04 Toelichting bp TLB 2016 2e herz
Tekst van het document
4.5 Bodem In Nederland regelt de Wet bodembescherming de omgang met gronden met als doel te voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen ontstaan en bestaande bodemverontreinigingen worden verspreid. Ook worden eisen gesteld aan de bodemkwaliteit bij verschillende gebruiksfuncties. De kwaliteit van de bodem (aan/afwezigheid van verontreinigingen) dient bijvoorbeeld beter te zijn bij de toekenning van een woonfunctie dan bij het gebruik van gronden voor industrie. Relevantie voor het plan Door de jaren heen zijn er verschillende bodemonder-zoeken op en direct rond de locatie uitgevoerd. Tevens is er sprake een saneringsplan, van een BUS-melding en van 'monitoringsrapportages'. Meerdere (vervolg-)onderzoeken, saneringsplan en monitoring wijzen op de aanwezigheid van belangwekkende bodemverontreiniging. Op, al dan niet voormalig kadastraal perceel 6893, is er sprake van een bodemsanering, uitgevoerd in 2003. Na sanering is een (sterke) restverontreiniging achtergebleven in de grond en het grondwater, deels onder het pand (olie-/benzineproduct). De restverontreiniging in het grondwater onder het pand wordt periodiek gemonitord, in opdracht van de LIDL. Omdat er sprake is van sloop dient er, in het kader van de sloopmelding, een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst van die inventarisatie wel/niet asbestverdacht.
Indien blijkt t dat er asbest is toegepast kan tijdens de bouw, door bewerking van asbesthoudende materialen asbest in de bodem zijn geraakt zo ook door brand. Door verwering kan door uitpandig toegepaste asbesthoudende materialen asbest in de bodem zijn ge-raakt. De locatie is door een vorm van (verdere) bodemsanering geschikt te maken. Een eventuele (verdere) bodemsanering, mede gelet op dat het pand wordt gesloopt, wordt procedureel geregeld in de aanstaande Omgevingsvergunning. Een dergelijke vergunning wordt dan onder voorwaarden afgegeven, met een koppeling naar een saneringsprocedure en bevoegd gezag Wet bodembescherming: er kan niet eerder worden gesloopt/gebouwd dan na instemming van (gemandateerd) bevoegd gezag
4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
22
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.6.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde bijlagen Risico-inventarisatie en Verantwoording groepsrisico (bijlage 5) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en het spoor Breda-Tilburg-Vught/Boxtel. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. Er is een groepsrisicoberekening uitgevoerd door Bureau Kragten getiteld ‘Externe Veiligheid Spoor, LIDL Bosscheweg 296 Tilburg, d.d. 12 juli 2020, TIL038’ (bijlage 6). Deze QRA is op 1 september 2020 goedgekeurd door de gemeente Tilburg. 4.6.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportasgebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk.
<0000> Combinatie met gemengd of intensief gebied is mogelijk. <0000> Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten. <0000> Beheersbaarheid spoor en gemeentelijke wegen op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.6.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en het spoor Breda-Tilburg-Vught/Boxtel. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 27 oktober 2020 advies uitgebracht (bijlage 12), de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit de verantwoording groepsrisico worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> In de toekomstige situatie blijkt dat het groepsrisico veroorzaakte door de spoorlijn ruim onder de oriëntatiewaarde ligt (<0,1 maal OW).
Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van een zeer geringe toename van het groepsrisico. <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Luchtbehandelingsinstallaties moeten met één handeling zijn uit te schakelen. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk. <0000> Personen kunnen haaks op de wolk en van de bron af gericht onder dekking van het gebouw vluchten (nooduitgangen aan de noordzijde). Vluchtwegen zijn daartoe ingericht. De reeds aanwezige wegenstructuur biedt daartoe voldoende mogelijkheden. <0000> In het ontruimingsplan van de supermarkt dient onder andere te worden beschreven a) wie de organisatie van het evacueren begeleidt, b) de verantwoordelijkheden, c) waart de verzamelplaats is, d) de organisatie op de verzamelplaats, e) wie zorgdraagt voor alarmering. <0000> In het bedrijfsnoodplan dient te zijn opgenomen dat wordt geoefend in het geval van een calamiteit volgens het scenario voor een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het spoor. Het ontruimings- / bedrijfsnoodplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.
In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), maar NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
23
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.7 Geluid In de zin van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de objecten woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermt tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Om de nieuwe situatie in beeld te brengen is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar het als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen onderzoek. De supermarkt (SBI2008-code 471, milieucategorie 1) heeft in een “gemengd gebied” een richtafstand van 0 meter tot omliggende milieugevoelige objecten. De omliggende woningen zijn daarmee gelegen buiten de richtafstand uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen ten gevolge van de supermarkt. Een gedetailleerd onderzoek naar de optredende geluidniveaus in het kader van de ruimtelijke beoordeling is derhalve niet aan de orde. Wel is nader onderzoek verricht in het kader van het Activiteitenbesluit. Ten aanzien van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) wordt voldaan aan de standaard normstelling van 50 dB(A) etmaalwaarde conform het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Ten aanzien van het maximale geluidniveau (LAmax) wordt de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit in de dag- en avondperiode niet gerespecteerd ter plaatse van één woning (Bosscheweg 286). Ter plaatse van de overige woningen wordt de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit wel gerespecteerd. Het optredende maximale geluidniveau ter plaatse van de Bosscheweg 286 wordt veroorzaakt door het dichtslaan van portieren op de parkeerplaatsen grenzend aan de woning. In de huidige situatie zijn hier reeds parkeerplaatsen gesitueerd. Ook in de huidige situatie treden deze maximale geluidniveaus al op. De overschrijding van de geluidrichtwaarden in de dag- en de avondperiode ten gevolge van het dichtslaan van autoportieren wordt aanvaardbaar geacht omdat: <0000> er sprake is van een bestaande situatie en er geen verdere verslechtering plaatsvindt; <0000> er sprake is van omgevingsgeluid van de Bosscheweg; <0000> de gevel waar de overschrijding plaatsvindt zodanig goed geïsoleerd is dat voldaan kan worden aan de geluidgrenswaarden voor het binnenniveau op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conform artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift hogere geluidniveaus voor het maximale geluidniveau ter plaatse van de Bosscheweg 286 vaststellen. De inrichting voldoet verder aan het BBT-principe.
Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking van de inrichting is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Relevantie voor het plan Gezien het voorgaande vormt het aspect geluid geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
4.8 Luchtkwaliteit Inleiding Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
24
Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekenende mate' een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Op te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hebben het ministerie van Infrastructuur en Milieu en Kenniscentrum InfoMill de NIBM-tool ontwikkeld.
Hiermee kan eenvoudig en snel worden bepaald of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.
Tabel: NIMB-tool. Relevantie voor het plan Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de herbouw en vergroting van een Lidl-filiaal. Op grond van de ingevulde NIBM-tool kan worden geconcludeerd dat het voorliggende plan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentraties van voor luchtkwaliteit relevante stoffen. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er kortom geen belemmeringen.
4.9 Natuur Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd om de mogelijke effecten van de werkzaamheden in kaart te brengen. Het volledige onderzoek is als bijlage 8 opgenomen. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker. Het doel is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. Provincies zijn in dit geval verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. Natura 2000-gebieden
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
25
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin de belangrijke flora en fauna voorkomen. Per gebied, dat onder Natura 2000 valt, zijn (instandhoudings)doelen opgesteld. Wanneer een activiteit nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied dient de activiteit niet door te gaan of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Het regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor dan geen vergunning aangevraagd te worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden met elkaar verbinden en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. Uiteindelijk is het de bedoeling dat het NNN de natuurgebieden in andere Europese landen verbindt en zo het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormt. Veldbezoek Op basis van de resultaten uit het verkennend flora- en faunaonderzoek, blijkt dat onderhavig plan negatieve effecten kan veroorzaken op beschermde diersoorten.
Voor de verschillende soort(groep)en wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen in gevaar kan brengen. Eventueel te treffen vervolgstappen worden daarbij aangegeven. Beschermde soorten Als gevolg van de werkzaamheden binnen het plangebied treden mogelijk negatieve effecten op algemeen voorkomende zoogdieren en broedvogels op. Daarnaast leiden de werkzaamheden mogelijk tot een negatief effect op vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Voor overige beschermde soorten worden negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden en het toekomstige gebruik van het nieuwe winkelpand niet verwacht. Broedvogels Het slopen van gebouw binnen het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1 lid1) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1 lid 2). Het is hiernaast mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1 lid 4). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogelsoorten binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied voor de te verwachten soorten in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.
In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. De sloopwerkzaamheden dienen daarom uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli. Deze periode is echter afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Algemeen voorkomende zoogdieren Het voorkomen van de huisspitsmuis in de panden binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. De omgeving van het plangebied biedt voldoende (tijdelijke) uitwijkmogelijkheden voor deze soort. Permanente negatieve effecten als gevolg van de uitbreiding worden derhalve niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Met de sloop van de panden kunnen individuen worden gedood (Wnb artikel 3.10 lid 1). De huisspitsmuis is echter in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soort blijft verboden, maar het verjagen of vangen, met het oog op het verplaatsen van de soort, is daarentegen wel vrijgesteld van ontheffing. De dieren dienen vrijgelaten te worden in het aanliggende gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.
Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.
Vleermuizen
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
26
Het winkelpand van de Lidl en het aangrenzende pand (Bosscheweg 314) bieden in potentie geschikte verblijfslocaties voor gebouwbewonende vleermuizen. Op basis van het verkennend veldbezoek is het niet mogelijk om uitsluitsel te geven over de aanwezigheid van verblijven. Daardoor bestaat het risico op het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, waarbij mogelijk dieren worden gedood (Wnb artikel 3.5 lid 1 en 4). Middels een nader soortenonderzoek dient derhalve in kaart gebracht te worden in hoeverre vleermuizen gebruik maken van de gebouwen binnen en aangrenzend aan het plangebied als verblijfplaats. Op basis hiervan kan beoordeeld worden of sloop en geplande nieuwbouw leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich op geruime afstand van het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied 'Kampina & Oisterwijkse Vennen'. De werkzaamheden betreffen het slopen en de nieuwbouw van een winkelpand en het herinrichten van het parkeerterrein. Indirecte effecten zoals stikstofdepositie of grondwateronttrekking zijn door het huidige gebruik en de beperkte omvang van de ingreep niet aan de orde. Er is derhalve geen sprake van directe of indirecte negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde NNN gebied bevindt zich op circa 200 meter afstand van het plangebied.
Gezien de aard, inclusief het toekomstige gebruik, de geringe omvang en ligging van het project, is elk effect op de natuurdoelstellingen die voor deze natuurgebieden gelden op voorhand uit te sluiten. Stikstofdepositie Volledigheidshalve is aanvullend een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is als bijlage 9 te raadplegen. Onderstaand zijn de conclusies kort samengevat. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situaties niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het onderhavige plan zal afzonderlijk - of in combinatie met andere plannen - geen relevante significante cumulatieve effecten veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Aanvullend vleermuisonderzoek Naar aanleiding van het verkennend flora- en fauna onderzoek is een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd. Het volledige vleermuisonderzoek is als Bijlage 10 toegevoegd aan voorliggend plan. Onderstaand zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Verblijfplaatsen Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen.
Wel zijn er, naar verwachting, twee zomerverblijven en een paarverblijf van de gewone dwergvleermuis in de omgeving van het plangebied aanwezig. Verblijfplaatsen van overige vleermuissoorten zijn niet waargenomen. Foerageergebied en vliegroutes De bomenrij ten zuiden van het plangebied wordt door gewone dwergvleermuizen uit de omgeving gebruikt als foerageergebied. Doordat in de omgeving diverse soortgelijke groenstructuren aanwezig zijn, is er geen sprake van een essentieel foerageergebied. Bovendien is de bomenrij buiten het plangebied gelegen, waardoor deze bij de geplande herontwikkeling behouden blijft. Van negatieve effecten op in de omgeving voorkomende gewone dwergvleermuizen is daarom geen sprake. Boomeffectanalyse In aanvulling op bovengenoemde flora- en fauna onderzoeken is i.v.m. met de verplaatsing van de in-/uitrit en de twee bomen die langs de Bosscheweg nabij de uitrit staan, een bomen effect analyse uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar het als Bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen onderzoek. In eerste instantie is gekeken naar de kwaliteit van de bomen. De beide bomen hebben een matige conditie en toekomstverwachting. De bomen ontwikkelen dood hout en vormen een risico door takbreuk. Het regelmatig verwijderen van dood hout kan dit risico wegnemen zodat de bomen kunnen worden behouden.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
27
De boom aan de westzijde staat op voldoende afstand van de uitrit waardoor er geen impact verwacht wordt. De boom aan de oostzijde staat op korte afstand van de uitrit. Het duurzaam voortbestaan van de boom zal afhangen van de werkzaamheden: <0000> Geadviseerd wordt om niet te graven binnen de kwetsbare zone van de boom en de verharding niet te vervangen. Dan valt geen impact te verwachten naar aanleiding van de aanleg van de uitrit. <0000> Als de verharding moet worden vervangen maar er wordt verder niet gegraven wordt geadviseerd om de verharding in de kwetsbare zone handmatig te verwijderen zodat er zo weinig mogelijk wortelschade optreedt. <0000> Als de verharding wordt vervangen en gegraven dient te worden dient minimale graafafstand te worden gerespecteerd. Dat wil zeggen dat er niet gegraven wordt binnen 1.75m van de stamvoet. De boom behoudt op die manier voldoende stabiliteitswortels om stabiel te kunnen blijven staan. Wel wordt een groot deel van het (oppervlakkig) wortelpakket van fijnere wortels beschadigd buiten de minimale graafafstand. Door het verlies aan wortels zal de conditie van de boom mogelijk voor enkele jaren worden verminderd. Dan wordt de impact als beperkt ingeschat. Toch kan een beperkte impact mogelijk aanzienlijk worden aangezien de boom reeds een matige conditie heeft omwille van de beperkte groeiplaatsomstandigheden.
Om het effect te beperken wordt bij voorkeur niet dieper dan 40 cm gegraven zodat de dikkere stabiliteitswortels (<5 cm) worden gespaard. Als gegraven dient te worden is het eventueel mogelijk om een groeiplaatsverbetering toe te passen voor de boom aan de westzijde. <0000> Als toch wordt gegraven binnen de minimale graafafstand wordt zal de boom niet behouden kunnen worden. Er zal dan grote wortelschade optreden waardoor instabiliteit kan optreden. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag wordt in nauw overleg met de gemeente Tilburg nader uitgewerkt op welke wijze wordt omgegaan met de betreffende bomen in relatie tot de in-/uitrit. Relevantie voor het plan Naar aanleiding van het verkennend flora en faunaonderzoek en het aanvullende vleermuisonderzoek kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op de aanwezige natuurwaarden. Wel dient voor een aantal soorten de zorgplicht in acht genomen te worden en dient bij de plaatsing van verlichting voorkomen te worden dat er een toename aan lichtintensiteit in het gebied optreedt om verstoring van het aanwezige foerageergebied van vleermuizen en in de omgeving voorkomende verblijven te voorkomen. Indien aan deze vereisten wordt voldaan, heeft de voorgenomen uitbreiding van de Lidl aan de Bosscheweg te Tilburg geen negatief effect op in de omgeving voorkomende vleermuizen.
Van een overtreding van de Wet natuurbescherming is dan geen sprake.
4.10 Water 4.10.1 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: <0000> beekdalbenadering; <0000> gebruiker centraal; <0000> samen sterker; <0000> gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering 2020-2023 (vastgesteld november 2019). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. 4.10.2 Bestaand watersysteem Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
28
Het Tilburgs stedelijke watersysteem is omschreven in het Programma Water en Riolering 2020-2023. De gebiedskenmerken van dit plangebied zijn weergegeven de navolgende tabel. Kenmerk Waterbeheerders Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte (verschil maaiveld en grondwaterpeil) Bodem Riolering Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden Tabel: Gebiedskenmerken
In plangebied Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering Afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Ca. 5.400 m² Ca. 13,9 m+NAP Ca. 11,9 m+NAP Ca. 2 m Zandige bodem (Formatie van Boxtel) Gemengd stelsel n.v.t. Niet relevant (zie navolgende afbeelding)
Afbeelding 11: Uitsnede Keurkaart voor plangebied en omgeving (plangebied aangeduid met zwarte pijl) Het afvalwater en het regenwater worden gecombineerd ingezameld en getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. Bij hevige neerslag treden de riooloverstorten in werking. Het met regenwater verdunde afvalwater wordt dan geloosd op oppervlaktewater. De referentiesituatie voor wat de afvoerende oppervlakten betreft is de bestaande situatie. In de navolgende tabel zijn de bestaande oppervlakten weergegeven. Oppervlakten *
Niet-afvoerende oppervlakte (m²)
Dak en terreinverharding 0 Tuin n.v.t. Totaal (m²) 0
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
Afvoerende oppervlakte (m²) circa 5.400 m² n.v.t. circa 5.400 m²
Totaal (m²) circa 5.400 m² n.v.t. circa 5.400 m²
29
Tabel: Afvoerende oppervlakten in de bestaande situatie 4.10.3 Toekomstig watersysteem Het plangebied is in de bestaande situatie reeds vrijwel geheel verhard. Deze situatie blijft ongewijzigd. De belangrijkste wijziging bestaat uit een vegroting van de hoeveelheid bebouwd oopervlak ter plaatse van momenteel aanwezige asfaltverharding. Het afvalwater wordt overeenkomstig de bestaande situatie samen met het regenwater afgevoerd naar de gemengde riolering. De afvoerende oppervlakten in de nieuwe situatie zijn in z'n totaliteit ongewijzigd, met dien verstande dat de hoeveelheid terreinverharding afneemt als gevolg van de toename aan bebouwing. In de navolgende tabel zijn deze oppervlakten weergegeven. Oppervlakten
Niet-afvoerende oppervlakte (m²)
Dak en terreinverharding 0 Tuin n.v.t. Totaal (m²) 0 Tabel: Afvoerende oppervlakten in de plansituatie
Afvoerende oppervlakte (m²) circa 5.400 m² n.v.t. circa 5.400 m²
Totaal (m²) circa 5.400 m² n.v.t. circa 5.400 m²
Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Naast vasthouden van het gebiedseigen water is het bergen (inzamelen) van regenwater uitgewerkt in de Tilburgse aanpak. De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is niet significant. Er is feitelijk geen wijziging in de hoeveelheid verhard oppervlak. Aangezien de toename van afvoerende oppervlakte minder dan 2.000 m² bedraagt, worden er geen bijzondere compensatiemaatregelen / (bergings)eisen vastgesteld voor deze ontwikkeling. De vuil- en regenwaterafvoer kunnen direct aangesloten worden op de bestaande riolering. Om in te kunnen spelen op een mogelijk toekomstig regenwaterriool is het belangrijk dat beide waterstromen, regenwater en huishoudelijk afvalwater, inpandig apart worden ingezameld. Als de gemengde riolering in de omgeving van het plangebied in de toekomst wordt gescheiden dan kunnen de waterstromen ieder op het daarvoor bestemde riool aangesloten worden. Tot dat moment worden beide afvoerstromen bij de perceelgrens gecombineerd en door de gemengde riolering afgevoerd. Bij extreme neerslag kunnen zich situaties voordoen waarbij het bestaande watersysteem ontoereikend is. Als de afvoer- en bergingscapaciteit van het systeem volledig benut zijn kunnen de waterpeilen in een dergelijk geval stijgen tot boven het maaiveld.
De laag gelegen delen zullen als eerste overstromen. Geadviseerd wordt om de vloerpeilen bij bebouwing ten minste 10 cm hoger dan de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) te realiseren. Zo wordt de kans op inpandige schade zo veel mogelijk beperkt. <0000>
<0000> <0000>
<0000>
<0000>
<0000> <0000>
De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: voldoende ontwateringdiepte; de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
4.10.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is zeer beperkt. Het watertoetsproces kan daarom een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies. In plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
30
Verder dient te worden opgemerkt dat sprake is van een bestemmingsplan dat een kader biedt voor de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag ten behoeve van het bouwen. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag wordt de exacte wijze waarop met hemelwater wordt omgegaan nader uitgewerkt.
4.11 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor het aspect geurhinder als gevolg van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. De in de Wgv opgenomen (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten gelden voor dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. In het voorliggende geval wordt ruimschoots voldaan aan deze afstanden aangezien binnen een straal van meer dan 1.000 meter geen veehouderijen aanwezig of toegestaan zijn. Naast de geurbelasting door individuele veehouderijen (de voorgrondbelasting) wordt het woon- en leefklimaat in een gebied ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen.
Het is aan de gemeente om te beoordelen of de geurbelasting en geurhinder in een specifiek gebied acceptabel worden geacht. In het voorliggende geval zijn in de directe omgeving van het plangebied geen veehouderijen gelegen. Op grond daarvan kan redelijkerwijs worden aangenomen dat binnen het plangebied voor wat betreft het aspect geur, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect geur in relatie tot veehouderijen bestaan er kortom geen belemmeringen.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
31
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
5.2 Standaard plansystematiek 5.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
5.3 Algemene toelichting verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben juridische betekenis indien en voor zover deze daaraan in de planregels wordt gegeven. Een aantal aanduidingen heeft geen juridische betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid, zoals kadastrale en topografische gegevens.
5.4 Algemene toelichting regels Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de bestemmingen die op de verbeelding aan de gronden zijn toegekend. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die op het gehele plangebied van toepassing zijn dan wel aanduidingen die betrekking hebben op meer dan één bestemmingsvlak. In hoofdstuk vier zijn de regels opgenomen waarmee het overgangsrecht wordt geregeld en is een artikel opgenomen waarin de formele naamgeving van de planregels is vastgelegd. Hoofdstuk 1, 3 en 4 zijn vrij algemeen van aard en worden niet nader beschreven in deze paragraaf. Hiervoor zijn de gebruikte bestemmingen toegelicht, zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van de planregels.
5.5 Bestemmingen en aanduidingen De planregels zijn opgesteld op basis van de landelijke standaarden zoals vastgelegd in het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. De planregels zijn conform deze standaard verdeeld in vier hoofdstukken, te weten hoofdstuk 1 Inleidende regels, hoofdstuk 2 Bestemmingsregels, hoofdstuk 3 Algemene regels en hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. Voor het gehele plangebied is de bestemming 'Detailhandel' opgenomen. Ter plaatse is detailhandel toegestaan, voor zover het voorzieningen en de categorie betreft die zijn genoemd in de als bijlge bij de regels opgenomen 'Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging'. Het aantal vierkante meters winkelvloeroppervlak mag niet meer bedragen dan 1.310 m². Binnen de bestemming 'Detailhandel' is verder een bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwen gebouwd dient te worden. Op de verbeelding is ter hoogte van het bouwvlak de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m),
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
32
maximum bebouwingspercentage (%)' opgenomen, waarmee binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte van 9 meter is toegestaan en een maximum bebouwingspercentage van 85%. Voor de grond buiten het bouwvlak zijn de aanduidingen 'erf' en 'parkeerterrein' opgenomen, evenals de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)'. Ter plaatse is een maximale bouwhoogte van 5 meter toegestaan en een maximum bebouwingspercentage van 5%. Naast de bovengenoemde aanduidingen zijn binnen het plangebied nog de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen: 'Luchtvaartverkeerzone', in verband met een obstakelvrij start-en landingsvlak met zijkanten ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid, met dien verstande dat binnen deze zone een bepaalde maximale hoogte geldt voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 'Veiligheidszone - aandachtsgebied vervoer gevaarlijke stoffen', in verband met het transport van gevaarlijke stoffen over het nabij gelegen spoor. 'Veiligheidszone - plasbrandaandachtsgebied', in verband met het plasbrandaandachtsgebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen over het nabij gelegen spoor. Binnen de beide veiligheiszones zijn voorwaarden opgenomen voor de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
33
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het voorliggende plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
34
Hoofdstuk 7 Procedure 7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen die een bestemmingsplan voorbereiden waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieueffectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van dat bestemmingsplan. Het voornemen om te komen tot vaststelling van dit bestemmingsplan is op 28 september 2018 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
7.2 Omgevingsdialoog De gemeente Tilburg heeft een 'Richtlijn Omgevingsdialoog' opgesteld met als doel te bereiken dat inwoners eerder betrokken worden bij ruimtelijke plannen. Gelet op de situatie omtrent Covid-19 is geen informatieavond gehouden, maar zijn omwonenden middels een brief over de plannen geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan de initiatiefnemer. Naar aanleiding van de reacties is door de Lidl is aan de omwonenden een brief met vragen en antwoorden gestuurd (bijlage 13). De vragen hadden betrekking op de verkeerssituatie aan de Bosscheweg, de overlast van het lossen van vrachtwagens in de nacht en de opstelplaats van de koelmotoren in verband met mogelijke geluidsoverlast. Lidl heeft aangegeven dat de 2e uitrit wel in gebruik blijft, dat het nieuwe magazijn verder van de woning van betreffende omwonende wordt gesitueerd en dat de koelmotoren zo veel mogelijk richting de spoorlijn worden geplaatst.
7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Een ieder is in de gelegenheid een zienswijze in te dienen.
Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)
35