05 Toelichting ontwerpbestemmingplan
Tekst van het document
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
18
worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Onderzoek externe veiligheid - Nieuwbouw (NB2) te Tilburg (Econsultancy, juni 2020, bijlage 5) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg en de Rijksweg A58.
Het risiconiveau van deze transportroutes is beschouwd en de verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico is voor deze risicobronnen ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportasgebied gelden de volgende voorwaarden: Kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; Combinatie met gemengd of intensief gebied is mogelijk; Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; Beheersbaarheid spoor en gemeentelijke wegen op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Onderzoek externe veiligheid - Nieuwbouw (NB2) te Tilburg). De brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: het plangebied is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar ten gevolge van het spoortraject Breda – Tilburg. Er wordt voldaan aan de grenswaarde; het plangebied is eveneens gelegen buiten het plasbrandaandachtsgebied; het groepsrisico van het spoortraject Breda - Tilburg is lager dan de oriëntatiewaarde. De hoogte van het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie wel toe ten opzichte van de huidige situatie; de bereikbaarheid van het plangebied is goed; goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem). Dit en de applicatie NL-Alert biedt de mogelijkheid de aanwezigen tijdig te waarschuwen; aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; maatregelen in het gebouw (zoals centraal afsluitbare ventilatie en voldoende vluchtroutes) en in de organisatie (bedrijfsnoodplan met ongeval gevaarlijke stoffen, risicocommunicatie met aanwezigen) kunnen bijdragen aan de optimalisatie van de veiligheid. Deze maatregelen worden afgewogen bij de uitwerking van het plan; de opkomsttijd van de brandweer bedraagt circa 8,5 minuten.
Hiermee wordt voldaan de brandweerzorgnorm.
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
19
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Het plan voorziet in de oprichting van een onderwijsgebouw en een parkeergarage. Het onderwijsgebouw betreft een ander geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. 4.6.1 Wegverkeerlawaai Het nieuwe onderwijsgebouw is niet gelegen binnen de zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh. Dit betekent dat er geen toetsing aan de normen van de Wgh hoeft plaats te vinden. In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening is de bijdrage van de 30 km/uur wegen rondom het nieuwe schoolgebouw wel bepaald en beoordeeld. Hiervoor wordt verwezen naar het akoestisch rapport genoemd onder paragraaf 5.5.2. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de bijdrage van de 30 km/uur wegen niet relevant is en dat railverkeer maatgevend is voor de hoogte van de optredende geluidbelasting. 4.6.2 Railverkeerlawaai Het nieuwe schoolgebouw wordt gerealiseerd binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda.
Voor een schoolgebouw geldt volgens artikel 4.9 van het Besluit geluidhinder een voorkeurgrenswaarde van 53 dB. Artikel 4.10 van het besluit biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om hogere waarden vast te stellen tot maximaal 68 dB. Voor deze geluidgevoelige bestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch rapport van 7 november 2019 met rapportnummer 10849.004 opgesteld door Econsultancy (bijlage 6). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op alle gevels de voorkeurgrenswaarde van 53 dB wordt overschreden. Op de noord- en een deel van de oostgevel wordt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB overschreden. De maximale geluidsbelasting op de noordgevel bedraagt 73 dB. Maatregelen aan de bron en/of de overdracht om de geluidbelasting te reduceren tot aan de voorkeurgrenswaarde van 53 dB of de maximale ontheffingswaarde van 68 zijn niet doelmatig of wenselijk. Met het plaatsen van raildempers, waarmee een reductie van ca. 3 dB wordt bereikt, zal nog steeds de maximale ontheffingswaarde van 68 dB op de noordgevel overschreden worden.
Het beperken van de verkeersintensiteit of het verlagen van de rijsnelheid op het spoor zijn vervoerskundig niet mogelijk omdat de gemeente niet de bronbeheerder is. Uit het rapport blijkt dat de kosten van het plaatsen van een scherm over een totale lengte van minimaal 295 meter minstens € 2.200.000,- bedragen. Voor het realiseren van één gebouw wordt dit niet doelmatig geacht. Daarnaast is het plaatsen van een scherm vanuit stedenbouwkundige argumenten niet wenselijk.
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
20
Om het onderwijsgebouw akoestisch mogelijk te maken is het noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen voor railverkeer. Om de geluidbelasting t.g.v. het spoor te reduceren tot aan de maximale grenswaarde van 68 dB zullen aanvullende gebouwgebonden maatregelen genomen moeten worden. Voorbeelden hiervan zijn het toepassen van vliesgevels of voorhangschermen. Indien ter plaatse van de betreffende gevel/ geveldeel geen gebouwgebonden maatregelen worden getroffen, is het mogelijk de gevel/geveldeel "doof" uit te voeren. Een andere optie is om een zodanig ontwerp van het gebouw te maken dat aan de gevel/geveldeel waar de maximale grenswaarde van 68 dB wordt overschreden geen geluidgevoelige ruimten als les, theorieen theorievaklokalen worden gesitueerd. Voor dit bestemmingsplan heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde-besluit genomen. In dit besluit, dat bij het bestemmingsplan is gevoegd, zijn voorwaarden opgenomen waaraan het onderwijsgebouw moet voldoen. 4.6.3 Gemeentelijk geluidbeleid In het gemeentelijk geluidbeleid is aangegeven op welke manier wordt zorggedragen dat op (hoog) geluidbelaste locaties een acceptabel (woon- en) leefklimaat wordt gerealiseerd en tevens aan wet- en regelgeving wordt voldaan.
Voor scholen wordt de eis gesteld dat bij het verlenen van hogere waarden de les-, theorie- en theorievaklokalen, indien mogelijk, zo veel mogelijk aan de geluidluwe gevel worden gesitueerd. Een geluidluwe gevel is een gevel waar de gecumuleerde geluidbelasting (Lcum) bepaald volgens bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 maximaal 55 dB bedraagt. 4.6.4 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. 4.6.5 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan levert een extra verkeersgeneratie op van 765 mvt/dag. Deze verkeersgeneratie is ingevoerd in de NIBM-tool om een uitspraak te kunnen doen of het plan NIBM bijdraagt. Uit de rekenresultaten van de tool blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt. Daarnaast worden er geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk gemaakt. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen'
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
21
vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In de directe omgeving van het plan bevinden zich geen industriële bedrijven met een significante geuremissie. Industriële geur is daarmee geen beperking voor dit plan. 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.
De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. In de directe omgeving van het plan bevinden zich geen agrarische bedrijven met een significante geuremissie. Agrarische geur is daarmee geen beperking voor dit plan.
4.9 Trillingen Het nieuwe onderwijsgebouw wordt gesitueerd op minder dan 100 meter van het spoor. Hierdoor is trillinghinder niet uit te sluiten. Teneinde een goede ruimtelijke ordening op gebied van trillingen te waarborgen is in de regels van het bestemmingsplan met behulp van een aanduiding opgenomen dat voordat de omgevingsvergunning voor de bouw van het onderwijsgebouw kan worden afgegeven, een trillingsonderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de SBR richtlijn B “Hinder voor personen in gebouwen”.
4.10 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Bodemonderzoek Er is een bodemonderzoek ingediend en wel, Verkennend bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem (incl. PFAS), Warandelaan 2 te Tilburg, Econsultancy, rapportkenmerk 10849.008, versie D1, Eindrapportage, 15 november 2019 (TBG rapportcode AA085532746): het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN5740 (enNEN5707, het asbest-in-grondonderzoeksprotocol), Aan het opgeboorde materiaal zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Visueel zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Er is geen asbest gemeten, de zintuiglijk schone grond bevat op deellocatie 1 geen en op deellocatie 2 incidenteel een tot ten hoogste licht verhoogd gehalte aan PCB. Opgemerkt wordt m.b.t. PFAS dat getoetst en geconcludeerd is op basis van de toen van kracht zijnde normen. De respectievelijke achtergrondnormen zijn verhoogd. De gemeten gehalten zijn kleiner dan de genoemde normen. Daardoor is de grond als schoon te beschouwen (altijd toepasbaar),
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
22
<0000>
het grondwater bevat, in wisselende samenstellingen, tot ten hoogste licht verhoogde gehalten aan de metalen barium (structureel) en zink, en aan de vluchtige aromaat Xylenen (structureel). Voor Xylenen is niet een puntbron aan te wijzen op of direct rond de locaties. Zie m.b.t. de verhoogde gehalten aan metalen hetgeen is geschreven onder 'Nota in goede aarde'
Conclusie Voor de bodem ter plaatse van beide plangebieden is er op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit geen risico voor de volksgezondheid en/of het milieu, die de ontwikkeling belemmeren. Met in achtneming van het navolgende zijn er geen gebruiksbeperkingen. Op aanvoer van grond of afvoer van overtollige, overwegend licht verontreinigde grond, is het landelijk Besluit bodemkwaliteit van toepassing en de gemeentelijke bodembeheerplan/bodemkwaliteitskaart, indien de overtollige grond binnen Tilburg wordt hergebruikt/toegepast.
4.11 Natuur en ecologie 4.11.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) Overige inheemse broedvogels Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
23
waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant.
Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.11.2 Analyse plangebied Het plangebied bestaat uit twee parkeerplaatsen.
Een van de parkeerplaatsen ligt tussen het terrein van Tilburg University en de Oude Warande. De andere parkeerplaats ligt ten noorden daarvan tussen het spoor en het universiteitsterrein. Op de noordelijk gelegen parkeerplaats is nieuwbouw voorzien. Het nieuw te bouwen gebouw zal deel uitmaken van Tilburg University. Op de zuidelijk gelegen parkeerplaats is een parkeergarage voorzien. Het is echter onzeker of de parkeergarage er gaat komen in verband met het hiervoor beschreven mobiliteitsconcept van Tilburg University. Ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging wordt dit perceel echter wel meegenomen in de plannen. Hieronder wordt per toetsingscriteria steeds ingegaan op beide onderdelen van de ontwikkeling, te weten: de parkeergarage en de nieuwbouw. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden als gevolg waarvan de bouwfase vrijgesteld is van een onderzoeksplicht. Voor de ontwikkeling en gebruiksfase van de garage zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd en is een bijbehorende rapportage geschreven (Econsultancy, Bouten, december 2020).
Deze berekeningen laten zien dat er geen verhoogde stikstofdepositie op beschermde Natura 2000-gebieden is als gevolg van de ontwikkeling. Negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling zijn dan ook uitgesloten. Ditzelfde geldt voor de nieuwbouw. Voor de gebruiksfase van het nieuwe onderwijsgebouw is een AERIUS-berekening uitgevoerd en is een bijbehorende rapportage geschreven (Econsultancy, Berends, maart 2021, bijlage 7). Deze berekening laten zien dat er geen verhoogde stikstofdepositie op beschermde Natura 2000-gebieden is als gevolg van de ontwikkeling. Voor de gebruiksfase is alleen het huidige gebouw in beeld gebracht. Het gebouw maakt echter onderdeel uit van een groter geheel. Vanuit de Wet natuurbescherming wordt het geheel als één project gezien. Dit houd in dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
24
nieuwbouw de gebruiksfase voor de gehele inrichting in beeld gebracht moet worden. Voor de ruimtelijke procedure kan volstaan worden met de huidige berekening. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Parkeergarage Hoewel het plangebied voor de parkeergarage direct tegen het NNB gelegen is, zijn negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB als gevolg van externe werking van de ontwikkeling uitgesloten. Een Nee-Tenzij toets door bureau Econsultancy (Bruinsma, 2020, bijlage 2) heeft deze effecten in beeld gebracht en is tot de conclusie gekomen dat significant negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Nieuwbouw Het plangebied voor de nieuwbouw ligt niet direct grenzend aan het NNB. Dit deel ligt op ongeveer 250 meter afstand tot het NNB. Negatieve effecten op het NNB als gevolg van de nieuwbouw zijn uitgesloten. Ook dit is beschreven in een toetsing door Econsultancy (Bruinsma, 2019, bijlage 8). Soortenbescherming Parkeergarage Op basis van de door Econsultancy uitgevoerde natuurtoetsing (Bruinsma, 2021, bijlage 9), komen in het plangebied mogelijk beschermde soorten voor. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is in dit stadium van het project nog niet uitgesloten. Een nestencontrole in een bladerloos seizoen dient nog uitgevoerd te worden om de aanwezigheid hiervan vast te stellen.
Indien aanwezig, dient nog nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Een dergelijk nest wordt op voorhand niet verwacht, maar dit dient nog wel uitgezocht te worden. Indien een jaarrond beschermd nest aanwezig blijkt, is een ontheffing nodig. Een ontheffing voor soorten van artikel 3.1 (vogels) kan echter alleen verkregen worden in het belang van de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid. Er dient dan onderbouwd te worden dat de parkeergarage dit belang dient. Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is de aanwezigheid van nesten die tijdens de broedperiode beschermd zijn, eveneens niet uitgesloten. Door buiten het broedseizoen te werken, kunnen negatieve effecten hierop voorkomen worden. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is uitgesloten in het plangebied behalve in één van de bomen direct grenzend aan het plangebied. Omdat in deze boom een holte aanwezig is, kan in dit stadium niet uitgesloten worden dat de boom als verblijf gebruikt wordt door vleermuizen. Dit dient vóór de bouw van de parkeergarage duidelijk te zijn. Duidelijkheid hierover kan verkregen worden door middel van het uitvoeren van een nader onderzoek. Uit dit onderzoek moet blijken of een verblijf aanwezig is en welke effecten de parkeergarage op dit verblijf heeft. Indien effecten niet uitgesloten zijn, is een ontheffing nodig.
Het verkrijgen van een dergelijke ontheffing voor de aanleg van de parkeergarage is haalbaar. Naast verblijfplaatsen is mogelijk ook een essentiële vliegroute aanwezig. Hiermee kan echter rekening gehouden worden door verlichting op boomkronen te beperken. Indien dat niet mogelijk is, dient eveneens vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied is wel uitgesloten. De aanwezigheid van eekhoornnesten is eveneens niet uitgesloten. Ook voor deze nesten is in het bladerloze seizoen een nestencontrole noodzakelijk. Indien een nest aanwezig is, kan door het nemen van maatregelen een overtreding van de Wet voorkomen worden. De aanwezigheid van beschermde amfibieën is tot slot ook niet uitgesloten. Omdat de bosschage direct naast het plangebied mogelijk als overwinteringshabitat gebruikt wordt is het realiseren van een ontsluitingsweg mogelijk nadelig voor deze soorten. Er is echter reeds vergunning verleend voor een ontsluitingsweg op de betreffende locatie. De aanwezigheid van andere beschermde soorten is op basis van het onderzoek door Econsultancy uitgesloten. Wél dient de zorgplicht in acht genomen te worden bij de ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling is specifiek aandacht nodig voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door zorgplichtmaatregelen te nemen, wordt voldaan aan dit onderdeel van de Wet.
Nieuwbouw Op basis van de uitgevoerde natuurtoets door Econsultancy (Bruinsma, 2019) komen geen beschermde soorten in het plangebied voor met uitzondering van vogels waarvan het nest tijdens de broedperiode
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
25
beschermd is. Indien buiten het broedseizoen gewerkt wordt, zijn negatieve effecten op broedvogels als gevolg van de ontwikkeling te voorkomen. Verder geldt nog de algemene zorgplicht. Voor de ontwikkeling is specifiek aandacht nodig voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door zorgplichtmaatregelen te nemen, wordt voldaan aan dit onderdeel van de Wet.
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Conclusie Parkeergarage Ten aanzien van de parkeergarage zijn de volgende conclusies en aanbevelingen van toepassing: a. Op beschermde Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten als gevolg van de bouw (per 1 juli 2021 vrijsteld van onderzoeksplicht) en gebruiksfase van de parkeergarage uitgesloten; b. Op beschermde NNB-gebieden zijn negatieve effecten als gevolg van de bouw en gebruiksfase van de parkeergarage uitgesloten; c. De bouw en gebruiksfase van de parkeergarage heeft mogelijk negatieve effecten op beschermde soorten, te weten: Vogels met een jaarrond beschermd nest: Hiervoor dient een nestencheck uitgevoerd te worden waaruit moet blijken of aanvullend onderzoek nodig is. Naar aanleiding van het onderzoek kan de aanvraag van een ontheffing nodig zijn; Vogels waarvan het nest tijdens de broedperiode beschermd is: Door buiten de broedperiode te werken, kunnen negatieve effecten op deze soorten voorkomen worden; Vleermuizen: Er is mogelijk een verblijfplaats in een van de bomen aanwezig. Een aanvullend onderzoek moet uitwijzen of dit zo is of dat een verblijf uitgesloten kan worden. Indien een verblijf aanwezig is, kan het nodig zijn om een ontheffing aan te vragen; Eekhoorn: Een nestencontrole dient uitsluitsel te geven of eekhoorn aanwezig is. Door het nemen van maatregelen is het mogelijk om eventueel aanwezige nesten te ontzien; d.
Voor de bouw van de parkeergarage is het nodig om zorgplichtmaatregelen ten behoeve van algemeen aanwezige grondgebonden zoogdieren en amfibieën te nemen. Nieuwbouw Ten aanzien van het nieuw te bouwen schoolgebouw zijn de volgende conclusies en aanbevelingen van toepassing: a. Negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van de nieuwbouw zijn uitgesloten met die verstande dat bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuwbouw inzicht gegeven moet worden in het effect van het campusterrein in zijn geheel; b. Negatieve effecten op beschermde NNB-gebieden als gevolg van de nieuwbouw zijn uitgesloten met inbegrip van de externe werking van de ontwikkeling op nabij gelegen NNB-gebieden; c. Negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de nieuwbouw zijn uitgesloten; d. Voor de bouw van het nieuwe schoolgebouw is het nodig om zorgplichtmaatregelen ten behoeve van algemeen aanwezige grondgebonden zoogdieren en amfibieën te nemen.
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
26
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. In de huidige situatie zijn de percelen in gebruik als onderwijscampus. Kenmerk In plangebied Stroomgebied Waterbeheerders
Terreinhoogte
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden
Voorste stroom Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel t.p.v. nieuwbouw variërend tussen NAP+13,0 m en NAP+13,4 m t.p.v. parkeergarage variërend tussen NAP+13,5 m en NAP+14,0 m ca. NAP+11,4 m 1,6 m tot 2,6 m Sterk lemig, matig fijn zand Gemengd Niet van toepassing Niet van toepassing, zie afbeelding 1 Het plangebied valt gedeeltelijk in het beschermd gebied waterhuishouding en valt volledig binnen een beperkt invloedsgebied Natura 2000, zie afbeeldingen 2 en 3
Tabel 1; Gebiedskenmerken
Afbeelding 1; Locatie plangebied ten opzichte van oppervlaktewater
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
27
Afbeelding 2; Locatie plangebied ten opzichte van de beschermde gebieden keur
Afbeelding 3; Locatie parkeergarage ten opzichte van het beschermd gebied waterhuishouding
Oppervlakken nieuwbouw*
Niet-afvoerende oppervlakte (m²)
Afvoerende oppervlakte (m²)
Totaal (m²)
NIEUWBOUW parkeerterrein onverhard Totaal (m²)
0 595 595
595 0 595
595 595 1.190
3.620 0 3.620
3.620 180 3.800
PARKEERGARAGE parkeerterrein 0 onverhard 180 Totaal (m²) 180 Tabel 2; Afvoerende oppervlakken bestaande situatie
* Bron: KRT en luchtfoto
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
28
Op de campus is gemengde riolering aanwezig. Afvalwater en regenwater worden getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem.
5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
Toekomstige situatie De bestemmingsplanwijziging maakt op het perceel de ontwikkeling van een nieuwbouw en een parkeergarage mogelijk. In tabel 3 zijn de oppervlakken van de nieuwe situatie opgenomen. Ten opzichte van de bestaande situatie is er een toename van ca. 775 m² afwaterende verharding. Oppervlakken *
Niet-afvoerende oppervlakte (m²)
NIEUWBOUW dak 0 PARKEERGARAGE dak 0 Totaal (m²) 0 Tabel 3; Afvoerende oppervlakken bestaande situatie
Afvoerende oppervlakte (m²)
Totaal (m²)
1.190
1.190
3.800 4.990
3.800 4.990
5.3 Duurzaam watersysteem
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: voldoende ontwateringdiepte; de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
29
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied Natura 2000. Tevens valt een deel van de ontwikkeling in een 'beschermd gebied waterhuishouding' (zie afbeelding 3). Deze gebieden zijn overgenomen uit de Provinciale Verordening water Noord Brabant. Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still. Door de ligging binnen de invloedsfeer van Natura 2000 gebieden zijn nieuwe grondwateronttrekkingen niet toegestaan en geldt er een beregeningsbeleid. Ook in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is draineren van het plangebied uitgesloten.
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: Minder terrein verharden; Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; Groene daken; Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; Waterdoorlatende verharding. Alle beetjes helpen, andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op totaal ca. 300 m³. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel, verlaagde terreindelen en groene/waterbergende daken als kansrijk gezien. Een overloop kan plaatsvinden op de omliggende ecologische verbindingszone of groenzones.
Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Afvalwater Het afvalwater dient gescheiden te worden aangesloten op de aanwezige gemengde riolering. Op deze manier kunnen de waterstromen eenvoudig apart worden aangesloten indien het gemeentelijke rioolstelsel in de toekomst wordt gescheiden. Aandachtspunten Op de locatie waar de parkeergarage is gepland liggen kabels en leidingen waaronder een groot openbaar gemengd transportriool (zie afbeelding 4)
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
30
Afbeelding 4; ligging kabels en leidingen voor locatie parkeergarage (paars is vrijverval riolering)
Voor het functioneren van zowel de terreinriolering als de omliggende openbare riolering is deze leiding noodzakelijk. Boven de leiding mag niet gebouwd of verhard worden. De leiding mag ook niet komen te vervallen en ook mag de afvoercapaciteit niet worden beperkt. Hiervoor moet tijdig, en in overleg met de gemeente, een oplossing gevonden worden.
5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
31
Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. In dit concrete bestemmingsplan is er geen erf opgenomen.
Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen). 6.2.2 Bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: a. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: 1. bedrijvige linten; 2. rustige linten; b. hoofdstructuur nieuwe gebieden; c. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling. Bovenstaand systematiek wordt gehanteerd bij grote gebiedsontwikkelingen en beheerplannen. Bij concrete initiatieven, zoals het initatief van TiU, wordt maatwerk geleverd.
6.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Omdat het bouwvlak gelijk is aan het plangebied, is er geen regeling voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen opgenomen. Binnen het bouwvlak geldt namelijk een bebouwingspercentage van 100%.
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
32
6.3 Bestemmingen en aanduidingen <0000>
In het bestemmingsplan is de volgende bestemmingen aanwezig: maatschappelijk
<0000>
Binnen deze bestemmingen is de volgende functieaanduidingen gebruikt: parkeergarage.
<0000>
<0000>
<0000>
Binnen deze bestemmingen zijn de volgende gebiedsaanduidingen gebruikt: luchtvaartverkeerzone veiligheidszone - aandachtsgebied trillingshinder veiligheidszone - aandachtsgebied voor gevaarlijke stoffen
<0000>
Binnen deze bestemmingen is de volgende aanduiding gebruikt: gesloten gevel
<0000>
<0000>
Daarnaast zijn de volgende dubbelbestemmingen aanwezig: waterstaat - attentiegebied NNB leiding - riool De aanduiding parkeergarage is opgenomen om daarmee vast te leggen dat binnen het bouwvlak op het parkeerterrein alleen gebouwd mag worden ten behoeve van het parkeren. Een gebouw met een andere functie is niet mogelijk.
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
33
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer voor vaststelling door de gemeenteraad een exploitatieovereenkomst zal worden gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
34
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 29 november 2019 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro De ontwikkelingen op het campusterrein zijn in een ambtelijk vooroverleg besproken met de provincie Noord-Brabant. Gewezen is op de ligging nabij het NatuurNetwerkBrabant. De vertaling hiervan is aan de orde gekomen onder paragraaf 4.11. Het waterschap zal inhoudelijk reageren n.a.v. het ontwerpbestemmingsplan.
8.3 Omgevingsdialoog Ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog zijn informatieavonden gehouden tijdens welke de omgeving is geinformeerd over de plannen. Op 25 november 2019 zijn er twee informatiebijeenkomsten geweest over de nieuwbouw van het onderwijsgebouw en over de parkeergarage. Tijdens deze bijeenkomsten is een toelichting gegeven op de aard en het doel van de ontwikkelingen. Van deze bijeenkomsten is een verslag gemaakt (bijlage 10. Nadien is in december 2019 nog gesproken met de bewoners van de wijk Dennenheuvel, welke wijk ten zuiden van het plangebied ligt. Dit gesprek was een vervolg op de bespreking van november 2019. Er was behoefte om in een kleiner gezelschap de plannen nader te bespreken. In de maand maart 2021 is een tweede omgevingsdialoog gevoerd. Hiertoe heeft Tilburg University een presentatie gemaakt die geplaatst is op de website van Tilburg University. Tijdens deze bijeenkomst is een toelichting gegeven op het mobiliteitsplan (zie paragraaf 3.4.4) en de concrete uitwerkingen ervan. Omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld te reageren n.a.v. deze presentatie. Dit heeft geleid tot een aantal inhoudelijke reacties. Van deze reacties heeft Tilburg University een samenvatting gemaakt (bijlage 11). Ook de buurtcommissie Abdij- en Torenbuurt heeft gereageerd. Een kopie van deze reactie is gevoegd aan de toelichting.
8.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009).
Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
35
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Strategische Visie TiU Strategische Visie TiU
Bijlage 2 Natuur Netwerk Brabant Natuur Netwerk Brabant
Bijlage 3 Mobiliteitsnotitie Mobiliteitsnotitie
Bijlage 4 Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r. Aanmeldingsnotitie vormvrije M.e.r.
Bijlage 5 Verantwoording groepsrisico Verantwoording groepsrisico
Bijlage 6 Akoestisch onderzoek akoestisch onderzoek
Bijlage 7 Stikstofdepositie Stikstofdepositie
Bijlage 8 Flora en Fauna Nieuwbouw 2 Flora en Fauna Nieuwbouw 2
Bijlage 9 Flora en Fauna Parkeergarage Flora en fauna Parkeergarage
Bijlage 10 Omgevingsdialoog november 2019 Omgevingsdialoog november 2019
Bijlage 11 Omgevingsdialoog maart 2021 Omgevingsdialoog maart 2021
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Strategische Visie TiU Strategische Visie TiU
strategis ch p la n 2 0 1 8 - 2 0 2 1
Verbinden om de samenleving vooruit te helpen
Understanding Society
str ate gis c h p la n 2 0 1 8 - 2 0 2 1
Verbinden om de samenleving vooruit te helpen
Understanding Society
© Division Marketing and Communication of Tilburg University, 2018 All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without prior permission of the Division M&C of Tilburg University.
colofon
Production Division Marketing and Communication Concept & Design Noeste IJver Photography Dolph Cantrijn Flip Franssen Paolo Grlvet-Talocia — Tilburg University Warandelaan 2 5037 AB Tilburg The Netherlands 013 466 9111 www.tilburguniversity.edu
2
Inhoud
Inleiding
4
de e l 1
6
Ons doel: de rol van Tilburg University in een snel veranderende samenleving
deel 2
12
Strategie en doelstellingen van Tilburg University 2.1 Onderwijs 17 2.2 Onderzoek 22 2.3 Maatschappelijke impact 25 2.4 Groei 27 2.5 Locatie 31 2.6 Cultuur en governance 34 2.7 Excellente bedrijfsvoering 38
Samenvatting The Making of … Bronnen 3
40 42 44
Inleiding
Tilburg University is in 1927 opgericht als de Roomsch Katholieke Handels hoogeschool, bedoeld om tegemoet te komen aan de vraag van de lokale industrie in Tilburg en omgeving naar een hoogwaardig academisch centrum dat de leiders van de toekomst zou opleiden. Nu, 90 jaar later, hebben we een sterke positie verworven als een universiteit gespecialiseerd in de sociale en geesteswetenschappen gericht op economie, bedrijfswetenschappen en ondernemerschap, sociale en gedragswetenschappen, recht en bestuurskunde, geestes- en digitale wetenschappen en theologie. Wij zijn toonaangevend op het gebied van economie, marketing, financiën en psychologie. Als gevolg van de razendsnelle, disruptieve ontwikkelingen door digitalisering van de samenleving staan we voor een uitdaging vergelijkbaar met die van 90 jaar geleden: zijn we in staat om verantwoordelijke professionals en leiders op te leiden en af te leveren die de digitale samenleving van morgen gestalte kunnen geven? Net als in onze begintijd baseren we ons op katholieke maatschappelijke waarden, waarin ieder mens een uniek talent heeft dat versterkt, gestimuleerd en uitgedaagd zou moeten worden om tot volle ontwikkeling te komen. Deze waarden zijn terug te vinden in onze visie op onderwijs en Bildung met als titel: ‘Kennis, kunde en karakter’.
De komende jaren richten we onze aandacht nog meer op het opleiden van ondernemende denkers. Het Strategisch Plan 2018-2021 is het geconsolideerde resultaat van een gezamenlijk proces gedurende de eerste zes maanden van 2017. In deze periode hebben we uitgebreid overleg gevoerd met interne en externe stakeholders om tot een breed gedragen visie en strategie te komen voor de toekomst van onze universiteit. In de bijlage ‘The Making of...’ staat een uitgebreide beschrijving van de totstandkoming van het Strategisch Plan. Kort samengevat hebben de stakeholders ons geadviseerd om nog directer verbinding te zoeken met de samenleving als geheel door onze missie Understanding Society te verbreden met nog meer impact gerichte activiteiten die niet alleen tot doel hebben om reflecteren op de samenleving, maar deze ook verder te helpen. Er is ook veel draagvlak voor een gecontroleerde, duurzame groei van het aantal studenten
4
Inleiding
en voor het versterken van ons profiel, om een naar Nederlandse normen middelgrote universiteit te worden. Om onze strategie voor de komende jaren vast te leggen en te communiceren hebben we gekozen voor het format van een One-Page Strategy, met drie kolommen op één pagina (zie pagina 40). Onze visie, missie en ambitie staan in de eerste kolom, de belangrijkste strategische thema’s in de tweede en de bijbehorende doelstellingen in de derde kolom. Deze onderdelen zijn als tekstblokken terug te vinden in dit Strategisch Plan, waarin de verdere details en argumenten uiteengezet zijn. Het bestaat uit twee delen. Deel I beschrijft onze visie op een eigentijdse universiteit. Wat is ons doel en hoe kunnen we de maatschappelijke uitdagingen aangaan waarvoor we staan? Deel II beschrijft onze strategie en de bijbehorende doelstellingen, verdeeld over negen hoofdthema’s. Om onze missie en visie te realiseren, hebben we ambities geformuleerd voor onze drie primaire processen – onderwijs, onderzoek en het genereren van impact – en een strategie en doelstellingen op het gebied van groei, onze locatie, cultuur en governance en een excellente bedrijfsvoering.
We zijn ervan overtuigd dat het Strategisch Plan 2018-2021 Tilburg University naar een nieuw tijdperk leidt en dat het plan nieuwe en uitdagende perspectieven biedt die niettemin gebaseerd zijn op en een afspiegeling zijn van onze traditionele waarden. Extended Leadership Group
5
de e l 1
Ons doel: de rol van Tilburg University in een snel veranderende samenleving
6
Deel 1 - Ons doel: de rol van Tilburg University in een snel veranderende samenleving
Een snel veranderende samenleving De discussie over de rol en waarde van universiteiten is al zo oud als de universiteiten zelf. Hoewel er geen universeel antwoord op deze vragen bestaat, is men het er in het algemeen over eens dat universiteiten zich in het hart van de samenleving moeten positioneren en een toonaangevende rol moeten spelen in het begrijpen en vooruit helpen van de samenleving. Daarom moeten universiteiten voortdurend met de samenleving in debat gaan over hun positie en over de beste manier om de kennis die zij verwerven uit te dragen. Volgens de klassieke lezing van The Idea of a University (1852) van John Henry Newman, zijn de volgende drie aspecten van kennis relevant voor de discussie over de rol van universiteiten: 1 kennis als doel op zich, 2 kennis in relatie tot leren, 3 kennis in relatie tot professionele vaardigheden. Hoe deze aspecten universiteiten beïnvloeden, wordt bepaald door de context waarin ze voorkomen. Als gevolg hiervan veranderen ze in de loop der tijd.
visie De samenleving verandert met een hoge snelheid. De sociale- en geesteswetenschappen stellen ons in staat de uitdagingen van globalisering, digitalisering, pluralisme en duurzaamheid te begrijpen; om kritisch te reflecteren op onze waarden en ons handelen; en om bij te dragen aan betekenisvolle oplossingen.
7
Tilburg University Strategisch Plan 2018-2021, Verbinden om de samenleving vooruit te helpen
In onze huidige tijd zijn universiteiten onderdeel van een snel veranderende samenleving. In 2016 heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een rapport gepubliceerd over de megatrends die de komende tien tot twintig jaar en ook daarna naar verwachting grote sociaal economische gevolgen zullen hebben. Dit rapport onderscheidt de volgende megatrends: 1 De wereldbevolking groeit, migreert en vergrijst; 2 Problemen rond water, energie, voedsel en het klimaat houden verband met elkaar, en de wereld moet hierop actie ondernemen; 3 Het geo-economische en geopolitieke landschap veranderen, als gevolg van globalisering en internationale machtsverschuivingen; 4 Digitalisering verandert onze economieën en onze manier van werken; 5 De toegang tot rijkdom, gezondheid en kennis verandert. Dit creëert welvaart en nieuwe sociale structuren, maar ook ongelijkheid. Deze ontwikkelingen brengen uitdagingen met zich mee, maar ook nieuwe kansen door gebruik te maken van nieuwe concepten, technologieën en systemen. Als antwoord op deze contextuele veranderingen zoeken we de verbinding tussen interne en externe gemeenschappen. In het licht van het bovenstaande richten we ons op vraagstukken op het gebied van globalisering, digitalisering, pluralisme en duurzaamheid.
Dat we Tilburg University als disruptor positioneren, wil niet zeggen dat we afstand nemen van onze traditionele academische waarden. Als we bereid zijn onze traditionele waarden te transponeren naar een eigentijdse setting, kunnen we een overtuigende strategie ontwikkelen voor een toekomstgerichte universiteit. Het doel van Tilburg University Onze waarden vloeien voort uit onze geschiedenis en traditie en helpen ons de uitdagingen van deze tijd aan te gaan. De oprichter van Tilburg University,