03 ROB
Tekst van het document
De opsteller en vaststeller van het plan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
27
(Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast wordt aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Met behulp van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), die door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) wordt verzorgd en de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW2010, figuur 10) van de provincie Noord-Brabant is nagegaan of de gronden binnen het plangebied van archeologische betekenis zijn.
De CHW bestaat uit de volgende onderdelen: historische bouwkunst: dit zijn de ‘monumenten’ uit het dagelijks taalgebruik; historische stedenbouw: het kan gaan om een gehucht, dorp, stad, woonwijk of industrieel complex; historische geografie: aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving; historisch groen: de groenelementen en structuren die door ingrepen van de mens ontstaan; historische zichtrelaties: zoals molenbiotopen, schootsvelden, eendenkooien en zichtrelaties; archeologische monumenten: deze kaartlaag bestaat uit de Archeologische Monumenten Kaart NoordBrabant (AMK); indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW): naast de hierboven genoemde archeologische monumenten zijn op de cultuurhistorische waardenkaart indicatieve archeologische waarden af te lezen. Deze waarden zijn belangrijk en moeten in beginsel beschermd worden. Volgens deze kaart is het gebied niet gekarteerd. De locatie is gelegen in de Dekzandrug Tilburg-Den Bosch, in de Meierij-regio. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt De Meierij begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk.
Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 'sHertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid, verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Het plan heeft verder geen betrekking op de aspecten ‘Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg’.
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
28
Figuur 11: Uitsnede provinciale CHW kaart
3.3.4 Conclusie Het plan heeft geen effect op de aspecten ‘Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg’.
3.3 Volkshuisvesting Het plan heeft geen betrekking op het aspect ‘Volkshuisvesting’.
3.4 Groen en biodiversiteit 3.4.1 Bomenbeleid Tilburg In het plangebied staan geen bomen, die vermeld staan op de BWZ-kaart of de GLMB. Het bomenbeleid van de gemeente Tilburg is niet van toepassing op het plangebied. Er wordt niets gekapt.
3.4.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
29
3.4.3 Nota Biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota uit 2010 is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied).
Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied: in het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur': biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit: zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'Agenda Groen in de Stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'Agenda Groen in de Stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin.
Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer.
3.5 Bedrijvigheid Het plan heeft geen betrekking op het aspect ‘Bedrijvigheid’.
3.6 Kantoren Het plan heeft geen betrekking op het aspect ‘Kantoren’.
3.7 Detailhandel Het plan heeft geen betrekking op het aspect ‘Detailhandel’. Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
30
3.8 Horeca Het plan heeft geen betrekking op het aspect ‘Horeca’.
3.9 Verkeer en parkeren Zonnepanelen zijn voorzien van een lichtdoorlatende beschermlaag om de zonnecellen te beschermen tegen weersinvloeden. Het invallende zonlicht wordt in zeer beperkte mate gereflecteerd. De mate van reflectie ligt onder de geaccepteerde norm van 10%. Zie hiervoor als voorbeeld de productinformatie in bijlage 4. Het verkeer op de A58 hoeft geen hinder van de panelen te ondervinden. In paragraaf 4.2 wordt verder ingegaan op eventuele hinder. Het betreft een type A-inrichting volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer. Er hoeft geen melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer te worden gedaan. Wel moet worden voldaan aan de regels van het Activiteitenbesluit. Volgens artikel 2.1, onder h, van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient een inrichting lichthinder te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau te beperken Voor het overige is dit aspect niet relevant. De zonnepanelen generen geen extra verkeersbewegingen noch zijn daar parkeerplaatsen voor nodig, parkeernormen en de parkeernota zijn niet relevant.
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
31
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten Het plan omvat de realisatie van een zonne-installatie. De installatie produceert elektrische energie. De installatie heeft geen bewegende delen. De elektriciteit wordt opgewekt als gelijkstroom (DC) en door omvormers omgezet in wisselstroom (AC). Met transformators wordt de elektriciteit ingevoed in het Enexis-netwerk. Onderstaand worden diverse milieuaspecten besproken. Overige belemmeringen zoals kabels en leidingen zijn er verder niet.
4.1 Milieueffectrapportage Aanleiding Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande drie criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs.
Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan dus leiden tot twee conclusies: belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Aanmeldnotitie Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, middels een vormvrije m.e.r.- beoordeling in beeld moeten worden gebracht met een aanmeldnotitie, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieu effectrapportage op te stellen. De aanmeldnotitie moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in Bijlage III Richtlijn 2011/92/EU. De criteria vallen uiteen in de:
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
32
kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het plaatsen van zonnepanelen is een activiteit die niet wordt genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen bijvoorbeeld komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De plaatsing van zonnepanelen komt niet voor op de D-lijst is bedoeld. Het planvoornemen ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied ligt niet in zo’n waardevol gebied.
Er is daarmee geen sprake van significante nadelige effecten voor het milieu. In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen. Het was lang onduidelijk of een zonnepark valt onder het Besluit milieueffectrapportage. Uit de uitspraak van de Raad van State (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) blijkt dat dit niet het geval is. Deze uitspraak gaat over een zonnepark waarvoor via de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning is verleend. Het park bevat ongeveer 22.500 zonnepanelen en enkele trafostations. De Raad van State geeft aan dat een zonnepark niet onder de reikwijdte van het Besluit milieueffectrapportage valt. Een zonnepark is volgens de Raad geen: landinrichtingsproject, geen stedelijk ontwikkelingsproject en ook geen industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Het uitvoeren van een (vorm-vrije) m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
4.2 Milieuhinder bedrijven Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft een eigen bedrijfswoning buiten beschouwing. Een bedrijfswoning van derden wordt als reguliere burgerwoning beschouwd. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
33
bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. Milieucategorie in relatie tot afstand ‘rustige woonwijk’ 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m. De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNG-publicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid. De ligging van deze locatie rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. Voor zonneparken is er op dit moment geen standaard opgenomen in de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. Er komen 2 opties voor een trafo-huisje, 1 aan de oostzijde (hotelzijde) en 1 aan de westzijde (ziekenhuiszijde). Beide even groot met een transformatorvermogen van 1,75 MVA.
Vanuit dat transformatorhuis vindt een kabelaansluiting plaats op ofwel: Het netwerk van Enexis dat in de Dr. Bloemenlaan loopt. Deze aansluiting wordt door Enexis gerealiseerd. Ofwel De netwerkaansluiting van ETZ, die aan de overzijde van de Nieuwe Leije is gesitueerd. Deze aansluiting wordt dan door onze installateur gerealiseerd In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' vallen transformatoren en omvormers onder de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tussen de 10 en 100 MVA'. De grootste richtafstand is die van geluid en bedraagt 50 meter in rustig gebied. Voor de omvormers is de vergelijking gemaakt met de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen 10 tot 100 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 50 meter. In gemengd gebied zoals hier is dat een afstand van 30 meter. Binnen deze afstand bevinden zich er geen woningen. Het plan maakt voor het overige geen milieubelastende- of milieugevoelige functie mogelijk in het kader van Bedrijven en Milieuzonering. Het plan maakt geen relevante emissie van geluid naar de omgeving mogelijk. Het plan veroorzaakt geen trillingen.
4.3 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
34
veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. De locatie (figuur 12) ligt in letaalzones vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A58.
Figuur 12: Uitsnede risicokaart Een zonnepark is geen (beperkt) kwetsbaar object en is ook geen risicovolle inrichting als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Vuurwerk Het plan heeft geen betrekking op het aspect ‘Vuurwerk’.
4.5 Geluid Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. In een 30 km/uur-gebied kan toetsing veelal achterwege blijven, bezien vanuit de wet. Neemt niet weg dat een goed woon- en leefklimaat moet worden geborgd. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. Een woning is een geluidgevoelig object. Zonnepanelen zijn dat uiteraard niet. Hoewel de locatie zich niet in een 30 km/uur gebied bevindt, is akoestisch onderzoek niet vereist omdat er geen nieuwe geluidsgevoelige bebouwing wordt opgericht. De projectlocatie bevindt zich niet binnen de Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
35
toetsingszone van een zoneplichtige spoorlijn of binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Toetsing aan de grenswaarde voor spoorweg- en industrielawaai is daarmee niet aan de orde.
4.6 Lucht Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (AmvB), verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project leidt ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het plan maakt geen emissie van stoffen die de luchtkwaliteit beïnvloeden mogelijk. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en zonnepanelen zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten, Atlas Leefomgeving) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2019 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide circa 27 μg/m3 en voor fijn stof is dit circa 18 μg/m3. De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3. Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven. Stikstof is niet relevant voor dit project. Aanlegfase zal in beperkte mate een stikstofuitstoot veroorzaken. In de gebruiksfase is geen sprake van stikstofuitstoot.
Gezien de aard en omvang van het project en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is een stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten. Kortom, het plan maakt geen emissie van stoffen die de luchtkwaliteit beïnvloeden mogelijk.
4.7 Geur Het plan maakt geen geuruitstoot of geurgevoelige functie mogelijk.
4.8 Bodem Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsbesluit. Bij grond afvoer en grondverzet vanaf het plangebied naar elders treden de regels van het Besluit bodemkwaliteit in werking. Deze regels wijken af van de Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
36
voor het rapport gehanteerde regels van de Wet Bodembescherming. De uiteindelijke beslissing met betrekking tot de functionele geschiktheid van de bodem voor de beoogde doelstelling is strikt voorbehouden aan het bevoegd gezag. Omdat hier geen sprake is van woningbouw noch van de langdurige aanwezigheid van personen, is geen bodemonderzoek noodzakelijk. De grond is eerder gesaneerd. Een evaluatierapport van onder meer d.d februari 2014 is beschikbaar van deze sanering. Het plangebied bestaat uit een ophoping van vervuilde grond waar overheen een afdekfolie en een leeflaag van 1 meter dik is aangebracht. De kwaliteit van de bovenste meter grond ter plaatse van de geluidswal is ‘klasse Industrie’.Het is zeer aannemelijk dat de geluidswal in de laatste 8 jaar is verzakt en verder ingeklonken waardoor de laag minder dik zal zijn. Vandaar dat tussen de goede grond en de verontreinigde grond een signaleringsdoek zit, waar men niet doorheen zal gaan. De zonnepanelen en de omheining worden geplaatst op een onderconstructie, die met schroefpalen in de bodem wordt bevestigd. De schroefpalen gaan maximaal 80 cm de grond waardoor de afdekfolie niet aangetast wordt. De grondwal bestaat dus uit verontreinigde grond die is afgedekt met een leeflaag. Op de leeflaag zijn gebruiksbeperkingen van toepassing.
Ondanks dat de werkdiepte niet de dikte van de leeflaag overschrijdt, wordt het toch zinvol geacht om dit te melden bij het bevoegd gezag, te weten de OMWB. Het is niet noodzakelijk om over te gaan tot verdere bodemsanering temeer nu er niet voortdurend mensen verblijven.
4.9 Natuur en ecologie 4.9.2 Analyse plangebied Op basis van de natuurwetgeving is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten. Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Een quick scan d.d. juni 2021 (zie bijlage 3) leert dat er geen obstakels zijn.
De bomenrij aan de zuidoostzijde van het perceel draagt zowel bij aan de noodzakelijke biodiversiteit als aan de afscherming en veiligheid van het zonnepark. De bomenrij vormt geen belemmering voor het zonnepark. De westkant van de berg maakt deel uit van de ecologische hoofdstructuur van Noord-Brabant. Als de ruimte er is zal deze hoofdstructuur hersteld worden. De nota Stadsnatuur 2040 van de gemeente Tilburg biedt de mogelijkheid hiertoe. Recent verschijnen er artikelen dat zonneweides een positief effect hebben op de biodiversiteit. Dit neveneffect is in het project een bewust bedoeld neveneffect en bij het maken van (ontwerp)keuzes zal bij voorkeur gekozen worden voor opties, die dit effect versterken. Een eerste verkenning in verband met de toets in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) heeft op 28 april 2021 plaatsgevonden. Tijdens dit bezoek zijn geen beschermde dieren en planten aangetroffen,
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
37
uitgezonderd het Konijn. Tweede helft mei heeft een vervolgbezoek plaatsgevonden om de aanwezigheid van latere soorten uit te kunnen sluiten.
Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruim 2 km van een Natura 2000-gebied, te weten Kampina & Oisterwijkse Vennen. Deze ontwikkeling heeft daar geen effect op (figuur 13)
Figuur 13: Natura 2000
Figuur 14: NNN/NNB Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (zie hfst 3) Soortenbescherming Conclusie De verwachting van de onderzoeker is dat er geen andere beschermde soorten gevonden zijn; er is geen ontheffing Wnb nodig . In de rapportage van 15 juni 2021 (bijlage 3) is aangegeven hoe negatieve effecten voor het Konijn zo klein mogelijk zullen zijn bij de aanlegwerkzaamheden en welke vervolgstappen voor de soort gerealiseerd worden. Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
38
Tevens is bij de eindconclusie van de Quickscan soortenbescherming ook aangegeven hoe de biodiversiteit op het terrein tenminste gehandhaafd, maar zeker ook verhoogd kan worden. Meerdere soorten ongewervelden en vogels zullen hier voordeel van hebben. De rapportage, waarnaar wordt verwezen, besteedt ook aandacht aan de aanpak van de Japanse duizendknoop, aan de wijze van plaatsing van de panelen, de schrale begroeiing van de wanden van de geluidswal, de wilde bijen, de strook langs de Leij, de overgang naar de A58, beheerplan en de top van de geluidswal. In het ontwerp (paragraaf 1.5.2) en het de landschappelijke inpassing (paragraaf 1.5.3) en de toelichting op beide komen deze aspecten aan de orde.
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
39
Hoofdstuk 5 Wateraspecten Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. De gemeente Tilburg heeft een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2019 (vGRP) opgesteld. Vanaf 1 januari 2008 is de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken in werking getreden. In november 2019 heeft de gemeente waterbeleid vastgesteld voor de komende periode: het Programma Water en riolering (PWR) 2020-2023. Daarbij wordt de lijn van vGRP 2016-2019 aangescherpt. Kortheidshalve wordt verwezen naar de memo d.d. 23 juli 2021 waarin wordt beschreven dat de ontwikkeling geen impact op het watersysteem heeft en binnen het gemeentelijk maatwerk valt.
5.1 Watertoets Uit de vergunningenchecker van Waterschap De Dommel blijkt dat de afrastering op dermate grote afstand van de Leij geplaatst wordt dat dit geen Watervergunning afrastering bij oppervlaktewater behoeft. Echter, de voorgenomen boring ten behoeve van een netaansluiting bij het ETZ onder de Leij door behoeft wel een verginning. Deze is parallel aan de omgevingsvergunning aangevraagd.
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
40
Hoofdstuk 6 Motivering project Tilburg streeft er naar om in 2045 CO2-neutraal te zijn. In dit project wordt per jaar ongeveer 1,2 miljoen kWh aan elektriciteit opgewekt door 4.500 zonnepanelen zonder daar CO2 bij uit te stoten. Zo levert dit project een substantiële bijdrage aan de gemeentelijke ambitie. De locatie voor het project is een grondlichaam, dat ontstaan is door de ophoping van vervuilde grond bij het bouwrijp maken van de voormalige vuilstort. Verbouwing van gewassen is daardoor niet toegestaan. Begroeiing door bomen is evenmin gewenst omdat enerzijds de wortels de afdekfolie zouden kunnen doorboren en anderzijds bij een stevige storm de bomen om kunnen waaien waarbij de wortelstructuur de leeflaag ernstig kan beschadigen. Het grondlichaam heeft de functie gekregen van geluidswal. Door de oriëntatie ten opzichte van de zon en de hellingshoek is de geluidswal uitermate geschikt voor het opwekken van zonnestroom. De historie van het zonneproject op de geluidswal langs de A58 ter hoogte van de Dr. Bloemenlaan in Tilburg is begonnen op 6 oktober 2017. Het bestuur van Energiefabriek013 had een gesprek met de waarnemend burgemeester van Tilburg. Hierbij kaartte het bestuur de ambitie aan om een zonneproject in de vorm van een postcoderoosproject te ontwikkelen op de geluidswal naast het op dat moment in aanbouw zijnde Hotel Van der Valk Tilburg.
De waarnemend burgemeester zei in dat gesprek toe beschermheer te willen zijn voor de realisatie van dit project; de gemeente Tilburg is namelijk de eigenaar van de grond. In februari 2018 werd het project Brabantse Energiecorridor A58 gestart: De regio’s Hart van Brabant, Metropoolregio Eindhoven, de gemeente Breda en Rijkswaterstaat namen op 1 februari samen het initiatief met een verkenning van de potenties en rendementen van grootschalige mogelijkheden voor duurzame energiewinning en opslag van energie rond de A58 met uitbreiding met de A50 tot aan Son en Breugel en de A2 tot aan de aansluiting Leenderheide. Omdat de geluidswal binnen het zoekgebied van dit project viel, pitchte Energiefabriek013 het project voor de betrokken gemeentes, Rijkswaterstaat en de adviesbureaus, die het project ondersteunden. Door de gemeente Tilburg was een ontwikkelbudget toegezegd voor dit project. De voorwaarde, die daaraan verbonden was, was dat er perspectief moest zijn op verkrijging van een omgevingsvergunning. Energiefabriek013 diende op 22 februari 2019 formeel een Principeverzoek in. Op 19 april reageerde de gemeente Tilburg hier positief op, echter met 2 aanvullende voorwaarden, te weten “de beschikbaarheid van de geluidswal in relatie tot de uitbreidingsplannen van het ziekenhuis en de mogelijkheid van onderhandse uitgifte van de grond”.
In een brief van 19 december 2019 meldde de gemeente dat op 27 november 2019 het College van B&W had ingestemd met onderhandse uitgifte van de grond. In de tussenliggende periode was al duidelijk geworden dat bij de uitbreidingsplannen van het ziekenhuis de geluidswal niet betrokken zou worden. Het project wordt ontwikkeld als een postcoderoosproject, wat inhoudt dat het een collectief project betreft waarbij de eigenaren/deelnemers binnen een beperkt gebied in de directe omgeving van de opwekinstallatie moeten wonen. Daarnaast is binnen een postcoderoosproject de zeggenschap egalitair verdeeld: er geldt een minimum aan deelnemers en elke deelnemer heeft evenveel zeggenschap over het project ongeacht de omvang van de deelneming. Daar bovenop wordt in dit project 20% van de deelnemingen toegekend aan Tilburgers ‘met een smalle beurs’, die moeite hebben om hun energierekening te betalen, niet zelf kunnen investeren in energiebesparende maatregelen en niet mee kunnen profiteren van de voordelen van de energietransitie.
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
41
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid De maatschappelijke en financieel-economische haalbaarheid en uitvoerbaarheid is uitgebreid bekeken. Door de goedkeuring van de Tilburgse gemeenteraad om een lening van €750.000 voor kapitaalsinvesteringen tegen een lage rente goed te keuren, is een solide financiële basis gelegd. Door deze lening bedraagt de prijs per certificaat voor deelnemers slechts €100. De gemeente Tilburg heeft als eigenaar van de grond een intentieverklaring afgegeven om te komen tot een huurovereenkomst voor de grond. Met de directe buren van het project, het ETZ, Van der Valkhotel en Woonlandschap De Leyhoeve is in het kader van de omgevingsdialoog gesproken en allen hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen deze ontwikkeling. Enexis heeft aangegeven nog transportcapaciteit beschikbaar te hebben voor deze locatie om de elektriciteit terug te leveren. Van der Valkhotel en Woonlandschap De Leyhoeve hebben expliciet de bereidheid uitgesproken om te onderzoeken of gebruik gemaakt kan worden van hun netwerkaansluiting om de opgewekte elektriciteit op in te voeden, zodat geen beroep gedaan hoeft te worden op de transportcapaciteit van Enexis. Uit een door Hoppenbrouwers gemaakte globale berekening van de investeringskosten voor de installatie blijkt dat deze passen binnen de aannames van de business case.
De business case becijfert een rendement voor de deelnemers van tenminste 5%. De vraag naar mogelijkheden om te participeren in een postcoderoosproject is groot onder bewoners, die geen zonnepanelen op hun eigen dak kunnen plaatsen.
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
42
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het ontwerpbesluit met ruimtelijke onderbouwing wordt naar de diverse vooroverlegpartners gestuurd.
8.2 Omgevingsdialoog In het kader van de Omgevingsdialoog hebben d.d. gesprekken plaatsgevonden met Van der Valkhotel Tilburg (Max Cox, locatiedirecteur), Woonlandschap De Leyhoeve (Mark van Slooten, locatiedirecteur) en ETZ locatie Elizabethziekenhuis (Mark Koster, beleidsadviseur vastgoed facilitair bedrijf). De verslagen zijn opgenomen in bijlage 5. En hieruit blijkt dat geen van deze partijen bezwaar maakt tegen dit initiatief.
8.3 Zienswijzen p.m. Alvorens de vergunning te verlenen wordt het ontwerpbesluit gedurende 6 weken terinzage gelegd. Na vergunningverlening staat beroep bij de rechtbank open.
Ruimtelijke onderbouwing Dr. Bloemenlaan, Tilburg – 06 april 2022
43