in grote mate op het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ minus de sprongen over de Hultensche Leij ten noordwesten en ten zuidoosten van het Wijckermeer. Als gevolg daarvan zullen ook de groene kamers binnen de uitgeefbare gebieden vervallen. Wel blijft er volop ruimte om een robuust groenblauw raamwerk rondom de uitgeefbare gebieden aan te leggen. Het voorkeursalternatief wordt in het zuiden begrensd door de A58, in het westen door de Groote Leij en in het noorden en oosten door de (deels te verleggen) Hultensche Leij. Het voorkeursalternatief maakt het mogelijk om op termijn 80 hectare vraaggericht te ontwikkelen, waarbij er eerst gestart wordt met de 1e fase ten westen van het Wijckermeer.

De start ten westen van het Wijckermeer is een logische stap vanuit het oogpunt van bereikbaarheid, gezien de nabijheid van het bovenlokale wegennet. Het kunnen gebruiken van de bestaande infrastructuur zorgt voor minder hinder door het gebied heen en lagere kosten ten aanzien van het bouw- en woonrijp maken. Ook sluit het daarbij aan op reeds bestaande stedelijke structuren rondom de A58. In het voorkeursalternatief wordt er geen sprong gemaakt over de Hultensche Leij. Uit de omgevingsdialoog en het raadsbesluit van 21 september 2020 over de nota Toekomstbestendige werklocaties 2020 - 2025 is naar voren gekomen dat de Hultensche Leij graag als grens van het bedrijventerrein wordt gezien. Vervolgens is gekeken op welke manier, zonder sprongen over de Hultensche Leij, ook daadwerkelijk 80 hectare kan worden ontwikkeld zonder verlies van kwaliteit van de werkomgeving en de robuustheid (in klimaatadaptatie, landschap en natuur) van het groenblauwe raamwerk. Daartoe is voorgesteld om de ontsluiting van het bedrijventerrein met een ringwegstructuur te wijzigen in een ontsluiting met een cul-de-sac structuur. Dat wil zeggen dat er geen hoofdwegen

14 (133)

rondom de uitgeefbare gebieden komen, maar dat alleen aan de west- en zuidzijde van het terrein een hoofdweg is voorzien. De interne ontsluitingsstructuur wordt pas bepaald ten tijde van de uitgifte van de kavels en dus op het laatste moment aangelegd. Er worden voorzieningen getroffen voor fietsers en voetgangers, zij krijgen een vrij liggend fiets- en voetpad. Op deze manier kunnen conflictsituaties met gemotoriseerd verkeer voorkomen worden. Als gevolg van het achterwege laten van de sprongen over de Hultensche Leij en de hoofdontsluiting met een cul-de-sac structuur neemt het uitgeefbaar gebied in de 1e fase (het gebied ten westen van het WIjkcermeer) toe en in de 2e fase af: was eerst sprake van een verdeling 30 - 50 hectare, nu is deze verdeling 44,6- 35,4 ha.

Figuur S.5 – Impressie van Voorkeursalternatief met cul-de-sac hoofdontsluiting (verkaveling is een mogelijke indeling)

Met het achterwege laten van de sprongen en het over een geringe afstand verleggen van de Hultensche Leij is er ook geen sprake meer van een barrièrewerking van deze ecologische verbindingszone als gevolg van de sprong over de Hultensche Leij.. Daarnaast heeft het achterwege laten van de sprong over deze Leij een minder groot effect op de visueel-ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van het gebied. De combinatie van de ecologische verbindingszone en het groenblauwe raamwerk rondom de kavels zorgen voor een brede landschappelijke bufferzone (circa 100 meter breed) tussen bedrijventerrein en omgeving De Hultensche Leij en Groote Leij zijn momenteel niet veel meer dan ontwateringssloten. De herinrichting van de Hultensche Leij is onderdeel van het voorkeursalternatief, waarbij er

15 (133)

ook ruimte is voorzien voor beekmoeras en een moerasbos. Het beekmoeras gaat ook verdroging tegen. De beekdalen kunnen daarnaast als recreatieve zone gebruikt worden door de werknemers van het bedrijventerrein. Niet enkel de beekdalen voorzien het bedrijventerrein van groenblauwe aders, ook rond de kavels wordt een robuust groenblauw raamwerk uitgebouwd. Het Wijckermeer en Wijkerbos worden optimaal geïntegreerd in het groenblauwe raamwerk. Het groenblauwe raamwerk speelt een belangrijke rol bij de inrichting van het werklandschap. Deze zal voorzien in de buffering van water rond de bedrijfskavels. Daarnaast zal het water dat valt binnen de contouren van Werklandschap Wijkevoort afstromen naar de helofytenfilters die gepland zijn in het midden van het plangebied rondom het Wijckermeer, de zogenaamde watermotor. Deze hebben naast een zuiverende ook een waterbergende functie. De Hultenseweg met haar karakteristieke bomenrijen blijft binnen het voorkeursalternatief behouden. Deze weg zal haar ontsluitingsfunctie voor de omgeving behouden en maakt geen onderdeel uit van de ontsluitingsstructuur van het bedrijventerrein. Behoud van de landschapsstructuur van de weg Wijkevoort is omwille van haar ligging onzeker, onder andere in verband met de uitgifte van kavels binnen deze zone.

1.7 Hoe gaat het nu verder? De bestemmingsplanprocedure start formeel met de terinzagelegging van een ontwerp bestemmingsplan. Hierop kunnen zienswijzen worden ingediend. Tevens wordt de Ciem.e.r. gedurende de termijn dat de documenten ter inzage liggen (6 weken) in de gelegenheid gesteld om een toetsingsadvies over het MER uit te brengen. Na ontvangst van de zienswijzen en het toetsingsadvies van de Cie-m.e.r. wordt het ontwerpbestemmingsplan en het MER, al dan niet in aangepaste vorm, door het bevoegd gezag vastgesteld. Vervolgens kan door belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend op het ontwerpbestemmingsplan beroep worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

16 (133)

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

Tilburg is de afgelopen decennia geëvolueerd van een traditionele textielstad naar een stad waar moderne logistieke dienstverlening een belangrijke plaats heeft ingenomen. Tilburg en de regio Midden-Brabant kunnen zich tegenwoordig met recht profileren als logistieke hotspot in ons land. Om ook in de toekomst een aantrekkelijk vestigingsklimaat te kunnen blijven bieden, is het noodzakelijk dat er blijvend wordt geïnvesteerd in vernieuwing van het logistieke en industriële ecosysteem van Tilburg en de regio. Eén van deze ontwikkelingen is de realisatie van Werklandschap Wijkevoort. De gemeente Tilburg heeft in haar omgevingsvisie [1] aangegeven hoe zij deze vernieuwing ziet en wat dat betekent voor de ontwikkeling van onder andere Wijkevoort en omgeving. Wijkevoort is in de omgevingsvisie onderdeel van de Brabantstrategie, Knooppunt 4 het Modern Industrieel en Logistiek Cluster. Met de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort speelt de gemeente in op de urgente vraag vanuit de markt naar grote kavels en faciliteert de gemeente het ontwikkel- en groeiperspectief van bestaande en nieuwe bedrijven. Doel hiervan is groei van de economie in de stad en de regio Hart van Brabant en het creëren van meer duurzame werkgelegenheid. Om de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort planologisch mogelijk te maken, stelt de gemeente Tilburg een bestemmingsplan op.

In het bestemmingsplan maakt de gemeente de ontwikkeling van een 30 ha uitgeefbaar bedrijventerrein mogelijk. De overige 50 ha wordt via een aparte planologische procedure (postzegelbestemmingsplan of omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3)) vraaggericht ontwikkeld tot bedrijventerrein. Ten behoeve van de besluitvorming over het bestemmingsplan wordt een milieueffectrapportage (m.e.r.) doorlopen. Het doel van de m.e.r. is om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan Wijkevoort. 1.2

Plangebied

Het plangebied (zie Figuur 1.1) ligt aan de zuidwestkant van de gemeente Tilburg. Het plangebied heeft momenteel een overwegend agrarisch karakter. Aan de west- en zuidkant wordt het plangebied begrensd door de gemeentegrens langs de Burgemeester Letschertweg (N260, ‘de Noordwesttangent’) en de A58. Aan de noord- en noordoostzijde loopt de plangrens grotendeels parallel aan de Hultensche Leij. In het plangebied liggen het Wijckermeer en het Wijckerbos. Het Wijckermeer is eind '70-er jaren ontstaan. Hier zijn destijds grondstoffen gewonnen ten behoeve van de aanleg van de A58. Het bosgebied ten zuiden van de Hultensche Leij is pas daarna aangelegd. Zowel het meer als het bos behoren tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De twee beken in het gebied (Hultensche Leij en Groote Leij) maken ook deel uit van het NNB. Deze zijn aangewezen als ecologische verbindingszones.

17 (133)

Het plangebied is bereikbaar via de Burgemeester Letschertweg, de N260 (deze weg is bereikbaar via een afslag van de A58). Andere functies in de omgeving van het plangebied zijn: · het Stadsbos013 en het uitloopgebied ten westen daarvan met agrarische bedrijven en woningen; · vliegbasis Gilze-Rijen aan de westzijde van het plangebied; · bedrijventerreinen Midden-Brabant Poort en Broekakkers aan de zuid- en zuidwestzijde van het plangebied; · de kern Gilze ten zuidwesten van het plangebied; · de woonwijk Tilburg Reeshof ten noorden van het plangebied.

Figuur 1.1 – Het plangebied Werklandschap Wijkevoort (rood) en omgeving

1.3 Milieueffectrapportage Het doorlopen van een milieueffectrapportage is verplicht bij de voorbereiding van plannen van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het doel van de m.e.r.-procedure (zie het tekstblok voor de toelichting van de begrippen m.e.r. en MER) is om het milieubelang een volwaardige en vroegtijdige plaats in het plan- en besluitvormingsproces te geven. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht, namelijk: 1) na toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) [2]; 2) in het geval een passende beoordeling voor het bestemmingsplan moet worden uitgevoerd; 3) na toetsing aan de provinciale milieuverordening. m.e.r.

= milieueffectrapportage (de procedure)

MER

= milieueffectrapport (het product)

18 (133)

Ad 1) Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage In het Besluit m.e.r. [2] is aangegeven voor welke activiteiten, plannen en projecten een MER verplicht is. Voor het Werklandschap Wijkevoort zijn onderdeel D11.2 en D11.3 uit het Besluit m.e.r. relevant (zie Tabel 1.1). Tabel 1.1 – Onderdeel D11.2 en D11.3 uit het Besluit m.e.r.

D11.2

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

(activiteit)

(drempelwaarde)

(plannen)

(besluiten)

De aanleg, wijziging of

In gevallen waarin de activiteit

De structuurvisie,

De vaststelling van het

uitbreiding van een

betrekking heeft op:

bedoeld in de artikelen

plan, bedoeld in artikel

stedelijk

1: een oppervlakte van 100 ha

2.1, 2.2 en 2.3 van de

3.6, eerste lid, onderdelen

ontwikkelingsproject

of meer,

Wet ruimtelijke

a en b, van de Wet

met inbegrip van de

2: een aaneengesloten gebied

ordening, en het plan,

ruimtelijke ordening dan

bouw van winkelcentra

en 2000 of meer woningen

bedoeld in artikel 3.1,

wel bij het ontbreken

of parkeerterreinen

omvat of

eerste lid, van die wet.

daarvan van het plan,

3: een bedrijfsvloeropper-

bedoeld in artikel 3.1, eerste

vlakte van 200.000 m2 of

lid, van die wet.

meer D

De aanleg, wijziging of

In gevallen waarin de activiteit

De structuurvisie,

De vaststelling van het

11.3

uitbreiding van een

betrekking heeft op een

bedoeld in de artikelen

plan, bedoeld in artikel

industrieterrein.

oppervlakte van 75 ha of

2.1, 2.2 en 2.3 van de

3.6, eerste lid, onderdelen

meer.

Wet ruimtelijke

a en b, van de Wet

ordening, en het plan,

ruimtelijke ordening dan

bedoeld in artikel 3.1,

wel bij het ontbreken

eerste lid, van die wet.

daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort wordt in het Besluit m.e.r. beschouwd als de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject en als een industrieterrein2 (kolom 1). De omvang van het bedrijventerrein bedraagt maximaal 80 ha netto uitgeefbaar terrein (en dus tevens meer dan 200.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte en meer dan de 75 ha) waardoor de drempelwaarde uit kolom 2 wordt overschreden. Tevens is het bestemmingsplan (artikel 3.6 eerste lid, onderdelen a en b, Wro) benoemd in kolom 4. Het bestemmingsplan heeft in dit geval een directe bouwtitel en is hierdoor een kolom 4 besluit en daardoor project-m.e.r. plichtig. Omdat aan al deze voorwaarden wordt voldaan is sprake van een m.e.r.-plichtig plan en is het uitvoeren van een milieueffectrapportage voor het bestemmingsplan Werklandschap Wijkevoort noodzakelijk. Ad 2) Uitvoeren van een passende beoordeling Mogelijk heeft de voorgenomen ontwikkeling nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen in nabijgelegen Natura 20003 gebieden. Indien significant negatieve effecten op deze gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, is het uitvoeren van een passende beoordeling verplicht. Indien uit een voortoets blijkt dat een passende beoordeling voor het bestemmingsplan Wijkevoort moet worden uitgevoerd, is het plan ook vanuit deze aanvliegroute plan-m.e.r.-plichtig.

2

Onder het begrip industrieterrein worden ook bedrijventerreinen verstaan waar logistieke en/of industriële bedrijven gevestigd mogen worden. Dit is mogelijk in het werklandschap Wijkevoort. 3 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief.

19 (133)

Ad 3)Toetsing aan de provinciale milieuverordening Op provinciaal niveau kan behoefte bestaan om meer activiteiten dan in het Besluit m.e.r. zijn opgenomen te benoemen waarvoor een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Provinciale Staten hebben de mogelijkheid om bij provinciale milieuverordening activiteiten, die niet zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. en die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, als m.e.r.-plichtig aan te wijzen. In de provinciale milieuverordening van de provincie Noord-Brabant zijn geen aanvullende m.e.r.-plichtige activiteiten opgenomen, waardoor de derde aanvliegroute niet tot aanvullende m.e.r.-plicht leidt. 1.4

Procedure

Op basis van de toetsing aan het Besluit m.e.r. en de voortoets is ervoor gekozen om een Project-MER op te stellen dat voor het bestemmingsplan gebruikt kan worden. De formele m.e.r.-procedure is van start gegaan met (de openbare kennisgeving van) het verschijnen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) [3] (zie bijlage 4). De NRD heeft van 10 april t/m 22 mei 2017 ter inzage gelegen. De NRD is tevens aan de overige adviseurs verzonden. Rekening houdend met alle binnengekomen reacties heeft het bevoegd gezag op 4 juli 2017 de NRD vastgesteld. Op basis hiervan is voorliggend MER opgesteld. Binnen deze m.e.r.-procedure wordt de rol van initiatiefnemer vervuld door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg. De gemeenteraad van Tilburg is het bevoegd gezag voor het bestemmingsplan en vervult deze rol ook in deze m.e.r.procedure. Als het MER gereed is, wordt het ter toetsing aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-m.e.r.) aangeboden. Tegelijkertijd wordt het samen met het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter visie gelegd. In deze periode kan iedereen hierop zienswijzen kenbaar maken. 1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van dit MER wordt ingegaan op de voorgeschiedenis van het project. Ook worden in dit hoofdstuk het probleem (nut en noodzaak), de doelstellingen, kaders en randvoorwaarden voor Wijkevoort geschetst. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de totstandkoming van de alternatieven en varianten en wordt de referentiesituatie (het nulalternatief) beschreven. De effectbeschrijving en -beoordeling van de alternatieven en varianten worden in hoofdstuk 4 behandeld. In hoofdstuk 5 worden de alternatieven en varianten vergeleken en wordt het voorkeursalternatief beschreven. In hoofdstuk 6 worden respectievelijk de leemten in kennis en de evaluatie van het MER uitgewerkt. De in dit MER geraadpleegde bronnen zijn aldus [x] gemarkeerd en in bijlage 1 opgenomen.

20 (133)

2

Planvoornemen Werklandschap Wijkevoort

2.1

Inleiding

De ambitie van de gemeente Tilburg om een bedrijventerrein op de locatie Wijkevoort te ontwikkelen is niet nieuw. Het voornemen is in de afgelopen jaren in meerdere ruimtelijke visies van de gemeente Tilburg opgenomen. Het eerste voornemen daartoe dateert uit 1998. In paragraaf 2.2 is een beschrijving opgenomen van de meest relevante visies en afspraken met betrekking tot het Werklandschap Wijkevoort. Het nut en de noodzaak van de voorgenomen ontwikkeling komen in paragraaf 2.3 aan bod. Voor de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein is het van belang dat kan worden aangetoond dat sprake is van een actuele regionale behoefte en waarom voor deze locatie is gekozen. In het bestemmingsplan zal een nadere motivering conform de ladder voor duurzame verstedelijking worden opgenomen. De gemeente Tilburg wil met de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort een hoogwaardig, modern en aantrekkelijk werklandschap creëren. Om dit te bereiken heeft de gemeente een aantal doelen en randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Wijkevoort opgesteld. Daarnaast gelden er voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein bepaalde kaders uit overheidsbeleid en wet- en regelgeving. De doelen, randvoorwaarden en kaders zijn in paragraaf 2.4 verder uitgewerkt. 2.2

Planhistorie

Het voornemen om op de beoogde locatie een bedrijventerrein te ontwikkelen is de afgelopen jaren in verschillende plannen aan bod gekomen. In ”Ruimte voor bedrijven, Nieuwe bedrijventerreinen in Tilburg tot 2015” [4] uit april 1998 is Wijkevoort voor het eerst op de kaart gezet. De locatie Wijkevoort is daarin aangewezen als potentieel bedrijventerrein van 100-150 ha. De ambities richtten zich destijds ook al op innovatie, logistiek en industrie. m.e.r. Werklandschap A58 Rond de eeuwwisseling hebben de gemeenten Tilburg en Gilze en Rijen gezamenlijk de planvorming opgestart om in dit gebied aan weerszijden van de snelweg het grootschalige werklandschap A58 te ontwikkelen. Hierin werd uitgegaan van een bedrijventerrein van circa 200 ha. In 2001 is de m.e.r.-procedure hiervoor opgestart met het verschijnen van een startnotitie [5] en een advies van de Commissie m.e.r. [6]. Vanwege wijzigingen in het gemeentelijk bedrijventerreinbeleid is de planvorming vervolgens door de gemeente stilgelegd. De gemeente Gilze en Rijen is daarentegen wel ‘doorgegaan’ met de ontwikkeling van bedrijventerrein Broekakkers-Oost dat later is hernoemd tot bedrijventerrein Midden-Brabant Poort, waarvan de eerste fase inmiddels is gerealiseerd.

Structuurvisie Tilburg 2020 De hoofdlijnen van het toekomstig ruimtelijk beleid en de locaties van de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Tilburg zijn weergegeven in de Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 die in 2005 door de gemeenteraad is vastgesteld [7]. In de Structuurvisie Tilburg 2020 is Wijkevoort als toekomstig bedrijventerrein op de kaart aangeduid. Daarnaast zijn in de structuurvisie locaties voor gewenste ecologische verbindingszones op de kaart weergegeven.

21 (133)

Structuurvisie Zuidwest 2020 De structuurvisie Zuidwest 2020 uit 2011 [8] beschrijft ook de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort. In de structuurvisie is uitgegaan van een bedrijventerrein van 110 ha bruto (80 ha netto) waar ruimte wordt geboden aan bedrijven uit milieucategorie 3 en 4 met mogelijk luchtvaart gerelateerde bedrijvigheid. Ten behoeve van de besluitvorming over de Structuurvisie Zuidwest 2020 is in 2011 tevens een Plan-MER opgesteld [9]. Hierin is onder andere een hoog (110 ha) en laag (60 ha) scenario voor Werklandschap Wijkevoort onderzocht. Uit het MER blijkt dat er door de ontwikkeling van Wijkevoort met name nadelige effecten op gezondheidsaspecten (luchtkwaliteit, geluidbelasting en externe veiligheid), natuurwaarden en landschappelijke waarden kunnen ontstaan. In het MER zijn aanbevelingen gedaan om deze effecten te beperken of te voorkomen. Zo kan de geluidsbelasting op de natuurwaarden binnen het voorziene plangebied voor Wijkevoort en omliggende woningen ontzien worden middels een goede zonering van het bedrijventerrein en afschermende maatregelen. Voor de effecten op de luchtkwaliteit wordt de suggestie gedaan om uitstootbeperkende maatregelen toe te passen en uitstotende bedrijven strategisch te positioneren. Op basis van het Plan-MER adviseert de Commissie m.e.r. om een passende beoordeling uit te voeren. Ook doet de Commissie m.e.r.

een aanbeveling op vlak van duurzaamheid, namelijk het verbeteren van de bereikbaarheid van het gebied met het openbaar vervoer ter vermindering van andere verkeersstromen. Omgevingsvisie Tilburg 2040 In september 2015 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 [1] vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Tilburg 2020 [7] en de Structuurvisie Zuidwest 2020 [8]. Deze omgevingsvisie omschrijft de toekomstige ontwikkeling van een Modern Industrieel en Logistiek Cluster Midden-Brabant, waar Wijkevoort onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsvisie worden de volgende ontwikkelmogelijkheden voor Wijkevoort beschreven: “We spelen in op kansen in de markt en de sterke economische dragers van de stad: ons modern industrieel cluster. Wijkevoort, een strategische reservelocatie voor nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein, kan daarin voorzien. De vraag naar grote kavels houdt (voorlopig) aan. Wijkevoort is goed bereikbaar via de A58 en grenst aan de terreinen van vliegbasis Gilze en Rijen, Gate 2 en de bedrijventerreinen Midden-Brabant Poort, Broekakkers en het toekomstige Nerhoven in de gemeente Gilze en Rijen. De onderwijsinstellingen bieden diverse opleidingen aan op het gebied van luchtvaarttechniek en onderhoud.

We zien kans voor ontwikkeling van het modern industrieel cluster met een accent op Maintenance in combinatie met logistiek door ruimte voor ondernemen, praktijkonderwijs en kennisintensieve werkgelegenheid centraal te positioneren. De economische spin-off naar toeleverende en dienstverlenende bedrijven levert in de regio extra werkgelegenheid op. En de verbinding met andere Brabantse netwerken binnen High Tech Systemen en Materialen leidt tot nieuwe economische activiteiten en innovaties”.

22 (133)

Figuur 2.1 – Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant - Omgevingsvisie Tilburg 2040 [1]

Regionaal Ruimtelijk Overleg 7 juli 2016 Op 7 juli 2016 zijn in het bestuurlijk Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van de regiogemeenten en de provincie afspraken gemaakt over de bedrijventerreinplanning in de regio Midden-Brabant, in het bijzonder over de zeer grootschalige logistiek. Dit nieuwe afsprakenkader maakt het mogelijk om de ruimtelijke planvorming voor Wijkevoort te starten. Concreet is afgesproken dat de gemeente Tilburg voor Wijkevoort een Masterplan voor een bedrijventerrein van 80 ha gaat opstellen. Regionaal Ruimtelijk Overleg 21 september 2017 Op 21 september 2017 werden de afspraken – gemaakt tijdens het Regionaal Ruimtelijk Overleg op 7 juni 2016 – nader gespecificeerd. Voor Wijkevoort is afgesproken dat de gemeente Tilburg een bestemmingsplan opstelt voor 80 ha ten behoeve van een grote internationale speler, waarbij (als terugvaloptie) een wijzigingsbevoegdheid wordt opgenomen voor 30 ha zeer grootschalige logistiek en een wijzigingsbevoegdheid voor de overige 50 ha (voornamelijk agrarisch). In 2019 worden nieuwe RRO-afspraken gemaakt, gebaseerd op de nieuwe prognoses bedrijventerreinen die in 2018 zijn opgesteld en vastgesteld door de provincie [47].

Scenariostudie Wijkevoort september 2016 In de scenariostudie Wijkevoort, vastgesteld op 13 september 2016, zijn de ruimtelijkeconomische principes uitgewerkt door op basis van verschillende parameters vier ‘extreme’ en theoretische scenario’s te verkennen [10], namelijk: 1. Monofunctioneel bedrijventerrein met behoud van groen, water en cultuurhistorie; 2. Monofunctioneel bedrijventerrein transformeren van groen, water en cultuurhistorie; 3. Multifunctioneel bedrijventerrein met behoud van groen, water en cultuurhistorie; 4. Multifunctioneel bedrijventerrein transformeren van groen, water en cultuurhistorie.

23 (133)

Op basis van de uitkomsten van de scenarioverkenning [10] is geconcludeerd dat scenario 4 ‘multifunctioneel bedrijventerrein transformeren van groen, water en cultuurhistorie’ het dichtst in de buurt komt van de wensen van het Modern Industrieel en Logistiek Cluster. Dit scenario biedt de meeste kansen voor nieuwe flexibele productieomgevingen en distributiecentra waarbij nabijheid, samenwerken en kennisuitwisseling van belang zijn om in te kunnen spelen op complexe en intensieve toeleveringsketens. 2.3 Nut en noodzaak Bureau Buiten heeft in 2014 in opdracht van de provincie de kwantitatieve prognose voor bedrijventerreinen in Noord-Brabant opgesteld [11]. Uit deze prognose blijkt dat tot en met 2040 behoefte is aan 195 ha nieuw bedrijventerrein in de regio Midden-Brabant. Het overgrote deel van deze extra ruimtevraag zal zich voordoen in de eerste tien jaar, dus tot en met 2025. Uit deze prognose komt tevens naar voren dat enkele sectoren (onder andere logistiek en groothandel) blijven groeien en daarmee ruimte blijven vragen over de hele periode. Voor Midden-Brabant komt het grootste deel van de ruimtevraag tot en met 2040 (en op middellange termijn – tot 2025) uit het segment zeer grootschalige logistiek en groothandel. Bijna 130 ha uitbreidingsvraag wordt in dit segment verwacht, waarvan 85 ha tot en met 2025.

In 2015 heeft Stec Groep op basis van een kwantitatieve en kwalitatieve analyse geconcludeerd dat bestaande (potentieel) vrijvallende industriële terreinen slechts beperkt kansen bieden voor logistieke bedrijven [12]. Deze terreinen liggen vaak op locaties die vanuit het vraagprofiel van de moderne logistiek niet meer voldoen. Concentratie van logistieke activiteiten op de best mogelijk ontsloten locaties in de regio heeft daarom de voorkeur boven bestaande terreinen. Naast Werklandschap Wijkevoort kan ook Zwaluwenbunders invulling geven aan deze behoefte. In 2018 is in verband met veranderde marktomstandigheden een nieuwe inschatting gemaakt van de ruimtevraag om daarmee regionale afspraken te actualiseren [47]. Technologische vooruitgang zorgt voor een nieuwe dynamiek in de locatiekeuze en het gebruik van robots, digitale innovaties en de ‘internet of things’ leiden tot verhoogde productie, efficiëntie en flexibiliteit. Daarbij signaleert STEC Groep dat productie en logistiek steeds meer met elkaar verweven raken en dat assemblage van onderdelen tot klantspecifieke producten vaak elders plaats vindt dan de productie zelf. Dit leidt er toe dat de activiteiten in logistieke distributiecentra beginnen te lijken op activiteiten die ook kunnen worden uitgevoerd bij productieprocessen.

“In toenemende mate is het belangrijk te zitten nabij stedelijke gebieden waar een (hoogwaardig) arbeidspotentieel voor handen is en/of makkelijker is aan te trekken. De verwachting is dat de logistiek en industrie komende jaren dan ook verder zullen groeien, zowel in productie/omzet als in werkgelegenheid en ruimtegebruik." Een zeer groot deel van de verwachte uitbreidingsvraag in de provincie Noord-Brabant komt vanuit de logistiek en de industrie. Het gaat daarbij, zeker in de logistiek, regelmatig om (zeer) grote ruimtevragers. De beschikbare ruimte voor deze ruimtevragers is de laatste jaren afgenomen en in sommige (sub)regio’s krap. Met het oog op de verdergaande schaalvergroting, in ieder geval nog op korte tot middellange termijn, is het belangrijk om locaties aan te kunnen bieden om deze vraag te kunnen faciliteren. In de regio Midden-Brabant wordt er een tekort aan hard planaanbod van grote kavels geconstateerd om in de kwantitatieve vraag te voldoen. Dit kan een belemmering vormen

24 (133)

voor de groei, met name waar het gaat om (zeer) grootschalige logistiek. Kenmerk van deze sector is een zeer grootschalige ruimtevraag (groter dan 5 ha) per transactie, waarbij de vraag naar 10, 15, of 20 ha en groter de laatste jaren is toegenomen. De regio anticipeert hier in de bestaande programmeringsafspraken op door snelheid te maken met de ontwikkeling van onder andere Haven 8, Wijkevoort en Zwaluwenbunders. STEC groep heeft in maart 2020 [55] de cijfers voor Tilburg geactualiseerd. Voor Tilburg komt zij tot een ruimtevraag tot 2030 van 61 ha. voor Logistiek & Groothandel en 30 ha. voor de Industrie. Hiervan wordt voor het segment groter dan 5 ha. de ruimtevraag tot 2030 geschat tussen de 43 ha. en 66 ha. STEC heeft ook onderzocht of er nog ruimte op bestaande bedrijventerreinen in Tilburg is. Zij concludeert dat er nog een hardplanaanbod van 24 ha. is, maar dat er nergens aanbod is van kavels groter dan 5 ha. Daarnaast zijn er mogelijke transformatieplannen op bedrijventerreinen ter grootte van 18,5 ha. Kwalitatieve aspecten als locatie, omgeving, bereikbaarheid, prijs en omvang van de kavels bepalen uiteindelijk of een beschikbare plek ook daadwerkelijk aan de vraag van bedrijven voldoet. Daarbij is het van belang te kijken naar actuele en verwachte trends en ontwikkelingen in verschillende sectoren. Een veelbepalende trend is de ontwikkeling richting de Next Economy.

Stec vertaalt dit in het prognoserapport voor de Provincie Brabant naar effecten op de ruimtevraag van bedrijven: "Door technologische ontwikkelingen (digitalisering, nieuwe productietechnieken) en maatschappelijke opgaven (klimaat, energie, circulair) herstructureren bedrijven hun (productie)processen en kiezen zij voor een andere vormen van samenwerking. Technologische vooruitgang zorgt voor een nieuwe dynamiek in de locatiekeuze en het gebruik van robots, digitale innovaties en de ‘internet of things’ leiden tot verhoogde productie, efficiëntie en flexibiliteit." Op 21 september 2020 [52] heeft de gemeenteraad van Tilburg de nota Toekomstbestendige Werklocaties 2021-2025 vastgesteld. Met deze nota wordt een meer kwalitatieve visie op de Tilburgse werklocaties gegeven. Enerzijds omdat de beschikbare ruimte veel beperkter is en meer onder druk staat. Anderzijds omdat de vestigingscriteria aan het veranderen zijn onder invloed van de verduurzamingsopgaven, de transitie naar een circulaire economie, verslimming door digitalisering en robotisering en de ontwikkeling van nieuwe sectoren zoals smart industries, smart logistics en smart services (Next Economy). In haar besluit geeft de gemeenteraad ook prioriteit aan de ontwikkeling van Wijkevoort tot modern industrieel en logistiek werklandschap en Zwaluwenbunders niet te ontwikkelen tot bedrijventerrein.

Met Wijkevoort wordt ingezet op een werklandschap waar logistieke en moderne industriële bedrijvigheid verbonden wordt, en waar ook ingezet wordt op ruimte voor innovatie en samenwerking tussen gevestigde bedrijven. Daarbij is betrokkenheid van kennisinstellingen en bedrijven die zich richten op enabling technologies en services een belangrijke component. Wijkevoort wordt daarmee een vooruitstrevende locatie waarin vernieuwende bedrijfsprocessen en samenwerkingsconcepten moeten gaan ontstaan die bijdragen aan een toekomstbestendige ontwikkeling van de logistieke (smart logistics) en industriële (smart industry) bedrijvigheid in Tilburg en de regio. Oftewel, innovaties en kennisontwikkeling die ontstaan in Wijkevoort, zullen een spillover effect hebben voor de regio, doordat Wijkevoort en de daar gevestigde bedrijven een sterke verbinding vormen met het regionale netwerk van logistieke en industriële bedrijvigheid en kennisinstellingen. Daarmee wordt ook uitvoering gegeven aan de doelstelling uit het regionale economisch ontwikkelprogramma dat vastgelegd is in de Strategische meerjarenagenda Hart van Brabant: "We investeren in het behouden en versterken van onze positie als topregio in de (inter)nationale logistiek door te verslimmen en verduurzamen".

25 (133)

2.4 Doelen, kaders en randvoorwaarden In deze paragraaf worden de doelen en randvoorwaarden van de gemeente Tilburg voor de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort beschreven. Daarnaast worden de relevante beleidskaders benoemd die van toepassing zijn op de opgave. 2.4.1 Doelen en randvoorwaarden Met de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort wil de gemeente Tilburg voorzien in de behoefte om de economie te versterken en ruimte te bieden aan bedrijvigheid met een hoge toegevoegde (economische) waarde en een toenemende arbeidsintensiteit én tegelijkertijd de landschappelijke en natuurwaarden versterken. De doelstelling is om van Wijkevoort een aantrekkelijk, economisch en kwalitatief hoogwaardig vernieuwend werklandschap met bovenregionale betekenis te maken in een robuust groenblauw raamwerk waarin ook cultuurhistorische kwaliteiten een plek krijgen. In het hierna volgende worden de meest relevante randvoorwaarden en uitgangspunten voor deze opgave nader omschreven [10, 46]. Een economisch hoogwaardig modern werklandschap met bovenregionale betekenis Voor dit aspect worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: · de opvang van de behoefte aan grootschalige logistiek (afspraak Hart van Brabant gemeenten d.d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10731258/1