CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting

Raadsvergadering 1 februari 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herz. (Dongenseweg 67-69)14.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de monitoringstool de luchtkwaliteit berekend voor de meest relevante stoffen, te weten PM10, PM2,5 en NO2.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Uit de gegevens van de monitoringstool blijkt dat de maximale concentratie NO2 ten hoogte van het bestemmingsplan ca. 25 ug/m3 bedraagt. Voor PM10 bedraagt deze concentratie 19,7 ug/m3. Voor PM2,5 bedraagt de maximale concentratie 12 ug/m3. Er wordt ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 van 40 ug/m3. Wat betreft PM2,5 wordt er ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 25ug/m3. Bovenstaande getallen betreffen de waarden voor het jaar 2018. Aangezien naar de toekomst toe de luchtkwaliteit door de treffen van maatregelen steeds schoner wordt zal ook in toekomstige jaren ruimschoots voldaan worden aan de normen. Vanuit luchtkwaliteit is er geen bezwaar tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Het plangebied ligt aan de rand van een industrieterrein. Op het industrieterrein zijn geuremitteerde bedrijven mogelijk. Om te kunnen bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (zie hierboven). 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Het plangebied ligt in het overgangsgebied tussen bestaand stedelijk- en landelijk gebied. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen veehouderijen. Hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek.In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. Er is geen bodemonderzoek aangeleverd doch er zijn bij ons bodemgegevens bekend. De bodemkwaliteit wordt beschreven onder 'Bodemkwaliteit plangebied' (navolgend).

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg (specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg). In deze context en de navolgende wordt opgemerkt dat in Noord-Brabant, zo ook in Tilburg, Udenhout en Berkel-Enschot, regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen worden zonder direct aanwijsbare bron. Dergelijke verhoogde waarden zijn eerder regel dan uitzondering, hebben een diffuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd en ruimte variëren. Conform de nota zijn verhoogde waarden aan (zware) metalen, met name nikkel, koper, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondgehalten te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu. Bodembeheerplan (Bodemkwaliteitskaart) Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart (2019) vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Landbouw en natuur' (Bodemfunctieklassenkaart).

Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren d.w.z., er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit ténzij is vastgesteld dat de grondkwaliteit op een specifieke locatie/adres/perceel) beter of slechter is dan de toegekende functie. Dan geldt dat de kwaliteit van de toe te passen grond gelijk of beter moet zijn dan de ontvangende bodem (standstill beginsel). Grond uit deze zone kan worden toegepast in alle zones mits niet verontreinigd ("schoon").

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Uitdrukkelijk wordt verwezen naar het de 'Nota bodembeheer gemeente Tilburg' (volg de eerder geven weblink). Daarin staat beschreven wat de (on-)mogelijkheden en uitzonderingen zijn van de toepassing of hergebruik van gebiedseigen grond van een mindere kwaliteit. De actuele/werkelijke grondkwaliteit wordt behandeld 'Bodemkwaliteit Plangebied' (navolgend). Bodemkwaliteit Plangebied Op basis van de navolgende onderzoeken en de bodemkwaliteitskaart bestaat de volgende verwachting; <0000> Aanvullend Historisch onderzoek Noordwesttangent (TBG rapportcode AA085525234), <0000> Verkennend bodemonderzoek Burgemeester Baron van Voorst tot Voorst (TBG rapportcode AA085527198), <0000> Verkennend bodemonderzoek Dongenseweg 67 (TBG rapportcode AA085525212). Over het algemeen bevat de grond van oudsher geen verhoogde gehalten. Bij de mogelijke aanwezigheid van nog niet onderzochte (voormalige) olietanks bestaat de kans dat lokaal de bodem tot sterk verhoogde gehalten kan bevatten aan brandstofproduct. Het grondwater bevat verhoogde gehalten aan voornamelijk één of meer zware metalen. Zie met betrekking tot de verhoogde gehalten aan één of metalenen hetgeen hierover is geschreven in de gemeentelijke nota 'In goede Aarde'. Conclusie Voor het wijzigen van het bestemmingsplan wordt bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht.

In het kader van de verwachtte aanvraag Omgevingsvergunning, activiteit '(ver)bouwen van een bouwwerk' (Wabo), zal hoogstwaarschijnlijk een actueel bodemonderzoek worden verlangd. Mocht onverhoopt in dit bodemonderzoek bodemverontreiniging worden aangetroffen waarbij, gelet op de Wet bodembescherming (Wbb), sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en/of worden of een bodemverontreiniging waar een zogenaamde zorgplichtartikel van toepassing is, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit (milieuvergunning) of Wbb (artikel 13), dan kan de locatie door een vorm van bodemsanering als nog geschikt worden gemaakt. Indien hier sprake van is dan wordt sanering via voornoemde omgevingsvergunning gereguleerd.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

<0000> <0000> <0000>

<0000>

beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) Overige inheemse broedvogels Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied.

De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Voor de geplande ontwikkeling is een quickscan flora en fauna (inclusief toets aan gebiedsbescherming), een aanvullend vleermuizenonderzoek en een aanvullende stikstofberekening uitgevoerd. Voor deze documenten wordt verwezen naar de bijlagen bij de plantoelichting. De belangrijkste bevindingen en conclusies zijn hieronder weergegeven. Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, "Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen", bevindt zich op circa 5 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof.

Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

realisatie van huisvesting voor arbeidsmigranten betreft is een toename van verkeersbewegingen (woon-werkverkeer) ter plaatse te verwachten. Om te toetsen of de ontwikkeling een significante toename aan stikstofdepositie veroorzaakt binnen een Natura 2000-gebied is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De AERIUS-berekening is uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Voor de gebruiksfase is geen emissie door stookinstallaties meegenomen, omdat het gehele plan gasloos wordt uitgevoerd. Zowel voor de aanlegals gebruiksfase zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn daarmee voldoende uitgesloten. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het plangebied is kadastraal begrensd en valt buiten het NNB. Ten noordoosten van het plangebied is wel NNB gelegen, met het natuurbeheertype N16.03 Droog bos met productie. Met een passende inrichting, zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan, zal er een hogere natuurwaarde ontstaan dan reeds in de huidige situatie het geval is. Het plangebied ligt geheel binnen de groenblauwe mantel. Doordat de ontwikkeling gepaard gaat met een goede landschappelijke inpassing, een natuurlijke inrichting en kwaliteitsverbetering van het landschap wordt voldoende invulling gegeven aan de regels die gelden voor de groenblauwe mantel.

Het plangebied is onderdeel van een corridor van het Stadsbos013 in het zuiden tot en met Huis ter Heide / Lobelia in het noorden. In de visie Dongenseweg is het doel voor het gebied een park/tuinachtige inrichting (aan de straat) en bedrijfslocatie (noordelijk deel). Met betrekking tot de ecologische corridor is deze ontwikkeling niet strijdig met de visie. Wel wordt het volgende benoemd: "Naast een goede landschappelijke inpassing, waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de groene dooradering van het gebied, moeten de functies milieutechnisch passen en moeten ze een bijdrage leveren aan de natuurontwikkeling in het gebied (rood voor groen)". Hier wordt aan voldaan door middel van de kwaliteitsverbetering landschap en AERIUS-berekening. Soortenbescherming In het gebouw is een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Het is nog niet bekend of deze paarverblijfplaats behouden blijft. Indien het gebouw gesloopt wordt (of de paarverblijfplaats niet in het gebouw behouden kan blijven), zal een overtreding begaan worden op artikel 3.5 lid 2 en 4 van de Wet Natuurbescherming. Alvorens de sloop van het gebouw kan worden uitgevoerd dient een ontheffing verkregen te worden.

Deze dient te worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Brabant-Noord, en moet worden onderbouwd met een activiteitenplan, met hierin onder andere compenserende en mitigerende maatregelen, alternatievenafwegingen en onderbouwing van het wettelijk belang. Het verdwijnen van een paarverblijfplaats heeft een zeer beperkt ecologisch effect op de gewone dwergvleermuis. Het is vrij eenvoudig om hiervoor vervangende maatregelen te treffen in de nieuwbouw. In de praktijk zal een ontheffing naar alle verwachting verleend kunnen worden en leidt de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis niet tot een onuitvoerbaar bestemmingsplan. Het plangebied wordt tevens gebruikt als foerageergebied van de gewone dwergvleermuis. Vaste vliegroutes van vleermuizen zijn niet aanwezig. Ten aanzien van foerageer- en vlieggedrag van vleermuizen wordt geadviseerd om licht gericht en uitschijnend op opgaand groen te vermijden. Bij de uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren, ervan uitgaande dat het eksternest in het plangebied nog in gebruik is door de ekster (eksternesten worden weleens overgenomen door roofvogels). Middels controles in het broedseizoen zal dit worden gecontroleerd.

Het is tevens niet aannemelijk dat de nieuwe situatie en de aanlegfase (veelal prefab), in vergelijk met het huidige bedrijfsmatige gebruik, indirect een verstorend effect op een broedgeval zullen hebben, waardoor het nest permanent wordt verlaten. Overtreding van de Wnb is hieromtrent dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Bij het verwijderen van bebouwing en opgaand groen kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van beplanting en bebouwing buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wnb wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aanwezigheid van een verlaat broedgeval (bv. van een houtduif) zal een controle worden uitgevoerd om hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.

De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusie Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Interim Omgevingsverordening (Groenblauwe Mantel) zijn in het plan regels opgenomen ter bescherming van natuurwaarden in de groenblauwe mantel. Er wordt een kwaliteitsverbetering van het landschap gerealiseerd. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen: <0000> Indien de aanwezige bebouwing wordt gesloopt, wordt voorafgaand aan de sloop ontheffing aangevraagd voor het verwijderen van een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. <0000> Licht, gericht en uitschijnend op opgaand groen, wordt vermeden. <0000> Opgaand groen en bebouwing worden verwijderd buiten het broedseizoen. Bij twijfel over een aanwezig broedgeval wordt een veldcontrole uitgevoerd voor aanvang van deze werkzaamheden.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1. Gebiedskenmerken Kenmerk In plangebied Stroomgebied

Donge

Waterbeheerders

Bruto oppervlakte

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta Ca. 1,65 ha

Verhard oppervlak

Ca. 1.300 m² dakoppervlakte, plus verharding eromheen

Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte

11,00 à 11,50 m + NAP, aflopend naar het noordwesten. Afbeelding 1 Ca. 8,40 m + NAP, aflopend naar het noordwesten. Afbeelding 2 Ruim 1 m

Bodem

Sterk lemig, matig fijn zand

Riolering

Drukriolering

Oppervlaktewater

Wolterbeekvijver: ca. 4,5 ha; grondwaterafhankelijk, waar regenwaterberging voor delen van Kraaiven plaatsvindt Watergangen van Vossenberg Sloten voor de afwatering van Dongenseweg Afbeelding 3 Plangebied is omsloten door beschermde gebieden Keur. Afbeelding 4

Beschermde gebieden

Afbeelding 1: maaiveldhoogten (bron: www.ahn.arcgisonline.nl)

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Afbeelding 2: gemiddelde hoogste grondwaterstand (bron: Gemeentelijk grondwatermeetnet)

Afbeelding 3: oppervlaktewater (bron: Brabantse Delta)

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Afbeelding 4: Beschermde gebieden van de Keur (bron: Brabantse Delta) In de Dongenseweg ligt drukriolering. Het afvalwater stroomt af tot de zuidelijke gelegen gemengde riolering in Dongenseweg. De afwatering van regenwater afkomstig van de weg en percelen aan Dongenseweg vindt plaats via sloten aan beide kanten van de weg. Het water stroomt af richting noordwesten via de Heibloemsloot / Onkelsloot en verder tot de Donge.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan 'Grenzeloos Verbindend' 2016 - 2021 vastgesteld op 14 oktober 2015. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: <0000> Risico’s beheersen <0000> Duurzame ontwikkeling <0000> Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend <0000> Effectief en efficiënt <0000> Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit) Inzet is gericht op het bereiken van de doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: <0000> Beekdalbenadering <0000> gebruiker centraal <0000> samen sterker <0000> gezonde toekomst Naast deze beheerplannen beschikken de Noord-Brabantse waterschappen over verschillende beleidsregels en de Keur (gewijzigd op 1 januari 2019), die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

De Tilburgse 'Omgevingsvisie 2040' is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn de algemene uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Uitwerking ervan en van het klimaatbeleid vindt plaats in het 'Programma Water en Riolering' (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. Daarbij wordt de lijn van vGRP 2016-2019 geactualiseerd, aangevuld en aangescherpt in vier speerpunten: <0000> Water-robuust en klimaatbestendig <0000> Duurzaam en levenscyclusgericht <0000> Integraal werken <0000> Participatie en communicatie

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

De vastgestelde basisopgaven spelen in op duurzaamheid, energietransitie, enz. en anticipeert op de nadelige klimaatverandering. Het vastgestelde beleid stelt daarom hoogwaardige eisen aan bestaande stedelijke gebieden, nieuwe verstedelijking en het beheer van de openbare ruimte. Onderzoek De bureaustudie 'Beknopte waterparagraaf Dongenseweg' (Aeres Milieu, juli 2019) is een globale beschrijving van de manier waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied voor de waterhuishouding. Er is voor gekozen om het bodemkundig-hydrologisch onderzoek uit te voeren bij de planfase waar het technische ontwerp opgesteld wordt. Aan de hand van de beschikbare gegevens en het vigerende beleid kan de bestemmingsplanwijziging vastgesteld worden, omdat de risico's van afwijkende gebiedskenmerken voor de waterhuishouding beperkt zijn. De gemeente monitort de grondwaterstanden in het kader van haar zorgplicht ten aanzien van grondwateroverlast. Deze gegevens zijn afkomstig van het gemeentelijke meetnet, dat door Brabant Water en waterschap De Dommel worden beheerd. Aan de hand van de beschikbare meetreeksen zijn er kaarten vervaardigd. Daarmee kan de ontwateringdiepte globaal getoetst worden. Ook de bodemsamenstelling is globaal in beeld gebracht bij de studie 'Terreinhoogte-, bodem- en grondwaterkaarten' (Geofox, oktober 2006).

Daar zijn gegevens gehanteerd van talloze beschikbare bodemonderzoeken.

5.3 Afwegingen De eigenaar van de grond is verantwoordelijk voor de keuze van de terrein- en vloerhoogten binnen de perceelgrenzen. Deze terreinhoogten moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende aspecten: <0000> Minimale ontwateringdiepte <0000> De water- en vochtigheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende voor de nieuwe functie van de ruimte <0000> De vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn <0000> Terreinhoogten moeten aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) <0000> Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen <0000> Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag Het plangebied is omsloten door percelen die bij de beschermde gebieden van de Keur horen. In die gebieden mag er geen relevante achteruitgang van de waterhuishouding, bijvoorbeeld door grondwater-verlagende maatregelen. Het plangebied ligt hoog ten opzichte van het grondwater en dan ook met ruim voldoende ontwateringdiepte. Door de bodemsamenstelling kan het regenwater lokaal stagneren in zijn neerwaartse weg naar het grondwater. In dat geval blijft het regenwater 'hangen' in de bodem. Er kunnen zogenaamde schijngrondwaterspiegels ontstaan. Dat water kan zorgen voor overlast.

Om dat te voorkomen is het mogelijk ondiepe drainage aan te leggen binnen het plangebied. Deze drainage mag geen water afvoeren onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), op ca. 8,40 m + NAP. De eventuele ondiepe drainage wordt strikt getoetst aan het voor de beschermde gebieden van De Keur vigerende antiverdrogingsbeleid. De afvoer van het gedraineerde water wordt aangesloten op de regenwaterafvoer, om het gebiedseigen water zo min mogelijk kwijt te raken. Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij is het doel te natte en te droge situaties zoveel mogelijk voorkomen. Het verharde oppervlak neemt toe in de nieuwe situatie. Daardoor kan er minder regenwater op een natuurlijke wijze infiltreren in de bodem. De hydrologische cyclus wordt gestoord. Om de effecten van het plan zo veel mogelijk terug te dringen, wordt de trits vasthouden-bergen-afvoeren gehanteerd. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen regenwater zoveel mogelijk vast te houden. Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen <0000> Groene daken <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Waterdoorlatende verharding Regenwater infiltreren Alle beetjes helpen; andere of innoverende ideeën zijn mogelijk in overleg met de gemeente. <0000> <0000>

Vasthouden kan gecombineerd worden met regenwaterberging. Het doel is voorkomen dat het regionale watersysteem overbelast wordt door versnelde afvoer naar het oppervlaktewater. Om de effecten van het plan zoveel mogelijk terug te dringen, moet het water binnen het plangebied worden geborgen. Hierbij wordt gestreefd naar een hydrologisch neutrale situatie. Het waterschap eist een waterberging van 60 mm voor de toename van verharde oppervlakte, conform de Keur. Deze berging is verplicht als de afvoerende oppervlakte boven 2.000 m² toeneemt. De klimaatontwikkeling brengt intensievere en grotere neerslag met zich mee. Dat betekent meer locaties, frequenter en meer wateroverlast. Tevens zijn periodes met hogere temperaturen gedurende lange periodes. Het watertekort in Noord-Brabant wordt alleen maar groter. Om dat zoveel mogelijk te voorkomen wordt bij bouwplannen en heinrichtingen water geborgen. De vastgestelde bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. In de 'Beknopte waterparagraaf Dongenseweg 67' is een inschatting opgenomen van de af te wateren oppervlakten in de toekomstige situatie (tabel 2). Tabel 2.

Afvoerende oppervlakken in de toekomstige situatie Oppervlakken * Verhard (m²) Bebouwing 250 poortgebouw 2.950 dak 1.470 parkeergarage Terreinverharding 3.750 Totaal verhard 8.420 Onverhard 7.930 Totaal 16.500 * Bron: schatting op basis van globaal inrichtingsplan

Afbeelding 5: afwaterende oppervlakken Op basis van bovenstaande af te wateren oppervlakte in de nieuwe situatie, bedraagt de waterbergingsopgave bedraagt ongeveer 505 m³. De meest kansrijke mogelijkheden om deze opgave vorm te geven en / of te verkleinen is een combinatie van:

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

<0000>

<0000> <0000> <0000>

Belasting-reducerende ontwerpkeuzes, zoals minder afwaterende oppervlakken (ontharden), toepassen van half-verharding Waterberging in vegetatiedaken bij de bebouwing (minimaal 15 mm) Waterberging in een hergebruiksysteem Waterbergingsvijver in de centrale ruimte van het binnenterrein

Het hergebruik van regenwater voor toiletspoeling vraagt bijzonder aandacht voor de mogelijke milieu-hygiënisch risico's. Daarom wordt deze toepassing afgeraden. Het regenwater kan worden benut om onder andere de auto te wassen, de tuin te besproeien of om de belevingswaarde van water te vergroten. In het centrale deel van het binnenterrein, tussen de flats wordt ruimte gereserveerd voor en bergingsvijver. Naar schatting past de volledige waterberging met een waterdiepte van ongeveer 0,5 m. Een overloop naar het oppervlaktewater is mogelijk op de sloten langs Dongenseweg. Bij deze watergangen heerst er hoogstwaarschijlijk hoogwater als de nooduitlaat gaat werken. Om eventuele zwaardere neerslag op te vangen adviseert de gemeente een droog legging te hanteren van minstens 30 cm tussen maximale vulling van de berging en de kop van het talud. Conform het Activiteitenbesluit en met het doel de risico's te voorkomen op de verontreiniging van de bodem en het oppervlaktewater, is het toepassen van uitloggende bouwmaterialen uitgesloten. De risico's op verontreiniging van de bodem en het oppervlaktewater in woonlocaties door menselijke activiteiten of calamiteiten relatief laag. Daarom wordt een verbeterd gescheiden riolering niet noodzakelijk geacht.

De minimale afvoercapaciteit voor de regenafwatering van de openbare ruimte en percelen is bij het nieuwe waterbeleid opgeschroefd omwille van de klimaatverandering en aan de hand van de meest actuele statistiek: <0000> Geen water op straat bij een voor stedelijk gebied maatgevende neerslag met een herhalingstijd van 10 jaar <0000> Geen schade en overlast bij voor stedelijk gebied maatgevende neerslag met een herhalingstijd van 100 jaar In het plangebied worden 700 inwoners gehuisvest. Het vrijgekomen huishoudelijke afvalwater en andere gebruikswater betekent naar inschatting een piekaanvoer dat varieert tussen 20 en 35 m³/u. De bestaande drukriolering is ontoereikend om deze afvoer te verwerken. Het vrijgekomen vuilwater moet verzameld worden tot een voor rekening van het plan aan te leggen gemaal binnen het plangebied, en vanuit daar verpompt worden tot een nog vast te stellen lozingspunt. Hiervoor twee mogelijkheden: <0000> Vuilwaterriolering van Vossenberg <0000> Gemengde riolering in Dongenseweg Beide oplossingsrichtingen kunnen consequenties hebben voor het ontvangende bemalingsgebied. De benodigde gemaal, persleiding tot het lozingspunt en eventueel noodzakelijke verzwaring van de ontvangende riolering moeten bepaald worden in overleg met de gemeente en de kosten zijn voor rekening van het plan.

Voorwaarde voor de toetsing van de watervergunning is bovengenoemde leemtes te in te vullen en de opgaven concreet te maken aan de hand van het definitief ontwerp van het inrichtingsplan, aan de hand van een uitgewerkt rioolplan. Daarbij moet de inschattingen concreter geïnventariseerd worden en oplossingsrichtingen uitontwikkeld tot aan te leggen voorzieningen.

5.4 Watertoets De initiatiefnemer heeft de wateraspecten beschreven via de studie 'Beknopte waterparagraaf Dongenseweg' (Aeres Milieu, concept juli 2019). Het conceptrapport van juli 2019 is aangeboden aan de gemeente en het waterschap Brabantse Delta. Gemeente en waterschap hebben commentaar aangeleverd bij de toetsing van het rapport en in het voorlopig wateradvies (mail van 20 november 2019). De essentie van het advies van het waterschap is een aantal correcties, leemtes en aandachtspunten. Het waterschap heeft bijvoorbeeld bodemonderzoek gevraagd. In deze waterparagraaf worden een groot deel van de commentaren verwerkt. De leemtes worden niet gezien als een belemmering om de voortgang van de bestemmingsplanwijziging te koppelen aan de uitvoering van de benodigde onderzoeken. De ontbrekende input moet worden overlegd worden ruim voldoende tijdig vóór de aanvraag van de omgevings- en de watervergunning.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Omwille van de voortgang is het waterschap verzocht in te stemmen met deze werkwijze. Het waterschap stemt er mee in in haar voorlopig wateradvies, via mail d.d. 31 januari 2020. Het voorlopig wateradvies is verwerkt in deze waterparagraaf, of er wordt onderbouwd van afgeweken. Bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zal het waterschap Brabantse Delta het volledige plan beoordelen.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg 7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 29 november 2019 gepubliceerd in het (digitale) Gemeenteblad.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept-ontwerpbestemmingsplan is verzonden naar de provincie. Bij brief van 5 maart 2020 heeft de provincie gereageerd. Hieronder wordt de overlegreactie met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders wordt vermeld. De provincie is in beginsel positief over het plan. Wel wijst zij op een motivering in het kader van de IOV, meer specifiek in het kader van de artikelen 3.43 en 3.44. Ten slotte wijst de provincie erop dat zij de omvang van de te plegen inspanning in het kader van 'kwaliteitsverbetering landschap', als bedoeld in en verschuldigd op basis van artikel 3.9 IOV, niet kan nagaan. Reactie gemeentebestuur De projectlocatie is gelegen in de Groenblauwe mantel en in gebied dat volgens de IOV klassificeert als 'Verstedelijking afweegbaar'. Ingevolge genoemd artikel 3.43 gelden er voorwaarden voor nieuwvestiging. Nieuwvestiging is in de IOV als volgt gedefinieerd: vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan.

Dat is hier niet aan de orde. In het geldende bestemmingsplan is op de projectlocatie sprake van zowel een bestaand bouwblok als een bedrijfsbestemming. Daarmee behoeft de rest van artikel 3.43 geen bespreking meer. Ook artikel 3.44 IOV is gelet op het vorenstaande niet aan de orde. De kwaliteitsverbetering landschap beloopt ongeveer een halve ton euro en is meegenomen in de anterieure overeenkomst. Een deel betreft landschappelijke inpassing, een deel betreft storting van het restantbedrag, waarmee de gemeente vervolgens aan de slag gaat.

7.3 Omgevingsdialoog In het kader van de huisvesting van arbeidsmigranten is een uitgebreid overlegtraject met omwonenden in de voorfase gevolgd. Dit traject heeft bestaan uit twee informatiebijeenkomsten en een viertal bijeenkomsten met een Klankbordgroep van omwonenden. Initiatiefnemer heeft met tal van opmerkingen uit deze bijeenkomsten rekening gehouden in de planvorming en planuituitwerking. Op 12 november 2019 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog nog de standaard informatiebijeenkomst gehouden met betrekking tot het conceptbestemmingsplan. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Daarnaast is het eerste concept van de verbeelding gepresenteerd. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. In totaal zijn er dus 3 informatiebijeenkomsten voor omwonenden geweest, naast 4 bijeenkomsten van de Klankbordgroep.

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. INVULLEN (per genummerde zienswijze een inhoudelijk oordeel, met conclusie dat zienswijze geheel of gedeeltelijk gegrond dan wel ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is).

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 8e herziening (Dongenseweg 67 -69)

Bijlage bij toelichting Bijlage 1 Visie integratie stad-land Dongenseweg Visie integratie stad-land Dongenseweg

Bijlage 2 Laddertoets Laddertoets

Bijlage 3 Archeologisch onderzoek Archeologisch onderzoek

Bijlage 4 Onderzoek milieuzonering Onderzoek milieuzonering

Bijlage 5 Akoestisch onderzoek Akoestisch onderzoek

Bijlage 6 EV-Quick Scan EV-Quick Scan

Bijlage 7 Verantwoording groepsrisico Verantwoording groepsrisico

Bijlage 8 FF-Quick Scan FF Quick Scan

Bijlage 9 Vervolgonderzoek vleermuizen Vervolgonderzoek vleermuizen

Bijlage 10 Stikstofonderzoek Stikstofonderzoek

Bijlage 11 Parkeernormen Tilburg 2017 Parkeernormen Tilburg 2017

Bijlage 12 Memo Verkeer en parkeren Memo verkeer en parkeren

Bijlage 13 Notitie afwikkelingsberekeningen VRI 056 Notitie afwikkelingsberekeningen VRI 056

Bijlage 14 Besluit vormvrije Mer Besluit vormvrije mer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9656182/1