CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting met bijlagen

Hamerraad 1 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel Bestemmingsplan Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herz. (van Ginnekenweg 12)27.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied. De bepalingen van deze wet zijn per 1 juli 2016 (gedeeltelijk) overgegaan in de erfgoedwet. Op basis van deze wetten zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. 4.3.3.2 Archeologische monumentenzorg gemeente Tilburg De volgende kaart betreft een uitsnede van de kaart 'Formeel beschermd erfgoed' van de gemeente Tilburg. Het plangebied is gelegen binnen het 'Nationaal Park Het Groene Woud'.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

27

Figuur 20: Kaart 'Formeel beschermd erfgoed' gemeente Tilburg (bron: omgevingsvisie Tilburg 2040), waarop de ligging van het plangebied indicatief is aangeduid 4.3.3.3 Beoordeling archeologische waarde van het plangebied Ter plaatse van het plangebied geldt deels de basisverwachting en deel een hoge verwachting. Navolgende figuur geeft de archeologische verwachting ter plaatse van het plangebied weer.

Figuur 21: Archeologische verwachtingskaart Tilburg waarop de ligging van het plangebied is aangeduid Heerkenshuis is deels aangeduid als een terrein met een onbekende verwachtingswaarde en deels als een gebied met een hoge verwachtingswaarde. Dit bestemmingsplan is opgesteld ter behoud en borging van het behoud van het bestaand pand en realisatie van een uitzichtpunt bovenop een bestaand bouwwerk. Een bestaande parkeerplaats wordt bestemd. Er vindt geen roering van gronden plaats. Het plan heeft geen verlies van archeologische waarden tot gevolg. 4.3.4 Cultuurhistorie Door bureau De Onderste Steen is een cultuurhistorische waardestelling voor het plangebied opgesteld Deze cultuurhistorische waardestelling d.d. 15 april 2019 behoort als bijlagebij deze toelichting. In deze toelichting Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

28

zijn fragmenten uit deze waardestelling opgenomen. Daarnaast zijn hierna de waardering en conclusie uit dit rapport overgenomen. "Cultuurhistorische waarden De ontmoetings- en expositieruimte aan de Van Ginnekenweg 12 in Udenhout is in 1976-1977 gebouwd als onderdeel van de Steenfabriek Udenhout. Deze steenfabriek was destijds een van de grootste steenfabrieken van Nederland en voor Udenhout en omstreken economisch van groot belang. Ook heeft de aanwezigheid van de steenfabriek blijvend gevolgen gehad voor de inrichting van het landschap; het afgraven van de benodigde klei heeft geleid tot de zogenaamde 'Leemkuilen', een waterrijk gebied ten oosten van de voormalige steenfabriek. Het voormalige fabrieksterrein wordt momenteel getransformeerd tot natuurgebied. Het vormt hiermee een belangrijke schakel tussen het Nationaal Park Loonse en Drunense Duinen en Nationaal Landschap Het Groene Woud. Met uitzondering van enkele restanten, zoals betonvloeren, de contouren, het transformatorgebouw en wat smalspoor, is de voormalige ontmoetings- en expositieruimte het enige gebouw van de steenfabriek dat intact is gebleven. Het gebouw vertegenwoordigt hiermee een hoge cultuurhistorische waarde. Architectuur- en kunsthistorische waarden De voormalige ontmoetings- en expositieruimte is op een bijzondere wijze vormgegeven, rekening houdend met de functie van het gebouw en de omgeving.

De grote, gesloten expositieruimte wordt omringd door enkele kleinere (kantoor-)ruimten, van waaruit het omliggende landschap goed zichtbaar is, vooral dankzij het gebruik van vensters die tot aan de grond doorlopen. Zowel het aflopende dak en de ronde hoeken, als de gebruikte materiaalafwerking (met afwisselend gestuukt en schoon metselwerk), aluminium kozijnen en een houten afwerking van het plafond zijn kenmerkend voor de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Het gebouw neemt een belangrijke plaats in binnen het oeuvre van Noud Heerkens, een architect die in Tilburg en omstreken een belangrijke stempel op de architectuur heeft gedrukt. Het kunstwerk in het vertrek op de verdieping is kenmerkend voor het werk van de regionale kunstenaar Theo van Amstel. Het kunstwerk is onlosmakelijk met het gebouw verbonden en vormt er een wezenlijk onderdeel van. Zowel de architectonische, als de kunsthistorische waarde van de voormalige ontmoetings- en expositieruimte is hoog. Stedenbouwkundige en ensemblewaarden Stedenbouwkundig gezien vertegenwoordigt het gebouw weinig waarde. Het ligt aan een onverharde weg, midden in een landschap dat nog in ontwikkeling is. Wel is er sprake van een redelijk hoge ensemblewaarde met de resten van de steenfabriek, te weten de betonvloeren, de contouren, het transformatorgebouw en het smalspoor.

Gaafheid/herkenbaarheid In de loop der tijd heeft het gebouw enkele wijzigingen ondergaan. De plavuizen vloeren en de ronde, gemetselde plantenbak zijn verdwenen en enkele kozijnen en de trapleuning zijn vervangen, dan wel aangepast. De oorspronkelijke lichtkoepels zijn vervangen door replica's. Desondanks verkeert het gebouw nog in oorspronkelijke staat. De gaafheid (en hiermee de herkenbaarheid) van het gebouw zijn derhalve redelijk hoog te noemen. Zeldzaamheid ver het fenomeen 'expositieruimtes' (al dan niet in relatie tot steenfabrieken) is tot op heden - voor zover bekend - geen onderzoek gedaan. Dit betekent dat er ook geen landelijke of provinciale inventarisaties bestaan. Het is dus niet bekend hoeveel van dergelijke gebouwen zijn gebouwd en in welke periode, waar ze staan en welke er nog over zijn. Conclusie De publieke waardering voor dit type erfgoed is tot op heden laag, hetgeen vooral te wijten is aan een gebrek aan onderzoek in combinatie met een geringe ouderdom. Toch zien we dat de belangstelling voor erfgoed uit de periode vanaf 1965 toeneemt. 'Geringe ouderdom' is steeds minder een belemmering om cultuurhistorie te herkennen en mee te wegen. De vroeger gehanteerde 50-jarennorm voor de aanwijzing tot monumenten is al geruime tijd losgelaten.

Na onderzoeken naar architectuur uit de periode 1940-1965, richten steeds meer overheden en andere (erfgoed)organisaties zich op de daaropvolgende periode: 'Post 1965'. Zo werd vorige jaar in Amsterdam een kantoorgebouw uit 1983-1987 aangewezen als gemeentelijk monument. De ontmoetings- en expositieruimte aan de Van Ginnekenweg 12 in Udenhout vertegenwoordigt een hoge Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

29

ultuurhistorische en architectuurhistorische waarde. Dit, in combinatie met een redelijk hoge ensemblewaarde en de redelijk hoge mate van gaafheid, leidt er toe dat het gebouw als 'zeer waardevol' gekenmerkt kan worden. Behoud van het gebouw, inclusief het aanwezig muurkunstwerk, is daarom aan te bevelen. Wanneer men besluit om tot behoud/herbestemming over te gaan, wordt aanbevolen om enkele kenmerkende aspecten van het complex te respecteren en in een eventueel nieuw ontwerp te integreren. Het gaat om: <0000> het behoud van het functionele karakter van het gebouw, met de grote, gesloten expositieruimte in het midden en de naar buiten gerichte (kantoor-)ruimten eromheen; <0000> het respecteren van het gebruikte materiaal, te weten aluminium voor de kozijnen, (deels gestuukt) baksteen voor de gevels en een houten plafondafwerking." Navolgende figuur geeft een beeld van de invulling van het pand met de grote gesloten expositieruimte in het midden en de naar buiten gerichte kantoorruimten hieromheen. Deze structuur blijft ongewijzigd behouden.

Figuur 22 : Plattegrond van de begane grond van Heerkenshuis Om te verankeren dat cultuurhistorische waarden binnen het plangebied behouden blijven is in de regels van dit bestemmingsplan is instandhouding van de cultuurhistorische waarden conform het waardestellingsrapport als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Hiermee is instandhouding van het cultuurhistorisch waardevol pand voor de toekomst geborgd. Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

30

4.4 Volkshuisvesting Deze ontwikkeling heeft geen consequenties voor volkshuisvesting. Dit plan ziet toe op behoud van een bestaand pand als kantoorruimte.

4.5 Groen en speelruimte Deze ontwikkeling heeft geen consequenties voor groen en speelruimte. Dit plan ziet toe op behoud van een bestaand pand als kantoorruimte. De omliggende gronden worden ingericht als natuur. Hiervoor zijn de kaders reeds bekend en het plan is in uitvoering.

4.6 Bedrijvigheid Binnen het plangebied wordt een bestaand pand bestemd als kantoorruimte, conform het huidig gebruik. In paragraaf 5.3 wordt dit nader toegelicht.

4.7 Verkeer en parkeren 4.7.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg 4.7.1.1 Inleiding De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. 4.7.1.2 Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

4.7.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.

De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

31

4.7.3 Nota parkeernormen Tilburg 2017 In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. In paragraaf van deze toelichting is toegelicht hoe ontsluiten en parkeren binnen het plangebied plaatsvindt. Het parkeren vindt plaats op een bestaande parkeervoorziening.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

32

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde milieuaspecten.

5.2 Milieueffectrapportage 5.2.1 Inleiding Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: 1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; 2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. 5.2.2 M.e.r. (beoordelings)plichtige activiteit In de bijlage 1 bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto bedrijfsvloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. 5.2.3 Passende beoordeling Binnen het plangebied zijn geen Natura-2000 of NNN-gebieden aanwezig.

Het plangebied is gelegen op korte afstand van het Natura-2000 gebied 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De ontwikkeling ziet toe op het positief bestemmen van het voortgezet gebruik van een bestaand cultuurhistorisch pand binnen de bestaande omvang. De aard en omvang van het gebruik en van de bebouwing wordt niet vergroot. Er heeft een vormvrije mer-beoordeling plaatsgevonden. Deze beoordeling is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. 5.2.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze herbestemming.

5.3 Milieuhinder bedrijven 5.3.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst 'Bedrijven en Milieuzonering' worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een gebied wordt als 'gemengde gebied' getypeerd als functiemenging de boventoon voert in het gebied of als functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met een hoge aanwezigheid van agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

33

Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. 5.3.2 Beoogde bedrijvigheid binnen het plangebied Het plangebied is gelegen aan van Ginnekenweg 12 te Udenhout. Dit betreft de voormalige ontmoetings- en expositieruimte met kantoren (Heerkenshuis) op het terrein van de voormalige steenfabriek. De steenfabriek is gesloopt en Heerkenshuis wordt gebruikt als kantoorruimte. Dit betreft bedrijvigheid met de milieucategorie 1. Er is geen impact op de omgeving voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid. De maximaal aan te houden richtlijnafstand bij een categorie 1 bedrijf bedraagt 10 meter. De locatie is gelegen op een terrein, dat eveneens als het plangebied is eigendom is van Brabants Landschap en dat als natuur bestemd is. Er zijn geen woningen of andere gevoelige bestemmingen gelegen binnen de aan te houden richtlijnafstand van 10 meter in de omgeving van het plangebied, waarmee voldaan wordt aan de richtlijnafstand. 5.3.3 Bedrijven rondom het plangebied 5.3.3.1 Bedrijven in de omgeving Het plangebied is gelegen op een afstand van 178 meter van bedrijventerrein Kreitenmolen. Dit betreft een bedrijventerrein met een variatie aan bedrijven voor wat betreft aard en schaal. Op het bedrijventerrein zijn ook bedrijfswoningen aanwezig.

Op de locatie waar geen nadere functieaanduiding is opgenomen kunnen bedrijven aanwezig zijn die zijn genoemd in de bij het bestemmingsplan gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten met categorieën 2 tot en met 3.2, met dien verstande dat risicovolle inrichtingen en inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht jo. artikel 41 van de Wet geluidhinder, niet zijn toegestaan. Bij een bedrijfscategorie 3.2. geldt een aan te houden richtlijnafstand van 100 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen deze afstand. Binnen het bedrijventerrein zijn ook bedrijven met een milieucategorie van 4.1 aanwezig. Het plangebied is gelegen op een afstand van 270 meter tot het dichtstbij het plangebied gelegen bedrijf met de aanduiding 'bedrijf tot en met de milieucategorie 4.1'. Hiermee wordt voldaan aan de richtlijn Bedrijven en milieuzonering. 5.3.3.2 Spuitzones ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. De omgeving van het plangebied is bestemd als 'Natuur' en het terrein wordt beheerd door de eigenaar natuurbeschermingsorganisatie Brabants Landschap.

Er is geen sprake van spuitzones in de omgeving van het plangebied.

5.4 Exerne veiligheid 5.4.1 Verantwoordingsplicht 5.4.1.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan.

5.4.1.2 Vervoer gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zwaar ongeval of de Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

34

ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de 1 miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. 5.4.1.3 Besluit externe veiligheid buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. 5.4.2 Beleidsvisie externe veiligheid Met de Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de stad. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. Deze visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de plankaart externe veiligheid gemeente Tilburg, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Figuur 23: Plankaart externe veiligheid gemeente Tilburg, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid Het plangebied is gelegen in 'luwe gebieden'. Het gebied betreft een risicoluw natuurgebied. Risico's zijn hier met mate toegestaan. Risico's in beperkte mate blijven in het agrarische buitengebied mogelijk, zolang ze andere woningen/ inrichtingen niet hinderen. 5.4.3 Beoordeling van het plangebied 5.4.3.1 Risicovolle inrichtingen Het plangebied is op de risicokaart van de Provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicocontour van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

35

Figuur 24 : Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid Binnen een afstand van meer dan 500 meter rondom het plangebied zijn geen inrichtingen in het kader van de externe veiligheidsnormen aanwezig waarbij sprake is van een in acht te nemen risicocontour. 5.4.3.2 Buisleidingen Op een afstand van 1.200 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een buisleiding. Het plangebied is gelegen buiten de plaatsgevonden risico-contour en het invloedsgebied. 5.4.3.3 Transport Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Het plangebied bevindt zich op circa 350 meter van een spoorlijn. De spoorlijn Tilburg-Vught heeft een toxisch invloedsgebied van >4.000 meter, waarmee het plangebied binnen het invloedsgebied gelegen is. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-Vught. Deze spoorlijn kent geen plasbrandaandachtsgebied en 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour. Het groepsrisico bedraagt minder dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt niet significant toe. Er is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

5.4.3.4 Beperkte verantwoording groepsrisico Inleiding In de toelichting bij een bestemmingsplan dient indien het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en 2. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Voor het plangebied geldt vanuit externe veiligheid een beperkte verantwoordingsplicht groepsrisico vanuit artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes vanwege de ligging binnen het toxisch invloedsgebied van verschillende transportroutes gevaarlijke stoffen. Dit betreft de ligging van het plangebied ten opzichte van het spoor traject Tilburg-Vught en de ligging van het plangebied ten opzichte van de A65. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.

Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de Beleidsvisie Externe Veiligheid. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

36

Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. De meest effectieve veiligheidsmaatregel in relatie tot risico's vanuit externe veiligheid is echter het centraal afsluitbaar maken van de mechanische ventilatie. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) en NL-Alert als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.

5.5 Geluid 5.5.1 Wegverkeer De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van spoor- en wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van(spoor) wegen. De reikwijdte van de Wet geluidhinder is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder geldt niet voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties: <0000> via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; <0000> via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; <0000> de reconstructie/wijziging van een bestaande weg. Het plangebied is gelegen aan Van Ginnekenweg 12. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk. Derhalve hoeft niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wet geluidhinder middels een akoestisch onderzoek. 5.5.2 Railverkeer Op een afstand van 350 meter tot het plangebied is de spoorverbinding Tilburg-'s Hertogenbosch gelegen.

Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk. Derhalve hoeft niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wet geluidhinder middels een akoestisch onderzoek.

5.6 Lucht 5.6.1 Inleiding Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. De hierin opgenomen programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. 5.6.2 Regeling niet in betekende mate Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term 'niet in betekenende mate'. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Dit bestemmingsplanplan maakt hergebruik van een cultuurhistorische pand mogelijk maakt ter behoud hiervan, zonder uitbreiding van de bestaande bebouwing.

Gezien de hoge drempelwaarden voor ontwikkelingen in tegenstelling tot de kleinschaligheid van deze bestemming kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip 'Niet In Betekenende Mate' valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht. 5.6.3 Achtergrondconcentratie fijn stof Fijn stof (PM10 en PM2,5) is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal, cementdeeltjes en bijvoorbeeld stukjes afgesleten autoband of wegdek. Fijn stof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende gassen in de lucht. De gemiddelde hoeveelheid (concentratie) fijn stof in Nederland is hoger in het zuiden, nabij grotere steden en bij grote industriegebieden. Fijn stof is een vorm van luchtvervuiling en heeft een ongunstig effect op de gezondheid van mensen. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10, dan wel 2,5

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

37

micrometer (µg) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst en daardoor met een verschillende chemische samenstelling. Verkeer, industrie en landbouw zijn de belangrijkste bronnen. Op grond van de Wet milieubeheer gelden voor fijn stof de volgende grenswaarden: <0000> De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes PM10 is maximaal 40 µg/m³; <0000> De daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden overschreden; <0000> De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes PM2,5 is maximaal 25 µg/m³. De achtergrondconcentratie voor fijnstof is de totale concentratie van alle bronnen per vak van 1 kilometer bij 1 kilometer. De achtergrondconcentratie wordt jaarlijks bepaald door de emissies van veehouderijen, industrieën en verkeer bij elkaar opgeteld. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de door het RIVM gepubliceerde kaart, waarbij de achtergrondconcentratie fijn stof PM10 voor het plangebied is weergegeven.

Figuur 25 : Uitsnede kaart achtergrondconcentratie PM10 met daarop de ligging van het plangebied aangeduid De achtergrondconcentratie PM10 binnen het plangebied bedraagt 18,94 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 40 µg/m³. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de door het RIVM gepubliceerde kaart, waarbij de achtergrondconcentratie fijn stof PM2,5 voor het plangebied is weergegeven.

Figuur 26 : Uitsnede achtergrondconcentratie PM2,5, met daarop de ligging van het plangebied aangeduid

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

38

Voor het plangebied is de achtergrondconcentratie PM2,5 ter plaatse van het plangebied 11,4 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 25 µg/m³. 5.6.4 Achtergrondconcentratie stikstof De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: <0000> de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.

Figuur 27 : Uitsnede achtergrondconcentratie NO2, met daarop de ligging van het plangebied aangeduid Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 18,99 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is. 5.6.5 Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Deze AMvB beperkt de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale- en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof en stikstofdioxide. Dit zijn voornamelijk kinderen, ouderen en zieken. Scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen en bijbehorende terreinen betreffen hierbij gevoelige bestemmingen. De bestemming binnen het plangebied als kantoor betreft geen bestemming waarop het besluit gevoelige bestemmingen betrekking heeft.

5.7 Geur 5.7.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige bestemmingen dient in het kader van het aspect 'geur' antwoord gegeven te worden op de vragen: <0000> Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object); <0000> Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). 5.7.2 Veehouderijen in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven met hokdieren aanwezig. Op een afstand van circa 380 meter ten noorden van het plangebied is aan Brabantsehoek 16 een kleinschalige melkveehouderij met 20 koeien gelegen. Het plangebied is gelegen buiten de aan te houden afstand van 50 meter tot dit bedrijf. De dichtstbijzijnd gelegen veehouderij met hokdieren betreft de veehouderij aan Winkelstraat 2a gelegen op Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

39

een afstand van circa 480 meter tot het plangebied. Het dichtstbijzijnd gelegen veehouderijbedrijf ten zuiden van het plangebied betreft de kleinschalige veehouderij aan Haarensebaan 3, gelegen op een afstand van circa 580 meter tot het plangebied. Ten oosten en ten westen van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen. 5.7.3 Voorgrondbelasting Gezien het ontbreken van veehouderijbedrijven in de directe omgeving en de afstand van het plangebied tot veehouderijen in de wijdere omgeving is de voorgrondbelasting niet maatgevend bij deze bestemming. Bestemming van het plangebied is in het kader van de voorgrondbelasting derhalve geen bezwaar. 5.7.4 Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting wordt berekend met het programma V-Stacks gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting zijn de veehouderijen binnen een twee kilometer rondom het plangebied beoordeeld. De invoergegevens van de bedrijven voor het programma V-Stacks gebied zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant d.d. 9 januari 2020. Dit betreft het bestand van de veehouderijen binnen de gemeenten Tilburg en Haaren. De gegevens voor de berekening zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

Aangezien sprake is van een berekening van de huidige situatie is de maximaal vergunbare emissie voor de bedrijven gelijk gesteld aan de vergunde emissie in de bestaande situatie. Hierna zijn de resultaten van de berekening van achtergrondbelasting weergeven. Berekende ruwheid: 0,27 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 10 % Rasterpunt linksonder x: 138 994 m Rasterpunt linksonder y: 401 175 m Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend Punt x-coördinaat Y-coördinaat Geurbelasting (oue/m³) W 139 994 402 175 4,596 Z 140 017 402 167 4,603 O 140 023 402 189 4.723 N 140 009 402 198 4,764 Tabel 3: Beeld van achtergrondbelasting binnen het plangebied Binnen het plangebied is met een maximale achtergrondbelasting van 4,8 een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig in het kader van de achtergrondbelasting.

5.8 Gezondheid 5.8.1 Inleiding Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. De GGD adviseert het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 5.8.2 Beoordeling van het plangebied Binnen twee kilometer tot het plangebied is een geitenhouderij gelegen. Daarmee is formeel het geitenmoratorium van toepassing. Gezien de geplande herbestemming is er geen sprake van realisatie van woningbouw of een zorgfunctie. Daarmee is er vanuit het geitenmoratorium geen belemmering.

5.9 Bodem 5.9.1 Inleiding In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

40

herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Binnen het plangebied is een bouwvergunning verleend voor Heerkenshuis. Het pand is in gebruik genomen als kantoor en dit gebruik wordt voortgezet. Er is geen bodemonderzoek noodzakelijk bij voortgezet bestaand gebruik.

5.10 Natuur en ecologie 5.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk 'Natura 2000-gebieden' (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk 'soorten' (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk 'houtopstanden' (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het Rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk 'Natura 2000-gebieden' heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk 'soorten' heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep', Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn); <0000> Overige inheemse broedvogels; <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.

In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant); <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.

Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

41

verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzij benadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied.

De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de "ja-mitsbenadering". De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 5.10.2 Analyse plangebied 5.10.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000- gebied Het plangebied is bijna aansluitend aan 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen' gelegen op circa 17 meter afstand daarvan. Het Natura 2000- gebied 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen' bevat een aantal zeer stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten. Navolgende figuur betreft een beeld van de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebied 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen.

Figuur 28: Ligging plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden Stikstofdepositie Effecten van geluid, licht en trilling kunnen uitgesloten worden omdat de instandhoudingsdoelen daarvoor niet gevoelig zijn en omdat de effecten van de beoogde ontwikkeling dusdanig beperkt zijn dat deze ecologisch niet meetbaar zijn. In de beoogde situatie vindt door positieve bestemming van het pand als kantoor binnen het plangebied geen toename van stikstofemissie door verkeersbewegingen plaats door gebruikers van het pand. Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

42

De toename aan verkeersbewegingen door de uitkijktoren zijn eveneens nihil. Recreanten zullen niet speciaal voor de uitkijktoren naar het plangebied komen, maar deze toren bezoeken tijdens een geplande wandeling. Er is door plaatsing van de toren geen verkeersaantrekkende werking. Het natuurgebied wordt al door recreanten gebruikt. Voor deze uitstoot is een Aerius berekening uitgevoerd. Deze berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit deze berekening blijkt dat de herbestemming geen effect heeft groter dan 0,00 mol per hectare per jaar. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied is gelegen in het Natuur Netwerk Brabant. Binnen dit Natuur Netwerk Brabant is het plangebied aangeduid als gelegen in en Natte Natuurparel. De bestemming is zeer kleinschalig van aard en omvang. Bestaand gebruik als kantoorruimte wordt voortgezet en bestemd. Dit gebruik vindt plaats door natuur beherende instanties ter behoud van het binnen het plangebied aanwezige cultuurhistorisch waardevol pand Heerkenshuis. Een bestemming die plaatsvindt binnen een Natte Natuurparel mag geen negatief effect op de waterhuishouding hebben. Door het voortgezette gebruik binnen het bestaand pand in zelfde aard en omvang is hiervan binnen het plangebied ook geen sprake. Met de beoogde bestemming is geen sprake van aantasting van 'wezenlijke waarden en kenmerken' van het NNB-gebied.

Voor herbestemming van het plangebied is een streefbeeld voor inrichting van de natuur opgesteld, die recht doet aan cultuurhistorische waarden en die past binnen de aansluitend gelegen natuur. Het streefbeeld zoals omschreven in paragraaf 2.2.4 van deze toelichting wordt ook als zodanig op de provinciale kaart met natuurtypen voor dit gebied aangeduid als gewenst natuurdoeltype voor dit gebied. 5.10.2.2 Soortenbescherming De bestemming heeft geen gevolgen voor beschermde soorten. Na bestemming van een voormalig trafohuisje naar het uitzichtpunt dient in de aanvraag om omgevingsvergunning te worden aangetoond dat geen aantasting van flora- en fauna waarden plaatsvindt. Een bestaande parkeerplaats met 10 plaatsen wordt bestemd conform huidig toegestaan gebruik.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

43

Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Bestaand watersysteem 6.1.1 Gebiedskenmerken Het plangebied maakt onderdeel uit van het voormalig terrein van de steenfabriek De Leemkuilen. De jarenlange leemwinning heeft duidelijke sporen achter gelaten in het landschap. Grote delen van het terrein behorende bij deze steenfabriek zijn diep afgegraven en plas geworden. Tussen de grotere en kleinere plassen lopen de hoger gelegen dijken van waar uit de ontginningen georganiseerd waren. Navolgende figuur geeft een beeld van de totstandkoming van de plassen na afgraving.

Figuur 29: Beeld van tot standkoming van plassen ter plaatse van de afgravingen 6.1.2 Bodem en oppervlaktewater De bodem rondom het plangebied betreft een: zandige, humusarm en basenrijk (kalkrijk) substraat bodem met een aanzienlijke hoeveelheid puin en steenslag. Binnen het plangebied wordt een bestaand pand bestemd conform het bestaande toegestane gebruik. Er is geen sprake van oppervlaktewater binnen het plangebied.

6.2 Beleidskader 6.2.1 Waterschapsbeleid Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016-2021 vastgesteld op 22 december 2015. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016-2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico's beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit). Inzet is gericht op het bereiken van de doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel, die van belang is voor eventuele ontwikkelingen. 6.2.2 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Dommel van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

44

andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Navolgende figuur betreft een weergave van de keurkaart met daarop het plangebied aangeduid.

Figuur 30: Beeld van tot leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied 6.2.3 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m².

Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

6.3 Watertoets 6.3.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. 6.3.2 Verwerking van hemelwater binnen het plangebied

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

45

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren) in zijn weg tussen de afvoerende oppervlakken en het oppervlaktewatersysteem. Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder afvoerende oppervlakken inrichten (ontharden); <0000> Toepassen van half-verhardingen; <0000> Waterdoorlatende verharding; <0000> Toepassen van groene daken; <0000> Bovengrondse waterbergende voorzieningen <0000> Alle beetjes helpen; andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. In 2019 is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De voorgenomen bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Binnen het plangebied is geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Ter behoud en bescherming van een cultuurhistorisch waardevol pand blijft het pand in de huidige aard en omvang behouden. Het bestaande parkeerterrein is in een open klinkerverharding uitgevoerd zodat hemelwater ook op het parkeerterrein infiltreert in de bodem. Dit wijzigt ook niet met dit bestemmingsplan. 6.3.3 Afvalwater Binnen het plangebied wordt een bestaand pand hergebruikt.

Er is geen sprake van een wijziging in omgang met afvalwater binnen het plangebied. Er is sprake van een gescheiden waterstelsel.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

46

Hoofdstuk 7 Opzet planregels 7.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Bestemmingen en aanduidingen 7.2.1 Inleiding In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Maatschappelijk; <0000> Natuur; <0000> Waterstaat - Attentiegebied NNB; Deze bestemmingen worden in navolgende paragrafen nader toegelicht. Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: <0000> 'cultuurhistorische waarden' ter plaatse van Heerkenshuis. <0000> 'parkeerterrein' ter plaatse van het parkeerterrein. <0000> 'specifieke vorm van natuur - uitzichtpunt' ter plaatse van het voormalig trafohuisje binnen het plangebied. <0000> Bouwvlak. Ter plaatse van Heerkenshuis. Hierna worden de gehanteerde bestemmingen nader toegelicht. 7.2.2 Maatschappelijk Ter plaatse van Heerkenshuis wordt het bestaande en voortgezette gebruik als kantoor bestemd. Heerkenshuis wordt begrensd op de maatvoering van het bestaande pand en het huidige gebruik. Te behouden cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn middels een voorwaardelijke verplichting beschermd. 7.2.3 Natuur Binnen de bestemming 'Natuur' met de aanduiding 'parkeerterrein' wordt dit terrein gebruikt voor parkeren van 10 auto's. Deze omvang aan parkeerruimte is noodzakelijk bij gebruik van het pand als kantoorruimte. 7.2.4 Waterstaat - Attentiegebied NNB De gronden met deze dubbelbestemming zijn tevens bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van hydrologische waarden.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

47

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

48

Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog en overleg 9.1 Kennisgeving ex artikel 3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. Dit plan is op 11 december 2020 gepubliceerd.

9.2 Overleg ex artikel 1.3.1 Bro Het plan is door de initiatiefnemer/natuurbeherende organisatie ambtelijk besproken met de provincie Noord-Brabant, waarna dit bestemmingsplan is opgesteld. Het concept-ontwerpbestemmingsplan is verzonden naar de in artikel 1.3.1 Bro genoemde overleginstanties. Onderstaand zijn de vooroverlegreacties samengevat weergegeven. Op 22 april 2021 is het concept-ontwerpbestemmingsplan aangemeld bij de provincie in het kader van het wettelijk vooroverleg. Het ingevulde formulier over de in het voorontwerp betrokken ruimtelijke aspecten gaf voor de provincie geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het wettelijk vooroverleg kan dan ook als afgerond worden beschouwd. Het voorontwerpplan is op 28 april 2021 voor gelegd aan waterschap De Dommel. Bij mail van 5 mei 2021 gaf het waterschap aan dat het plan geen directe effecten heeft op de waterhuishouding omdat het gaat om het vastleggen van de bestaande situatie. Het waterschap stemt daarom in met dit plan in het kader van de watertoets.

9.3 Omgevingsdialoog Het plangebied is solitair gelegen binnen het terrein van stichting Brabants Landschap. Brabants Landschap is tevens eigenaar en initiatiefnemer voor deze herbestemming. Een omgevingsdialoog is gevoerd. In navolging daarvan is dit bestemmingsplan op enkele punten aangepast en aangevuld. De weergave van de omgevingsdialoog is opgenomen in een verslag. Dit verslag is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10695827/1