CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Ruimtelijke onderbouwing

Hamerraad 26 augustus 2024, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpverklaring van geen bedenkingen verhogen Torenkraan De Posthoornstraat 913.720 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.3.3 Nota Parkeernormen Tilburg 2017 In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en de berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

23

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. Beoordeling Het verhogen van de torenkraan leidt niet tot een vergroting van de productiecapaciteit dan wel toename van werkgelegenheid en inherent de parkeerbehoefte. Dit naast het feit dat de beoogde ontwikkeling bestemd kan worden als een kleine bouwontwikkeling en in de regel een marginaal effect op de toename van de parkeerdruk in de omgeving heeft.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

24

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten In dit hoofdstuk volgt een onderbouwing van het plan ten aanzien van de diverse relevante milieuaspecten.

4.1 Milieuhinder bedrijven Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Onderhavig planvoornemen ziet niet toe op het toevoegen van een milieugevoelig object maar op een milieubelastende activiteit. Dit maakt dat de omliggende bedrijvigheid niet gehinderd wordt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Het industrieterrein waarin de planlocatie is gelegen is aangewezen voor bedrijven met een beschermingsregime tot ten hoogste milieucategorie 5.2. Onderhavig bedrijf dat toeziet op grootschalige industriële transporten en hijs- en hefwerkzaamheden, valt binnen deze maximale categorie en is hierdoor toegestaan binnen de planlocatie.

4.2 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen (2006) van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron, het betreft enkel het verhogen van een bestaande torenkraan.

De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron, buisleiding en/of transportroute. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

25

330 m (afstand dichtstbijzijnde risicovolle infrastructuur)

Afbeelding 10 Uitsnede risiciokaart Atlasleefomgeving.nl (planlocatie indicatief aangeduid met rode omlijning)

Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur, dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen. Beperking, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid In artikel 7 van het Bevt is bepaald dat een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen moet worden verantwoord indien een plangebied binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de risicokaart valt niet dat het plangebied is gelegen binnen een invloedsgebied. Voorkomen risico’s voor de omgeving Voor het verhogen van de torenkraan wordt een definitief uitgewerkt bouwveiligheidsplan opgesteld waarmee specifiek rekening dient te worden gehouden met de hijszones en/of zones waarin een hoogte-beperking en/of een verbod geldt voor het hijsen.

Daarbij wordt de hijskraan voorzien van een softwarematig ingeregelde begrenzingen voor de hijshoogte en het draaibereik, specifiek in relatie tot de aanwezige belending(en) en het openbaar gebied. Deze softwarematige begrenzingen moeten overeenkomstig de uitgangspunten van datzelfde bouwveiligheidsplan zijn ingeregeld. De softwarematige begrenzing van de hijshoogte en het draaibereik van de kraan kunnen als een gelijkwaardige oplossing worden aangemerkt voor de vergroting van de bouwveiligheidszone. De maatregelen volgens de Richtlijn Torenkranen worden daarbij verplicht gesteld.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

26

Hierdoor treden met de verhoogde bouwkraan geen grotere risico’s op voor de omgeving dan in de reeds vergunde situatie. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden.

4.3 Geluid 4.3.1 Wegverkeerlawaai Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan of een ander ruimtelijk besluit de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op het toevoegen van een geluidsgevoelige functie, hierdoor is het aspect ‘wegverkeerlawaai’ niet van toepassing.

4.3.2 Industrielawaai Het gehele industrieterrein waar de planlocatie is gelegen heeft de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’. Hiervoor dient er getoetst te worden aan artikel 20.1, onder a: a. Voor het bouwen geldt dat geen nieuwe bouwwerken mogen worden gebouwd ten behoeve van geluidsgevoelige functies, met uitzondering van: ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw, in generlei opzicht wordt vergroot of veranderd; onder verbouwen wordt hier verstaan het bouwkundig veranderen van (een deel) van het gebouw en/of (een van) de daartoe behorende gevels; onder nieuwbouw wordt hier verstaan het geheel of nagenoeg geheel vernieuwen van een gebouw, waarbij de situering, bouwhoogte en bouwmassa geheel of nagenoeg geheel overeenkomen met het gesloopte gebouw; de bouw van een bijgebouw bij een woning of de uitbreiding van een bestaande geluidsgevoelige functie conform de in de basisbestemming voorgeschreven bebouwingsregeling; Beoordeling De beoogde ontwikkeling ziet toe op de bouw van een torenkraan (overige bouwwerken) dat geen geluidsgevoelige functie behelst. Tevens voorziet de verhoging van de torenkraan niet in een hogere geluidsbelasting voor de omgeving dan de reeds vergunde torenkraan.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

27

4.4 Lucht 4.4.1 Effect op de luchtkwaliteit (NIBM) In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. In onderhavig geval is sprake van het bouwen van overige bouwwerken in de vorm van een torenkraan. Uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied daarmee geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

4.4.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³.

Beoordeling De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op het toevoegen van een ‘verblijfsfunctie’ waardoor er niet hoeft te worden voldaan aan de grenswaarden voor fijnstof. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

28

4.5 Geur 4.5.1 Industriële geurhinder De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op de uitstoot van geur, daarnaast heeft het bedrijventerrein reeds een beschermingsregime tot ten hoogste milieucategorie 5.2. Verder betreft de torenkraan geen geurgevoelig object waardoor bedrijven in de omgeving niet worden gehinderd in hun (toekomstige) bedrijfsvoering. Het aspect ‘geur’ staat onderhavig planvoornemen niet in de weg.

4.6 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Beoordeling Op 21 juli 2023 is reeds een besluit genomen op een aanvraag omgevingsvergunning voor het plaatsen van de torenkraan met een hoogte van 29,7 meter met de daarbij horende graafwerkzaamheden voor het plaatsen van de funderingspoer, zie onderstaande afbeelding. Onderhavige planvoornemen betreft enkel het vervangen van het laatste stalen frame door een hoger frame ten opzichte van de verleende omgevingsvergunning waarbij er geen graafwerkzaamheden meer benodigd zijn.

Afbeelding 11 Maatgeving funderingspoer (behorende bij omgevingsvergunningsvergunning van 21 juli 2013)

Echter was er bij de verleende omgevingsvergunning als aanvullende voorwaarden opgenomen dat er binnen 3 weken voor aanvang van de werkzaamheden een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 moet worden uitgevoerd. Hiertoe heeft de initiatiefnemer op 9 augustus 2023 een verkennend bodemonderzoek laten uitvoeren. Het complete bodemonderzoek is als bijlage aan de onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd. In het onderstaande worden de conclusies (in cursief) weergegeven. ‘’Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Posthoornstraat 9- 11 te Tilburg, kadastraal bekend als gemeente Tilburg, sectie AE, nummer 514, blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. Op basis van deze resultaten kan de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe worden aanvaard. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen voorgenomen op de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

29

Eventueel vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing: - Op basis van dit rapport is de grond binnen het gebied van dezelfde bodemkwaliteitskaart herbruikbaar; - Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001; - Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk. Voor de afvoer van de grond naar elders zal een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS noodzakelijk kunnen zijn.’’ Conclusie De milieu hygiënische kwaliteit van de bodem zorgt niet voor belemmeringen voor het beoogde gebruik van de locatie.

4.7 Natuur en ecologie 4.7.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: -

-

-

vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep" (Dienst Regelingen, 2009). Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn; overige inheemse broedvogels; soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling. De algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant; nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

30

beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzij benadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.

De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “jamitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

4.7.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur‐ en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen‐ en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. Het puntensysteem- en score zal indien van toepassing worden opgenomen in het te nemen besluit op de omgevingsvergunning.

4.7.3 Gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten Met de Tilburgse gebiedsontheffing gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels worden de procedures in het kader van de Wet natuurbescherming en de Wabo vereenvoudigd. Om de gebiedsontheffing te kunnen toepassen zijn soortenmanagementplannen (SMP) opgesteld en worden de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in kaart gebracht. De gebiedsontheffing en bijbehorende SMP’s zijn erop gericht de instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Alle projecten (van de gemeente en van derden) die onder de werking van de SMP vallen, kunnen profiteren van de gebiedsontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

31

Beoordeling Het plan ziet niet toe op het verwijderen, toevoegen of wijzigen van gebouwen en heeft daarmee geen gevolgen voor gebouwbewonende vleermuizen en/of broedvogels.

4.7.4 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. De afstand van de planlocatie tot omliggende Natura 2000-gebieden is weergeven op onderstaande afbeelding. Gezien de afstand van de planlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden meer dan 1 kilometer bedraagt, is enkel de mogelijke stikstofdepositie ten aanzien van het planvoornemen relevant. Andere negatieve aspecten, zoals verstoring en versnippering en dergelijke, zijn hierdoor op voorhand uit te sluiten.

4.920 meter

7.010 meter

7.250 meter

Afbeelding 12 Ligging planlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met zwarte cirkel)

Het tussenstuk van de torenkraan wordt geplaatst met een elektrisch aangedreven kraan waardoor er geen uitstoot van stikstofoxiden plaats vindt tijdens de bouwfase. Daarnaast zal de te realiseren torenkraan ook elektrisch worden aangedreven, dit houdt wederom in dat er geen sprake is van stikstofuitstoot gedurende de gebruiksfase. Eventuele negatieve invloeden van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden boven de 0,00 mol/ha/j zijn hierdoor uitgesloten.

Soortenbescherming In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

32

mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Gelet op de aard van het planinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Beoordeling In het planvoornemen vinden er ten opzichte van de vergunde situatie geen sloopactiviteiten plaats. Reeds is een betonpoer gerealiseerd waarop verder wordt gebouwd. De noodzakelijke handelingen zullen hierdoor niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding van eventueel aanwezige soorten flora en fauna. Hierdoor is er geen ontheffing noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

33

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Programma Water en Riolering 2020 – 2023 Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water‐ en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.

Om het water‐ en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 ‐ 150 m2: •indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave •indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1 3. >150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1

Tabel 1 - regenwateropgave

De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.

5.2 Beleidskader Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen op de planlocatie is de Keur waterschap De Dommel van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. De planlocatie is niet gelegen in een beschermd gebied in het kader van de keur.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

34

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van een uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toename in verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave.

Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Wanneer sprake is van een toename in verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding. Het betreft dus versnelde afvoer van neerslag als gevolg van een toename in puntlozing. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

Beoordeling Ter plaatse van de planlocatie wordt een bestaand bouwwerk in de vorm van een torenkraan verhoogd ter plaatse van gronden die in de huidige situatie reeds zijn bebouwd/verhard. Hierdoor vindt er geen toename in het verhard oppervlak plaats. Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Dit maakt dat geen compensatie verplicht is, met het planvoornemen geen sprake is van een toename van verhard oppervlak. Gemeentelijk beleid Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) De gemeente Tilburg heeft een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2019 (vGRP) opgesteld.

Vanaf 1 januari 2008 is de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken in werking getreden. In november 2019 heeft de gemeente waterbeleid vastgesteld voor de komende periode: het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Daarbij wordt de lijn van vGRP 2016-2019 aangescherpt in vier speerpunten: Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

35

• water robuust en klimaatbestendig • duurzaam en levenscyclusgericht • integraal werken • participatie en communicatie De vastgestelde basisopgave stelt hoogwaardige eisen aan bouwplannen en het beheer van de openbare ruimte. Beoordeling De beoogde ontwikkeling heeft geen toename in verhard oppervlak tot gevolg. Conform het beleid van het Waterschap De Dommel en de gemeente Tilburg hoeft binnen de planlocatie geen waterbergende voorziening gerealiseerd te worden nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een toename van verhard oppervlak. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

36

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een wijzigingsplan, bestemmingsplan of verlenen van een Omgevingsvergunning voor een bouwplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij: ▪ het kostenverhaal anderszins verzekerd is; ▪ er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is; ▪ er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meer hoofdgebouwen. De ontwikkeling die met de beoogde omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt betreft geen bouwplan. Dit betekent dat er geen exploitatieplan opgesteld hoeft te worden. Wel wordt een planschadeovereenkomst afgesloten, waarmee is verzekerd dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Daarnaast zijn de leges behorende bij de procedure ook voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2 Procedure 6.2.1 Procedure algemeen Het voornemen kan worden gerealiseerd middels een omgevingsvergunning, activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ (‘projectafwijkingsbesluit’, artikel 2.1, eerste lid, sub c juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3º Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Deze deelactiviteit maakt onderdeel uit van de totale aanvraag omgevingsvergunning. Op grond van artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht (Bor), in combinatie met artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient het bestuursorgaan inzake het besluit overleg te plegen met de gebruikelijke verlegpartners. De resultaten van dit vooroverleg worden betrokken bij de besluitvorming. In artikel 3.10 van de Wabo wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing verklaard voor een projectafwijkingsbesluit. Dit houdt in dat er ten eerste een ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning wordt verleend. Deze wordt vervolgens voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbesluit. Na afloop van deze termijn worden de eventuele zienswijzen verwerkt, waarna een definitief besluit wordt genomen.

Na definitieve verlening van de omgevingsvergunning wordt de beschikking nogmaals voor 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan beroep worden ingesteld. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het besluit daags na de inzagetermijn onherroepelijk en treedt het besluit bovendien in werking. De resultaten van de inzagetermijn zullen worden betrokken bij de besluitvorming.

6.2.2 Vooroverleg p.m.

6.2.3 Ontwerpbesluit p.m.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

37

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Omgevingsdialoog Op 17 oktober 2023 heeft de initiatiefnemer middels een informerende brief het beoogde plan kenbaar gemaakt aan een viertal omliggende bedrijven. Daarbij is verzocht om een reactie te geven vóór 30 oktober 2023. De brief en de reacties van de belanghebbenden zijn betrokken bij de beoordeling van onderhavige ru imtelijke onderbouwing. De reacties hebben niet geleid tot aanpassing van het plan. Een verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij de vergunning gevoegd.

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

38

7 Bijlagen 1. Verkennend bodemonderzoek

Ruimtelijke onderbouwing De Posthoornstraat 9-11

Van Doormaal Advies B.V.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14371691/1