CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 ontwerp Toelichting met bijlage - b001

Hamerraad 27 september 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Theresia-Loven-Besterd 2016, 7e herz. (tussen pascalerf 4 en 6)29.947 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

0,2

0,5

0,5

0,5

0,5

per wooneenheid

0,3

Grondgebonden woning of appartement (duur) > 130 m² bvo Grondgebonden woning of appartement (midden) 70 - 130 m² bvo Grondgebonden woning of appartement(goedkoop) <70 m² bvo Sociale woningbouw (appartementen sociale huur)* Sociale woningbouw (grondgebonden woningen sociale huur)*

Bezoekers- Opmerkingen aandeel

Zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen bijvoorbeeld kamerverhuur of studio's bijvoorbeeld studentenwoningen

* De parkeernormen voor sociale woningbouw zijn gebaseerd op een gezamenlijk onderzoek van de drie woningcorporaties Tiwos, TBV Wonen en WonenBreburg (Parkeerbehoefte sociale huurwoningen Tilburg, Tiwos, Wonenbreburg, TBV Wonen, juli 2017). B. Hoofdgroep werken Hoofdgroep Werken

Zone

Zone

Zone

Zone Eenheid

A 1,3

B 1,6

C 2,0

D 3,3

per 100 m2 bvo

20%

0,9

1,3

1,4

2,3

per 100 m2 bvo

5%

1,1

1,5

1,9

2,1

per 100 m2 bvo

5%

Bedrijf arbeidsextensief

0,4

0,5

0,7

0,8

per 100 m2 bvo

5%

Bedrijfsverzamelgebouw

0,8

1,1

1,3

1,7

per 100 m2 bvo

5%

Commerciele dienstverlening met baliefunctie Commerciele dienstverlening zonder baliefunctie (kantoren) Bedrijf arbeidsintensief

15

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

Bezoekers- Opmerkingen aandeel

bijvoorbeeld industrie, laboratorium, werkplaats bijvoorbeeld loods, opslag, transportbedrijf gelijkwaardige mix van kantoren (zonder baliefunctie), arbeidsextensieven en intensieve bedrijven

C. Hoofdgroep winkelen en boodschappen Hoofdgroep Winkelen en boodschappen

Zone

Zone

Zone

Zone Eenheid

Bezoekers- Opmerkingen aandeel

Winkels binnenstad Tilburg (zone A) Winkels wijkcentrum

A 3,1 nvt

B nvt 3,3

C nvt 4,1

D nvt nvt

per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo

99% 80%

Winkels buurtcentrum (incl. linten en solitaire winkels) Supermarkt Supermarkt XL

nvt

2,1

2,7

nvt

per 100 m2 bvo

70%

2,5 4,9

3,6 5,8

4,4 6,7

nvt nvt

per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo

95% 85%

Bouwmarkt

nvt

1,5

2,0

2,2

per 100 m2 bvo

90%

Tuincentrum Meubelboulevard, woonboulevard, woonwinkels

nvt nvt

2,0 1,6

2,3 2,0

2,6 nvt

per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo

90% 95%

Vb. Heijhoef, Blaak, Westermarkt, Wagnerplein. Vb. Bredaseweg, Korvelseweg, Berkel-Enschot verkoopvloeroppervlak > 2.500 m2 verkoopruimte buiten dient te worden meegerekend.

D. Hoofdgroep sport, cultuur en ontspanning Hoofdgroep Sport, cultuur en ontspanning

Zone

Zone

Zone

Zone Eenheid

A 1,2

B 1,8

C 2,4

D 3,2

per 100 m2 bvo

95%

Sporthal (binnen) met wedstrijdfunctie

+ 0,1

+ 0,1

+ 0,2

+ 0,2

per zitplaats

100%

Sportvelden

nvt

20,0

20,0

20,0

95%

Sportschool/dansstudio Museum Bibliotheek Bioscoop Theater Casino Welnesscentrum Tennishal/tennisbanen Zwembad (overdekt en openlucht) Ijsbaan Indoor speeltuin Volkstuin

0,9 0,3 0,2 2,2 5,8 5,2 nvt nvt nvt nvt 2,2 nvt

2,9 0,5 0,5 6,9 6,4 5,6 nvt 0,3 9,7 nvt 3,1 1,1

4,2 0,9 0,8 8,1 8,3 6,0 8,8 0,4 10,5 2,3 4,0 1,2

6,0 nvt 1,1 12,7 10,5 7,5 9,8 0,5 14,3 2,5 4,9 1,3

per hectare netto terrein per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 100 m2 bassin per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 10 tuinen

Hoofdgroep Horeca

Zone

Zone

Zone

Zone Eenheid

Cafe, bar, cafetaria Restaurant Hotel Hostel

A 4,0 8,0 1,5 0,3

B 4,0 8,0 2,6 0,7

C 5,0 12,0 4,2 2,2

D 5,0 12,0 6,3 4,4

Sporthal/sportzaal (binnen) zonder wedstrijdfunctie

Bezoekers- Opmerkingen aandeel sporthal voor (uitsluitend) een schoolfunctie heeft geen extra parkeervraag totale parkeervraag is dan de parkeervraag sporthal + de component voor het aantal zitplaatsen betreft een globale indicatie van de parkeerbehoefte

90% 95% 95% 95% 90% 85% 99% 90% 99% 99% 99% 100%

E. Hoofdgroep horeca

16

per 100 m2 bvo per 100 m2 bvo per 10 kamers per 10 kamers

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

Bezoekers- Opmerkingen aandeel 90% 80% 80% 80%

gebaseerd op 3* hotel

F. Hoofdgroep gezondheidszorg Hoofdgroep Gezondheidszorg

Zone

Zone

Zone

Zone Eenheid

Huisarts (praktijk)

A 1,8

B 2,2

C 2,7

D 3,0

Apotheek Fysiotherapiepraktijk/consultatiebureau

2,0 1,0

2,5 1,2

2,9 1,5

nvt 1,7

Tandartsenpraktijk/Gezondheidscentrum

1,3

1,6

1,9

2,2

Ziekenhuis Crematorium/begraafplaats

1,3 nvt

1,5 nvt

1,6 26,6

1,9 26,6

Religiegebouw

0,1

0,1

0,1

0,1

per behandelkamer per apotheek per behandelkamer per behandelkamer per 100 m2 bvo per gelijktijdige plechtigheid per

Bezoekers- Opmerkingen aandeel 57% 45% 60% 50% 30% 99% 100%

bezoekersplaats

G. Hoofdgroep onderwijs Hoofdgroep Onderwijs

Zone

Zone

Zone

Zone Eenheid

Kinderdagverblijf (Creche)

A 0,8

B 1,0

C 1,1

D 1,4

per 100 m2 bvo

0%

Basisonderwijs

0,5

0,5

0,5

0,5

per leslokaal

0%

Voortgezet onderwijs

2,3

3,0

3,3

3,9

per 100 leerlingen

10%

Middelbaar Beroepsonderwijs (ROC)

3,2

3,8

4,2

4,9

per 100 leerlingen

7%

Hoger Beroepsonderwijs

6,3

6,9

7,5

8,9

per 100 studenten

70%

Universiteit

9,7

11,5

12,7

14,8

per 100 studenten

50%

Avondonderwijs

3,0

4,0

5,0

9,5

per 10 studenten

95%

17

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

Bezoekers- Opmerkingen aandeel exclusief parkeren bezoekers (Kiss&Ride) exclusief parkeren bezoekers. Indien gewenst aan te vullen met plaatsen voor halen en brengen volgens rekenmethode CROW.

Bijlage2: Zone-indeling parkeernormen

De afbeeldingen geven de situatie per november 2017 weer. Het gebied Zone A wordt bepaald door de grootte van het gebied van parkeerregulering conform het Aanwijzingsbesluit Betaald Parkeren welke jaarlijks wordt vastgesteld.

18

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

Bijlage 3: Spelregels afkoopregeling Parkeereis De ontvangen bedragen van derden in het kader van de afkoopregeling worden gestort in een voorziening "van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden" (artikel 44, lid 2 Besluit Begroting en Verantwoording). Zoals uit paragraaf 3.3 van de Nota Parkeernormen blijkt, gebeurt dit vanuit het volgende kader:       

Het afkoopbedrag wordt in rekening gebracht bij derden bij verlening van de omgevingsvergunning voor de betreffende bouwontwikkeling; Dit wordt vastgelegd in een overeenkomst betreffende de afkoop en de realisatie van een passende parkeeroplossing voor de bouwontwikkeling; Deze overeenkomst wordt schriftelijk tussen partijen vastgelegd; De vergunning wordt pas verleend nadat het verschuldigde afkoopbedrag door de aanvrager van de omgevingsvergunning is voldaan; Realisatie van parkeervoorziening vindt plaats binnen een straal van 600 meter van de beoogde (bouw)ontwikkeling; Realisatie van de parkeervoorziening vindt plaats binnen 10 jaar na datum verlening omgevingsvergunning; Eventuele terugbetaling van de vergoeding door de gemeente na 10 jaar (indien beoogde parkeervoorziening niet gerealiseerd wordt) gebeurt op basis van de nominale waarde (van eventuele rentevergoeding is geen sprake). Dit wordt eveneens opgenomen in de schriftelijke overeenkomst tussen gemeente en de ontwikkelende partij.

19

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

Bijlage 4: Beleidsregel Toepassing Parkeernormen Tilburg 2017 Paragraaf 1: Wettelijk kader en doel De centrale gedachte bij het hanteren van parkeernormen is dat voorkomen wordt dat nieuwe bouwontwikkelingen leiden tot parkeeroverlast in de omgeving. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, artikel 3.2.1., tweede lid onderdeel a van het Besluit Ruimtelijke Ordening (Bro) en de artikelen 2.4 en 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor de juridisch borging van de parkeernormen wordt vanuit de Tilburgse bestemmingsplannen verwezen naar de Nota Parkeernormen. Een paraplubestemmingsplan is van toepassing op de bestemmingsplannen waar geen verwijzing naar de Nota Parkeernormen is opgenomen.

Paragraaf 2: Begripsbepalingen In het beleid parkeernormen wordt verstaan onder: Bouwontwikkeling:

Een bouw- of gebruiksontwikkeling waarvoor een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend. Het kan gaan over een nieuwbouwontwikkeling, uitbreiding van een bestaande functie of functiewijziging.

Eigen terrein:

Het bouwoppervlak waarop de ontwikkeling wordt gerealiseerd, daaronder begrepen het daarbij behorende terrein dat als parkeerterrein is bestemd.

Initiatiefnemer:

De initiatiefnemer en/of eigenaar van de grond en opstallen waarvoor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of strijdig gebruik is ingediend.

Maatgevend moment: Het moment waarop de functie(s) een maximale parkeerbehoefte heeft en/of de parkeerbehoefte zich het meest laat gelden. Ingeval bij nieuwbouw of functiewijziging een beroep wordt gedaan op eventuele restcapaciteit in de openbare ruimte dient daarbij tevens het maatgevend moment van deze openbare ruimte in ogenschouw te worden genomen. Mobility as a Service:

Mobility as a Service staat voor een mobiliteitconcept, waarbij consumenten mobiliteit inkopen, in plaats van te investeren in eigen transportmiddelen. Nieuwe concepten vormen een combinatie tussen openbaar vervoer, vraag gestuurd vervoer, deel- en privé voertuigen.

Nulvergunningregeling: Een regeling waarbij toekomstige gebruikers van een functie worden uitgesloten van het recht op één of meer parkeervergunningen. Parkeerbehoefte:

20

Het aantal parkeerplaatsen dat volgt uit de toepassing van de parkeernorm, bestaande uit een gebruikersdeel en een bezoekersdeel. De uitkomst is het aantal parkeerplaatsen dat voor een bouwontwikkeling benodigd is om in de behoefte te kunnen

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

voorzien. Parkeerdruk:

De parkeerdruk betreft de bezetting van de parkeerplaatsen afgezet tegen het totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen.

Parkeernorm:

Het getal dat aangeeft hoeveel parkeerplaatsen minimaal moeten worden gerealiseerd bij een bepaalde functie en als basis dient voor het bereken van de parkeerbehoefte.

Parkeerovereenkomst: Overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Hierin worden de gemaakte afspraken over hoe in de toekomstige parkeerbehoefte wordt voorzien vastgelegd. Restcapaciteit:

Het aantal parkeerplaatsen dat op het maatgevende moment onbezet is. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk op straat onder de 85% is.

Paragraaf 3: Bepalen van de parkeerbehoefte a. De parkeerbehoefte wordt bepaald met toepassing van de normen zoals deze zijn opgenomen in het overzicht parkeernormen (bijlage) van de nota Parkeernormen. Er wordt geacht in de parkeerbehoefte te zijn voorzien indien wordt voldaan aan deze minimum norm. b. De parkeerbehoefte dient in beginsel op eigen terrein (ontwikkelkavel) te worden gerealiseerd. c. Onderscheid tussen vaste gebruikers en bezoekers: In het berekenen van de parkeerbehoefte wordt onderscheid gemaakt tussen het aandeel vast gebruik en het aandeel bezoekers. Het bezoekersdeel dat op eigen terrein wordt gerealiseerd dient vrijelijk toegankelijk te zijn. d. Dubbelgebruik parkeergelegenheid: Van dubbelgebruik is sprake als het gebruik van de parkeerplaatsen onderling uitwisselbaar is. De aanwezigheidspercentages kunnen alleen dan worden toegepast. Het dubbelgebruik van het aandeel vast gebruik is slechts aan de orde indien de initiatiefnemer kan aantonen dat dit dubbelgebruik in de praktijk kan functioneren. e. Functiewijziging: Bij een functiewijziging wordt de additionele parkeerbehoefte bepaald door een normatieve vergelijking op het maatgevende moment ('regeling oud voor nieuw'). Op basis van de actuele parkeernormen wordt berekend wat in de bestaande en toekomstige situatie de parkeerbehoefte is.

Parkeerbehoeften van een functie welke langer dan 5 jaar niet actief is geweest worden buiten beschouwing gelaten. f. Berekenwijze parkeervoorzieningen bij woningen: In geval een initiatiefnemer privé parkeerplaatsen bij woningen realiseert waarop geen dubbelgebruik van toepassing is (garage, carport, e.d.), dan geldt bij een ontwikkeling van meer dan 10 woningen dat rekening moet worden gehouden met een correctie in de berekening van de parkeerbehoefte op basis van de correctiefactor (tabel 2). g. Fietsparkeren: Bij iedere bouwontwikkeling dient het voorzien van voldoende stallingsvoorzieningen onderbouwd te worden, waarbij de behoefte wordt ingeschat op basis van de kencijfers van de CROW, zoals opgenomen op de CROW Kennisbank. h. Beïnvloeden parkeerbehoefte: Er bestaan mogelijkheden om het autobezit en autogebruik te beïnvloeden. Bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor een bouwontwikkeling dient de initiatiefnemer te onderbouwen welk verwacht effect het de maatregel voor het beïnvloeden van het autobezit heeft op de parkeerbehoefte. i. Parkeerbehoefte gebiedsontwikkelingen: Bij het bepalen van de parkeerbehoefte van grote ontwikkelingen geven de parkeernormen nog steeds een best-guess van de te

21

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

verwachten parkeerbehoefte, maar hier kan in de praktijk anders mee worden omgegaan. Een door de initiatiefnemer opgestelde parkeervisie kan als uitgangspunt dienen in het voorzien van de (toekomstige) parkeerbehoefte indien deze de goedkeuring van de gemeente heeft gekregen.

Paragraaf 4: Bepalen van de parkeereis a. Parkeereis: De parkeereis wordt berekend op basis van de parkeernorm, waarbij afronding naar een heel getal plaatsvindt. De parkeereis dient in beginsel op eigen terrein te worden gerealiseerd. b. Compensatie verlies aan parkeercapaciteit: Als ten gevolge van de bouwontwikkeling bestaan parkeercapaciteit verloren, moet het verlies van deze capaciteit worden gecompenseerd, zodanig dat er geen structureel nadelig effect is op de parkeerdruk in de directe omgeving. c. Alternatieve oplossing voor de parkeereis op eigen terrein: Voordat wordt beslist over een alternatieve oplossing dan de parkeereis op eigen terrein te realiseren zal de initiatiefnemer moeten aantonen dat ook met een redelijk te achten aanpassing van het bouwvoornemen niet alsnog op eigen terrein kan worden voldaan aan de parkeereis. d. Parkeereis (deels) in de omgeving oplossen: In voorkomende gevallen kan het fysiek onmogelijk of onwenselijk zijn om op het eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, maar bestaat wel de mogelijkheid om de parkeerbehoefte in de directe nabijheid van het bouwplan op te lossen. Wanneer op een andere wijze dan op eigen terrein aan de parkeereis wordt voldaan, moet nauwkeurig aangegeven worden hoe dit gebeurt, bijvoorbeeld: I.

Alternatieve private parkeeroplossing: De parkeerbehoefte kan binnen een acceptabele loopafstand van het bouwplan worden opgelost op een naburig privaat terrein of in een private parkeervoorziening. Aangetoond moet worden dat deze parkeerplaatsen ten behoeve van het betreffende bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, door een privaatrechtelijke overeenkomst kunnen worden aangewend voor een periode van tenminste 10 jaar voor de betreffende ontwikkeling. II. Benutten restcapaciteit: Als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost dan kan worden onderzocht of er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is waar de (resterende) parkeerbehoefte kan worden opgelost. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen een straal van 250 meter van de ontwikkeling. De initiatiefnemer dient hiervoor voor eigen rekening en risico een onderzoek te laten uitvoeren door een gespecialiseerd onafhankelijk bureau. e. Vrijstellingsregels van de parkeereis: Standaard vrijstellingsregels zijn van toepassing op kleine bouwontwikkelingen en bouwontwikkelingen in de binnenstad. I.

Vrijstellingsregel kleine ontwikkelingen: Voor kleine bouwontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen wordt geen parkeereis gesteld. Indien dit wordt besloten kan plaatsing op de nulvergunninglijst van toepassing zijn. II. Vrijstellingsregel bezoekersparkeren binnenstad: Er geldt geen parkeereis voor het bezoekersdeel van de parkeerbehoefte binnen de invloedssfeer van parkeergarages in de binnenstad. Als richtlijn voor deze invloedssfeer wordt een

22

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

straal van maximaal 250 meter rondom de openbare parkeergarages gehanteerd (afbeelding 3); III. Nulvergunningregeling: Er geldt vrijstelling van de parkeereis indien gebruik gemaakt wordt van de nulvergunningregeling. Deze regeling waarbij (toekomstige) gebruikers van de functie worden uitgesloten van parkeervergunningen, kan alleen worden toegepast in gereguleerd gebied (zone A).

Paragraaf 5: Afwijken van de parkeereis Ingeval de ontwikkeling niet in voldoende mate parkeerplaatsen op eigen terrein kan realiseren en geen alternatieve oplossing (in de omgeving) beschikbaar is, kan worden afgeweken van de parkeereis: a. Afwijken van de parkeereis is alleen mogelijk indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aantoont dat de parkeereis niet (volledig) kan worden opgelost. b. De bevoegdheid voor het afwijken van de parkeereis ligt bij het college en vereist altijd een onderbouwing van de initiatiefnemer. c. De initiatiefnemer betaalt bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het betreffende bouwplan voor de niet gerealiseerde parkeerplaatsen een bedrag ter compensatie aan de gemeente (afkoopregeling). d. De gemeente verplicht zich om met het afkoopbedrag binnen 10 jaar binnen een straal van 600 meter daadwerkelijk extra parkeerplaatsen te realiseren. Dit betekent dat er op voorhand duidelijkheid bestaat hoe de oplossing eruit zal komen te zien. e. Gebruik maken van de afkoopregeling is geen recht van de initiatiefnemer; f. Indien wordt afgeweken van de parkeereis waarbij sprake is van een financiële bijdrage sluiten de initiatiefnemer en de gemeente vooraf een parkeerovereenkomst. Hieruit blijkt op welke wijze wordt voorzien in de toekomstige behoefte en welk afspraken partijen onderling hierover hebben gemaakt.

Paragraaf 6: Uitvoeringsregels a. Acceptabele loopafstanden: Uitgangspunt voor de acceptabele loopafstanden zijn de richtlijnen zoals deze zijn opgenomen in de CROW-publicatie. Als maat voor de situering van de parkeerplaatsen ten opzichte van de functies dienen de maximaal acceptabele loopafstanden (tabel 5). b. Afmeting parkeerplaatsen: Voor de afmeting van parkeerplaatsen wordt de NENrichtlijn (NEN-2443) en de richtlijnen zoals opgenomen op de CROW Kennisbank gehanteerd als toetsingskader. c. Toegankelijkheid parkeervoorziening: De parkeervoorziening dient te worden kunnen gebruikt door de beoogde doelgroep. Parkeerplaatsen voor bezoekers dienen vrijelijk toegankelijk te zijn. d. Nulvergunningenlijst: alle nieuwe ontwikkelingen in Tilburg die voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein worden op de nulvergunninglijst geplaatst. (Toekomstige) gebruikers van de functie(s) komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning voor straatparkeren. Hiermee wordt het gebruik van de eigen voorzien afgedwongen en wordt voorkomen dat de parkeerbehoefte wordt afgewenteld op het openbaar gebied.

23

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

Paragraaf 7: Hardheidsclausule In die gevallen waarin strikte toepassing van deze beleidsregel tot een bijzondere hardheid leidt, kan het college van burgemeester en wethouders, bijvoorbeeld bij een zwaarwegend economisch of volkshuisvestingsbelang, ten gunste van de initiatiefnemer besluiten af te wijken van deze beleidsregel wanneer zij de realisatie van het initiatief belangrijker acht dan de (al dan niet tijdelijke) nadelige gevolgen op het gebied van bereikbaarheid.

Paragraaf 8: Inwerkingtreding en citeertitel Deze beleidsregel treedt in werking daags na de publicatie van het vaststellingsbesluit in het gemeentelijk huis-aan-huisblad. Deze beleidsregel kan worden aangehaald als “Beleidsregel Parkeernormen Tilburg”.

24

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

Bijlage 2 Aanmeldnotitie m.e.r. Aanmeldnotitie m.e.r.

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Realisatie één grondgebonden woning Pascalerf (tussen nr. 4 en 6) te Tilburg Datum: 16 oktober 2020

Aanleiding De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.: Voor deze ontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, te weten: D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de realisatie van woningen. De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van één grondgebonden woning. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e,r,-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling. Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-m.e.r.

als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op ruime afstand van gebieden die wel als Natura 2000-gebied zijn aangewezen, te weten Kampina & Oisterwijkse Vennen (ca. 3,7 km), Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (ca. 5,6 km) en Regte Heide & Riels Laag (ca. 5,8 km). Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling (realisatie één grondgebonden woning) en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura2000gebieden te verwachten. Ook tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zullen niet aan de orde zijn. Significante gevolgen kunnen daarom worden uitgesloten.

1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 en 3 Wet milieubeheer. Hierbij moet rekening worden gehouden met de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. De criteria betreffen: 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4.

Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

Toetsing 1. Fysieke kenmerken van het project Het plan heeft betrekking op de realisatie van één grondgebonden woning. 2. Plaats van het project Het project wordt uitgevoerd op een locatie die nu onbebouwd is en gebruikt gaat worden als een woonfunctie. 3. Kenmerken van de potentiële effecten Het project betreft het realiseren van één grondgebonden woning. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Bodem Op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Theresia-Loven-Besterd 2016’ rust reeds op de locatie een woonbestemming. Met de realisatie van een grondgebonden woning wijzigt de bestemming niet. Om deze reden is het uitvoeren van een bodemonderzoek voor de bestemmingsplanherziening niet benodigd. Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem geen belemmering oplevert voor de bestemmingsplanherziening. Archeologie en cultuurhistorie Door de gemeentelijk archeoloog is aangegeven dat een archeologisch onderzoek niet benodigd is voor de bestemmingsplanherziening. Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering oplevert voor de bestemmingsplanherziening. Water Door AGEL adviseurs is voor het bouwplan een waterparagraaf opgesteld (d.d. 12 oktober 2020). Uit dat onderzoek blijkt dat door het bouwplan het verhard oppervlak toeneemt met 44 m2 ten opzichte van de huidige situatie.

2

Op basis van het beleid van het Waterschap De Dommel en van de gemeente Tilburg is een waterbergingseis voor deze ontwikkeling niet aan de orde. Natuur/Ecologie Vanuit het plan kunnen effecten te verwachten zijn op gebouwbewonende soorten in de aangrenzende woningen. Een ecologische quickscan naar flora en fauna is nu voor de bestemmingsplanherziening niet strikt noodzakelijk, áls de initiatiefnemer gebruik maakt van de gemeentelijke gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten. Om deze reden is een quickscan niet uitgevoerd. Wel worden voor de aanvraag van de bouwvergunning/sloopmelding worden 2 stukken verwacht: 1. een beschrijving van een werkwijze waarbij gebouwd wordt met zo min mogelijk schade aan evt aanwezige beschermde soorten in naastgelegen panden 2. een voorstel voor vervangende faunavoorzieningen in de nieuwbouw. Als geen gebruik gemaakt wordt van de gemeentelijke gebiedsontheffing, dan dient een ecologisch quickscan (en eventuele vervolgonderzoeken) uitgevoerd te worden. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest nabijgelegen gebied betreft het gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen, welke op ca. 3,7 km van het bouwplan ligt. Gelet op de aard en omvang van het bouwplan (realisatie één grondgebonden woning) in relatie tot de afstand wordt er geen bijdrage op de stikstofdepositie verwacht (= 0,00 mol/ha/jaar).

Overige aspecten zoals geluid en licht leveren gelet op de afstand eveneens geen negatieve effecten op. Geconcludeerd wordt dat het aspect natuur/ecologie geen belemmering oplevert voor de bestemmingsplanherziening. Geluid Het bouwplan bevindt zich in de geluidzone van de route NS-plein/Besterdring, de Burgemeester Broxlaan en de spoorlijn Tilburg – ’s Hertogenbosch/Eindhoven. Omdat de grondgebonden woning een geluidgevoelig object is, is vanuit de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek weg-/railverkeerslawaai uitgevoerd door AGEL adviseurs (d.d. 15 oktober 2020). Uit dat onderzoek blijkt dat voor zowel het wegverkeerslawaai als het railverkeerslawaai de hoogst toelaatbare waarde niet wordt overschreden. Daarmee is het vaststellen van een hogere waarde voor de nieuwe woning niet benodigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting berekend vanwege het wegverkeer op het Pascalerf (30 km/uur-weg). Het wegverkeer op deze weg leidt tot een maximale geluidbelasting van 50 dB. Een dergelijke geluidbelasting wordt niet als belemmerend beschouwd. Daarnaast is ook het cumulatieve geluidniveau vanwege weg- en railverkeerslawaai tezamen berekend. De cumulatieve geluidbelasting varieert van 40 dB tot maximaal 55 dB, waarmee de milieukwaliteitmaat voor het bouwplan goed tot matig is.

Luchtkwaliteit De realisatie van één grondgebonden woning is aan te merken als een project dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt op de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden in hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer, beter bekent als de Wet luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering oplevert voor de bestemmingsplanherziening. Geurhinder In de (wijde) omgeving van het bouwplan is geen intensive veehouderij gelegen en ook geen inrichting aanwezig die geurhinder verspreiden.

3

Geconcludeerd wordt dat het aspect geurhinder geen belemmering oplevert voor de bestemmingsplanherziening. Externe veiligheid Het bouwplan ligt ongeveer 300 meter ten noorden van de spoorlijn Tilburg – ’s-Hertogenbosch/ Eindhoven, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Omdat het bouwplan niet binnen 200 meter van de spoorlijn is gelegen, is geen kwalitatieve risicoanalyse naar de hoogte en toename van het groepsrisico uitgevoerd. Het bouwplan is evenwel gelegen binnen het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen die over de spoorlijn worden vervoerd. Om deze reden is op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes een motivering opgesteld naar de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Door AGEL adviseurs is deze motivering opgesteld (d.d. 15 oktober 2020). Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering oplevert voor de bestemmingsplanherziening. Conclusies en advies Het doel van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen vanwege de realisatie van één grondgebonden woning aan het Pascalerf (tussen nr. 4 en 6) te Tilburg.

Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiele effecten wordt geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure voor het bouwplan aan het Pascalerf (tussen nr. 4 en 6) te Tilburg.

4

Bijlage 3 EV-onderzoek EV-onderzoek

A G E L

adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Memo - Externe veiligheid Datum

:

28 oktober 2020

Bestemd voor

:

DR+ architecten

Van

:

ing. J. Sips

Projectnummer

:

20200473

Betreft

:

Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg

1

Paraaf :

Inleiding

Het voornemen is op het kadastrale perceel N19329 aan het Pascalerf, tussen de nummers 4 en 6, te Tilburg één grondgebonden woning te realiseren. Door DR+ architecten is hiervoor een bouwplan opgesteld. De toekomstige situatie is weergegeven in figuur 1.

Figuur 1: Situatietekening nieuwe grondgebonden woning aan het Pascalerf

Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het bouwplan vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de spoorlijn door Tilburg en over de rijkswegen aan de zuidzijde van Tilburg. Aan AGEL adviseurs is opdracht verstrekt voor het opstellen van een nadere beschouwing over het aspect externe veiligheid.

2

Wettelijk kader

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.

Pagina 1 van 7 AGEL adviseurs Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout

t. 0162-456481 e. info@ageladviseurs.nl i. www.ageladviseurs.nl

VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken. Op alle door ons aanvaarde opdrachten en verrichte werkzaamheden zijn de ‘De rechtsverhouding opdrachtgever-architect, ingenieur en adviseur DNR 2011 herzien (juli 2013)’ van toepassing. De DNR 2011 herzien (juli 2013) wordt op verzoek toegezonden. Btw nr. NL800203823B01 - IBAN NL72ABNA0594482291 - BIC ABNANL2A - KvK Breda 20051141

A G E L

adviseurs In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving van de locatie waarop het Wro-besluit betrekking heeft. In dat geval dienen het plaatsgebonden risico (PR), het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan berekend te worden, met bijbehorende verantwoordingsplicht. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10 -6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour zijn alleen toegestaan op basis van gewichtige redenen. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan zwaarwegende maatschappelijke, economische en/of planologische redenen. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Groepsrisico Het GR wordt beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit.

Het drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit. De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. De verantwoordingsplicht groepsrisico De verantwoordingsplicht van het GR houdt in dat naast een rekenkundige beoordeling van de hoogte en toename van het GR ook een beoordeling moet plaatsvinden naar de aspecten ‘plasbrandaandachtsgebied’, ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’ bij een incident. Deze beoordeling is noodzakelijk indien de locatie in het verantwoordingsgebied van een transportroute is gelegen en als er sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het GR en bij een toename van het GR indien het totale GR beneden de oriënterende waarde blijft. De verantwoording van het GR dient plaats te vinden voor het gebied dat aangemerkt wordt als het invloedsgebied dan wel veiligheidsgebied van de risicobron. In veel gevallen is voor de omvang van dat invloedsgebied de 1% letaliteitscontour van het maatgevend ongevalscenario bepalend. Dit is de afstand waarbinnen 1% van de slachtoffers van het ongeval komt te overlijden.

Verantwoordingsplicht zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het vermogen van de burger om zichzelf of andere burgers in veiligheid te brengen zonder tussenkomst van professionele hulpverleners bij de dreiging van, of het optreden van, een gevaarlijke situatie. Hierbij spelen o.a. de fysieke gesteldheid van de aanwezige personen, de beschikbare vluchtmogelijkheden en de mogelijkheden tot tijdig waarschuwen een belangrijke rol. Verantwoordingsplicht bestrijdbaarheid In de verantwoordingsplicht moet met name aandacht worden besteed aan de benodigde en aanwezige hulpverleningscapaciteit, de inzet van blusmiddelen, bereikbaarheid e.d. Het brandweeradvies is hierbij een belangrijke informatiebron.

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Memo - Externe veiligheid

| 2 van 7

ruimte infra bouw milieu

A G E L

adviseurs Gemeentelijk beleid De gemeente Tilburg heeft een eigen beleidsvisie externe veiligheid 1 opgesteld. Daarin wordt onderscheid gemaakt in 4 deelgebieden. Het gaat om:  Intensieve gebieden;  Gemengde gebieden;  Transportasgebieden;  Luwe gebieden. Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied ‘Luwe gebieden’. Hiervoor gelden de volgende gebiedskenmerken:  Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;  Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;  Bestaande risicovolle inrichtingen (LPG tankstations en propaantanks groter dan 18 m³) en in de directe omgeving gelegen kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;  Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;  Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Met het plan wordt een kwetsbaar object gelegaliseerd, te weten een woning. Van een nieuwe risicovolle activiteit is geen sprake. Derhalve is het plan in lijn met de gemeentelijke beleidsvisie.

3

Onderzoek

Overzicht risicobronnen Uit de gegevens risicokaart blijkt dat in de (wijde) omgeving van het bouwplan verschillende risicobronnen aanwezig zijn. De meest van belang zijnde risicobronnen zijn de spoorlijn Breda-Tilburg-Boxtel/Vught (1) en de Rijksweg A58/A65 (2). In figuur 2 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. De globale ligging van het bouwplan aan het Pascalerf is in het rood aangeduid.

1

2

Figuur 2: Overzicht risicobronnen wijde omgeving bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 (bron: risicokaart)

1

Beleidsvisie extern veiligheid, gemeente Tilburg, januari 2010

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Memo - Externe veiligheid

| 3 van 7

ruimte infra bouw milieu

A G E L

adviseurs In de Regeling Basisnet wordt voor alle rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen een risicoplafond - dat wil zeggen hoeveel risico er maximaal mag zijn - vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur. Spoorlijn Breda-Tilburg-Boxtel/Vught Op ongeveer 300 meter ten zuiden van het bouwplan aan het Pascalerf is de spoorlijn Breda-TilburgBoxtel/Vught gelegen. In tabel 1 zijn het aantal transporten gevaarlijke stoffen weergegeven die over de spoorlijn gaan. Tabel 1: Vervoerscijfers gevaarlijke stoffen spoorlijn Breda-Tilburg-Boxtel/Vught InvloedsAantal transporten Stofgroep gebied 12020 12030 A Brandbare gassen 460 meter 4.350 3.650 B2 Toxische gassen 995 meter 2.500 2.300 B3 Toxische gassen > 4000 meter 0 0 C3 Brandbare vloeistoffen 35 meter 5.650 4.600 D3 Toxische vloeistoffen 375 meter 3.800 3.750 D4 Toxische vloeistoffen > 4000 meter 50 0

Omdat de afstand tussen de spoorlijn en het bouwplan groter is dan 200 meter is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroute niet benodigd. Uit tabel 1 blijkt dat het invloedsgebied van zowel brandbare als toxische stoffen wel over het bouwplan is gelegen. Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Rijkswegen A58/A65 In het Basisnet Weg is het aantal toegestane transporten gevaarlijke stoffen weergegeven. Tabel 2 geeft een overzicht van de vervoersgegevens van gevaarlijke stoffen over de Rijkswegen A58/A65. Tabel 2: Vervoerscijfers gevaarlijke stoffen Rijkswegen A58/A65 InvloedsAantal transporten Stofgroep gebied A58 (b120) A58 (b6) LF1 Brandbare vloeistoffen 45 meter 10.307 7.309 LF2 Brandbare vloeistoffen 45 meter 12.367 14.945 LT1 Toxische vloeistoffen 730 meter 510 264 LT2 Toxische vloeistoffen 880 meter 1.598 917 LT3 Toxische vloeistoffen > 4000 meter 0 0 GF1 Brandbare gassen 40 meter 0 136 GF2 Brandbare gassen 280 meter 236 92 GF3 Brandbare gassen 355 meter max 4.140 max. 4.065 GT2 Toxische gassen 245 meter 0 0 GT3 Toxische gassen 560 meter 0 74 GT4 Toxische gassen > 4000 meter 34 187 GT5 Toxische gassen > 4000 meter 0 0

A65 (B138) 3.259 3.902 15 116 0 0 0 max. 1.500 0 0 0 0

Het bouwplan aan het Pascalerf is op ongeveer 2,5 kilometer gelegen van de Rijkswegen A58/A65. Omdat de afstand veel groter is dan 200 meter is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroutes eveneens niet benodigd. Uit tabel 2 blijkt dat het invloedsgebied voor toxische gassen (stofgroep GT4) die worden vervoerd over de Rijksweg A58 wel over de locatie is gelegen. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Memo - Externe veiligheid

| 4 van 7

ruimte infra bouw milieu

A G E L

adviseurs Mogelijke rampenscenario’s Over de spoorlijn Breda-Tilburg-Boxtel/Vught worden zowel brandbare als toxische stoffen vervoerd. Hierna is het rampenscenario voor beide stoffen beschreven. Het toxische scenario is ook van belang vanwege het transport van deze stoffen over de Rijksweg A58. Opgemerkt wordt dat de nieuwe grondgebonden woning wordt gerealiseerd in een stedelijke omgeving, waardoor het bouwplan is omringd door bestaande gebouwen. Bij een eventueel incident zorgt de bestaande, omliggende bebouwing voor afscherming.  Brandbaar scenario Het maatgevende scenario voor brandbare stoffen is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tank. Een BLEVE bestaat uit een vuurbal en een drukgolf. Slachtoffers vallen door de warmtestraling en de drukgolf, alsmede door rondvliegende brokstukken en glasscherven die zware schade kunnen aanbrengen aan personen en gebouwen. Een warme BLEVE treedt op bij een externe brand, een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het optredende effect en het moment van exploderen is afhankelijk van de inhoud van de tank. Het invloedsgebied van een dergelijk incident reikt tot 460 meter vanuit het hart van de spoorlijn door Tilburg.  Toxisch scenario Voor toxische stoffen is een toxisch scenario maatgevend. Door een incident met toxische stoffen scheurt de tankwand.

Een groot deel van de toxische stoffen lekken in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. Bij toxische gassen komen als gevolg van een brand toxische dampen direct vrij. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De nieuwe grondgebonden woning is niet specifiek bedoeld voor het huisvesten van minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen.  BLEVE Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. Gelet op de afstand van het bouwplan tot de spoorlijn bevindt het bouwplan zich in de zogenoemde 2e ring. In deze ring is bij een BLEVE sprake van een warmtestraling tussen 25 en 110 kW/m 2.

Hierdoor kan gemiddelde schade ontstaan aan de bebouwing, zoals ruitbreuk en vervorming van hout en kunststof. Door de aanwezige bebouwing tussen het bouwplan en de spoorlijn zal de schade echter beperkt zijn.  Toxisch scenario Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld.

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Memo - Externe veiligheid

| 5 van 7

ruimte infra bouw milieu

A G E L

adviseurs Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident met toxische stoffen is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Geadviseerd wordt om de ventilatievoorzieningen in de nieuwe woning afsluitbaar uit te voeren. Daarnaast is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het gebied ligt binnen het dekkingsgebied van de WAS-installatie in de gemeente Tilburg. Bovendien is alarmering via de telefonische dienst NL-Alert mogelijk.  Vluchten Indien schuilen geen optie is, dan dient van de risicobron af worden gevlucht. De nieuwe grondgebonden woning aan het Pascalerf is via het Daltonerf, de Koestraat of de Besterdring is gemakkelijk in noordelijke te ontvluchten bij een incident op de spoorlijn en of de Rijksweg A58. Omdat deze wegen haaks op de beide risicobronnen zijn gelegen, zijn deze wegen als goede vluchtroutes aan te merken. Bestrijdbaarheid  BLEVE Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het koelen van de tankwagon. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen.

Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Noodzakelijk voor het voorkomen van een (dreigende) warme BLEVE zijn:  Tijdige aankomst brandweer;  Tijdige bereikbaarheid tankwagen;  Tijdige beschikbaarheid bluswater;  Inzet waterkanonnen voor tweezijdige koeling tankwagen. Indien de warme BLEVE niet voorkomen kan worden, is het relevant dat er voldoende bluswatervoorzieningen zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is. Voor effectief optreden na het plaatsvinden van een warme of koude BLEVE is het relevant dat:  Het gebied tweezijdig toegankelijk is;  Een effectieve bluswatervoorziening;  Er passende slagkracht is van de brandweer (in de omgeving).  Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is.

Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Advies veiligheidsregio Geadviseerd wordt om de gemeente Tilburg en de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant in een vroeg stadium van de ruimtelijke procedure te betrekken en om advies te vragen.

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Memo - Externe veiligheid

| 6 van 7

ruimte infra bouw milieu

A G E L

adviseurs 4

Conclusie

Het voornemen is op het kadastrale perceel N19329 aan het Pascalerf, tussen de nummers 4 en 6, te Tilburg één grondgebonden woning te realiseren. Ten zuiden van het bouwplan, op een afstand van ongeveer 300 meter, is de spoorlijn Breda-TilburgBoxtel/Vught aanwezig. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Tevens worden (op grote afstand) ook gevaarlijke stoffen vervoerd over de Rijksweg A58/A65. Omdat het bouwplan aan het Pascalerf niet binnen 200 meter van een transportroute is gelegen, is het inzichtelijk maken van de hoogte en toename van het groepsrisico niet benodigd. Het invloedsgebied van brandbare en/of toxische stoffen is wel over het bouwplan gelegen. Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is wel een motivering opgesteld die ingaat op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Via het Pascalerf zijn het Daltonerf, de Koestraat of de Besterdring eenvoudig te bereiken. Deze wegen zijn als geschikte vluchtroutes aan te merken, omdat via deze wegen het bouwplan in noordelijk richting van de risicobron af te ontvluchten. Geadviseerd wordt in een vroeg stadium de gemeente Tilburg, als bevoegd gezag, en de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant in staat te stellen een advies uit te brengen.

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Memo - Externe veiligheid

| 7 van 7

ruimte infra bouw milieu

Bijlage 4 Akoestisch onderzoek Akoestisch onderzoek

Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg

samen onze omgeving creëren VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken.

AGEL adviseurs 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorgaande toestemming van AGEL adviseurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

Projectdossier Titel

:

Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai

:

Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg

Opdrachtgever

:

DR+ architecten

Projectnummer

:

20200473

Versie / status

:

v01

Datum

:

15 oktober 2020

Opgesteld door

:

ing. J. Sips

Gecontroleerd door

:

T-E van Dalen

Akkoord Projectcoördinator

:

ing. J. Sips

Paraaf:

AGEL adviseurs Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout Postbus 4156 4900 CD Oosterhout 0162 - 456481 info@ageladviseurs.nl www.ageladviseurs.nl

VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken. AGEL adviseurs 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorgaande toestemming van AGEL adviseurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

A G E L

adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Inhoudsopgave 1

Inleiding ....................................................................................................................... 1

2

Onderzoekslocatie en voorgenomen ontwikkeling ...................................................... 2

3

Wettelijk kader ............................................................................................................ 3

4

5

6

3.1

Wet geluidhinder ........................................................................................................ 3

3.2

Hogere waarde beleid gemeente Tilburg ...................................................................... 5

3.3

Wet ruimtelijke ordening ............................................................................................. 6

3.4

Bouwbesluit 2012 ....................................................................................................... 6

3.5

Toetsing wettelijk kader bouwplan ............................................................................... 7

Uitgangspunten onderzoek .......................................................................................... 9 4.1

Wegverkeersgegevens ................................................................................................ 9

4.2

Railverkeersgegevens.................................................................................................. 9

4.3

Rekenmethode weg- en railverkeerslawaai ................................................................... 9

4.4

Rekenmodel ............................................................................................................... 9

Rekenresultaten ......................................................................................................... 12 5.1

Wegverkeerslawaai ................................................................................................... 12

5.2

Railverkeerslawaai .................................................................................................... 12

5.3

Cumulatie weg- en railverkeerslawaai ........................................................................ 13

Conclusie .................................................................................................................... 14

Bijlagen Bijlage 1

Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6

Bijlage 2

Figuren

Bijlage 3

Overzicht wegverkeersgegevens 2030

Bijlage 4

Rekenparameters en invoergegevens rekenmodel wegverkeerslawaai

Bijlage 5

Rekenparameters en invoergegevens rekenmodel railverkeerslawaai

Bijlage 6

Berekeningsresultaten

A G E L

adviseurs 1

ruimte infra bouw milieu

Inleiding Het voornemen is op het kadastrale perceel N19329 aan het Pascalerf, tussen de nummers 4 en 6, te Tilburg één grondgebonden woning te realiseren. Op dit moment is deze locatie onbebouwd. Het beoogde bouwplan past niet in het vigerend bestemmingsplan ‘Theresia-Loven-Besterd 2016’. Middels een bestemmingsplan wordt het bouwplan juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer de nieuwe woning gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Het bouwplan aan het Pascalerf is gelegen in de geluidzone van verschillende wegen en de spoorlijn Tilburg – ’s-Hertogenbosch/Eindhoven. Daardoor is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai dus noodzakelijk. Doel van het akoestisch onderzoek is het berekenen van de geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woning vanwege weg- en railverkeerslawaai en het toetsen ervan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Indien van toepassing wordt bepaald of aan de nader gestelde voorwaarden uit het hogere waardenbeleid van de gemeente Tilburg wordt voldaan. Daarnaast wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening het akoestische woon- en leefklimaat inzichtelijk gemaakt door middel van het berekenen van de cumulatieve geluidbelasting vanwege het weg- en railverkeerslawaai gezamenlijk.

DR+ architecten heeft AGEL adviseurs opdracht gegeven voor het uitvoeren van het akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai.

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai

| 1 van 14

A G E L

adviseurs 2

ruimte infra bouw milieu

Onderzoekslocatie en voorgenomen ontwikkeling Het voornemen is om op een onbebouwd perceel aan het Pascalerf te Tilburg een grondgebonden woning te realiseren. Deze nieuwe woning wordt gerealiseerd tussen de bestaande woningen op nummer 4 en 6. Door DR+ Architecten is voor de locatie een bouwplan opgesteld. Figuur 2.1 geeft het beoogde bouwplan en de directe omgeving weer.

Figuur 2.1: Situatietekening nieuwe grondgebonden woning aan het Pascalerf

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai

| 2 van 14

A G E L

adviseurs 3

ruimte infra bouw milieu

Wettelijk kader Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een nieuw geluidgevoelig object (zoals een woning) wordt gerealiseerd, moet worden aangetoond of aan de gestelde grenswaarden van de Wet geluidhinder (Wgh) wordt voldaan. Daarnaast dient op grond van de Wro, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat inzichtelijk te worden gemaakt. Daarbij dient aangetoond te worden dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

3.1

Wet geluidhinder Zonering wegverkeerslawaai Behalve langs 30 km/uur-wegen en woonerven bevindt zich overeenkomstig artikel 74 Wgh aan weerszijden van een weg een geluidzone. Bij realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze geluidzone moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden:  stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg;  buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de breedte van de geluidzone langs wegen, afhankelijk van het aantal rijstroken bij stedelijk of buitenstedelijk gebied. Tabel 3.1: Geluidzones langs wegen in stedelijk/buitenstedelijk gebied Aantal rijstroken Zonebreedte 1 of 2

Stedelijk 200 meter

Buitenstedelijk 250 meter

3 of meer

350 meter

n.v.t.

3 of 4 5 of meer

n.v.t. n.v.t.

400 meter 600 meter

De in de tabel genoemde afstanden worden gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Zonering railverkeerslawaai De meeste spoorlijnen zijn geplaatst op de geluidplafondkaart en vallen onder hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer. Langs deze spoorlijnen zijn geluidzones aanwezig. Bij realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze geluidzone moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de geluidzone van een spoorlijn is vastgelegd in artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder (Bgh). De zonebreedte wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het geluidproductieplafond (GPP) op het betreffende referentiepunt langs de spoorweg. In tabel 3.2 zijn de mogelijke geluidzones langs spoorlijnen opgenomen. De GPP-waarde ter plaatse van de referentiepunten zijn opgenomen in het Geluidregister spoor.

20200473 | Bouwplan Pascalerf tussen nr. 4 en 6 te Tilburg Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai

| 3 van 14

A G E L

adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Tabel 3.2: Geluidzones langs spoorlijnen op geluidplafondkaart Hoogte geluidproductieplafond (GPP) Zonebreedte Kleiner dan 56 dB 100 meter Gelijk aan of groter dan 56 dB en kleiner dan 61 dB 200 meter Gelijk aan of groter dan 61 dB en kleiner dan 66 dB 300 meter Gelijk aan of groter dan 66 dB en kleiner dan 71 dB 600 meter Gelijk aan of groter dan 71 dB en kleiner dan 74 dB 900 meter Gelijk aan of groter dan 74 dB 1.200 meter

In het geval een geluidscherm langs de spoorlijn aanwezig is en deze is opgenomen in het Geluidregister Spoor, dan is de breedte van de geluidzone achter dit geluidscherm gelijk aan de breedte van de geluidzone direct naast de uiteinden van het geluidscherm (artikel 1.4a, lid 4 Bgh). De breedte van de geluidzone wordt gemeten vanuit het hart van de buitenste spoorstaaf. Grenswaarden Wet geluidhinder In het geval een nieuw geluidgevoelig object worden gerealiseerd binnen een geluidzone van een weg of een spoorlijn, dan mag de geluidbelasting niet meer bedragen dan de hoogst toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze hoogst toelaatbare geluidbelasting moet onderzocht worden of het treffen van maatregelen mogelijk is. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: het college van Tilburg) bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. De hoogte van de grenswaarden voor weg- en railverkeerslawaai is afhankelijk van het type geluidgevoelig object en is per situatie verschillend. De gestelde grenswaarden zijn opgenomen in de Wgh en in het Bgh (Besluit geluidhinder). In de tabellen 3.3 en 3.4 zijn de grenswaarden voor weg- en railverkeerslawaai weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10564245/1