CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting met bijlagen-b001

Raadsvergadering 11 april 2024, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)30.317 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte

BESTEMMINGSPLAN Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Toelichting met bijlagen

Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2022013-b001

5 december 2023

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

4

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 1.2 Het plangebied 1.3 Voorgaande plannen 1.4 Ruimtelijke en functionele structuur

4 5 6 6

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

7

2.1 Rijk 2.2 Provincie 2.3 Gemeente

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding 3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.4 Groen en speelruimte 3.5 Verkeer en parkeren

7 9 10

12 12 12 12 15 17

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

19

4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.3 Milieuhinder bedrijven 4.4 Externe veiligheid 4.5 Vuurwerk 4.6 Geluid 4.7 Lucht 4.8 Geur 4.9 Bodem 4.10 Natuur en ecologie

19 19 19 21 21 22 22 23 23 24

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

27

5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023 5.2 Bestaand watersysteem 5.3 Beleidskader 5.4 Duurzaam watersysteem 5.5 Watertoets

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding 6.2 Standaard plansystematiek 6.3 Bestemmingen en aanduidingen 6.4 Bouw- en gebruiksregels

27 27 29 30 32

33 33 33 33 34

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

35

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg

36

8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 8.2 Omgevingsdialoog 8.3 Zienswijzen

36 36 36

Toelichting

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van opslagunits op het perceel gelegen op het binnenterrein achter het pand van de Kreitenmolenstraat 67a en Achthoevenstraat 3. Het plan betreft de herontwikkeling van een oud bedrijventerrein, door ophet terrein kleine opslagunits te realiseren en het bestaande fabrieksgebouw te transformeren naar kleine bedrijfsruimtes.

Figuur 1: bestaande situatie

Figuur 2: nieuwe situatie

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Eind 2014 heeft restauratie-timmerfabriek J. van de Plas het febrieksterrein aan de Kreitenmolenstraat 67 in Udenhout verlaten. Sinds 1860 was het bedrijf daar gevestigd, maar inmiddels is het niet langer wenselijk om een dergelijke industrie midden in het dorp voort te zetten. Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied Het plangebied omvat de percelen kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie E, nr. 3302, 3640, 4512 en 4513, plaatselijk bekend Kreitenmolenstraat 67. Het plangebied ligt in Udenhout en wordt begrensd door de Kreitenmolenstraat in het zuiden en de Achthoevenstraat in het oosten.

Figuur 3: ligging plangebied in Tilburg

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Figuur 4: luchtfoto plangebied

1.3 Voorgaande plannen Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, dat op 25 oktober 2012 onherroepelijk is geworden. In dat bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming 'Gemengd-Dorps' en zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.2' en de waarde 'archeologie' mede bestemd voor de daarbij weergegeven functies.

1.4 Ruimtelijke en functionele structuur Gebiedsbeschrijving De locatie ligt in de Kreitenmolenstraat. Dat is een van de hoofdstraten in Udenhout, die de dorpskern verbindt met Rijksweg N65. De Kreitenmolenstraat maakt deel uit van het beschermd dorpsgezicht kom Udenhout. In de Kreitenmolenstraat bevinden zich van oudsher veel winkels en andere dorpsvoorzieningen. We zien aan deze straat veel diepe percelen met een wisselde invulling; achter het hoofdpand aan de straat, bevinden zich diepe aan- en uitbouwen, werkplaatsen en/of ruime achtertuinen. Het onderhavige perceel is gelegen in een strook percelen met de bestemming gemengd-dorps.

Figuur 5: ligging in vigerend bestemmingsplan

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: <0000> Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, <0000> Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en <0000> Afwentelen wordt voorkomen.

Belangrijkste keuzes in de NOVI <0000> een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; <0000> de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; <0000> de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; <0000> de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; <0000> het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; <0000> het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.

Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.

Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt geen bouw van woningen mogelijk gemaakt. Het gaat enkel om de realisering van opslagunits op een binnenterrein. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeven dat een bestemmingsplan, dat voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing en het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. 2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.

2.2.3 Interim omgevingsverordening De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten). Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Het plangebied is gelegen in Stedelijk gebied als bedoeld in de Interim Omgevingsverordening.

2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: <0000> de Brabantstrategie <0000> de Regiostrategie <0000> de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

De vier stedelijke knooppunten: <0000> Binnenstad van de 21e eeuw <0000> Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing <0000> Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven <0000> Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn: <0000> Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven <0000> Stadsregionaal park Stadsbos013 <0000> Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn: <0000> Bedrijvenpark Zuid <0000> Zorgcluster Leijpark <0000> Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: <0000> Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. <0000> Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: <0000> Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten <0000> Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig <0000> Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk <0000> Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.

<0000> Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners <0000> Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal <0000> Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar <0000> Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen <0000> Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers <0000> Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.2.1 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. 3.2.2 Stedenbouwkundige aspecten Het onderhavige perceel is gelegen in een strook percelen met de bestemming gemengd-dorps. Op deze locatie is ruimte voor bedrijvigheid. In het gemeentelijke beleid zetten we momenteel in op het zoveel mogelijk behouden (per saldo) van bedrijfslocaties. Voorkeur gaat daarbij uit naar kleinschalige bedrijvigheid en combinaties van wonen- met werken. Het voorliggende initiatief sluit hierop aan. Het terrein behoudt zijn werkfunctie, maar de ontsluiting wordt gewijzigd. Het achterterrein hoeft hierdoor niet langer te worden bereikt via een smalle doorgang tussen twee woningen door, maar kan via de Achthoevenstraat plaatsvinden. Op deze manier verandert er weinig aan het straatbeeld, maar wordt het perceel beter bruikbaar als werk- en opslaglocatie.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.3.1 Historische geografie Het gebied rond Udenhout behoort geologisch gezien tot de zandgronden van de Centrale Slenk. In dit dalingsgebied is gedurende de laatste ijstijd (70.000 - 10.000 jaar geleden) door de wind zand afgezet, het zogenaamde dekzand. Later werd het zand opnieuw verstoven en ontstonden er zuidwest noordoost gerichte dekzandruggen. Historische en huidig landgebruik; In de omgeving van Udenhout was al vroeg sprake van menselijke aanwezigheid en daarmee samenhangende activiteiten. Een aantal hiervan had een vergaande invloed op het landschap. Als gevolg van grootschalige ontbossing, het steken van heideplaggen en overbeweiding, ontstonden in de loop van de Middeleeuwen op sommige plekken verstuivingen van het dekzand. Veel van deze stuifzandgebieden werden sinds het einde van de negentiende eeuw weer vastgelegd door herbebossing met naaldhout, maar ten noorden van Udenhout bevindt zich nog een groot stuifzandcomplex, de Loonse en Drunense Duinen, waar ook nu nog actieve verstuivingen Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

optreden. Deze grote zandverstuiving vormde - zij het op enige afstand - de noordelijke begrenzing van het Udenhoutse gebied. De vochtige gebieden ten noorden en oosten van Udenhout werden gebruikt als wei- en hooiland. Daarnaast werd hier turf gestoken en hak- en geriefhout gekapt. In een later stadium werden de aanwezige leemlagen afgegraven ten behoeve van de baksteenindustrie. Onder andere ten zuidoosten van Udenhout zijn de zo ontstane leemkuilen in het landschap nog herkenbaar. De drogere, hoger gelegen dekzandruggen werden gebruikt als akkerland. Om met succes gewassen te telen, was bemesting van de mineraalarme dekzandgronden noodzakelijk. Door deze bemesting werden de akkers opgehoogd en ontstond een dikke, humeuze bovenlaag. Deze zogenaamde enkeerdgronden bevinden zich voornamelijk ten westen, zuiden en oosten van Udenhout. Ten noorden van Udenhout bleef de typerende langgerekte verkaveling van de boshoevennederzetting nagenoeg intact. Ten zuiden van deze akkers lag de gemeijnt van Udenhout, de Kreitenheide. Deze woeste gronden werden onder andere gebruikt voor het weiden van schapen en het steken van heideplaggen. Naast de boeren van Udenhout hadden ook de inwoners van Oisterwijk en Haaren recht op het gebruik van deze gemeenschappelijke grond. De oorsprong van het huidige Udenhout dateert echter pas uit de dertiende eeuw.

In 1232 gaf de hertog van Brabant een stuk grond ter grootte van zes hoeven (ongeveer 72 ha) uit aan de abdij van Tongerlo voor de ontginning van de bossen. Deze locatie lag in de buurt van het gehucht Berkhoek ten zuidoosten van de Udenhoutse kom. Ook latere ontginningen van de bossen bij Udenhout werden gekenmerkt door een systematische opdeling in smalle, diepe percelen, gescheiden door paden en sloten. Deze strookvormige ontginningen van bossen wordt wel aangeduid als 'Waldhufen', i.e. boshoeven. De boerderijen werden hierbij op de kop van de percelen gebouwd. Op deze manier ontstond een zogenaamde boshoevennederzetting. Kenmerkend voor een (bos-)hoevenederzetting is de doorgaans lineaire opzet en de vaak haaks daarop gelegen strokenverkaveling, waarbij de hoeven telkens op de kop van de kavels zijn gesitueerd. Bovendien worden hoevenederzettingen vaak gekenmerkt door een typerend T-vormig wegenpatroon omdat rond een belangrijke kruising vaak een zekere verdichting of uitbreiding optrad die uiteindelijk kon leiden tot de vorming van een (dorps-)kern. Deze patronen zijn ook zichtbaar in de opbouw en uitleg van Udenhout waar zich rond de kruising Schoorstraat-Groenstraat-Kreitenmolenstraat-Slimstraat een kleine kern ontwikkelde. Deze is met name gesitueerd rond de kruising en ten zuiden daarvan omdat de noordzijde behoorde tot het gebied van De Strijdhoef.

Langs één van de van hieruit naar het zuiden leidende wegen, de Kreitenmolenstraat, ontwikkelde zich gaandeweg ook een bebouwingslint. Tot ver in de twintigste eeuw bleef het stratenpatroon nagenoeg ongewijzigd. Rond 1800 had zich bij de samenkomst van de Slimstraat, Groenstraat en Kreitenmolenstraat een kleine concentratie van bebouwing gevormd. Opvallend is het verschil tussen de kavels aan de Groenstraat en Slimstraat en die aan de Kreitenmolenstraat. Bij de eerste, en met name aan de Groenstraat, was nog sprake van smalle, zeer diepe percelen, maar langs de Kreitenmolenstraat van kleine, meer blokvormige kavels. Ook aan de noordzijde van de Slimstraat waren de oorspronkelijke percelen langs de straat inmiddels blijkbaar verder opgedeeld. Verder naar het noorden bestond de oude structuur nog wel. De achtergelegen akkers en weilanden werden doorkruist door slechts enkele paden. Een echte uitbreiding van het dorp bleef vooralsnog achterwege. Terwijl de nederzettingen elders door verbetering van en aansluiting op het snel groeiende wegennet in hoog tempo groeiden, bleef een radicale uitbreiding van Udenhout achterwege. De nieuwe rijksweg tussen Tilburg en ’s-Hertogenbosch (1826), op zo'n drie kilometer ten zuiden van het dorp, lag waarschijnlijk te ver weg om uitbreiding naar dorpszijde tot gevolg te hebben.

Ook de aanleg van de spoorlijn tussen Tilburg en ’s-Hertogenbosch en de bouw van een spoorwegstation in 1881 leidde aanvankelijk niet tot de ontwikkeling van een nieuwe (stations-)wijk langs de Kreitenmolenstraat. Hoewel er dus geen uitbreidingswijken ontstonden, vond er wel verdichting plaats van de bebouwing aan de bestaande straten en enige uitbreiding van de bebouwing langs de Kreitenmolenstraat richting spoorlijn en station. Deze laatste ontwikkeling bestond voornamelijk uit de vestiging van bedrijven, zoals baksteenfabrieken (1890), een pakhuis van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (1906) en een zuivelfabriek (1916). In de daaropvolgende jaren vond in de richting van het spoor ook woningbouw

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

plaats. Het station uit 1881 werd uiteindelijk in 1965 afgebroken nadat het personenvervoer al in 1950 was gestaakt. Na de Tweede Wereldoorlog werd Udenhout wel uitgebreid. Achter de bestaande linten werden in hoog tempo enkele wijken aangelegd waaronder Zeshoeven en Achthoeven. Recent werd een nieuwe wijk gerealiseerd ten noorden van de Slimstraat. De structuur aan de Kreitenmolenstraat en Schoorstraat is grotendeels bewaard gebleven. Aan de Kreitenmolenstraat is nog altijd sprake van enigszins blokvormige, ondiepe kavels met vrijstaande bebouwing met veelal bedrijfsmatige en opslagbebouwing op de achterterreinen. 3.3.2 Archeologie Het plangebied Kreitenmolenstraat 67 te Udenhout kent deels een archeologische dubbelbestemming (Udenhout Beschermd Dorpsgezicht 2012). De ondergrenzen hiervoor zijn per bouwplan 100 m2/0,60 m -mv. De archeologische dubbelbestemming heeft te maken met de ligging aan een historisch lint. Verder valt het niet uit te sluiten dat ook van eerdere perioden archeologische resten in het gebied aanwezig zijn, waarschijnlijk begraven onder een esdek indien nog aanwezig. Bij het raadplegen van het Actueel Hoogtebestand Nederland, lijkt het achtererf circa 40 cm lager te liggen. Mogelijk hangt dat samen met het eerdere gebruik van een deel van het plangebied als timmerfabriek. De timmerfabriek is inmiddels gesloopt.

De geplande opslagunits worden ondiep gefundeerd (circa 0,40 m -mv); één unit zal dieper worden gefundeerd. Gelet op de beperkte omvang van de bodemverstoring, lagere ligging van het terrein, eerder gebruik en sloop binnen het plangebied, in combinatie met de beperkte omvang van het plangebied, is de conclusie dat het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor deze locatie niet nodig is. Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden sporen of resten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologisch erfgoed. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt bij de Minister of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Dit kan via het vondstmeldingsformulier (zie: Vondstmeldingsformulier (cultureelerfgoed.nl) . Daarmee wordt de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem. De melding kan ook gedaan worden bij de archeologen van gemeente Tilburg. 3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen In dit plangebied liggen geen beschermde monumenten, geen MIP-panden en geen panden of objecten van cultuurhistorische waarde.

Aan de Kreitenmolenstraat bevinden zich verschillende als beschermd gemeentelijk monument aangewezen objecten die alle dateren uit de periode 1870-1955; dit zijn de nummers 7, 51, 83, 149, 74 en ong. (dorpspomp). Verder wordt de straat gekenmerkt door bebouwing uit de MIP-periode (1850-1940) die zich vooral concentreert rondom het ten noordwesten van het plangebied gelegen centrale kruispunt van Slimstraat, Groenstraat, Shoorstraat en Kreitenmolenstraat. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant maakt het plangebied deel uit van een gebied van hoge stedenbouwkundige waarde. Daarbinnen wordt ook de Kreitenmolenstraat wordt aangeduid als een lijn van hoge stedenbouwkundige waarde. Het plangebied is gelegen net ten noordoosten van het op 15 juni 2009 als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied Kom Udenhout. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de karakteristiek of zichtlijnen van het beschermde dorpsgezicht. 3.3.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van monumentenzorg/cultuurhistorie is er geen bezwaar tegen deze ontwikkeling. Er worden geen beschermde objecten of structuren aangetast en er zijn geen negatieve gevolgen voor het beschermde dorpsgezicht.

Gelet op de beperkte bodemverstoring, lagere ligging van het terrein, eerder gebruik en sloop binnen het plangebied, in combinatie met de beperkte omvang van het plangebied, is het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor deze locatie niet nodig. Wel geldt er op grond van art. 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht wanneer er bij grondwerkzaamheden alsnog archeologische sporen of vondsten worden aangetroffen.

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

3.4 Groen en speelruimte 3.4.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2021 <0000> Bomenbeleid: <0000> beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2021 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.

Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco-,hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.amet betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen.

Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van deBomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan is de BWZ-kaart verwerkt in de Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Beschermwaardige bomen Om het plan te ontsluiten wordt een nieuwe inrit aangebracht nabij beschermwaardige bomen (gemeentelijke laanbomen in de Achthoevenstraat). Middels Boomeffectanalyse (zie bijlage 1) is onderzocht of de uitrit gerealiseerd kan worden met duurzaam behoud van de beschermwaardige bomen. In de BEA is rekening gehouden met de actuele kwaliteit van de boom, het ondergronds onderzoek en de beoordeling van de ontwerptekening. De conditie van de boom is voldoende en er zijn geen ziekten, gebreken een aantastingen van structurele aard vastgesteld. Wel is sprake van een verhardingsopdruk. Deze opdruk is nog voor een bepaalde tijd op te lossen door het verwijderen van zand onder de tegels. De boom heeft een toekomsverwachting van meer dan 15 jaar. Geconcludeerd kan worden dat de inrit aangelegd kan worden met duurzaam behoud van de boom. Dit heeft geleid tot een aanpassing van het ontwerp waarbij de inrit smaller wordt en op grotere afstand wordt aangebracht tot de boom. De breedte van de inrit is aangepast van 4,5 meter naar 3,0 meter. Aan beide zijden van de inrit is rekening gehouden met 30 centimeter funderingsoverlap. De afstand tussen het hart van de boom en de ontgraving bedraagt 2,7 meter. Door deze aanpassing kan het plan gerealiseerd worden met duurzaam behoud van de bomen. Op pagina 8 van de BEA is een afbeelding van het ontwerpwijziging opgenomen.

3.4.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.4.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteitneemt wereldwijd af.

Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter tebeschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1.

De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). 3.4.4 Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen.

De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk. 3.4.5 Conclusie Vanuit het oogpunt van het groen en speelruimte is er geen bezwaar tegen deze ontwikkeling. De locatie is in de huidige situatie niet groen ingericht en de locatie maakt geen onderdeel uit van een ecologische structuur.

3.5 Verkeer en parkeren 3.5.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

3.5.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

<0000>

<0000>

<0000>

Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.

3.5.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

3.5.4 Onderbouwing plan Ligging/ontsluiting plangebied Het plangebied ligt centraal in Udenhout en betreft een achterliggend binnenterrein, ontsloten via een smalle doorgang naar de Kreitenmolenstraat. Het gebied krijgt een nieuwe ontsluiting via de Achthoevenstraat. Zowel de Kreitenmolenstraat als de Achthoevenstraat zijn aangewezen als erftoegangsweg. Hier geldt een maximum toegestane snelheid van 30 km/u. De toekomstige functie van het terrein is kleinschalige opslag voor particulieren en kleine bedrijven. Gelet op de functie van het terrein wordt zwaar vrachtverkeer niet verwacht. Sterker nog: het terrein is enkel toegankelijk voor voortuigen tot maximaal 8 meter. Om de inrit mogelijk te maken zijn een aantal aanpassingen voor het openbaar gebied en eigen terrein noodzakelijk om goed in/uit te rijden. De aanpassingen zijn opgenomen in het inrichtingsplan (zie bijlage 2). - inrit op eigen perceel dient tenminste 5,60 meter breed te zijn; - het eerste deel van de inrit bij de boom is 3,60 meter inclusief funderingsoverlap (zie paragraaf 3.4); - parkeervak thv Achthoevenstraat 3 dient behouden te blijven; - de automatische poort dient minimaal 3 meter teruggelegd te worden op de inrit (vrachtauto heeft op erfgrens volle breedte van inrit nodig om in/uit te kunnen draaien). De kosten voor aanpassing openbaar gebied zijn voor rekening initiatiefnemer.

Parkeren De ontwikkelingen moeten voldoen aan het parkeerbeleid van de gemeente Tilburg. Nieuwe ontwikkelingen in dit gebied moeten voldoen aan de, op dat moment, vastgestelde parkeernormen. Voor het programma zijn de meest recent vastgestelde parkeernormen voor zone C van toepassing. In het plan zijn 11 parkeerplaatsen op eigen terrein voorzien. Gezien het opgegeven programma wordt hiermee voldaan aan de parkeereis. Bij de vergunningverlening zal de definitieve parkeertoets worden gedaan. 3.5.5 Conclusie Vanuit het oogpunt van het verkeer en parkeren is er geen bezwaar tegen deze ontwikkeling.

Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad. a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879). Gelet hierop wordt de bouw van opslagunits niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject.

Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de toevoeging opslagunits, maar het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing is te beperkt om aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op 800 meter afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.

4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van de binnen het plangebied of elders gelegen bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren.

Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 9e herziening (Kreitenmolenstraat 67)

milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude. De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels. Op basis van VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt per categorie een bepaalde richtafstand. De richtafstand tot een rustig woongebied voor een categorie 2 bedrijf (in dit geval opslaggebouwen voor de verhuur) bedraagt 30 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Het plangebied is gelegen in het centrum van Udenhout, waar de omgeving van de locatie kan worden getypeerd als ‘gemengd gebied’ als bedoeld in de VNG-brochure, een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn enkele bedrijven gelegen, een menging van vele relatief dicht bij elkaar gelegen functies. Dit betekent dat gemotiveerd kan worden dat er geen sprake is van een rustig woongebied maar van een gemengd gebied. Hierdoor mag de richtafstand met één stap worden verlaagd.

Dit betekent een richtafstand van 10 meter voor geluid en een richtafstand van nul meter voor het aspect gevaar. Aan de richtafstand van 10 meter voor geluid wordt niet voldaan. Aan de richtafstand voor gevaar van nul meter wordt wel voldaan. In de opslagunits is geen sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen. Omdat niet aan de richtafstand van 10 meter voor geluid wordt voldaan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3). De resultaten van dit onderzoek zijn samengevat in paragraaf 4.6.2 (‘Indirecte Hinder’) van deze milieuparagraaf. Uitgangspunten van dit onderzoek zijn: - de doelgroep bestaat uit (lokale) particulieren en kleine bedrijven met behoefte aan extra (tijdelijke) kleinschalige opslag; - in de opslagunits vinden geen bedrijfsmatige activiteiten plaats; - het terrein is niet toegankelijk voor zware motorvoertuigen (vrachtverkeer); - het terrein is permanent afgesloten van de openbare ruimte. Het terrein is via de automatische poort bij de inrit van het terrein toegankelijk voor de huurders van de opslagunits; - de opslagunits zullen in de nachtperiode zeer beperkt gebruikt worden door de huurders.

Hierbij is ook meegewogen dat er op grond van het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht een bedrijf van categorie 3.2 is toegelaten en de planologisch toegestane milieubelasting door het voorliggende bestemmingsplan dus afneemt Geconcludeerd kan worden dat bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor dit plan. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13993479/1