CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting met bijlagen-b001

Raadsvergadering 5 februari 2024, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Recropassage Spinder27.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte

BESTEMMINGSPLAN Recropassage Spinder Toelichting met bijlagen

Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2022012-b001

14 maart 2023

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

4

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 1.2 Het plangebied 1.3 Voorgaande plannen

4 6 6

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

7

2.1 Rijk 2.2 Provincie 2.3 Gemeente

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding 3.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.3 Groen en speelruimte 3.4 Verkeer en parkeren

7 7 9

11 11 11 13 16

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

18

4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.3 Milieuhinder bedrijven 4.4 Externe veiligheid 4.5 Vuurwerk 4.6 Geluid 4.7 Lucht 4.8 Geur 4.9 Bodem 4.10 Natuur en ecologie

18 18 18 18 19 19 20 20 21 21

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

25

5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023 5.2 Bestaand watersysteem 5.3 Beleidskader 5.4 Duurzaam watersysteem 5.5 Watertoets

25 25 27 28 29

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

30

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg

31

7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 7.3 Omgevingsdialoog 7.4 Zienswijzen

31 31 35 36

Toelichting

Recropassage Spinder

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Er is een aanvraag ingekomen ten behoeve van de bouw van een zogenoemde "recropassage" vanaf de Stokhasseltlaan naar de Bos en Beemdweg, beide te Tilburg. De passage bestaat uit een onderdoorgang (viaduct) onder de Midden-Brabantweg (N261) door, waar mensen en dieren gebruik van kunnen maken. Concreet betekent dit dat een ondergrondse natuurstrook van circa 25 meter breed (Robuuste Ecologische Zone, REZ) wordt aangelegd, plus een (eveneens ondergronds) fietspad. Daarnaast wordt middenin het viaduct een bouwwerk gerealiseerd, een "Tilburgse Terugblik". Dit is een voor mensen toegankelijk kunstwerk, dat functioneert als een soort uitkijktoren. De aanleg van de recropassage zelf betreft een verplichting vastgelegd in afspraken met de gemeente Loon op Zand (samenwerkingsverband Landschapspark Pauwels), inzake de natuurcompensatieverplichting voor uitbreiding van De Efteling (Wereld van de Efteling). Op basis van een overeenkomst tussen de gemeente Tilburg en TenneT wordt in het plan tevens de landschappelijke inpassing, die nodig is als gevolg van de bouw van een nieuw 380 kV-station op De Spinder, meegenomen. Het 380 kV-station zelf wordt in juridisch-planologische zin geregeld in een Rijksinpassingsplan (RIP).

Afsprakenkader project Voor de realisatie van onderhavig plan hebben gemeente Tilburg, Natuurmonumenten, provincie Noord-Brabant, Tennet en de Efteling diverse overeenkomsten gesloten. Voor de realisatie van de recropassage is in 2018 een intentieovereenkomst gesloten tussen gemeente Tilburg, Natuurmonumenten, provincie Noord-Brabant en de Efteling. Deze overeenkomst komt voort uit de vastgelegde natuurcompensatieverplichting voor uitbreiding van De Efteling. Op basis van deze overeenkomst is het plan verder uitgewerkt en zijn de financiële kaders bepaald. In 2022 is dit door de provincie formeel bekrachtigt door een financiële beschikking af te geven voor medefinanciering van het plan onderdeel Recropassage. Naast de afspraken over de Recropassage zijn in een vastgestelde Realisatieovereenkomst in 2022 afspraken vastgelegd tussen de partijen gemeente Tilburg, Tennet, Waterschap De Dommel en Provincie ten aanzien van de realisatie van een waterberging en de Robuuste Ecologische Zone. In die overeenkomst is opgenomen dat ‘Gemeente en Provincie de Robuuste Ecologische Zone (REZ) als onderdeel van de totale ecologische verbindingszone Huis ter Heide – De Brand dienen te realiseren en het Waterschap daaraan meewerkt, en waarvoor zij behoefte hebben aan het gebruik van een gedeelte van de huidige waterberging binnen het terrein van de RWZI Tilburg-Noord’.

Daarnaast is – als invulling van de landschappelijke verplichtingen van TenneT als gevolg van het RIP voor het nieuwe 380-kV-station - opgenomen dat: ‘TenneT de uitvoering verzorgt en de kosten draagt voor de voorbereiding en realisatie van … het verplaatsen van de kades (dijken) … ter plekke van de REZ’ ….. en ‘dat Partijen zich tevens hebben gecommitteerd aan de voorbereiding en realisatie van de overige planonderdelen die buiten deze overeenkomst vallen, maar zonder welke de REZ niet kan functioneren, te weten: <0000> TenneT: inrichting van de REZ; <0000> Gemeente en Provincie: Recropassage/verbinding, onderdelen: - Kunstwerken recropassage; - Faunapassage snelfietspad Bos en Beemdweg; - REZ tussen N261 en Stokhasseltlaan en snelfietspad; - Aanpassing Stokhasseltlaan/Finantiën incl. faunapassage; - Recreatieve verbinding tussen snelfietspad en Stokhasseltlaan. De Recropassage is dus onderdeel van een groter ecologisch netwerk wat wordt gerealiseerd tussen De Brand en Huis ter Heide en is aangeduid op de natuurbeheerkaart van de Provincie. Deze ecologische verbindingszone dient als verbinding voor de doelsoort Boomkikker en aanverwante soorten en is een belangrijke schakel tussen beide genoemde gebieden. Om deze verbindingszone goed te laten functioneren, is een verbinding vanaf de oostzijde van de Finantiën naar de westzijde van de Bos en Beemdweg van belang.

Recropassage Spinder

Deze verbinding wordt robuust gerealiseerd met de Recropassage. In dit werk zijn tevens maatregelen opgenomen om de genoemde wegen, Finantiën en Bos en Beemdweg, door de doelsoorten te laten kruisen. Aan de westzijde van de Bos en Beemdweg sluit het traject aan op een nieuw te realiseren verbinding naar Huis ter Heide, welke mogelijk wordt gemaakt door het aanpassen van de nu aanwezige waterberging en het verleggen van het dijklichaam ter plaatse. Dit valt op basis van de vastgestelde Realisatieovereenkomst onder de verantwoordelijkheid van TenneT.

Afbeelding: ligging plangebied in Tilburg. Het vlak dat de Midden-Brabantweg (N261) doorkruist, is de feitelijke recropassage. De andere gronden, die in het plangebied zijn begrepen, worden aangewend voor de landschappelijke inpassing ten gevolge van de komst van een nieuw 380 kV-station van TenneT op De Spinder. Die gronden krijgen allemaal de bestemming Natuur.

Afbeelding: impressie recropassage (de "Tilburgse Terugblik", een uitkijkpunt, is aangepijld)

Recropassage Spinder

1.2 Het plangebied Het plangebied omvat wat de recropassage betreft delen van de kadastrale percelen gemeente Tilburg, sectie F, nrs. 4200, 5368 en 7106. De landschappelijke inpassing, die hoort bij het Rijksinpassingsplan ten behoeve van het nieuwe 380 kV-station van TenneT op De Spinder, strekt zich uit over een veelheid van kadastrale percelen rondom het nieuwe station.

1.3 Voorgaande plannen Dit bestemmingsplan vervangt/is een gedeeltelijke herziening van de bestemmingsplannen <0000> Lobelia Spinder Rugdijk, vastgesteld op 10 juni 2013; <0000> Bt Spinder 2017, vastgesteld op 3 juli 2017; <0000> Bgb De Zandleij 2012, vastgesteld op 18 maart 2013.

Recropassage Spinder

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden.

Het Barro heeft enige relevantie voor het landelijke elektriciteitsnetwerk en het nieuwe 380 kV-station op De Spinder, maar heeft geen gevolgen ten aanzien van de recropassage en de landschappelijke inpassing van het nieuwe station, zoals geregeld in dit bestemmingsplan. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting.

Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is daardoor niet aan de orde.

2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

Recropassage Spinder

3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2023) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. 2.2.2 Interim omgevingsverordening De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd.

In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Afsprakenkader project Voor de realisatie van de recropassage is in 2018 een intentieovereenkomst gesloten tussen gemeente Tilburg, Natuurmonumenten, provincie Noord-Brabant en de Efteling. Deze overeenkomst komt voort uit de vastgelegde natuurcompensatieverplichting voor uitbreiding van De Efteling. Op basis van deze overeenkomst is het plan verder uitgewerkt en zijn de financiële kaders bepaald.

In 2022 is dit door de provincie formeel bekrachtigt door een financiële beschikking af te geven voor medefinanciering van het plan onderdeel Recropassage. Naast de afspraken over de Recropassage zijn in een vastgestelde Realisatieovereenkomst in 2022 afspraken vastgelegd tussen de partijen gemeente Tilburg, Tennet, Waterschap De Dommel en Provincie ten aanzien van de realisatie van een waterberging en de Robuuste Ecologische Zone. In die overeenkomst is opgenomen dat ‘Gemeente en Provincie de Robuuste Ecologische Zone (REZ) als onderdeel van de totale ecologische verbindingszone Huis ter Heide – De Brand dienen te realiseren en het Waterschap daaraan meewerkt, en waarvoor zij behoefte hebben aan het gebruik van een gedeelte van de huidige waterberging binnen het terrein van de RWZI Tilburg-Noord’. Daarnaast is – als invulling van de landschappelijke verplichtingen van TenneT als gevolg van het RIP voor het nieuwe 380-kV-station - opgenomen dat: ‘TenneT de uitvoering verzorgt en de kosten draagt voor de voorbereiding en realisatie van … het verplaatsen van de kades (dijken) … ter plekke van de REZ’ …..

en ‘dat Partijen zich tevens hebben gecommitteerd aan de voorbereiding en realisatie van de overige planonderdelen die buiten deze overeenkomst vallen, maar zonder welke de REZ niet kan functioneren, te weten: <0000> TenneT: inrichting van de REZ; <0000> Gemeente en Provincie: Recropassage/verbinding, onderdelen: - Kunstwerken recropassage; - Faunapassage snelfietspad Bos en Beemdweg; - REZ tussen N261 en Stokhasseltlaan en snelfietspad; - Aanpassing Stokhasseltlaan/Finantiën incl. faunapassage; - Recreatieve verbinding tussen snelfietspad en Stokhasseltlaan.

Recropassage Spinder

De Recropassage is dus onderdeel van een groter ecologisch netwerk wat wordt gerealiseerd tussen De Brand en Huis ter Heide en is aangeduid op de natuurbeheerkaart van de Provincie. Deze ecologische verbindingszone dient als verbinding voor de doelsoort Boomkikker en aanverwante soorten en is een belangrijke schakel tussen beide genoemde gebieden. Om deze verbindingszone goed te laten functioneren, is een verbinding vanaf de oostzijde van de Finantiën naar de westzijde van de Bos en Beemdweg van belang. Deze verbinding wordt robuust gerealiseerd met de Recropassage. In dit werk zijn tevens maatregelen opgenomen om de genoemde wegen, Finantiën en Bos en Beemdweg, door de doelsoorten te laten kruisen. Aan de westzijde van de Bos en Beemdweg sluit het traject aan op een nieuw te realiseren verbinding naar Huis ter Heide, welke mogelijk wordt gemaakt door het aanpassen van de nu aanwezige waterberging en het verleggen van het dijklichaam ter plaatse. Dit valt op basis van de vastgestelde Realisatieovereenkomst onder de verantwoordelijkheid van TenneT.

2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: <0000> de Brabantstrategie <0000> de Regiostrategie <0000> de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

De vier stedelijke knooppunten: <0000> Binnenstad van de 21e eeuw <0000> Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing <0000> Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven <0000> Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn:

Recropassage Spinder

<0000> <0000> <0000>

Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven Stadsregionaal park Stadsbos013 Stadsregionaal park Noord

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn: <0000> Bedrijvenpark Zuid <0000> Zorgcluster Leijpark <0000> Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: <0000> Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. <0000> Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: <0000> Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten <0000> Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig <0000> Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk <0000> Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding. <0000> Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners <0000> Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal <0000> Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar <0000> Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen <0000> Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers <0000> Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

Recropassage Spinder

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.2.1 Historische geografie <0000> Het plangebied ligt in het noorden van Tilburg en is nagenoeg onbebouwd. In het oosten bevinden zich vuilstortplaats De Spinder en de zuiveringsinstallatie, in het zuidoosten ligt een deel van de bossen van Landgoed De Mast. Het overige deel van het plangebied wordt ingenomen door heidegronden (rond het Leikeven) en landbouwgronden. <0000> Het plangebied bestond tot ver in de twintigste eeuw uit woeste gronden, behorende tot het Lepelare Zand, de Loonsche Heide en De Vos(sen)berg. Verder naar het westen lagen de drassige gronden van het Rauw Veld. In het oosten, waar de grens ter hoogte van de Oude Baan van Tilburg naar Loon op Zand loopt, liggen de late ontginningen van de Moleneindse Heide. De zuidgrens loopt langs de huidige Vossenbergseweg, toen nog een onverharde route. Deze weg markeert ook de toenmalige grens van de ontginningen van het heidegebied, bestaande uit de aanplant van bossen. De enige tekenen van ontginning in het begin van de twintigste eeuw waren De Heihoef in het noorden en een aantal percelen ten westen en zuidwesten van het Leikeven. <0000> Het plangebied werd vroeger gekenmerkt door een aantal drassige gebieden (o.a. Leikeven en Moordgat) temidden van de heide.

Uit oude kaarten is duidelijk dat de grenzen van deze vennen konden variëren, waarschijnlijk naar aanleiding van een wisselende grondwaterstand dan wel als gevolg van de mate van neerslag. Ter hoogte van de De Vossenberg, in het westen, was in 1443 sprake van een moer aen den Vosberch, mogelijk identiek met De Rouw Bosschen. Ook ten noorden van het Lepelare Zand lag een drassige zone, die soms wordt aangeduid als het Grootven. Vanwege de drassige situatie kende het plangebied nagenoeg geen wegen of paden. In de Middeleeuwen wordt het gebied vermeld als gemeint waar mogelijk ook turf (moer) werd gewonnen. <0000> Op een topografische kaart uit 1936 zien we dat ten oosten en ten westen van de weg naar Loon op Zand vloeivelden zijn aangelegd. In die tijd is het aandeel woeste heidegronden drastisch teruggedrongen en is een groot deel van het plangebied omgezet in grasland, afgewisseld met drassige terreinen. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd de vuilstort De Spinder aangelegd. In 1972 werd ten oosten van de Spinder een nieuwe biologische waterzuivering in gebruik genomen (de Rioolwaterzuivering Tilburg) die het gereinigde water op de Zandleij loost. 3.2.2 Archeologie <0000> Het plangebied is gelegen in het Brabants zandgebied. Het landschap is grotendeels ontstaan tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (114.000-9.700 v. Chr.).

Tijdens de koudste fase van het Weichselien, ongeveer 26.000 jaar geleden, werd het landschap gekenmerkt door toendravegetaties waarbij op grote schaal zandverstuivingen konden plaatsvinden. Deze zandafzettingen worden dekzanden genoemd en behoren tot de eolische afzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Door ontbossing vanaf de Romeinse tijd zijn in delen van het dekzandgebied stuifduinen ontstaan; de stuifzanden bleven actief tot in de late middeleeuwen. Hierdoor is het mogelijk dat oudere bodems (met hierin archeologische resten) door stuifzand zijn afgedekt en bewaard gebleven. Op de paleogeografische kaart van Heunks (2012) is het gebied gelegen op een dalflank of dekzandwelving. Op de bodemkundige kaart is sprake van veldpodzolen. <0000> In de nabijheid van het plangebied zijn drie waarnemingen gedaan. Twee daarvan hebben betrekking op het vroegere Lepelare Zand ter hoogte van de vuilnisstortplaats. Hier werd in 1981 een nederzetting uit het laat-mesolithicum gevonden (Archisnr. 14.437) terwijl op het terrein ten zuiden daarvan veel vuursteenartefacten werden aangetroffen bij een veldkartering (Archisnr. 46.765). De aanwezigheid van hoger gelegen gronden (Lepelare Zand) nabij een ven (Grootven) was blijkbaar een belangrijke vestigingsfactor.

Recropassage Spinder

<0000>

<0000>

<0000>

Ten noordoosten van het plangebied werd een concentratie van vuursteenafslagen gevonden op een zandweg. De artefacten konden echter niet nader worden gedetermineerd (Archisnr. 34.900). In de omgeving van het Leikeven en het Plakkeven, werden eveneens veel vondsten gedaan die gedateerd kunnen worden in de steentijd. Op de Tilburgsche en Loonsche Heide zijn diverse nederzettingssporen aangetroffen uit onder andere de steentijd waaruit blijkt dat het gebied in het verleden ‘drukbevolkt’ was. De combinatie van hoger gelegen gronden in de nabijheid van water (vennen) was, evenals elders het geval is, blijkbaar ook hier een belangrijke vestigingsfactor. In het kader van de aanleg van de 380kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg-Noord, zijn enkele archeologische onderzoeken uitgevoerd, in het kader van een Rijksinpassingsplan. Deze onderzoeken vallen grotendeels samen met of grenzen aan het pangebied van de Recropassage onder de N261.

De meest relevante onderzoeken zijn: Archeologisch bureauonderzoek: <0000> Knapen, D., S. de Jong en F. van Oosterhout, 2020. Bureauonderzoek archeologie aanvullend zuidwest 380 oost VKA 1.1 station Tilburg Noord (definitief). AAR 218, Arcadis, Amersfoort Op basis van het bureauonderzoek zijn zones met hoge archeologische verwachting, lage verwachting en verstoring aangegeven. Archeologisch verkennend booronderzoek: <0000> Sophie, G., 2021. Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen,380 kV-station Tilburg (EU-204); waterberging. Antea Group Archeologie 2020/62. Antea Group, Oosterhout. Op basis van het verkennend onderzoek is geconcludeerd dat ter hoogte van het Recroduct de aanleg van de N261 en de aanpalende bospercelen, er geen verwachting meer is voor steentijd-vindplaatsen en ook de verwachting op het aantreffen van sporen van landbouwsamenleving (prehistorische bewoners en hun sporen) laag is. Aanvullend is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd. Op basis van deze beelden in combinatie met de gegevens uit het archeologische onderzoek, is de conclusie dat de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen ter hoogte van de Recropassage Spinder laag is. Er hoeft daarom geen dubbelbestemming Waarde Archeologie te worden opgenomen.

Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister. In de praktijk kan deze melding het beste gedaan worden bij gemeente Tilburg (het bevoegde gezag). 3.2.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen <0000> In of in de zeer directe nabijheid van het plangebied liggen geen beschermde monumenten. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen panden uit de wederopbouwperiode of objecten met een nader aan te duiden cultuurhistorische waarde die als zodanig zijn aangemerkt in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). <0000> Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant (versie 2006) worden enkele onbenoemde paden in het plangebied aangeduid als lijnen met een historisch -geografische hoge tot redelijk hoge waarde. In en rondom het projectgebied liggen enkele lijnstructuren met redelijk hoge, hoge en zeer hoge cultuurhistorische waarde. Van redelijk hoge waarde is het Loonse Spinderspad, ten noordwesten van het projectgebied. De Stokhasseltlaan/ Finantiën is van hoge cultuurhistorische waarde. Dit was in de 19de eeuw het tracé van de stoomtramlijn tussen Tilburg en Besoijen.

Het projectgebied sluit ten zuidoosten aan op een lijnstructuur van zeer hoge waarde: de zeldzame Vloeiweide Loonse Heide. <0000> Langs de Stokhasseltlaan/ Finantiën, het tracé van de stoomtramlijn, ligt de lijnstructuur van de Vloeiweide Loonse Heide. Deze structuur is een tussen 1923 en 1929 – in het kader van een werkverschaffingsproject – aangelegd systeem van dijklichamen. Het systeem moest de waterstromen op de Tilburgse vloei- en drainagevelden begeleiden. Tussen de dijklichamen liggen gedraineerde graslanden. Doel van het complex was zuivering van de door textielfabricage verontreinigde Zandleij. De aangelegde vloei- en drainagevelden zuiverden het vuile water waarna het in gezuiverde vorm via de Zandleij naar de Bergse Maas afgevoerd

Recropassage Spinder

kon worden. Tot in 1972 hebben deze velden dienstgedaan, waarna de nieuwgebouwde waterzuivering, de AWRI-Noord, deze taak overnam. In 1999 werd het besluit genomen om in dit gebied een nieuw natuurgebied aan te leggen, het Noorderbos genaamd, waarin ook een aantal waterlopen, sluisjes en stuwtjes van het voormalige vloeiveld een plaats kregen. 3.2.4 Conclusie De plannen hebben geen nadelige effecten voor wat betreft de cultuurhistorie van het plangebied. De verbinding komt de toegankelijkheid en de belevingswaarde van het landschap ten goede. De kans op het aantreffen van intact archeologsisch erfgoed wordt laag ingeschat. Dat betekent dat er geen dubbelbestemming Waarde Archeologie hoeft te worden opgenomen. Wel geldt de meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, indien bij werkzaamheden sporen of resten van archeologisch erfgoed worden aangetroffen. Bronnen/afkortingen <0000> RCE: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed <0000> AMK: Archeologische Monumentenkaart (RCE) <0000> Archis: Archeologisch informatiesysteem (RCE) <0000> CHW: Cultuurhistorische Waardenstelling <0000> MIP: Monumenten Inventarisatie Project <0000> RUI: Afdeling Ruimte <0000> Team SO: Team Stedelijke Ontwikkeling.

3.3 Groen en speelruimte 3.3.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2021 <0000> Bomenbeleid: <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2021 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.

Boomwaarde zoneringskaart (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco-,hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

Recropassage Spinder

Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van deBomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn.

In het bestemmingsplan is de BWZ-kaart verwerkt in de Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. 3.3.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2.

het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.3.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteitneemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter tebeschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur.

Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

Recropassage Spinder

Doelstellingen Nota Biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'Agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). 3.3.4 Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat (samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s Groen en Biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten.

Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad). 3.3.5 Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld.

Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk. 3.3.6 Uitvoeringsagenda Koel Tilburg Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom willen we dat de stad leefbaar blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een Koel Tilburg. De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragen aan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet.

Ieder initiatief of ontwikkeling moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld. De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2020-2023. De beleidsregels worden juridisch verankerd in onder andere bestemmingsplanregels en het Handboek Openbare Ruimte.

Recropassage Spinder

3.4 Verkeer en parkeren 3.4.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

3.4.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.

De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.4.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

Recropassage Spinder

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

Recropassage Spinder

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad. a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879). Het voorliggende plan ziet op het ondergronds aanleggen van een ecologische zone, een fietspad en daarnaast op de bouw van een gebouw, dat dienstdoet als kunstwerk annex uitkijktoren.

Daarmee is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject en een daaruit voortvloeiende mer-beoordelingsplicht. ad b. Het plangebied ligt op 2,6 kilometer afstand van het wettelijk beschermde Natura2000-natuurgebied De Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling, die bovendien juist gericht is op versterking van natuurwaarden, kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.

4.3 Milieuhinder bedrijven De voorgenomen ontwikkeling voorziet in essentie in de herbestemming van diverse gronden naar natuur. Er worden geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Ook wordt er geen bedrijvigheid mogelijk gemaakt. De VNG-borchure Bedrijven en Milieuzonering (2009), die de gemeente standaard hanteert bij planvorming, vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Hetzelfde geldt voor het provinciale geitenmoratorium.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Recropassage Spinder

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. De voorgenomen planontwikkeling voorziet in de herbestemming van de planlocatie naar natuur. In dit plan is geen sprake van de oprichting van een (beperkt) kwetsbaar object en/of risicovolle inrichting. Daarom is er geen aanleiding tot het opstellen van een risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan.

De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico In dit plan is geen sprake van de oprichting van een (beperkt) kwetsbaar object en/of risicovolle inrichting. Daarom hoeven er geen conclusies getrokken te worden of gekeken te worden naar een eventueel restrisico.

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De voorgenomen planontwikkeling voorziet in de herbestemming van de planlocatie naar natuur. Er worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Geluid als gevolg van wegverkeer vormt daarmee geen belemmering. 4.6.2 Railverkeerlawaai De voorgenomen planontwikkeling voorziet in de herbestemming van de planlocatie naar natuur. Er worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. De planlocatie ligt niet binnen de wettelijke geluidzone van het spoor. Geluid als gevolg van railverkeer vormt daarmee geen belemmering. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Er zijn geen nieuwe woningen gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een

Recropassage Spinder

industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De voorgenomen planontwikkeling voorziet in de herbestemming van de planlocatie naar natuur. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. De voorgenomen planontwikkeling voorziet in de herbestemming van de planlocatie naar natuur. Er worden geen geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Industriële geur vormt daarmee geen belemmering voor de planontwikkeling. 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

Recropassage Spinder

De voorgenomen planontwikkeling voorziet in de herbestemming van de planlocatie naar natuur. Er worden geen geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Agrarische geur vormt daarmee geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. Binnen het bestemmingsplangebied zijn in het bodeminformatiesysteem meerdere verdachte zaken bekend. Het gebied valt deels onder de voormalige vloeivelden, en in het noordelijk deel zijn voormalige agrarische percelen gelegen. Er zijn meerdere bodemonderzoeken aangeleverd door de aanvrager van de bestemmingsplanherziening. Tevens is door de gemeente een bodemonderzoek ter plaatse van de toekomstige recropassage uitgevoerd. In de bodemonderzoeken komen verschillende verontreinigingen naar voren. Ter plaatse van de recropassage is sprake van verhoogde waarden aan PFAS. Deze verontreiniging is niet geheel in beeld. Ter plaatse van het nieuwe 380 kV-station is sprake van een verhoogd gehalte aan chroom in de bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13741852/1