CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting bp TLB 2016 2e herz

Hamerraad 7 juni 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)14.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte

BESTEMMINGSPLAN Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296) Toelichting met bijlagen

Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2018020-b001

2 maart 2021

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 2 1.1 Aanleiding 2 1.2 Plangebied 2 1.3 Doel 3 1.4 Geldend bestemmingsplan 3 1.5 Leeswijzer 3 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 4 2.1 Bestaande situatie 4 2.2 Toekomstige situatie 6 2.3 Verkeer en parkeren 7 Hoofdstuk 3 Beleidskader 9 3.1 Rijksbeleid 9 3.2 Provinciaal beleid 11 3.3 Gemeentelijk beleid 13 Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische aspecten 17 4.1 Milieueffectrapportage 17 4.2 Vormvrije m.e.r. beoordeling 18 4.3 Archeologie, historisch geografie en cultuurhistorie 18 4.4 Bedrijven en milieuzonering 20 4.5 Bodem 22 4.6 Externe veiligheid 22 4.7 Geluid 24 4.8 Luchtkwaliteit 24 4.9 Natuur25 4.10 Water 28 4.11 Geur 31 Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 32 5.1 Inleiding 32 5.2 Standaard plansystematiek 32 5.3 Algemene toelichting verbeelding 32 5.4 Algemene toelichting regels 32 5.5 Bestemmingen en aanduidingen 32 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 34 Hoofdstuk 7 Procedure 35 7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 35 7.2 Omgevingsdialoog 35 7.3 Zienswijzen 35

Toelichting

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

1

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Lidl Nederland is voornemens het bestaande filiaal aan de Bosscheweg 296 in Tilburg te slopen en te voorzien in nieuwbouw. Het bestaande pand is gedateerd en biedt onvoldoende ruimte om de bestaande inboedel ruimer op te stellen. Upgraden van het bestaande pand is financieel gezien dusdanig ingrijpend dat gekozen is voor de sloop van het bestaande pand en het ontwerpen en realiseren van een nieuw pand dat voldoet aan de huidige eisen van Lidl Nederland. De huidige toegangsweg vanaf de Bossscheweg ligt op slechts 150 meter van de Ringbaan-Oost en zal in de nieuwe situatie 50 meter van de Ringbaan-Oost vandaan verschuiven. De in het verleden aangekochte naastgelegen woonpercelen, die nu in gebruik zijn als parkeerterrein, worden middels voorliggend bestemmingsplan van een passende bestemming voorzien.

Afbeelding 1: straatbeeld huidige situatie vanaf overzijde Bosscheweg.

1.2 Plangebied Het Lidl filiaal is gelegen aan de Bosscheweg 296 in Tilburg, ten oosten van de Ringbaan-Oost langs de spoorverbinding tussen Tilburg en 's-Hertogenbosch.

Afbeelding 2: ligging Lidl filliaal aan de Bosscheweg in groter verband (bron: ESRI Nederland)

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

2

1.3 Doel Het doel van voorliggend bestemmingsplan is het bieden van een passende juridisch-planologische regeling voor het herbouwen van een Lidl-filliaal aan de Bosscheweg in Tilburg.

1.4 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Theresia-Loven-Besterd 2016". Het bestemmingsplan is op 17 januari 2017 vastgesteld door de gemeenteraad van Tilburg en geheel onherroepelijk en in werking.

Afbeelding 3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan met begrenzing van de inrichting(rood). (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Voor het plangebied gelden de bestemmingen "Detailhandel", "Wonen" en "Verkeer - Railverkeer". Tevens gelden de gebiedsaanduidingen "luchtvaartverkeerszone" en "veiligheidszone - aandachtsgebied vervoer gevaarlijke stoffen". Binnen de bestemming "Detailhandel" is een bouwvlak opgenomen dat strak rondom het bestaande filiaal is getrokken. De delen met de bestemming "Wonen" hebben nu nog een kleiner bouwvlak ten behoeve van woningen en een aantal daaraan gerelateerde functieaanduidingen. Dit terrein wordt bij de bestemming "Detailhandel" getrokken.

1.5 Leeswijzer Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en de toekomstige situatie van het plangebied en gaat tevens in op de verkeerssituatie en het parkeren. Hoofdstuk 3 behandelt het vigerend beleid op zowel rijks-, provinciaal-, regionaal- als gemeentelijke niveau. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de milieukundige en planologische (sectorale) aspecten en verantwoordt (al dan niet met behulp van uitgevoerde onderzoeken) de voorgenomen ingreep. De juridische planbeschrijving van dit bestemmingsplan is opgenomen in hoofdstuk 5. De maatschappelijke uitvoerbaarheid staat omschreven in hoofdstuk 6. De toelichting wordt afgesloten met hoofdstuk 7 waarin de economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt toegelicht. Naast deze toelichting bestaat het bestemmingsplan uit een set regels en een verbeelding die samen het juridische plan vormen. De toelichting dient ter onderbouwing / motivering van het plan. De onderzoeksrapporten die als bijlagen bij deze toelichting zijn gevoegd, hebben betrekking op de ontwikkeling binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan 'Lidl Bosscheweg'.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

3

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie De vestiging van de Lidl is gelegen aan de Bosscheweg 296 in Tilburg. De Bosscheweg is een belangrijke verkeersader vanaf de Ringbaan-Oost in de richting van Berkel-Enschot, Oisterwijk en de aansluiting op de N65/A65. De directe omgeving laat zich kenmerken door een zeer divers karakter. Ten noorden van het plangebied bevind zich het uiteinde van bedrijventerrein Kanaalzone. Aan de oostelijke en westelijke zijde van het plangebied staan hoofdzakelijk woningen, met in het westen de Ringbaan Oost en in het oosten het Wilhelminakanaal als harde grenzen. De zuidzijde van het plangebied wordt gedomineerd door de spoorzone.

Afbeelding 4: Ligging plangebied (rood) in groter verband (bron: PDOK) Het huidige filiaal is een vrijstaand commercieel gebouw op een terrein met twee inritten: direct ten westen van het gebouw zit de hoofdontsluiting en gescheiden door enkele woningen bevindt zich een secundaire uitrit ten oosten van het filiaal. De bruto vloeroppervlakte bedraagt in de bestaande situatie circa 1.260 m². Het winkelvloeroppervlak bedraagt circa 890 m².

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

4

Afbeelding 5: Straatbeeld huidige situatie met aan de rechterzijde de hoofdinrit.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

5

Afbeelding 6: Het langs het spoor gelegen deel van het parkeerterrein.

2.2 Toekomstige situatie Het plan is om het bestaande gebouw te slopen en een nieuw, groter pand te realiseren op de locatie en een deel van het huidige parkeerterrein en de huidge, westelijke inrit. Het huidige pand is inmiddels gedateerd en voldoet niet meer aan de huidige eisen van Lidl Nederland. De vergroting van de binnenruimte komt met name ten goede van de ruimere opzet van het bestaande aanbod in de winkel. Dit drukt zich uit in de oppervlakten: de bruto vloeroppervlakte van het nieuw te realiseren pand bedraagt 1.934 m² en het winkelvloeroppervlak bedraagt 1.309 m². De uitbreiding bedraagt in totaal kortom 674 m2 bruto vloeroppervlak, waarbij het winkelvloeroppervlak toeneemt met 419 m2. Daaruit is op te maken dat deze uitbreiding voor een groot deel ten goede komt van nevenruimten. De uitbreiding van het winkelvloeroppervlak gaat geheel op aan meer ruimte tussen de schappen en daarmee een verhoging van het comfort voor het winkelend publiek.

Afbeelding 7: plattegrond nieuwe inrichting (bron: Lidl Nederland) Een groot deel van de nieuwe ruimte komt ten goede aan nevenruimten zoals koel- en vriescellen. Ook kan het magazijn efficienter ingericht worden en komt er meer ruimte voor het personeel met een ruime kantine en kleedruimtes. Het verzorgingsgebied verandert door de herbouw niet. Zeker in de directe omgeving zijn meerdere filialen van de Lidl aanwezig. Het doel van de vergroting is dus niet om meer bezoekers te trekken, maar om de gemiddelde besteding per bezoeker te laten stijgen.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

6

Afbeelding 8: ligging van onderhavig filiaal (geel: 529) en overige filialen (geel) Ten zuiden van het plangebied ligt op hemelsbreed 1,1 kilometer een filiaal en ten noorden op 2,6 kilometer. Aan de andere zijde van het centrum bevindt zich een vierde filiaal. De verschillende vestigingen hebben hun eigen verzorgingsgebied.

2.3 Verkeer en parkeren 2.3.1 Verkeer In het kader van de ontwikkeling is een verkeerskundige notitie opgesteld. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar het als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen onderzoek. In de gemeentelijke beleidstukken zijn geen normen of kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie waardoor aansluiting wordt gezocht bij de normen van het CROW (publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). In de gemeentelijke nota wordt bij het onderdeel parkeren uitgegaan van de minimale kencijfers, hetzelfde uitgangspunt wordt gehanteerd voor de verkeersgeneratie. De Lidl sluit het beste aan bij de functie 'supermarkt'. De locatie kent een stedelijkheidsgraad van 'sterk stedelijk' en is gelegen binnen de bebouwde kom. Ten gevolge van deze combinatie bedraagt de verkeersgeneratie 91,9 motorvoertuigen/etmaal/100m² bvo. De Lidl in de huidige situatie (1.260,4 m² bvo) genereert al verkeer. Uitgaande van de kencijfers bedraagt de huidige verkeersgeneratie 1.160 mvt/etm. Het totale bvo in de toekomstige situatie bedraagt 1.934 m² waardoor de totale verkeersgeneratie in de toekomstige situatie 1.778 mvt/etmaal bedraagt. Ten gevolge van de uitbreiding zal het verkeer kortom toenemen met circa 620 mvt/etm.

De verkeerstoename ten gevolge van de uitbreiding is merkbaar op de nabij gelegen kruispunten Ringbaan-Oost en Hoevense Kanaaldijk. De verkeerstoename richting het VRI-kruispunt met de Ringbaan-Oost betreft 58 voertuigen tijdens het drukste uur. In het ergste geval komen hier 35 voertuigen van de tweede uitrit bij, waardoor het totaal 93 voertuigen per uur bedraagt. In het maatgevende uur betekent dit een toename van 6,7%. De verkeerstoename richting het VRI-kruispunt met de Hoevense Kanaaldijk betreft 32 voertuigen tijdens het drukste uur. In het ergste geval komen hier 35 voertuigen van de tweede uitrit bij, waardoor het totaal 67 voertuigen per uur bedraagt. In het maatgevende uur betekent dit een toename van 2,4%. Deze uitbreiding is acceptabel. Het kruispunt aan de Ringbaan Oost loopt tegen de maximale capaciteit aan, echter het aandeel van de uitbreiding van de Lidl is zeer beperkt t.o.v. de totale verkeersintensiteit. De in/uitrit wordt enkele tientallen meters verplaatst richting het oosten waardoor deze op grotere afstand van het kruispunt met de Ringbaan-Oost komt te liggen. Het verplaatsen van de in/uitrit heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid en - afwikkeling. Het verplaatsen van de in/uitrit heeft mogelijk positieve

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

7

gevolgen doordat de uitrit niet meer naast de bushalte komt te liggen, waardoor halterende bussen niet langer het uitzicht belemmeren. De in/uitrit kan, vanwege de op korte afstand van de inrit gelegen boom aan de Bosscheweg, in deze richting niet verder worden verbreed. Hierdoor kan het vrachtverkeer (gezien de draaicirkel) het terrein niet via deze uitrit verlaten. Het vrachtverkeer dat is oostelijke richting het terrein wil verlaten, moet gebruik maken van de verderop gelegen uitrit. Dit zal met een verkeersbord bij de uitrit worden aangeduid. Conclusie Het verplaatsen van de in/uitrit heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid en - afwikkeling. Het vrachtverkeer dat is oostelijke richting het terrein wil verlaten, moet gebruik maken van de verderlop gelegen uitrit. Het aandeel van de uitbreiding van de Lidl op de totale verkeersafwikkeling aan de bosscheweg is zeer beperkt ten opzichte van de totale verkeersintensiteit en is acceptabel. 2.3.2 Parkeren Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten op Nota Parkeernormen Tilburg 2017, die als Bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen. In de huidige situatie zijn 133 parkeerplaatsen beschikbaar. Door de vergroting van het nieuw te bouwen filiaal zal de parkeergelegenheid teruglopen tot 97 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie wordt voorzien in een totaal BVO van 1.934 m2.

De beoogde ontwikkeling is te scharen onder de hoofdgroep winkelen en boodschappen. De hoofdgroep is onderverdeeld in subgroepen waarvan de subgroep 'supermarkt' van toepassing is. Voor de gemeente is daarbij een zonering opgenomen waarbij het plangebied ligt in zone C. De opgenomen parkeernorm die geldt voor de beoogde ontwikkeling is 4,4 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. Uitgaande van het toekomstige BVO van 1.934 m² ontstaat een parkeerbehoefte van 85 parkeerplaatsen. Geconcludeerd wordt dat de voorziene 97 parkeerplaatsen ruim voldoende zijn om te voldoen aan de berekende parkeerbehoefte.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

8

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. De SVIR is vastgesteld op 13 maart 2012. Nederland moet concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig zijn in 2040. Dit is het uitgangspunt van de SVIR. Om dit te bereiken moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. De ruimtelijke ordening wordt zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven gebracht. Provincies en gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en beleidsvrijheid (decentraal, tenzij) en de gebruiker komt centraal te staan. Het Rijk zet zich met name in op de drie hoofddoelen: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Naast het benoemen van bovenstaande beleidsdoelen onderscheidt het Rijk 13 nationale belangen.

Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken: 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen (ketenmobiliteit en multimodale knooppunten). 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het in standhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12.

Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Relevantie voor het plan Het herbouwen en vergroten van een filliaal van de Lidl leidt niet tot strijdigheid met de voornoemde nationale beleidsdoelen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro). Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Op 1 oktober 2012 is de eerste wijziging van het Barro in werking getreden.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

9

Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: 1. Rijksvaarwegen. 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam. 3. Kustfundament. 4. Grote rivieren. 5. Waddenzee en waddengebied. 6. Defensie. 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen. 8. Elektriciteitsvoorziening. 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 10. Natuurnetwerk Nederland. 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament. 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden. 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Bovengenoemde belangen vinden hun doorwerking in regels opgenomen in het Barro. De SVIR bepaalt welke kader stellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming.

Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Bijvoorbeeld ten aanzien van activiteiten binnen een rivierbed zijn daarom kaderstellende regels opgenomen, die in een bestemmingsplan dienen te worden overgenomen/waaraan een bestemmingsplan dient te voldoen. Relevantie voor het plan Het herbouwen en vergroten van een filliaal van de Lidl leidt niet tot strijdigheid met de voornoemde nationale beleidsdoelen. 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Per 1 juli 2017 is een gewijzigde nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking' van kracht. Deze wordt geregeld in artikel 3.1.6 leden 2 – 4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en luidt: “Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Lid 3.Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Lid 4. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening." De begrippen “bestaand stedelijk gebied” en “nieuwe stedelijke ontwikkeling“, opgenomen in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder h en i Bro, blijven ongewijzigd.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

10

Om te bepalen of het initiatief voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking is een ruimtelijk-economische effectenstudie uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar het als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen onderzoek. Uit het onderzoek blijkt vanuit kwantitief oogpunt dat in 2030 op basis van aannames van vraag- en aanbodzijde van de markt en de uitbreidingen van Aldi en Lidl, sprake zal blijven van een marktevenwicht. Er is slechts sprake van een beperkt overschot. Naar verwachting zijn de effecten zeer beperkt. Gelet op de groei van de bestedingen en omzetten met jaarlijks 2-3% én een mogelijke bevolkingstoename (verdichting binnen steden als landelijke trend) wordt zelfs verwacht dat binnen 1 tot 2 jaar een (latent) tekort aan metrages ontstaat in plaats van het huidige evenwicht. Vanuit kwalitatief oogpunt wordt aangegeven dat de schaalvergroting en professionalisering van Lidl aan de Bosscheweg noodzakelijk is om bij te blijven bij omringende wijken waar het supermarktaanbod versterkt. De herbouw en uitbreiding van Lidl is relatief bescheiden van omvang en hoofdzakelijk toe te schrijven aan bredere gangpaden en extra ruimte voor koel- en vriescellen, magazijn en personeelsruimte. De consument wordt daarmee meer comfort geboden zodat zij in een prettige en moderne winkel de boodschappen kan doen.

Doordat de uitbreiding vooral gericht is op meer comfort en gemak voor de klant, wordt verwacht dat er géén ontwrichting in de detailhandelsstructuur zal optreden. Doordat er niet van uit wordt gegaan dat door de uitbreiding van Lidl leegstandseffecten optreden, zal het resterende dagelijkse aanbod zonder meer kunnen voorzien in de eerste levensbehoeften van de inwoners. Kortom, het woon- en leefklimaat in Oost-Tilburg wordt daarmee niet verder aangetast. Het wordt juist gestimuleerd als Lidl als enige supermarkt in dit gebied gevestigd kan blijven met toekomstgerichte vestigingscondities. Relevantie voor het plan Op basis van de ruimtelijk-economische effectenstudie wordt geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden, een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3.

Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

11

De doorvertaling van de Omgevingsvisie Noord-Brabant vindt zijn doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning in 2022) echt klaar te zijn, is er eerst een Interim omgevingsverordening Noord-Brabant gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm en wordt besproken in paragraaf 3.2.2. Relevantie voor het plan De voorgenomen ontwikkeling past binnen de algemene beleidskaders van de Omgevingsvisie Noord-Brabant. De ontwikkeling past binnen het gedachtegoed van zorgvuldig ruimtegebruik. Voor de nadere toetsing aan het provinciaal beleid zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening vindt plaats in paragraaf 3.2.2. 3.2.2 Interim omgevingsverordening In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn de regels over de fysieke leefomgeving in Noord-Brabant zoveel mogelijk ondergebracht. De Interim omgevingsverordening vervangt diverse provinciale verordeningen, te weten de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De omgevingsverordening is een doorvertaling van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

In Afdeling 3.5 'Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit' is onder artikel 3.42 'Duurzame stedelijke ontwikkeling' het volgende opgenomen: Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: 1. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; 2. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: 1. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; 2. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; 3. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; 4. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; 5. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; 6. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Voor stedelijke ontwikkeling zijn er twee werkingsgebieden opgenomen: 1. Stedelijk gebied met een onderverdeling in stedelijk concentratiegebied en kernen in landelijk gebied 2. Verstedelijking afweegbaar Er is een basisregeling geformuleerd voor een duurzame stedelijke ontwikkeling.

Uitgangspunt daarbij is dat eerst de mogelijkheden in Stedelijk gebied worden benut of de mogelijkheden in leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente. Als daarbinnen vanuit kwalitatieve- of kwantitatieve overwegingen geen ruimte beschikbaar is, kan een afweging worden gemaakt voor nieuw ruimtebeslag in Verstedelijking afweegbaar. Op basis van de kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed', zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, ligt het plangebied binnen het stedelijk concentratiegebied, waarbinnen stedelijke ontwikkelingen zoals de herbouw van een supermarkt, bij uitstek dienen te worden gesitueerd.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

12

Afbeelding 9: Kaart stedelijke ontwikkeling en erfgoed. Relevantie voor het plan De voorgenomen ontwikkeling past binnen de algemene beleidskaders van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De toelichting van dit bestemmingsplan laat zien dat rekening is gehouden met de verschillende omgevingsaspecten en dat zo invulling is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Ook heeft er een afweging plaatsgevonden voor wat betreft de behoefte aan het vernieuwen en vergroten van het filiaal van de Lidl aan de Bosscheweg in Tilburg.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: <0000> de Brabantstrategie. <0000> de Regiostrategie. <0000> de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

13

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: en duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

De vier stedelijke knooppunten: <0000> Binnenstad van de 21e eeuw <0000> Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing <0000> Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven <0000> Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn: <0000> Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven <0000> Stadsregionaal park Stadsbos013 <0000> Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

De drie stedelijke knooppunten zijn: <0000> Bedrijvenpark Zuid <0000> Zorgcluster Leijpark <0000> Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: <0000> Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. <0000> Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: <0000> Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten <0000> Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig <0000> Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk <0000> Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding. <0000> Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners <0000> Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal <0000> Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

14

<0000> <0000> <0000>

Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken

Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert, en welke prioriteiten daarbij gelden. Relevantie voor het plan De beoogde sloop en herbouw van een filiaal van de Lidl sluit aan bij het onderdeel aantrekkelijk van de Brabantstrategie. Het doel van de herbouw en vergroting is om zowel meer ruimte voor medewerkers als voor klanten te creëeren waarbij geen sprake is van een vergroot aanbod. Deze kwaliteitsverbetering van de Lidl draagt dus bij aan een aantrekkelijk leefmilieu voor omwonenden die ook klant zijn. De huidige locatie is al geheel verhard en er zal geen sprake zijn van de aantasting van ecologisch waardevolle gebieden in Tilburg. Geconcludeerd wordt dat het plan geen bezwaren kent vanuit de omgevingsvisie, en op delen aansluit aan gestelde doelen van de omgevingsvisie.

3.3.2 Tilburg, Detailhandelsvisie 2020 In 2020 is de beleidsnota 'Tilburg, Detailhandelsvisie 2020' vastgesteld. In deze detailhandelsvisie zijn 13 prioritaire uitgangspunten opgenomen: 1. Prioriteit bij kwaliteit bestaande structuur; 2. Geen nieuwe detailhandel buiten de structuur van winkelgebieden; 3. Terugdringen van de plancapaciteit detailhandel; 4. Samenhang detailhandel en horeca; 5. Inzet bestedingspotentieel eigen inwoners; 6. Regionale positie behouden en versterken; 7. Prioriteit bij de binnenstad; 8. Boodschappenaanbod clusteren in centra; 9. Perifere detailhandelslocaties handhaven; 10. Ruimte geven voor innovatie binnen de structuur; 11. Ruimte voor maatwerk; 12. Structurele samenwerking; 13. Structurele monitoring. Ten aanzien van de periferende detailhandelslocatie (PDV) aan de Bosscheweg wordt gesteld dat het toekomstperspectief matig tot goed is. De Bosscheweg is een overloopgebied voor klassieke PDV-branches in het thema ‘in en om het huis’, inclusief woonwinkels. Dit betekent concreet dat juridisch meer ruimte moet komen voor tuincentra (doe-het-zelf en wonen is reeds toegestaan), maar dat de juridische mogelijkheden voor bruin- en witgoed(electra), sport, speelgoed en fietsen moet worden ingeperkt. Bestaande winkels worden gerespecteerd.

Het inperken van deze mogelijkheden dient conform de algemene beleidsuitgangspunten in alle bestemmingsplannen van de gemeente Tilburg plaats te vinden. Voor wat betreft supermartken geldt dat er geen mogelijkheden worden geboden voor nieuwe solitaire supermarkten. Waar mogelijk wordt ingezet op verplaatsing van bestaande solitaire supermarkten naar winkelcentra. Uitbreiding van bestaande solitaire supermarkten wordt in principe niet toegestaan, tenzij aangetoond is dat verplaatsing ruimtelijk niet mogelijk is en wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Relevantie voor het plan In het voorliggende geval is sprake van de herbouw van een bestaande supermarkt, met inbegrip van een uitbreiding van het aantal vierkante meters winkelvloeroppervlak. Aangezien verplaatsing geen reële optie is en het initiatief voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals omschreven in paragraaf 3.1.3, past de ontwikkeling binnen de beleidskader van de beleidsnota 'Tilburg, Detailhandelsvisie 2020'.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

15

3.3.3 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´. Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011. Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen. Op 1 januari 2017 is door de gemeenteraad een nieuwe Welstandsnota Tilburg vastgesteld. Bij de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand zal door de Omgevingscommissie worden gelet op de volgende aspecten (dit kunnen ook algemene welstandscriteria worden genoemd): 1.

De samenhang tussen de architectonische vorm, de plattegronden en de constructieve samenstelling van een gebouw. 2. De balans tussen helderheid en complexiteit. 3. De (her)kenbaarheid van de architectonische (totaal)expressie. 4. De wijze waarop de architectonische middelen worden ingezet. <0000> vorm, maat en schaal van bouwvolume(s), zowel op zichzelf als in relatie met elkaar en met de omgeving <0000> gevelindeling <0000> materialisering en kleur <0000> detaillering 5. De relatie van het gebouw met het karakter (sfeer, identiteit) van reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context. Het plangebied ligt in een gebied met welstandsniveau 2. Het uitgangspunt van de nota is dat middels de voorgestelde “schilbenadering” elke wijk, elk gebied, een zekere basiszorg voor ruimtelijke kwaliteit behoudt. Uitgangspunt bij de toetsing is altijd de bestaande architectonische kwaliteit (van zowel object als directe omgeving). De bestaande situatie is normstellend. Is er sprake van een nog gaaf architectonisch/ stedenbouwkundig totaalbeeld, dan is het doel die kwaliteit minimaal te behouden. Is er sprake van een minder gaaf totaalbeeld, waarin al een diversiteit aan ingrepen heeft plaatsgevonden, dan is meer vrijheid toegestaan.

Er wordt, in tegenstelling tot in het niveau 1 gebied, hier niet ingezet op een kwaliteitsimpuls maar op beheer en behoud. Niveau 2 omvat de overige stedelijke beheergebieden en het buitengebied. Het zijn gebieden waarvan de ruimtelijke structuur en de gebouwen in mindere mate beeldbepalend zijn voor de stad, ten dele wél voor buurt of wijk. Van nieuwbouwplannen in deze gebieden mag gevraagd worden dat zij niet alleen op zichzelf redelijk zijn, maar ook dat zij bestaande ruimtelijke kwaliteiten in de omgeving respecteren. Kortom: een voldoende kwaliteit is hier de norm. Voor nieuwbouw betekent dit toetsing aan de algemene criteria b t/m e, voor verbouwplannen aan c, d en e. Relevantie voor het plan Voorliggend plan betreft de nieuwbouw van een filiaal van de Lidl op de plaats van een bestaand filiaal. Derhalve moet voldaan worden aan de algemene cirteria b t/m e. Het bouwvolume zal vooral in oppervlakte toenemen, maar qua hoogte aansluiten op bestande bouwwerken en de vergelijkbare utiliteitsbouw aan de overzijde van de Bosscheweg. Derhalve is en blijft het gebouw herkenbaar als zijnde een supermarkt. Qua uitstraling zal aangesloten worden bij de uitstraling van het huidige filiaal. Geconcludeerd kan worden dat de herbouw voorziet in voldoende kwaliteit en daarbij aansluit aan de norm zoals gesteld in de Welstrandsnota.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

16

Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische aspecten In de navolgende paragrafen komen diverse milieuhygiënische en planologische aspecten aan de orde. Voor een aantal aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn opgenomen in separate rapportages die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd. Voor inzicht in het gehele onderzoek wordt hier verwezen naar de bijlagen. Hierna is een korte samenvatting van deze onderzoeken opgenomen. Voor alle aspecten is de relevantie voor het plan omschreven.

4.1 Milieueffectrapportage Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. De belangrijkste wijzigingen betreffen het aanpassen van de richtlijnen m.b.t. de activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. moet worden opgesteld. De plandrempels zijn gewijzigd, maar het karakter ervan is eveneens gewijzigd. Het bevoegd gezag zal zich er voortaan van moeten vergewissen of de activiteiten in dit onderdeel ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: <0000> Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk. <0000> Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' zijn de selectiecriteria beschreven die bepalen of er mogelijk sprake is van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Hierbij moet worden gedacht aan de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en natuurlijk de mate van verontreiniging of hinder. Ten tweede is de locatie van de projecten natuurlijk van belang. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen of een project in de nabijheid van een gevoelig gebied is gelegen. Voorbeelden van gebieden die extra aandacht vragen zijn wetlands, bergen bosgebieden, reservaten en natuurgebieden en bij wet beschermde gebieden. Bij de samenhangende beoordeling van bovenstaande kenmerken van een project en de potentiële aanzienlijke milieugevolgen dient het volgende te allen tijde te worden meegewogen: <0000> Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking). <0000> Het grensoverschrijdende karakter van het effect.

<0000> De waarschijnlijkheid van het effect. <0000> De duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Op lijst D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (D11.1). Wanneer de ontwikkeling betrekking heeft op één van de volgende gevallen is een project m.e.r.-beoordelingsplichtig: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer. 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen. 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000m2 of meer. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Een bestemmingsplan wordt specifiek genoemd in kolom 4 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (cat. D 11.1) betreft een activiteit waarvoor een vormvrije m.e.r. beoordeling noodzakelijk is. Relevantie voor het plan De nieuwe planologische regeling biedt niet zodanig veel ruimte dat de drempelwaarden overschreden worden. Alleen bij dergelijke groottes is er op basis van het Besluit m.e.r. mogelijk sprake van significante effecten. Het plangebied (het initiatief) is veel minder omvangrijk dan de aantallen die genoemd zijn als

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

17

drempelwaarden. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermende gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000-gebieden te verwachten. Ook tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zullen niet aan de orde zijn. Significante gevolgen zijn daarom niet te verwachten.

4.2 Vormvrije m.e.r. beoordeling Zoals in paragraaf 4.1 van deze toelichting is omschreven, is op 1 april 2011 een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit Besluit is dat in elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., aandacht moet worden besteed aan de vraag of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen". Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer. 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen. 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000m2 of meer. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is: de oppervlakte van het gehele plangebied bedraagt circa 0,6 hectare en is niet gelegen in gevoelig gebied.

Gelet hierop blijft de beoogde ontwikkeling ruimschoots verwijderd van de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., zodat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden uitgevoerd. In het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Op basis hiervan kan het college van burgemeester en wethouders de beslissing nemen dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is. De aanmeldnotitie is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

4.3 Archeologie, historisch geografie en cultuurhistorie Beleidskader Op basis van de Erfgoedwet en het gemeentelijke archeologiebeleid is het verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met bekende én te verwachten archeologische waarden in het plangebied. Archeologie In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen in de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Het plangebied zelf is niet gekarteerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) van de RCE. Het plangebied heeft op de IKAW, afhankelijk van de bodemkundige en geomorfologische gesteldheid, een lage tot hoge verwachting. Op basis van de archeologische waardenkaart van de gemeente Tilburg is het plangebied gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting. In 2004 is een archeologisch inventariserend onderzoek uitgevoerd op basis van verder cultuurhistorisch verkennend onderzoek (H. van Dijk en K. Gheysen: Van De Logt tot Rauwe Braken, Beheerbestemmingsplan Theresia-Loven-Besterd. BILAN-rapport 2004-65). Het plangebied wordt daarin aangeduid als verstoord, zoals te zien op de navolgende verstoringenkaart.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

18

Afbeelding 10: verstoringenkaart met ligging plangebied(rood) (bron: Bilanrapport 2004-65) Historische geografie Het plangebied bevindt zich op de dekzandrug Tilburg -Oisterwijk. De gronden bestaan uit lemig zand. Tot het begin van de negentiende eeuw is het plangebied in gebruik geweest als agrarisch land. De Bosscheweg werd in de jaren vanaf 1826 aangelegd als onderdeel van de rijksweg tussen Tholen en Grave. In Tilburg maakt daarvan ook de Bredaseweg deel uit. De infrastructuur is typisch voor de nieuwe grote doorgaande wegen die toen in de provincie werden aangelegd, met de rechtlijnige beloop en de beplanting met eiken aan weerszijden. De weg is zeer gaaf bewaard gebleven, mede door de aanleg van ventwegen kort na 1910, toen de eerste villa's langs de Bosscheweg gebouwd werden. De belangrijkste 'moderne' ingrepen waren de aanleg van de spoorlijn van Tilburg naar Oisterwijk die in 1865 in gebruik werd genomen en het graven van het Wilhelminakanaal tussen 1917 en 1921. Tussen de Ringbaan-Oost en het Wilhelminakanaal ligt het bedrijventerrein 'Kanaalzone'. Het is een element uit het plan Rückert uit 1917, maar voor het grootste deel pas ingevuld na de Tweede Wereldoorlog. De bebouwing op het terrein is zeer divers, zowel in massa als in architectonische kwaliteit. Steeds meer oudbouw op het terrein wordt vervangen door nieuwbouw. Daarbij treedt vaak ook schaalvergroting op.

Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Erfgoedwet (voorheen Monumentenwet 1988) of de Monumentenverordening Gemeente Tilburg beschermde (rijks)monumenten.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

19

Circa 200 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich over het Wilhelminakanaal een in 2016 als beschermd gemeentelijk monument aangewezen hefbrug uit 1953-1954 met kenmerkende betonnen hefpijlers. De bebouwing uit de periode 1850 - 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In de nabijheid van het plangebied komen langs de Bosscheweg diverse panden voor uit die periode, al bevinden die zich op geruime afstand ten noordoosten van het plangebied. Historische structuren. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn de Bosscheweg, de Ringbaan-Oost, het Wilhelminakanaal en de Spoorlijn Tilburg -Den Bosch/Eindhoven aangeduid als historisch-geografische lijnen van hoge waarde. Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig. Conclusie cultuurhistorie Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat er geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historisch waardevolle gebouwen of structuren aangetast. Relevantie voor het plan Het plangebied ligt in een zone welke geheel verstoord is waardoor archeologisch waardevol bodemarchief naar verwachting volledig vernietigd is.

Archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Sprake is van het vervangen van een gebouw zonder cultuurhistorische waarden voor een vergelijkbaar maar groter nieuwe bouwwerk. Qua vorm en uitstraling wordt aangesloten op het bestaande straatbeeld. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden. Hoewel de kans op het aantreffen van archeologische waarden binnen het plangebied zeer klein wordt geacht, dient tot slot te worden opgemerkt dat voor alle toekomstige ontwikkelingen waarbij tijdens werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet, een meldingsplicht geldt bij de bevoegde minister of door het hem vertegenwoordigde bevoegd gezag, zijnde de gemeente Tilburg.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij de aanpassing van een bestemmingsplan dienen de ruimtelijke randvoorwaarden gerespecteerd te worden, door het waarborgen van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie en de omgeving. Voor deze beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt aansluiting gezocht bij de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering". Tevens dient, met het oog op milieuwetgeving, onderzocht te worden of de supermarkt voldoet aan de normen uit aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bedrijven die aan te merken zijn als een inrichting in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en waarop tevens een categorie uit bijlage I van het Besluit omgevingsrecht van toepassing is, dienen te voldoen aan de Wabo. Onder de Wabo kunnen inrichtingen te maken hebben met vergunningplicht, de algemene regels uit het Activiteitenbesluit of een combinatie daarvan. Het Besluit omgevingsrecht wijst de bedrijven aan die vergunningplichtig zijn. Voor inrichtingen die niet als vergunningplichtig zijn aangewezen, zijn algemene regels van toepassing. Hiertoe geldt het Activiteitenbesluit milieubeheer. Met behulp van het Activiteitenbesluit milieubeheer is de milieuwet- en regelgeving gestroomlijnd en geüniformeerd.

Het merendeel van de bedrijven, waar voorheen de vergunningplicht van toepassing was, valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit geldt ook in onderhavige situatie voor de Lidl aan de Bosscheweg te Tilburg. Afhankelijk van het type inrichting kan het Activiteitenbesluit milieubeheer geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn op de inrichting. Bedrijven en Milieuzonering Ten behoeve van de ruimtelijke afweging wordt aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009. De VNG-publicatie mag alleen gemotiveerd toegepast worden. Er is

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

20

voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. De VNG -publicatie: "Bedrijven en milieuzonering (versie 2009), geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van diverse bedrijfsactiviteiten. Tevens geeft deze publicatie richtafstanden voor het ontwikkelen van milieugevoelige functies (woningen) in de nabijheid van milieubelastende activiteiten (bedrijvigheid) in relatie tot het lokale omgevingstype. De publicatie is een hulpmiddel bij de ruimtelijke inpassing van plannen en vormt op basis van vaste jurisprudentie een goed vertrekpunt voor deze beoordeling. Voor de beoordeling of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes. De twee omgevingstypes die de VNG hanteert, zijn enerzijds "rustige woonwijk en rustig buitengebied" en anderzijds "gemengd gebied". Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden, zoals weergegeven in de navolgende tabel. Milieucategorie Richtafstand in meters, rustige woonwijk/buitengebied Richtafstand in meters, gemengd gebied 1 10 0 2 30 10 3.1 50 30 3.2 100 50 Tabel: richtafstanden conform VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" De te onderscheiden omgevingstypen worden onderstaand nader getypeerd.

Rustige woonwijk en een rustig buitengebied "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stilte gebied of een natuurgebied." Gemengd gebied "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vetrekpunt vormt in algemene zin de afstanden behorend bij een rustige woonwijk en rustig buitengebied.

De richtafstanden die hierbij behoren kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied. In onderhavig geval is het plan gelegen aan de Bosscheweg waar reeds meerdere bedrijven aan zijn gelegen. Het betreft met name veel detailhandel. Ook de spoorlijn Breda-Tilburg is in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied gelegen. Daarom is in onderhavig geval sprake van een "gemengd gebied". De supermarkt (SBI2008-code 471, milieucategorie 1) heeft in een "gemengd gebied" een richtafstand van 0 meter. De omliggende woningen zijn daarmee gelegen buiten de richtafstand uit de VNG-publicatie. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen ten gevolge van de supermarkt. Een gedetailleerd onderzoek naar de optredende geluidniveaus in het kader van de ruimtelijke beoordeling is derhalve niet aan de orde. Wel is een nader onderzoek verricht in het kader van het Activiteitenbesluit en een goede ruimtelijke ordening. Het huidige filiaal wordt gesloopt en vervangen door een nieuw en groter winkelpand. Het doel van het vergrote nieuwe filiaal is om meer ruimte te creëeren voor nevenruimten en grotere afstanden tussen de schappen waardoor niet zozeer nieuwe klanten getrokken worden, maar dat de huidige klanten meer kopen.

Theresia Loven Besterd 2016, 2e herziening (Bosscheweg 296)

21

Daarbij wordt de huidige inrichting van het plangebied niet groter en is geen sprake van een grotere bedrijfsbestemming. Wel worden gevaarlijke stoffen welke bedoeld zijn voor de verkoop (terpentine, spiritus) opgeslagen in het deel van het magazijn wat zo ver mogelijk van de omliggende woningen is gelegen. Voor de eventuele opslag van gevaarlijke stoffen is de PGS15 van toepassing. Een dergelijke opslag leidt bij een supermarkt nooit tot risicocontouren tot buiten de inrichtingsgrens. Wat betreft een ammoniakkoelinstallatie is ook pas sprake van een risicocontour als sprake is van een installatie met meer dan 1.500 kg ammoniak. Bij een supermarkt is hiervan geen sprake. Relevantie voor het plan Gezien het voorgaande wordt er vanuit gegaan dat er over en weer geen extra hinder is tussen dete bouwen supermarkt en woningen in de omgeving. De herbouw van de supermarkt wordt daarom vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering toelaatbaar geacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10187694/1