CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Regels

Raadsvergadering 8 maart 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw)21.325 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

8.2

Bouwregels

8.2.1

Algemeen a Bestaande bebouwing welke krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht. b Naast de in deze bestemming opgenomen regels gelden tevens de algemene regels, zoals opgenomen in Hoofdstuk 3 van deze planregels.

8.2.2

Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende algemene regels: a hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ondergeschikte delen van een bouwwerk, voor zover gelegen binnen het bestemmingsvlak, het bouwvlak overschrijden; c ten minste 40% van de voorgevel van het hoofdgebouw moet in de voorgevelrooilijn worden gebouwd; d het bebouwingspercentage mag 100% bedragen, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven; 34

e de maximale bouwhoogte bedraagt 10m, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven; 8.2.3

Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels: a aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'erf' worden gebouwd, met dien verstande dat wanneer deze bouwwerken binnen het bouwvlak worden gebouwd, de afstand tot de (verlengde) voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 3 m moet bedragen; b aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan; c de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag ter plaatse van de aanduiding 'erf' niet meer dan bedragen dan: 1 20 m2 indien de oppervlakte van het erf 50 m2 of minder bedraagt; 2 40% van het oppervlak van het erf met een maximum van 60 m2, indien de oppervlakte van het erf meer dan 50 m2 en niet meer dan 500 m2 bedraagt.

3 80 m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 500 m2 en niet meer dan 900 m2 bedraagt; 4 150 m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 900 m2 bedraagt; d ten aanzien van de hoogte; 1 de bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,5 m, met een maximale totale hoogte van 4,5 m; 2 de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen met een platte afdekking mag ten hoogste 3 m bedragen; 3 de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een schuine kap mag al dan niet in de perceelsgrens ten hoogste 3 m bedragen, de bouwhoogte ten hoogste 4,5 m waarbij de dakhelling maximaal 45° mag bedragen, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven. Deze afschuining geldt niet: a in die gevallen waarbij op het naastgelegen perceel in de perceelscheiding al een gebouw met een zelfde of hogere hoogte aanwezig is dan wel gelijktijdig wordt opgericht, b ten aanzien van topgevels; e indien sprake is van het bouwen van een garage dient er een minimale opstelruimte van 5 x 2,5m voor een garage aanwezig te zijn.

8.2.4

Bouwwerken van algemeen nut Voor het bouwen van bouwwerken van algemeen nut gelden de volgende regels: a bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht; b de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5m; c de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50m².

35

8.2.5

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het onbebouwd erf niet meer dan 1m mag bedragen; b de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag: 1 in het bouwvlak en in het erf maximaal 5m bedragen met dien verstande dat; I de hoogte in de perceelsgrens maximaal 3m mag bedragen, II de bouwhoogte van 5m gerealiseerd mag worden op minimaal 1m uit de perceelsgrens, III de afschuiningshoek in de perceelsgrens mag maximaal 45 o bedragen. Het bepaalde onder I, II en III geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde die zijn aangebouwd aan het hoofdgebouw en gesitueerd zijn binnen 4m van het hoofdgebouw; 2 in het onbebouwd erf maximaal 1m bedragen.

8.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: a de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van: 1 een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2 de verkeersveiligheid; 3 de sociale veiligheid; 4 de brandveiligheid; 5 de milieusituatie; 6 de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 7 parkeergelegenheid op eigen terrein; b werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen. c de vorm, de afmetingen en de plaatsing van de derde bouwlaag boven een hoogte van 6m boven het straatpeil in verband met een goede ruimtelijke afstemming op het overwegend aanwezige straatbeeld.

8.4

Afwijken van de bouwregels

8.4.1

Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het bouwvlak Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 8.4.4, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: a het bepaalde in 8.2.2 onder c, voor zover dit het stedenbouwkundige beeld ter plaatse ten goede komt. Daarnaast zijn de in 8.4.2 en 8.4.3 genoemde mogelijkheden voor binnenplans afwijken van overeenkomstige toepassing binnen het bouwvlak.

8.4.2

Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen ter plaatse van de aanduiding ‘erf’ Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 8.4.4, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van:

36

a het bepaalde in 8.2.3 voor het bouwen van afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg met inachtneming van het bepaalde in 8.6.1, met dien verstande dat 15m2 aaneengesloten onbebouwd terrein op het bouwperceel aanwezig blijft met een maximum van: 1 80m2 mits de oppervlakte van het erf kleiner is dan 500m2; 2 100m2 mits de oppervlakte van het erf groter is dan 500m2 en indien de volledige woonfunctie (woon-/eetkamer, keuken, badkamer, slaapkamer) op de begane grond wordt gesitueerd; b het bepaalde in 8.2.3 ten behoeve van de minimale opstelruimte van 5 x 2,5m vóór de garagebox mits de parkeerruimte elders op het eigen terrein wordt gerealiseerd of het perceel gelegen is aan een interne ontsluitingsweg; c het bepaalde in 8.2.5 sub b voor de opgenomen maximumhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zulks tot een hoogte van maximaal 5m, voor antennes die van de voet af gemeten een hoogte hebben van meer dan 5m, respectievelijk antennes, voor zover gelegen achter een woning of een ander gebouw, met een doorsnede groter dan 2m en een hoogte van meer dan 3m, gemeten vanaf het aansluitend terrein. daarnaast zijn de in 8.4.3 genoemde mogelijkheden voor binnenplans afwijken van overeenkomstige toepassing in het erf. 8.4.3

Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het onbebouwd erf Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 8.4.4, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: a het bepaalde in 8.2.3 voor het bouwen van entrees, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 16; b het bepaalde in 8.2.3 voor ondergrondse bouwwerken, zoals kelders en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; c het bepaalde in 8.2.3 voor erkers met dien verstande dat: 1 op de begane grond: a de breedte maximaal 2/3 deel van de breedte van de voorgevel bedraagt; b de diepte maximaal 1,5m bedraagt; c de hoogte één bouwlaag of maximaal 3m betreft; 2 de uitbouw transparant moet worden uitgevoerd; 3 op de perceelscheiding dan wel op maximaal 2m uit de perceelscheiding sprake kan zijn van een ondoorzichtige wand; d de in 8.2.5 opgenomen maximumhoogte van erfafscheidingen, bij bijzondere in stedenbouwkundig opzicht afwijkende situaties, zulks tot een hoogte van maximaal 2m; e het bepaalde in 8.2.5 voor de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zulks tot een hoogte van maximaal 5m; f het bepaalde in 8.2.5 voor vlaggenmasten, zulks tot een hoogte van maximaal 10m; g ondergeschikte delen van een bouwwerk.

8.4.4

Voorwaarden Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan slechts worden verleend indien: 37

a de bebouwingskarakteristiek van de straat niet onevenredig wordt geschaad; b gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; c de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; d de milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast; e de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast; f de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; g de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond; h vanuit stedenbouwkundig oogpunt in beginsel rekening wordt gehouden met eventuele zichthoeken vanuit belendende percelen. 8.5 8.5.1

8.6 8.6.1

Specifieke gebruiksregels Strijdig gebruik Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend: a het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen, waaronder garageboxen als zelfstandige woning; b het gebruik van een woning voor de huisvesting van meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur) anders dan toegelaten op grond van artikel 8.1.1. en 8.1.2.; c de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen detailhandel, ambachtelijk of industrieel bedrijf anders dan toegelaten op grond van artikel 8.1; d het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidshinderlijke inrichting of risicovolle inrichting; e het splitsen van een (grondgebonden) woning in twee of meer zelfstandige woonruimten; f het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; g opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; h opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; i het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; j het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten.

Afwijken van de gebruiksregels Binnenplans afwijken t.b.v. onzelfstandige wooneenheden Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 8.5.1 sub b ten behoeve van het maximaal aantal gehuisveste personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur) - in een woning - indien: a de betreffende woning zodanig is gesitueerd dat bewoning door meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheid/eenheden aanvaardbaar is, dit in relatie tot omliggende woningen; 38

b voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor de bewoners van de betreffende woning; c aannemelijk is dat op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt. 8.6.2

Binnenplans afwijken t.b.v. bedrijfsmatige activiteiten Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 8.5.1 ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten, zoals genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, in de woning en/of bijgebouw(en) met dien verstande dat: a degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner is van de woning; b de bedrijfsuitoefening in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving; c geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid welke op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e.

van de Wabo vergunningplichtig is, tenzij het betreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden wel verantwoord is; d geen sprake is van ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige beroepsvestigingen; e op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt; f voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers; g geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen; h maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, met een maximum van 80m2.

39

Artikel 9 9.1 9.1.1

Wonen - werken Bestemmingsomschrijving Functie De voor ‘Wonen - werken’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wonen, al dan niet in combinatie met: 1 de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten zoals bedoeld in artikel 1.16; 2 bedrijvigheid die is genoemd in bijlage 1 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' onder de categorie 1, met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in 41 Wet geluidhinder, met dien verstande dat er sprake is van grondgebonden gebouwen; 3 kantoren tot maximaal 250 m2 b.v.o'; 4 maatschappelijke instellingen; 5 recreatie en sport zoals is genoemd in bijlage 3 'Richtafstanden sport en recreatie' onder categorie 1; 6 zorg- en dienstverlening (zakelijk en persoonlijk) met dien verstande dat de voor deze bestemming aangewezen bouwpercelen minimaal 750 m2 en maximaal 3.500 m2 bedragen; b parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen; c groen-, water- en speelvoorzieningen; d bouwwerken van algemeen nut.

9.1.2

Aanduidingen a Ter plaatse van de aanduiding 'erf' zijn de voor 'Wonen – werken’ aangewezen gronden mede bestemd voor de weergegeven functie; b Ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ zijn de voor ‘Wonen – werken’ aangewezen gronden mede aangewezen voor de weergegeven functie.

9.1.3

Bijbehorende voorzieningen De voor 'Wonen - werken' aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor: a aan- en uitbouwen en bijgebouwen; b tuinen en erven; c bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d objecten voor beeldende kunst; e werken ten behoeve van nutsvoorzieningen; voor zover deze voorzieningen behoren bij en ondergeschikt zijn aan één van de onder 9.1.1 genoemde functies.

9.2 9.2.1

Bouwregels Algemeen a Bestaande bebouwing welke krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht.

40

b Naast de in deze bestemming opgenomen regels gelden tevens de algemene regels, zoals opgenomen in Hoofdstuk 3 van deze planregels.

9.2.2

Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende algemene bepalingen: a hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, met uitzondering van bouwvlakken welke zijn aangeduid als 'bijgebouwen', waar geen hoofdgebouwen zijn toegestaan'; b als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd; c het aantal woningen mag niet meer dan één per bouwperceel bedragen; d woningen mogen een inhoud hebben van maximaal 750 m3; e ten aanzien van de bouwdiepte: 1 de bouwdiepte in het bouwperceel bedraagt 15 m gemeten vanaf de voorgevel; 2 de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelgrens dient minimaal 10 m te bedragen; f de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 5 m te bedragen; g de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan het op de verbeelding aangegeven maximum; h het bouwen van ondergrondse bouwwerken is toegestaan.

9.2.3

Aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van wonen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van wonen gelden de volgende bepalingen: a aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen niet vóór 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; b aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan; c ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ bedraagt het bebouwingspercentage 100 en is de toegestane goot- en bouwhoogte met een maatvoeringsaanduiding weergegeven; d de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 40% van de oppervlakte van het onbebouwde gedeelte van het bouwperceel, dat is gelegen 3 meter achter de voorgevel van de woning, tot een maximum van 60m2. Dit geldt niet voor gronden die zijn aangeduid als bijgebouwen.

e ten aanzien van de hoogte: 1 de bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,5 m, met een maximale totale hoogte van 4,5 m; 2 de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen met een platte afdekking mag ten hoogste 3 m bedragen; 3 de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een schuine kap mag ten hoogste 3 m bedragen, de bouwhoogte ten hoogste 4,5 m waarbij de dakhelling maximaal 45° mag bedragen. Deze afschuining geldt niet:

41

a in die gevallen waarbij op het naastgelegen perceel in de perceelscheiding al een gebouw met een zelfde of hogere hoogte aanwezig is dan wel gelijktijdig wordt opgericht. 9.2.4

Bouwwerken van algemeen nut Voor het bouwen van bouwwerken van algemeen nut gelden de volgende regels: a bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht; b de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5m; c de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50m².

9.2.5

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het onbebouwd erf niet meer dan 1 m mag bedragen; b de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag in het bouwvlak en in het erf niet meer dan 3 m en in het onbebouwd erf niet meer dan 1 m bedragen; c (openlucht) zwembaden, vijvers en daarmee gelijk te stellen bij een tuin behorende voorzieningen mogen uitsluitend in het bouwvlak en het erf worden opgericht, met dien verstande dat de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 40% van het erf en de hoogte niet meer mag bedragen dan 0,5 m.

9.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: a de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van: 1 een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2 de verkeersveiligheid; 3 de sociale veiligheid; 4 de brandveiligheid; 5 de milieusituatie; 6 de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen ten behoeve van: 1 de brandveiligheid; 2 de milieusituatie; 3 de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

9.4

Specifieke gebruiksregels

9.4.1

Strijdig gebruik Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend:

42

a het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen, waaronder garageboxen als zelfstandige woning; b het gebruik van een woning voor de huisvesting van meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur) anders dan toegelaten op grond van 9.1.1 en 9.1.2; c de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen detailhandel, ambachtelijk of industrieel bedrijf anders dan toegelaten op grond van 9.1; d het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidshinderlijke inrichting of risicovolle inrichting; e het splitsen van een (grondgebonden) woning in twee of meer zelfstandige woonruimten; f het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; g opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; h opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; i het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; j het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten. 9.5

Afwijken van de gebruiksregels

9.5.1

Binnenplans afwijken t.b.v. onzelfstandige wooneenheden Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 9.4.1 sub b ten behoeve van het maximaal aantal gehuisveste personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur) - in een woning - indien: a de betreffende woning zodanig is gesitueerd dat bewoning door meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheid/eenheden aanvaardbaar is, dit in relatie tot omliggende woningen; b voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor de bewoners van de betreffende woning; c aannemelijk is dat op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt.

9.5.2

Binnenplans afwijken t.b.v. bedrijfsmatige activiteiten Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 9.4.1 ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten, zoals genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten , in de woning en/of bijgebouw(en) met dien verstande dat: a degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner is van de woning; b de bedrijfsuitoefening in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving; c geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid welke op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e. van de Wabo vergunningplichtig is,

43

d

e f g h

tenzij het betreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden wel verantwoord is; geen sprake is van ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige beroepsvestigingen; op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt; voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers; geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen; maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, met een maximum van 80m2.

44

Artikel 10 10.1

Woongebied Bestemmingsomschrijving

10.1.1

Functie De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a Wonen; b woningtypen, met dien verstande dat er sprake is van grondgebonden woningen: 1 aaneengeschakeld (maximaal 6 woningen aaneengeschakeld); 2 geschakeld; 3 half - vrijstaand; 4 vrijstaand; 5 patiowoning. c water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d objecten voor beeldende kunst; e groen- en speelvoorzieningen; f parkeervoorzieningen; g toegangs- en (gebieds)ontsluitingswegen, verblijfsgebied en langzaamverkeersroutes; h geluidwerende voorzieningen; i bouwwerken van algemeen nut.

10.1.2

Aanduidingen a Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is het maximum aantal toegestane woningen weergegeven binnen het bouwvlak;

10.1.3

Bijbehorende voorzieningen De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor: a aan- en uitbouwen en bijgebouwen; b tuinen en erven; c bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d bed & breakfast tot maximaal 2 kamers; e een beroepsmatige activiteit als een aan huis verbonden beroep; voor zover deze voorzieningen behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 10.1.1 genoemde functies.

10.1.4

Hogere grenswaarden Bij het realiseren van de toegelaten bestemming en/of functies moet worden voldaan aan de van toepassing zijnde vastgestelde hogere grenswaarde (Bijlage ..) en de daarin opgenomen voorwaarden.

10.2 10.2.1

Bouwregels Algemeen Naast de in deze bestemming opgenomen regels gelden tevens de algemene regels, zoals opgenomen in Hoofdstuk 3 van deze planregels.

45

10.2.2

Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende algemene regels: a per bestemmingsvlak mag niet meer dan het met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ weergegeven aantal woningen worden gebouwd; b gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; c hoofdgebouwen dienen in de voorgevelrooilijn of ten hoogste 6 m achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd, met dien verstande dat: 1 ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bebouwingsfront’ (sba-bf) de situering van de voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 1 meter afwijkt van de situering van de voorgevel van het hoofdgebouw van het aangrenzende bouwperceel; 2 het bepaalde onder 1 is niet van toepassing voor zover de hoofdgebouwen van aaneengeschakelde, geschakelde, of half – vrijstaande hoofdgebouwen direct aangrenzend worden aaneengebouwd; d de diepte van het hoofdgebouw van grondgebonden woningen, mag maximaal 12m bedragen, gemeten vanaf de voorgevel, met uitzondering van patiowoningen, die de maximale bouwdiepte van 12 meter mogen overschrijden over de volledige diepte van het bouwperceel, waarbij het maximale bebouwingspercentage van het bouwperceel 85 bedraagt.

e in afwijking van het bepaalde onder e mogen ondergeschikte delen van een bouwwerk achter de 12 meter lijn worden gerealiseerd; f de goot- en bouwhoogte binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum; g de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer dan 65° en niet minder dan 35º bedragen; h de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient bij vrijstaande woningen aan beide zijden minimaal 3 m te bedragen; bij twee onder een kap woningen dient de afstand tot de zijdelingsperceelsgrens één zijde minimaal 3 m en aan de andere zijde minimaal 1 m te bedragen.

10.2.3

Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels: a aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en in het erf worden gebouwd, met dien verstande dat wanneer deze bouwwerken binnen het bouwvlak worden gebouwd, de afstand tot de (verlengde) voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 3m moet bedragen; b onverminderd het bepaalde onder a mogen bijbehorende bouwwerken niet worden gebouwd aan de naar het openbaar gebied gekeerde zijkant, daaronder begrepen het verlengde daarvan, van het hoofdgebouw; c aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan; d tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven, mag de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen in het erf niet meer dan bedragen dan: 1 20m2 indien de oppervlakte van het erf 50m2 of minder bedraagt; 2 40% van het oppervlak van het erf met een maximum van 60m2, indien de oppervlakte van het erf meer dan 50m2 en niet meer dan 500m2 bedraagt;

46

3 80m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 500m2 en niet meer dan 900m2 bedraagt; 4 150m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 900m2 bedraagt; e ten aanzien van de hoogte: 1 de bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,5m, met een maximale totale hoogte van 4,5m; 2 de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen met een platte afdekking mag ten hoogste 3m bedragen; 3 de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een schuine kap mag ten hoogste 3m bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 4,5m waarbij de dakhelling maximaal 45° mag bedragen, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven. Deze afschuining geldt niet: a in die gevallen waarbij op het naastgelegen perceel in de perceelscheiding al een gebouw met een zelfde of hogere hoogte aanwezig is dan wel gelijktijdig wordt opgericht; b ten aanzien van topgevels; 10.2.4

Bouwwerken van algemeen nut Voor het bouwen van bouwwerken van algemeen nut gelden de volgende regels: a bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht; b de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5m; c de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50m².

10.2.5

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het onbebouwd erf niet meer dan 1m mag bedragen; b de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag: 1 in het bouwvlak en in het erf maximaal 5m bedragen met dien verstande dat: a de hoogte in de perceelsgrens maximaal 3m mag bedragen; b de bouwhoogte van 5m gerealiseerd mag worden op minimaal 1m uit de perceelsgrens; c de afschuiningshoek in de perceelsgrens mag maximaal 45º bedragen; het bepaalde onder a, b en c geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde die zijn aangebouwd aan het hoofdgebouw en gesitueerd zijn binnen 4m van het hoofdgebouw; 2 in het onbebouwd erf maximaal 1m bedragen. c de hoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde als geluidwerende voorziening mogen ten hoogste 3m bedragen.

10.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: 47

a de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van: 1 een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2 de verkeersveiligheid; 3 de sociale veiligheid; 4 de brandveiligheid; 5 de milieusituatie; 6 de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 7 parkeergelegenheid op eigen terrein; b werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen; c de vorm, de afmetingen en de plaatsing van de derde bouwlaag boven een hoogte van 6m boven het straatpeil in verband met een goede ruimtelijke afstemming op het overwegend aanwezige straatbeeld. 10.4

Afwijken van de bouwregels

10.4.1

Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het bouwvlak Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 10.4.5, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 10.2.2 met betrekking tot de met een maatvoeringsaanduiding aangegeven maximale goothoogte, zulks tot een hoogte van maximaal 10m;

10.4.2

Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het erf Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 10.4.5, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: a het bepaalde in 10.2 voor het bouwen van afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg met inachtneming van het bepaalde in 10.6.1, met dien verstande dat 15m2 aaneengesloten onbebouwd terrein op het bouwperceel aanwezig blijft met een maximum van: 1 80m2 mits de oppervlakte van het erf kleiner is dan 500m2; 2 100m2 mits de oppervlakte van het erf groter is dan 500m2 en indien de volledige woonfunctie (woon-/eetkamer, keuken, badkamer, slaapkamer) op de begane grond wordt gesitueerd; b het bepaalde in 10.2 ten behoeve van de minimale opstelruimte van 5 x 2,5m vóór de garagebox mits de parkeerruimte elders op het eigen terrein wordt gerealiseerd of het perceel gelegen is aan een interne ontsluitingsweg;

10.4.3

Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het onbebouwd erf Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 10.4.5, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: a het bepaalde in 10.2 voor erkers met dien verstande dat: 1 op de begane grond: a de breedte maximaal 2/3 deel van de breedte van de voorgevel bedraagt; b de diepte maximaal 1,5m bedraagt; c de hoogte één bouwlaag of maximaal 3m betreft; 2 de uitbouw transparant moet worden uitgevoerd;

48

b

c d e 10.4.4

3 op de perceelscheiding dan wel op maximaal 2m uit de perceelscheiding sprake kan zijn van een ondoorzichtige wand; de in 10.2.5 opgenomen maximumhoogte van erfafscheidingen, bij bijzondere in stedenbouwkundig opzicht afwijkende situaties, zulks tot een hoogte van maximaal 2m; het bepaalde in 10.2.5 voor de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zulks tot een hoogte van maximaal 5m; het bepaalde in 10.2.5 voor vlaggenmasten, zulks tot een hoogte van maximaal 10m; ondergeschikte delen van een bouwwerk.

Binnenplans afwijken t.b.v. maximaal woningaantal: Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de voorwaarden in 10.4.5 omgevingsvergunning te verlenen voor het binnenplans afwijken, mits: a. de nieuw op te richten woningen voldoen aan het bepaalde in artikel 10.2 b. per bestemmingsvlak niet meer woningen dan 10% extra woningen worden opgericht dan ter plaatse van de aanduiding ´maximum aantal wooneenheden´ is aangegeven, waarbij het aantal woningen vanaf 0,5 naar boven wordt afgerond; c. de nieuw op te richten woningen voldoen aan de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde eisen; d. voldaan wordt aan de gemeentelijke eisen ten aanzien van de opvang en berging van hemelwater, zoals die gelden ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; e. indien voorzien kan worden in voldoende parkeervoorzieningen. f. de gronden niet zijn gelegen in het gebied waar het hogere waardenbesluit (d.d…..) voor van toepassing is.

10.4.5

Voorwaarden Omgevingsvergunningen als bedoeld onder 10.4.1, 10.4.2, 10.4.3 en 10.4.4 worden slechts verleend indien: a. de bebouwingskarakteristiek van de straat niet onevenredig wordt geschaad; b. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; c. de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; d. de milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast; e. de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast; f. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; g. de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond; h. vanuit stedenbouwkundig oogpunt in beginsel rekening wordt gehouden met eventuele zichthoeken vanuit belendende percelen.

10.5

Specifieke gebruiksregels

49

10.5.1

10.6

Strijdig gebruik Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend: a het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen, waaronder garageboxen als zelfstandige woning; b het gebruik van een woning voor de huisvesting van meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur) anders dan toegelaten op grond van 10.1.1 en 10.1.2; c de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen detailhandel, ambachtelijk of industrieel bedrijf anders dan toegelaten op grond van 10.1; d het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidshinderlijke inrichting of risicovolle inrichting; e het splitsen van een (grondgebonden) woning in twee of meer zelfstandige woonruimten; f het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; g opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; h opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; i het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; j het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten. Afwijken van de gebruiksregels

10.6.1

Binnenplans afwijken t.b.v. onzelfstandige wooneenheden Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 10.5.1 sub b ten behoeve van het maximaal aantal gehuisveste personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur) - in een woning - indien: a de betreffende woning zodanig is gesitueerd dat bewoning door meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheid/eenheden aanvaardbaar is, dit in relatie tot omliggende woningen; b voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor de bewoners van de betreffende woning; c aannemelijk is dat op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt.

10.6.2

Binnenplans afwijken t.b.v. bedrijfsmatige activiteiten Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 10.5.1 ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten, zoals genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten , in de woning en/of bijgebouw(en) met dien verstande dat: a degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner is van de woning; b de bedrijfsuitoefening in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving; 50

c geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid welke op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e. van de Wabo vergunningplichtig is, tenzij het betreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden wel verantwoord is; d geen sprake is van ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige beroepsvestigingen; e op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt; f voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers; g geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen; h maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, met een maximum van 80m2. 10.6.3

Binnenplans afwijken aantal kamers t.b.v. bed & breakfast Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 10.1.3 onder d ten behoeve van het toestaan van bed & breakfast in maximaal 4 kamers.

Artikel 11

Wonen- Uit Te Werken

11.1

Bestemmingsomschrijving

11.1.1

Functie De voor ´Wonen-Uit Te Werken´ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wonen (grondgebonden), met inbegrip van beroep aan huis; b al of niet gebouwde parkeervoorzieningen; c voorzieningen voor auto-, fiets- en voetgangersverkeer; d water en waterhuishoudkundige voorzieningen; e bouwwerken van algemeen nut.

11.1.2

Bijbehorende voorzieningen De voor ´Wonen-Uit Te Werken´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor: a groen- en speelvoorzieningen; b bij een en ander behorende andere voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, voor zover deze voorzieningen behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 11.1.1 genoemde functies.

11.2

Uitwerkingsregels Burgemeester en wethouders werken het plan, voorzover betreft de gronden als bedoeld in lid 11.1, volgens de volgende regels uit: a op en in de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: 1 maximaal 2 grondgebonden woningen; 2 bij woningen behorende aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; 3 parkeervoorzieningen; 51

b

c

d

e

11.3

4 gebouwen, niet zijnde hoofdgebouwen, ten dienste van de doeleinden als bedoeld in 11.1.2; 5 bouwwerken van algemeen nut; 6 bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals lichtmasten, informatieborden, verkeerstekens en -regelinstallaties, straatmeubilair en beeldende kunstwerken; voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: 1 de maximale bouwhoogte bedraagt 10m 2 de maximale goothoogte bedraagt 6m; 3 op het hoofdvolume van een woning, uitgezonderd de niet aan de openbare ruimte gelegen delen van een patiowoning, is een kap verplicht. De dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer dan 65° en niet minder dan 35° bedragen; 4 de diepte van het hoofdgebouw van grondgebonden woningen, met uitzondering van patiowoningen, mag maximaal 12 m bedragen, gemeten vanaf de voorgevel; bij woningen mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd volgens de volgende regels: 1 de afstand tot de (verlengde) voorgevel van het hoofdgebouw moet minimaal 3 m bedragen; 2 aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan; 3 de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 60 m2; 4 de bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,5 m, met een maximale totale hoogte van 4,5m; 5 de

bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen met een platte afdekking mag ten hoogste 3 m bedragen; 6 de goothoogte van aan- en bijgebouwen met een schuine kap mag ten hoogste 3 m bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 4,5 m waarbij de dakhelling maximaal 45° mag bedragen. voor het bouwen van bouwwerken van algemeen nut gelden de volgende regels: 1 bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht; 2 de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5 m; 3 de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50 m2; op geen van de gevels van woningen mag, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege wegverkeer de ter plaatse toegestane voorkeursgrenswaarde krachtens de Wet geluidhinder overschrijden; daarbij geldt bovendien dat woningen niet mogen worden gebouwd met bouwkundige constructies als bedoeld in artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder (dove gevel), in plaats van gevels als bedoeld in artikel 1 van die wet. Een dove kap, met daaronder een ruimte die aan de geluidluwe zijde een te openen deel heeft, is wel toegestaan.

Voorlopig bouwverbod Zolang en voorzover een uitwerking nog geen rechtskracht heeft gekregen, kan in het desbetreffende deel van het plan slechts omgevingsvergunning voor het bouwen van 52

een bouwwerk worden verleend, indien het betreffende bouwwerk in overeenstemming is met het ontwerp van de uitwerking.

53

Artikel 12

Leiding – Hoogspanning

12.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanning (dubbelbestemming)' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), tevens bestemd voor de aanleg, instandhouding en bescherming van een ondergrondse 10kV hoogspanningsleiding, ten behoeve van het transport van elektriciteit en een belemmeringenstrook van 2,5m aan weerszijden van de as van deze leiding.

12.2

Bouwregels Waar een basisbestemming, aangegeven op de verbeelding, samenvalt met een dubbelbestemming, geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. Voor het bouwen geldt dat in afwijking van hetgeen wordt bepaald door de onderliggende basisbestemming(en), binnen de weergegeven dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning (dubbelbestemming)' begrepen gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden opgericht die zijn bestemd voor de aanleg en instandhouding van de desbetreffende hoofdtransportleiding.

12.3

Afwijken van de bouwregels

12.3.1

Binnenplans afwijken Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 12.3.2, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de bouwregels in 12.2 en toestaan dat bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende basisbestemmingen worden gebouwd.

12.3.2

Voorwaarden Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan slechts worden verleend indien: a geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder.

12.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

12.4.1

Werken en werkzaamheden Het is op de voor de dubbelbestemming aangewezen gronden verboden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting of bomen, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting; b het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen; c het ophogen en egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld of weghoogte; d het in de grond brengen van voorwerpen; 54

e het aanbrengen van gesloten verhardingen; f het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk; g diepploegen; h het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; i het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 12.4.2

Uitzonderingen Het onder 12.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verleend is dan wel in uitvoering waren; b welke betrekking hebben op normale onderhoudswerkzaamheden van geringe omvang, gericht op en noodzakelijk voor het gebruik overeenkomstig de dubbelbestemming of basisbestemming; c andere werken en/of werkzaamheden noodzakelijk in het kader van het onderhoud of beheer van de aanwezige leiding.

12.4.3

Voorwaarden voor verlenen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden De onder 12.4.1 vermelde vergunning wordt slechts verleend, indien door de genoemde werken en/of werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast. Dienaangaande vraagt het bevoegd gezag advies aan de betreffende leidingbeheerder.

12.5

Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning (dubbelbestemming)' wordt verwijderd indien: a de desbetreffende leiding gesaneerd is/wordt, dan wel uit nader onderzoek is gebleken dat de desbetreffende leiding buiten werking is gesteld; b de leidingbeheerder heeft aangegeven dat de leiding wordt verwijderd dan wel buiten werking is gesteld.

55

Artikel 13

Leiding – Hoogspanningsverbinding

13.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding (dubbelbestemming)' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), tevens bestemd voor de aanleg, instandhouding en bescherming van een bovengrondse 150 kV hoogspanningsverbinding, met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van het transport van elektriciteit en een belemmeringenstrook van 17,5 m ter weerszijden van de as van de 150 kV hoogspanningsverbinding.

13.2

Bouwregels Waar een basisbestemming, aangegeven op de verbeelding, samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. Voor het bouwen geldt dat: a in afwijking van hetgeen wordt bepaald door de onderliggende basisbestemming(en), binnen de weergegeven dubbelbestemming 'Leiding Hoogspanningsverbinding (dubbelbestemming)' begrepen gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden opgericht die zijn bestemd voor de aanleg en instandhouding van de desbetreffende hoofdtransportleiding; b de maximale bouwhoogte van hoogspanningsmasten niet meer mag bedragen dan 60m.

13.3

Afwijken van de bouwregels

13.3.1

Binnenplans afwijken Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 13.3.2, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de bouwregels in 13.2 en toestaan dat bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende basisbestemmingen worden gebouwd.

13.3.2

Voorwaarden Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan slechts worden verleend indien: a geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder.

13.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

13.4.1

Werken en werkzaamheden Het is op de voor de dubbelbestemming aangewezen gronden verboden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a het aanbrengen van en of rooien van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting of bomen, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting;

56

b het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen; c het ophogen en egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld of weghoogte; d het in de grond brengen van voorwerpen; e het aanbrengen van gesloten verhardingen; f het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk; g diepploegen; h het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; i het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 13.4.2

Uitzonderingen Het onder 13.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verleend is dan wel in uitvoering waren; b welke betrekking hebben op normale onderhoudswerkzaamheden van geringe omvang, gericht op en noodzakelijk voor het gebruik overeenkomstig de dubbelbestemming of basisbestemming; c andere werken en/of werkzaamheden noodzakelijk in het kader van het onderhoud of beheer van de aanwezige leiding.

13.4.3

Voorwaarden voor verlenen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden De onder 13.4.1 vermelde vergunning wordt slechts verleend, indien door de genoemde werken en/of werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast. Dienaangaande vraagt het bevoegd gezag schriftelijk advies aan de betreffende leidingbeheerder.

13.5

Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' wordt verwijderd indien: a de desbetreffende leiding gesaneerd is/wordt, dan wel uit nader onderzoek is gebleken dat de desbetreffende leiding buiten werking is gesteld; b de leidingbeheerder heeft aangegeven dat de leiding wordt verwijderd dan wel buiten werking is gesteld.

57

Artikel 14

Waarde – Archeologie

14.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie (dubbelbestemming)' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), mede bestemd voor bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

14.2

Bouwregels

14.2.1

Bouwen ten behoeve van de bestemming Op en in de gronden als bedoeld in 14.1 mogen bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.

14.2.2

Bouwen ten behoeve van de andere bestemmingen a Waar een basisbestemming, aangegeven op de verbeelding, samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde van de dubbelbestemming; b op en in de gronden als bedoeld in 14.1 mag ten behoeve van de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), met inachtneming van de daarvoor geldende regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betreft: 1 vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot, of; 2 een bouwwerk dat wordt gebouwd zonder graaf- of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,5 m onder peil, of; 3 een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 30 m2; c op en in de gronden als bedoeld in 14.1 mag ten behoeve van de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), met inachtneming van de daarvoor geldende regels, een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 30m2 en waarbij sprake is van graaf- en/of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,5m onder peil uitsluitend worden gebouwd, indien: 1 de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, en; 2

de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder 1 bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden aangetast; d ter voorkoming van mogelijke schade kan 1 of meer van de volgende verplichtingen aan de vergunning worden verbonden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen;

58

3 de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 14.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken en de inrichting en het gebruik van de gronden voor zover de gronden zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie' (dubbelbestemming), indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.

14.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

14.4.1

Werken en werkzaamheden Behoudens het bepaalde in 14.4.2, is het verboden op of in de in 14.1 bedoelde gronden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 30m² of meer, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemming(en): a het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend het (af)graven, woelen, mengen, diep- ploegen, egaliseren, ontginnen, heiwerkzaamheden en aanleggen van drainage dieper dan 0,5m onder peil; b het aanleggen, vergraven, verruimen van sloten, vijvers en andere wateren; c het aanleggen of rooien van diepwortelende beplantingen/bomen of bos/boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; d het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

14.4.2

Uitzonderingen Het in 14.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden: a die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan dan wel krachtens een reeds verleende vergunning; b die het normale beheer en onderhoud betreffen; c in het kader van het uitvoeren van een bouwplan als bedoeld in 14.2.2; d in het kader van het uitvoeren van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige.

14.4.3

Voorwaarden verlenen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden De in 14.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien: a de aanvrager van de vergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegde gezag in voldoende mate is vastgesteld, en;

59

b de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder a bedoelde rapport, door het verrichten van die werken en werkzaamheden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad; met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade 1 of meer van de volgende verplichtingen aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden kunnen worden verbonden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de aanwezige archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen, en/of; 3 de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij vergunning te stellen kwalificaties. 14.5

Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (dubbelbestemming)' naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval uit het plan wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.

60

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 15

Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

61

Artikel 16

Algemene bouwregels

16.1

Ondergrondse bouwwerken

16.1.1

Situering Tenzij dit elders in de regels is uitgesloten of beperkt, is ondergronds bouwen binnen een bestemmingsvlak toegestaan met dien verstande dat: a 100% van het bouwvlak mag worden aangewend voor ondergrondse bouwwerken; b maximaal 40% van het erf mag worden aangewend voor ondergrondse bouwwerken; c het onbebouwd erf niet mag worden aangewend voor ondergrondse bouwwerken; d ondergrondse bouwwerken dienen te worden gebouwd onder het maaiveld en aan de straatzijde onder het straatpeil; e openluchtzwembaden, vijvers en daarmee gelijk te stellen bij een tuin behorende voorzieningen mogen in het bouwvlak en (on)bebouwd erf worden opgericht met dien verstande dat de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50% van het erf en de hoogte niet meer mag bedragen dan 0,5m.

16.1.2

Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 16.1.1 ten behoeve van: a het voor 100% ondergronds bebouwen van het erf; b ondergronds bouwen in het onbebouwd erf; c ondergronds bouwen boven het straatpeil.

16.1.3

Voorwaarden Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan worden verleend mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van: a het woon- en leefklimaat en de milieukwaliteit; b de verkeers-, brand-, sociale en externe veiligheid; c de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken; d de waterhuishouding, de natuurwaarden en de archeologische waarden.

16.1.4

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de maximale bouwdiepte voor ondergrondse bouwwerken.

16.2 16.2.1

Hoofdtoegang woningen Situering De hoofdtoegang van grondgebonden woningen, bovenwoningen en een complex van gestapelde woningen dient in de voor- of zijgevel van het gebouw te worden gesitueerd.

62

16.2.2

16.3

Binnenplans afwijken Het bevoegd gezag kan, indien er geen sprake is van grondgebonden woningen, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 16.2.1, mits: a situering als bedoeld in 16.2.1 op redelijke en aantoonbare wijze niet mogelijk is; b een andere situering van de hoofdtoegang op redelijke wijze aansluiting vindt bij het openbaar gebied, waarbij de afstand tot het openbaar gebied niet meer mag bedragen dan 30m; c de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; d de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast; e de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond. Onbebouwd terrein bij gebouwen

16.3.1

Onbebouwd terrein bij woningen Bij een woning moet - gelet op de kwaliteit van de woonomgeving, zowel bezien vanuit de woning als vanuit de belendende percelen en de omgeving - een onbebouwd terrein aanwezig zijn dat tenminste een strook grond omvat die over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en een diepte heeft van - gemeten vanaf het verst achterwaarts gelegen deel van het hoofdgebouw inclusief een eventuele aanbouw - tenminste 5m.

16.3.2

Onbebouwd terrein bij overige gebouwen Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning anders dan als bedrijfswoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend onbebouwd gedeelte van het bouwperceel aanwezig zijn ter diepte van tenminste 2m achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en wel over de volle breedte daarvan.

16.3.3

Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: a het bepaalde in 16.3.1, voor wat de aanwezigheid van het onbebouwd terrein betreft, indien andere functies dan wonen in het bestemmingsvlak zijn toegestaan en de eerste bouwlaag niet voor bewoning gebruikt wordt; b het bepaalde in 16.3.1, indien een gunstige andere indeling van het bouwperceel aanwezig is en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt; c het bepaalde in 16.3.1 indien sprake is van patiobungalows; d het bepaalde in 16.3.1 indien het plan voorziet in een gezamenlijke (binnen)tuin van voldoende grootte; e het bepaalde in 16.3.2, indien dit geen beletsel vormt voor de bestemming van het gebouw en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9830772/1