CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Nota van zienswijzen BP Recreatiepark Duinhoeve

Raadsvergadering 6 juli 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel gewijzigde vaststelling Buitengebied De Zandleij 2012, 16 herz. (Recreatiepark Duinhoeve)16.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota van zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012, 16e herziening (Recreatiepark Duinhoeve) Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied De Zandleij 2012, 16e herziening (Recreatiepark Duinhoeve’, heeft van maandag 1 augustus tot en met maandag 12 september 2022 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Zienswijzen konden worden ingediend door een ieder. Bij de gemeente zijn gedurende de periode van tervisielegging 6 zienswijzen ingekomen. De indiener van zienswijze 1 (Oude Bosschebaan 2) heeft gedurende de termijn nog een aanvulling op de zienswijze ingediend. De zienswijzen zijn tijdig ingekomen en zodoende ontvankelijk. Recreatiepark Duinhoeve heeft op 14 november 2022 nog een aanvulling op de zienswijze ingediend. Formeel is deze aanvulling niet ontvankelijk. Toch is hier in zienswijze 3.4 een standpunt over ingenomen. Hierna volgt een zakelijke, puntsgewijze samenvatting van de ingekomen zienswijzen en het standpunt van de gemeente hierover. Het standpunt is gebaseerd op de volledige tekst van de zienswijze; er heeft een integrale beoordeling plaatsgevonden. N.B.: in verband met de toepassing van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven. Zienswijze 1 – Oude Bosschebaan 2 te Udenhout 1.1

Zienswijze – aantal standplaatsen

Reactie gemeente

Reclamant bestrijdt de stelling dat reeds binnen het geldende bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012 350 standplaatsen inpasbaar zijn. Reclamant verwijst daarbij naar een inrichtingstekening uit 2004, inrichtingstekeningen van Recreatiepark Duinhoeve zelf en luchtfoto’s. Met het bestemmingsplan dat voorligt is van belang hoe dit vergeleken kan worden met het op dit moment geldende bestemmingsplan. Dit noemen we de planologische vergelijking. Hoe het recreatieterrein feitelijk is ingericht is voor die planologische vergelijking niet van belang. Figuur 10 van de toelichting op het bestemmingsplan laat een reële inrichting zien, passend binnen de maximale planologische mogelijkheden van het huidige bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012. Het maximum aantal van 80 staanplaatsen voor kampeermiddelen en de minimale omvang van 150 m² van een standplaats voor een stacaravan, zoals bepaald in de regels van bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012, zijn uiteraard uitgangspunt voor de inrichtingstekening. Daarnaast is rekening gehouden met de ligging en omvang van bestaande centrale voorzieningen en een minimale omvang een standplaats voor een kampeermiddel van 100 m². Er blijft ook voldoende ruimte over voor groen, paden en wegen e.d.

Aangezien reclamant de inpasbaarheid in twijfel trekt en opmerkt dat de tekening niet op schaal is, is in bijlage 1 bij deze nota van zienswijzen een grotere tekening opgenomen waarop de schaal zichtbaar is aangeduid. Van belang is te benadrukken dat voor de ruimtelijke beoordeling van het plan niet alleen is gekeken naar de uitbreiding van het terreinoppervlak, maar de totale planologische mogelijkheden zijn beschouwd en ruimtelijk aanvaardbaar zijn bevonden. De plantoelichting, en de onderbouwingen en onderzoeken gaan dus uit van het totale plan voor maximaal 350 standplaatsen, centrale en gemeenschappelijke voorzieningen.

Conclusie

Het plan is gemaakt omdat met een ruimere opzet van het recreatiepark (bij gelijkblijvend aantal inpasbare/toegestane plaatsen) de kwaliteit van het park wordt verhoogd. Het is een regionale ambitie om de verblijfsrecreatieve sector te versterken en de kwaliteit van o.a. recreatieparken te verhogen. De zienswijze is ongegrond. Aangezien de totale planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan zijn beschouwd en ruimtelijk aanvaardbaar zijn

1.2

Zienswijze – illegale uitbreiding op terreindelen met aanduiding ‘dagrecreatie’ en ‘parkeerterrein’ Reactie gemeente

bevonden, is het niet relevant of het vorige plan 350 standplaatsen toestond. Gelet op het voorgaande staat echter wel vast dat dit aantal plaatsen reeds inpasbaar was. De inrichtingstekening wordt toegevoegd aan de toelichting. Reclamant stelt dat het kampeerterrein de laatste jaren illegaal is uitgebreid op de terreinen met de functieaanduiding ‘dagrecreatie’ en ‘parkeerterrein’ als opgenomen in bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012.

Illegale uitbreidingen zijn nooit de bedoeling. Over de vraag of in dit geval sprake is (geweest) van illegale activiteiten zijn verschillende juridische procedures gevoerd. Daarbij ging het onder andere over overgangsrecht. Dit recht ontstaat op het moment dat een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld dat minder mogelijkheden biedt dan het bestemmingsplan dat ervoor geldig was. Wat er verder ook zij van de gevoerde procedures en de feitelijke situatie op het recreatiepark; het antwoord op deze vraag is niet van belang voor de motivering van het voorliggende bestemmingsplan. Dit nieuwe bestemmingsplan gaat uit van een situatie die nu niet per sé al zo is, een toekomstige situatie dus. Wij moeten ons daarbij richten op de vraag of wij het gebruik van (o.a.) deze terreindelen ten behoeve van verblijfsrecreatie wenselijk en ruimtelijk aanvaardbaar vinden. En dat is inderdaad het geval. De uitbreiding van het recreatiepark op deze terreindelen is wenselijk omdat een ruimere opzet van het park, bij begrenzing van het aantal standplaatsen op 350, de kwaliteit verhoogt, wat aansluit bij de regionale ambitie. Recreanten hechten belang aan een hoogwaardig voorzieningenniveau een ruimtelijk en landschappelijk ingericht park. Daarvoor biedt het bestemmingsplan de ruimte.

In de toelichting en de bijlagen is uitvoerig onderbouwd dat de planologische ruimte die geboden wordt ruimtelijk aanvaardbaar is.

Conclusie

1.3

Zienswijze – type recreatieverblijven

Reactie gemeente

In dat licht bezien vinden wij het wenselijk en ruimtelijk aanvaardbaar om de terreindelen met de functieaanduiding ‘dagrecreatie’ en ‘parkeerterrein’ mede te bestemmen voor standplaatsen. De zienswijze is ongegrond. Over de vraag of sprake is (geweest) van illegale activiteiten zijn afzonderlijke procedures gevolgd. Dit bestemmingsplan staat daar los van. Reclamant is van mening dat de beoogde verandering van de typen recreatieverblijven leidt tot een intensivering van het recreatiepark. Reclamant stelt dat er op Recreatiepark Duinhoeve lange tijd voornamelijk vaste standplaatsen voor stacaravans zijn verhuurd en beperkt losse kampeerplaatsen. Volgens reclamant worden er in het nieuwe plan geen vaste stacaravans meer beoogd (in eigendom van de huurders), maar andere typen recreatieverblijven waardoor er een andere doelgroep wordt beoogd en de aard van het gebruik verandert. Reclamant stelt ook dat deze veronderstelde verandering niet is benoemd en verantwoord in het bestemmingsplan en de bijbehorende rapporten (verkeer, parkeren, natuur). Het klopt dat er voorheen meer vaste standplaatsen voor stacaravans verhuurd werden op Recreatiepark Duinhoeve. Maar: de planologische mogelijkheden waren ruimer. Het bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012 staat o.a.

standplaatsen voor stacaravans toe en die mogen bij wijze van voorbeeld tien jaar lang aan dezelfde recreant verhuurd worden of iedere dag aan iemand anders. Dat geldt ook voor de staanplaatsen voor kampeermiddelen. Het nieuwe bestemmingsplan stelt eveneens geen regels over de minimale of maximale duur van verhuur van een standplaats. Een bestemmingsplan geeft grenzen en maxima aan en daarbinnen zijn verschillende invullingen mogelijk. Een feitelijke verandering, zoals een afname van vaste standplaatsen, hoeft dus niet te

betekenen dat er in planologisch opzicht een verandering of intensivering plaatsvindt.

Conclusie 1.4

Zienswijze – omvang recreatieverblijven

Reactie gemeente

Voor zover reclamant ook bedoeld had te stellen dat de verbreding van stacaravans naar semipermanente recreatieverblijven leidt tot een intensivering of een andere aard van het gebruik, zijn wij van mening dat dit niet zo is. Een stacaravan is een specifiek type semipermanent recreatieverblijf. De aard van het gebruik komt overeen met andere typen semipermanente recreatieverblijven. De zienswijze is ongegrond. Er is geen sprake van een planologische intensivering door een verandering van de typen recreatieverblijven op het park. Reclamant is van mening dat de vergroting van de recreatieverblijven leidt tot een intensivering van het gebruik en meent dat dit niet is verantwoord in het bestemmingsplan en de bijbehorende rapporten (verkeer, parkeren, natuur). Reclamant maakt eerst een vergelijking tussen de planologische mogelijkheden van het plan Buitengebied De Zandleij 2012 en het nieuwe plan. Reclamant stelt vervolgens dat een gemiddelde stacaravan – feitelijk – een oppervlakte heeft van 36 m² en maximaal van 44 m², en dat het in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen maximum van 70 m² dus nagenoeg een verdubbeling inhoudt.

Daarna borduurt reclamant hierop voort door te stellen dat er ook dubbel zoveel recreanten per recreatieverblijf kunnen worden ondergebracht, of zelfs meer, en mede als gevolg van de door reclamant veronderstelde toename van het toegestane aantal standplaatsen voor stacaravans zelfs een verdriedubbeling van het aantal recreanten mogelijk wordt gemaakt (4 personen in 190 stacaravans = 760 recreanten versus 8 personen in 270 stacaravans is 2.160 recreanten, aldus reclamant). Wij onderschrijven de door reclamant gemaakte berekeningen en inschattingen op dit punt niet. De vergroting van de maximale omvang van recreatieverblijven van 60 m² naar 70 m² vinden wij ruimtelijk aanvaardbaar. Op een standplaats van tenminste 150 m² is een recreatieverblijf van 70 m² ruimschoots passend. Gelet op de verruiming van het totale terreinoppervlak bij het gelijkblijvend maximum aantal (inpasbare) standplaatsen, zal het park ruimer opgezet kunnen worden en ontstaat er meer ruimte voor een groene en parkachtige inrichting. Het betreft een verschil van slechts 10 m² waarmee een differentiatie in recreatieverblijven kan worden bewerkstelligd en het recreatiepark ruimte wordt geboden om in te spelen op de behoefte van recreanten, zodat er een mix van kleine en grotere semipermanente recreatieverblijven zal ontstaan. Daarbij zijn wij van mening dat de maximale omvang van 70 m² nog vrij beperkt is.

Er wordt aangesloten bij de regels voor vergunningvrij bouwen van een recreatief nachtverblijf in het Besluit omgevingsrecht en dat houdt in dat 70 m² een algemeen aanvaardbare metrage is voor een recreatieverblijf.

Conclusie

1.5

Zienswijze – verruiming

Voor het aantal recreanten per standplaats is in het bestemmingsplan een gemiddelde bezettingsgraad gehanteerd, gebaseerd op cijfers van het CBS. Voor het aantal verkeersbewegingen is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW, dat uitgaat van gemiddelden. Deze cijfers zijn passend bij recreatieverblijven van 70 m². De ruimtelijke effecten ten aanzien van de door reclamant aangehaalde aspecten (verkeer, parkeren, natuur) zijn op basis van deze theoretische informatie in beeld gebracht. De zienswijze is ongegrond. Een verruiming van 60 m² naar 70 m² vinden wij ruimtelijk aanvaardbaar en om de ruimtelijke effecten hiervan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van cijfers van het CBS en het CROW. Reclamant stelt dat de beoogde verruiming van het terreinoppervlak niet bedoeld is om ruimere standplaatsen te realiseren, maar voortkomt uit de

(bebouwd) terreinoppervlak

Reactie gemeente

toename van het aantal standplaatsen, de vergroting van de recreatieverblijven en de toename van het aantal recreanten en verkeer. Daarnaast stelt reclamant dat er een toename van het te gebruiken terreinoppervlak ontstaat doordat recreatieverblijven niet meer op een eigen terrein komen te staan en van elkaar afgescheiden worden, maar op een open terrein worden geplaatst. Tot slot stelt reclamant dat de bebouwde terreinoppervlakte toeneemt en doelt daarmee op de gronden waar planologisch standplaatsen met recreatieverblijven worden toegelaten (uitbreiding aan westzijde, oostzijde, ter plaatse van de aanduiding ‘dagrecreatie’ en ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ als bedoeld in het bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012). Reclamant is van mening dat de hiervoor bedoelde uitbreiding van het (bebouwde) terreinoppervlak niet juist in de toelichting van het bestemmingsplan is verwoord en verbeeld. Voor het eerste deel van deze zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1.1 en 1.4. Een eventuele toename van het te gebruiken terreinoppervlak door recreatieverblijven niet meer van elkaar af te scheiden is geen gevolg van de planologische wijziging, maar van de feitelijke inrichting. Daarmee is dit niet relevant voor de onderbouwing van het bestemmingsplan.

Het huidige noch het nieuwe bestemmingsplan bepaalt dat recreatieverblijven van elkaar moeten worden afgescheiden. Als er feitelijk minder afscheidingen gerealiseerd worden, leidt dat planologisch niet tot meer ruimte. Daarbij wordt opgemerkt dat er feitelijk juist meer robuust groen is voorzien op het recreatiepark, in plaats van traditionele haagjes ter afscheiding van de standplaatsen. Dit is van grotere waarde voor de natuur en het landschap. Het terreinoppervlak waar planologisch standplaatsen met recreatieverblijven worden toegelaten neemt inderdaad toe. Het klopt dat deze uitbreiding plaatsvindt op de terreindelen aan de westzijde, oostzijde, ter plaatse van de aanduiding ‘dagrecreatie’ ten noordwesten van de Oude Bosschebaan en ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ ten westen van de Oude Bosschebaan. Paragraaf 1.4 van de toelichting bevat een beschrijving van het planologisch regime van Buitengebied De Zandleij 2012 en hoofdstuk 6 bevat een beschrijving van het nieuwe planologische regime. Voor reclamant wordt er een afbeelding toegevoegd in paragraaf 1.3 waarop de uitbreiding van het terrein wordt weergegeven waarop standplaatsen worden toegelaten. Dit staat overigens los van het maximum bebouwd oppervlak.

Dit bedraagt 4.000 m² waarbij de oppervlakte van de hierna genoemde gebouwen niet wordt meegerekend: semipermanente recreatieverblijven inclusief eventuele bijbehorende veranda’s, luifels en overkappingen e.d., en; bedrijfswoningen inclusief eventuele bijgebouwen.

Conclusie

1.6

Zienswijze – strijd met provinciaal beleid

Deze oppervlakte aan gebouwen kan dus op basis van het voorliggende bestemmingsplan worden verspreid over een groter terrein. De zienswijze is ongegrond. Er staan geen onjuistheden in het bestemmingsplan ten aanzien van de met het plan beoogde verruiming van het terreinoppervlak waar standplaatsen worden toegelaten. Voor reclamant zal echter in paragraaf 1.3 van de toelichting een afbeelding worden toegevoegd. Reclamant is van mening dat de ontwikkeling niet past binnen het provinciale beleid en daarmee in strijd is vanwege een gebrekkige invulling van de kwaliteitsverbetering van het landschap en de forse verruiming van het bebouwd

Reactie gemeente

1.7

Conclusie Zienswijze – extra verkeersoverlast door omschakeling jaarplaatsen naar toeristische plaatsen

Reactie gemeente

oppervlak. Ook zou het plan niet voldoen aan de regels in artikel 3.71 van de provinciale verordening omdat in de toelichting niet wordt aangegeven met hoeveel hectare het plan wordt uitgebreid er omdat er geen positieve effecten zijn benoemd van de ontwikkeling. De invulling van de kwaliteitsverbetering van het landschap voldoet aan de regionale werkafspraken met de provincie. Dit is reeds uitvoerig onderbouwd in de toelichting van het bestemmingsplan. Het plan voldoet wel aan artikel 3.71 van de IOV. Op grond van dit artikel kan medewerking worden verleend aan een ‘redelijke uitbreiding’ van een bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied. In de toelichting is benoemd dat de uitbreiding van de bestemming Recreatie 24.783 m² bedraagt. Deze uitbreiding draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit o.a. doordat de landschappelijke inrichting van het recreatiepark juridisch wordt verankerd, wat een gunstig effect heeft op landschap en natuur, en doordat het recreatiepark de ruimte krijgt om een kwaliteitsslag te maken, om investeringen te doen en zodoende een vitaal recreatiepark te blijven. De zienswijze is ongegrond. Het plan voldoet aan het provinciale beleid.

Reclamant ervaart parkeeroverlast en is van mening dat dit mede wordt veroorzaakt doordat de jaarplaatsen voor vaste stacaravans worden ingewisseld voor recreatieverblijven die aan steeds wisselende huurders worden verhuurd. De vaste recreanten konden zonder in- of uitchecken doorrijden naar hun recreatieverblijf en de wisselende huurders niet. Daardoor ontstaat er parkeeroverlast op de Oude Bosschebaan richting de ingang van het recreatiepark. Reclamant meent dat er onterecht geen onderzoek is verricht naar de effecten voor de veiligheid en bruikbaarheid van de Oude Bosschebaan als gevolg van deze wijziging. Er is geen sprake van een planologische wijziging op dit punt. Het huidige noch het nieuwe bestemmingsplan bevat regels ten aanzien van (een minimum aandeel) jaarplaatsen. Verwezen wordt naar de beantwoording zienswijze 1.3. Er bestaat ook geen aanleiding om regels te stellen over de verhouding tussen jaarplaatsen en toeristische plaatsen. Voor de verkeersgeneratie is uitgegaan van kencijfers van het CROW. Deze kencijfers geven een representatief gemiddelde en maken geen onderscheid tussen jaarplaatsen en toeristische plaatsen. De verkeersgeneratie van het recreatiepark bij volledige bezetting bedraagt op een gemiddelde weekdag 782 verkeersbewegingen. Dit aantal kan zonder problemen worden afgewikkeld op de Oude Bosschebaan. Het betreft een erftoegangsweg van type II.

De breedte van de weg is ca. 3,50 meter en de bermen zijn verstevigd met grasbetontegels en halfverharding. Op de Oude Bosschebaan rijdt voornamelijk bestemmingsverkeer door de gesloten verklaring na Recreatiepark Duinhoeve. Uit het verkeersonderzoek van Groenlicht Verkeersadviezen B.V. (bijlage bij de toelichting) bleek dat op dit deel van de Oude Bosschebaan slechts 1.149 motorvoertuigen per etmaal reden op het drukste moment (waarvan er 390 niet van of naar het recreatiepark reden). De veiligheid en bruikbaarheid van de Oude Bosschebaan is niet in het geding. Daarbij werkt Recreatiepark Duinhoeve met een aankomst- en vertrekprotocol om eventuele overlast nabij de entree tot een minimum te beperken. Dit is door Recreatiepark Duinhoeve toegelicht in bijlage 2 bij deze nota van zienswijzen. Gasten worden voorafgaand aan hun verblijf geïnformeerd over het inchecken en waar men de auto (eventueel met caravan) kan parkeren. De aankomst- en vertrektijden worden verspreid over de dag. Gasten van huuraccommodaties vertrekken voor 10:00 uur en komen na 15:00 uur aan. Gasten met eigen kampeermiddelen vertrekken voor 12:00 uur en komen na 13:00 uur aan. Op drukke dagen wordt het verkeer door een medewerker in goede banen geleid en/of de slagbomen worden opengezet.

Het bestemmingsplan biedt tevens ruimte voor een ‘overloopparkeerterrein’ direct ten oosten van het bestaande parkeerterrein over een strook ter breedte van 15 meter. Hiervan kan ook gebruik gemaakt worden door gasten die aankomen of vertrekken, zodat zij de auto (eventueel met caravan) niet op de opstelstrook (of op drukke momenten langs de rijbaan) van de Oude Bosschebaan hoeven te parkeren.

Conclusie

1.8

Zienswijze – extra verkeersoverlast door toename van het toegestane aantal kampeermiddelen

Reactie gemeente

Eventuele parkeeroverlast die ondanks deze onderbouwing en maatregelen door reclamant ervaren wordt, is kortdurend en komt voor op piekmomenten. Dat vinden wij, mede gelet op het karakter van de weg, ruimtelijk aanvaardbaar. De zienswijze is ongegrond. De verkeersgeneratie van het recreatiepark is gebaseerd op kencijfers van het CROW. De Oude Bosschebaan kan het aantal verkeersbewegingen zonder problemen verwerken en de veiligheid en bruikbaarheid van deze weg komen niet in het geding. Reclamant is van mening dat de toename van het maximale aantal standplaatsen voor kampeermiddelen (mobiele recreatieverblijven) tot meer parkeer- en verkeersproblemen zal leiden, omdat er in theorie geen 80 maar 350 campers en personenauto’s met caravans en aanhangwagens kunnen komen. Reclamant meent dat er onterecht geen onderzoek is verricht naar de effecten voor de veiligheid en bruikbaarheid van de Oude Bosschebaan als gevolg van deze wijziging. Verder zorgen deze recreanten voor extra verkeer doordat zij de auto kunnen gebruiken voor dagtochtjes en dergelijke. In theorie kunnen er inderdaad 350 standplaatsen worden benut ten behoeve van mobiele recreatieverblijven, en komen daar allemaal gasten met caravans, campers en vouwwagens te staan. Dat is echter geen realistische invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan.

Een meer realistische invulling is dat er een mix van standplaatsen voor semipermanente- en mobiele recreatieverblijven wordt aangeboden/gevraagd, en dat er op standplaatsen voor mobiele recreatieverblijven ook gasten in een tent kamperen. De Oude Bosschebaan is een erftoegangsweg type II met een breedte van ca. 3,50 m. De bermen ter weerszijden van de weg zijn verstevigd met grasbetontegels en halfverharding. In totaal is er een breedte van ruim 5 meter. Ter verduidelijking is een foto van de weg hierna ingevoegd. Gelet op de maximale breedte van een caravan van 2,55 meter is er voldoende ruimte voor tegemoetkomend verkeer om elkaar te passeren. Voorbij het recreatiepark is een geslotenverklaring ingesteld voor gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van bestemmingsverkeer. De Oude Bosschebaan heeft daarom geen doorgaande functie. Om de voornoemde redenen vinden we de verkeerssituatie op de Oude Bosschebaan aanvaardbaar en accepteren we dat de doorstroming op piekmomenten niet optimaal is. Dit heeft geen invloed op de functie van de Oude Bosschebaan. Verkeersbewegingen ten gevolge van het gebruik van de auto voor dagtochtjes zitten inbegrepen in het kencijfer van het CROW dat is gehanteerd. Deze zijn dus meegerekend. Daarbij is het niet aannemelijk dat de gasten hun caravan of vouwwagen meenemen bij een dagtochtje.

Conclusie

1.9

Zienswijze – onvoldoende parkeergelegenheid voor aankomende recreanten

Reactie gemeente

Conclusie

1.10

Zienswijze verkeersonderzoek

Reactie gemeente

De zienswijze is ongegrond. Gelet op de kenmerken van de weg is de Oude Bosschebaan geschikt voor de afwikkeling van het op basis van kencijfers van het CROW gehanteerde aantal verkeersbewegingen, óók als er in een theoretisch en onwaarschijnlijk geval 350 standplaatsen voor mobiele recreatieverblijven worden benut en deze gasten allemaal een camper, caravan of aanhangwagen meenemen. Reclamant stelt dat het parkeerterrein met 55 parkeerplaatsen niet groot genoeg is voor het grote wekelijkse aantal wisselingen (in- en uitchecken). Daardoor wordt volgens reclamant geregeld op de openbare weg geparkeerd. Het parkeerterrein is volgens reclamant bedoeld voor de horeca, bezoekers en personeel en bevoorradingen en staat vaak vol. Reclamant vraagt zich af of de parkeerplaats überhaupt geschikt is voor grote campers en auto’s met caravan of aanhangwagen. In paragraaf 3.6.5 van de toelichting is uiteengezet hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn bij inrichting van het recreatiepark met 270 standplaatsen voor semipermanente recreatieverblijven en 80 standplaatsen voor mobiele recreatieverblijven, en waar deze parkeerplaatsen komen. Gelet op de kencijfers van het CROW is dit de worst case invulling voor wat betreft parkeren. In de toelichting is onderbouwd dat hiervoor voldoende ruimte is binnen het plangebied. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1.7.

De zienswijze is ongegrond. Er is voldoende ruimte en er worden voldoende maatregelen getroffen om parkeeroverlast rond de entree tot een minimum te beperken. Eventuele parkeeroverlast die door reclamant ervaren wordt, is kortdurend en komt voor op piekmomenten. Dat vinden wij, mede gelet op de functie van de weg, ruimtelijk aanvaardbaar. Volgens reclamant is de verkeerstelling uit 2019 verouderd, was er ten tijde van dat onderzoek al sprake van een onacceptabele verkeerssituatie die inmiddels is verergerd, en is er geen deskundig onderzoek gedaan naar de toename van het verkeer. De onderbouwing ten aanzien van verkeer en parkeren is primair gestoeld op de berekening op basis van kencijfers van het CROW. De theoretische verkeersgeneratie bedraagt gemiddeld 782 verkeersbewegingen per etmaal bij volledige bezetting van 270 semipermanente recreatieverblijven en 80 mobiele recreatieverblijven (worst case). Dit aantal verkeersbewegingen kan zonder problemen worden afgewikkeld op de Oude Bosschebaan. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1.7. Aanvullend is in 2019 door een deskundige en onafhankelijke partij een verkeerstelling verricht. Zij hebben tijdens meerdere momenten van aankomst en vertrek observaties uitgevoerd. Er zijn drukke momenten geconstateerd, maar er zijn geen onveilige situaties of onacceptabele verkeerssituaties

Conclusie

1.11

Zienswijze – ontsluiting op de Schoorstraat

Reactie gemeente

Conclusie

1.12

Zienswijze – akoestiek gerekend met 80 mobiele recreatieverblijven Reactie gemeente

Conclusie 1.13

Zienswijze – akoestiek bezettingsgraad standplaats Reactie gemeente

waargenomen. Er is geen reden om te veronderstellen dat er een onacceptabele verkeerssituatie zal ontstaan. De zienswijze is ongegrond. Het verkeersonderzoek is door een deskundige en onafhankelijke partij uitgevoerd. Actualisatie is niet noodzakelijk geacht. De beoordeling van de gevolgen van het voorliggende bestemmingsplan op de verkeerssituatie op de Oude Bosschebaan is gebaseerd op basis van kencijfers van het CROW. Reclamant is van mening dat de Oude Bosschebaan, gelet op de verkeers- en geluidsbelasting op het woonperceel van reclamant, niet meer kan dienen voor tweerichtingsverkeer van en naar het recreatiepark, maar dat al het verkeer dat het park verlaat via de uitrit op de Schoorstraat moet rijden. Volgens reclamant is de impact van enkel een uitrit op de Schoorstraat verwaarloosbaar, mede doordat deze weg breder is en wandel- en fietspaden hier apart liggen. De berekende verkeersgeneratie is passend bij een weg als de Oude Bosschebaan, een erftoegangsweg type II buiten de bebouwde kom. Voor een uitrit voor al het verkeer van het recreatiepark op de Schoorstraat is geen noodzaak. Ter plaatse van de woning van reclamant is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid. De zienswijze is ongegrond.

De Oude Bosschebaan is geschikt voor de afwikkeling van het verkeer en ter plaatse van de woning van reclamant is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid. Volgens reclamant is in het akoestisch onderzoek ten onrechte uitgegaan van 270 semipermanente recreatieverblijven en slechts 80 mobiele recreatieverblijven, omdat er planologisch 350 mobiele recreatieverblijven mogelijk worden gemaakt en dit zwaarder verkeer betreft, wat qua geluid juist relevant is. In het akoestisch onderzoeksrapport, dat als bijlage bij de toelichting aan het bestemmingsplan is toegevoegd, is uitgegaan van gemiddelde bronvermogens van de voertuigen. Mogelijk bedoelt reclamant dat zwaarder verkeer leidt tot een ander (hoger) bronvermogenniveau en daardoor tot hogere (gemiddelde) geluidniveaus in de omgeving. Wij delen dit standpunt niet. Een caravan kan bijvoorbeeld worden getrokken door een elektrische personenwagen. Een semipermanent recreatieverblijf kan bezocht worden door een meer luidruchtige (diesel) personenwagen. Er wordt daarom geen aanleiding gezien om uit te gaan van een ander gemiddeld bronvermogenniveau voor de voertuigen. De zienswijze is ongegrond. Er is geen aanleiding om uit te gaan van een ander gemiddeld bronvermogenniveau.

Reclamant bestrijdt de juistheid van de in het akoestisch onderzoek opgenomen bezettingsgraad van 4,8 personen per standplaats, omdat er in de recreatieverblijven vaak juist meer dan 4 personen kunnen verblijven. Hierdoor zijn de akoestische berekeningen niet op de juiste gegevens gebaseerd. De bezettingsgraad van 4,8 personen is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: -

aanbod van 270 semipermanente recreatieverblijven met een capaciteit van 10 personen per recreatieverblijf; aanbod van 80 standplaatsen voor mobiele recreatieverblijven met een capaciteit van 4 personen per standplaats. gemiddelde bezettingsgraad van 56% in het hoogseizoen (juli en augustus) op basis van gegevens van het CBS.

270 × 10 + 80 × 4 = 3.020 personen 3.020 × 0,56 = 1.691,2 personen 1.691,2 / 350 = gemiddeld 4,8 personen per standplaats

Conclusie 1.14

Zienswijze – akoestiek bezettingsgraad park

Reactie gemeente

Dit is ruim gerekend omdat een aanbod van 270 semipermanente recreatieverblijven met een capaciteit van 10 personen niet voor de hand ligt. De vraag komt namelijk voort uit de samenstelling van huishoudens. Feitelijk biedt Recreatiepark Duinhoeve maar een relatief klein aantal recreatieverblijven aan met een capaciteit van meer dan 6 personen. Het akoestisch onderzoek is derhalve op correcte gegevens gebaseerd. De zienswijze is ongegrond. De bezettingsgraad van 4,8 personen per standplaats is op de juiste gegevens gebaseerd en het akoestisch onderzoek daardoor ook. Reclamant bestrijdt de juistheid van de in het akoestisch onderzoek opgenomen bezettingsgraad van 56% van het park in het hoogseizoen. De cijfers van het CBS zijn volgens reclamant niet bijgesloten en uit de website van het CBS zou blijken dat er altijd met een lagere bezettingsgraad wordt gerekend op het moment dat in één recreatieverblijf niet alle slaapplaatsen bezet zijn. Reclamant is van mening dat een bezettingsgraad van 80% redelijk zou zijn. Hierdoor zijn de akoestische berekeningen niet op de juiste gegevens gebaseerd. De cijfers van het CBS zijn openbaar en terug te vinden via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82058NED/table. De gegevens van het CBS trekken wij niet in twijfel. Het CBS maakt onderscheid tussen: • •

Hotels, pensions en jeugdaccommodaties Verblijfsrecreatieve logiesaccommodaties, bestaande uit: Kampeerterreinen Huisjesterreinen Groepsaccommodaties

Bij de maximale planologische invulling biedt Recreatiepark Duinhoeve 270 standplaatsen voor semipermanente recreatieverblijven aan en 80 standplaatsen voor mobiele recreatieverblijven. Qua aard sluiten de cijfers voor huisjesterreinen het beste aan bij de semipermanente recreatieverblijven. De bezettingsgraad van huisjesterreinen is eveneens de hoogste van de drie typen verblijfsrecreatieve logiesaccommodaties waar het CBS onderscheid tussen maakt. Om die redenen is gebruik gemaakt van de bezettingsgraad van huisjesterreinen. Deze bedroeg 48,9% in juli 2019 en 63,7% in augustus 2019. Dat maakt een gemiddelde van 56,3% in het hoogseizoen. Door de corona pandemie lag de bezettingsgraad in 2020 hoger: gemiddeld 60,2% in juli en augustus. Veel Nederlanders gingen door de reisbeperkingen in eigen land op vakantie. Maar de gegevens van het CBS laten zien dat de bezettingsgraad van huisjesterreinen in 2021 weer daalde naar 57,3% en in 2022 naar 55,3%. Daarom zijn wij van mening dat de gehanteerde bezettingsgraad van 56% nog steeds representatief is.

Conclusie 1.15

Zienswijze – geluidsbelasting Oude Bosschebaan 2 Reactie gemeente

Opgemerkt wordt dat er dus voor de mobiele recreatieverblijven ook van de bezettingsgraad van huisjesterreinen is uitgegaan, terwijl de bezettingsgraad van kampeerterreinen volgens de gegevens van het CBS lager ligt. Deze bedroeg in 2019 24,5%, in 2020 31,6%, in 2021 31,4% en in 2022 29,9%. Op dit punt is er dus ruim gerekend. De zienswijze is ongegrond. Het akoestisch onderzoek is gebaseerd op navolgbare en betrouwbare gegevens ten aanzien van de bezettingsgraad. Volgens reclamant is er, ondanks de onderschatting van de bezettingsgraden van de recreatieverblijven en het park, met een geluidsbelasting van 57 dB(A) overdag en 55 dB(A) in de avond sprake van een veel te hoge geluidsbelasting op het woonperceel aan de Oude Bosschebaan 2, gelet op de richtnormen van de VNG voor een rustig buitengebied van slechts 45 respectievelijk 40 dB(A). De optredende geluidniveaus van 57 dB(A) in de dagperiode en 55 dB(A) in de avondperiode ter plaatse van de woning van reclamant treden op als gevolg van

Conclusie

1.16

Zienswijze – centrale voorzieningen

Reactie gemeente

indirecte hinder (verkeersaantrekkende werking). De toetswaarden voor indirecte hinder bedragen, in tegenstelling tot wat reclamant aangeeft, 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de avondperiode. Er is dus sprake van overschrijding van de toetswaarden. Vanwege deze overschrijdingen is in hoofdstuk 5 van het akoestisch onderzoeksrapport onderzocht of er mogelijkheden zijn voor het treffen van maatregelen om deze geluidniveaus terug te brengen. Hieruit bleek dat het treffen van geluidreducerende maatregelen niet mogelijk wordt geacht, vanwege overwegende bezwaren van o.a. landschappelijke, verkeerskundige en praktische aard. Om die reden is vervolgens nader onderzoek gedaan naar de geluidwering van de gevels van omliggende woningen (bijlage bij de toelichting). Uit dit nader onderzoek volgt dat de huidige geluidisolatie van de gevels van de woning van reclamant voldoende is om te zorgen voor een acceptabel woon- en leefklimaat in de verblijfsruimten van de woning. Daarnaast beschikt de woning over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte, zodat ook hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De zienswijze is ongegrond. Er is sprake van een overschrijding van de toetswaarden, maar gelet op de resultaten van het onderzoek naar de geluidwering van de gevels van de woning van reclamant is er desondanks sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Reclamant wil weten waarom de oppervlakte voor centrale voorzieningen wordt uitgebreid ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan en veronderstelt dat dit het gevolg is van een veranderde doelgroep. Daarbij heeft reclamant bezwaar tegen de ter plaatse van de centrale voorzieningen opgenomen maximale bouwhoogte van 9 à 13 meter, omdat deze niet zouden passen in de omgeving. Tot slot vreest reclamant dat er buiten, ter plaatse van de centrale voorzieningen, masten ten behoeve van verlichting of een geluidsinstallatie worden geplaatst. Het terrein waar centrale voorzieningen mogen worden gerealiseerd is aangegeven door middel van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – centrale voorzieningen’. Dit terrein is gelegen rondom de entree. Op grond van bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012 is de ligging van de centrale voorzieningen niet duidelijk geregeld. De gronden met de aanduiding ‘kampeerterrein’ in dat plan zijn bestemd voor een camping met bijbehorende voorzieningen. Deze aanduiding beslaat het hele terrein. Maar op een deel van deze aanduiding mochten geen gebouwen worden gebouwd, waaronder ter plaatse van de aanduidingen dagrecreatie, verblijfsgebied en parkeerterrein. Met het voorliggende bestemmingsplan is beoogd om een duidelijke regeling op te stellen voor de centrale voorzieningen en het gebied waar deze worden toegelaten duidelijk te begrenzen.

Wij vinden het ruimtelijk aanvaardbaar als deze voorzieningen rondom de entree worden gerealiseerd, waar reeds een concentratie aan bebouwing aanwezig is. Wij vinden het ook ruimtelijk aanvaardbaar om iets meer ruimte te bieden voor centrale voorzieningen dan daar nu feitelijk voor wordt benut, omdat Recreatiepark Duinhoeve een hoogwaardig voorzieningenniveau wil realiseren als onderdeel van de kwaliteitsslag die zij beogen. Voor goed ondernemerschap is enige ontwikkelruimte nodig. Gelet op de ontwikkelingen die Recreatiepark Duinhoeve concreet voor ogen heeft, zoals weergegeven in figuur 23 van het ontwerpbestemmingsplan, maar ook gezien de effecten op het landschap en het uitzicht van omwonenden, komen wij tot de conclusie dat het gebied waarbinnen de centrale voorzieningen kunnen komen enigszins dient te worden ingeperkt en de maximale bouwhoogte dient te worden verlaagd.

De functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – centrale voorzieningen’ aan de oostzijde van de Oude Bosschebaan wordt aan de oostzijde ingeperkt over een strook van ca. 25 meter breed en ca. 80 meter lang. Hier zijn geen centrale voorzieningen beoogd. Deze maatregel draagt bij aan een centraler en compacter situering van de centrale voorzieningen, heeft een gunstig effect op de uitstraling op en vanaf het omringende landschap en op het aanzicht vanaf buurpercelen. De maximale bouwhoogte ter plaatse van de centrale voorzieningen wordt teruggebracht van 13 naar 9 meter. Dit sluit beter aan bij de maatvoering van bestaande bebouwing en bij het karakter van het gebied.

Conclusie

1.17

Zienswijze – parkinrichting

Reactie gemeente

Conclusie

1.18

Zienswijze – groepsaccommodaties

Reactie gemeente

Voor wat betreft het plaatsen van lichtmasten en geluidsinstallaties hebben wij overwogen dat het stellen van specifieke regels hierover niet noodzakelijk is. Het ligt op een recreatiepark niet voor de hand dat er lichtmasten en geluidsinstallaties worden gebouwd. Hiervoor zijn ook geen concrete plannen. Dergelijke voorzieningen komen voornamelijk voor bij sportvelden. Zouden er wel lichtmasten of geluidsinstallaties worden gerealiseerd rondom de centrale voorzieningen, dan mogen deze op grond van de regels in artikel 3.2.7 maximaal 9 meter hoog zijn en dient het gebruik daarvan te voldoen aan de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarmee is voldoende verzekerd dat er sprake blijft van een planologisch aanvaardbare situatie. De zienswijze is gedeeltelijk gegrond. Om de effecten van de centrale voorzieningen op het omringende landschap en het uitzicht vanaf buurpercelen te beperken, wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – centrale voorzieningen’ ingeperkt en wordt de maximale bouwhoogte teruggebracht naar 9 meter. Voor het stellen van specifieke regels over het plaatsen van lichtmasten en geluidsinstallaties is geen aanleiding. Volgens reclamant biedt het plan onvoldoende rechtszekerheid, omdat een inrichtingstekening van het recreatiepark ontbreekt.

Als bijlage bij het bestemmingsplan hoort volgens reclamant een tekening te worden toegevoegd die concreet aangeeft welke recreatieverblijven waar worden gebouwd en waar de overige (centrale) voorzieningen komen. Door maxima, kaders en randvoorwaarden op te nemen borgen we enerzijds de ruimtelijke aanvaardbaarheid, en voorkomen we anderzijds dat de inrichting van het recreatiepark in beton gegoten wordt. Een bestemmingsplan geldt voor langere tijd en is gericht op kwalitatieve ontwikkeling van het recreatiepark in de toekomst. Daar past enige mate van flexibiliteit en ontwikkelruimte bij. Zoals in de toelichting bij het bestemmingsplan en de bijbehorende onderzoeken is aangetoond, is dit plan ruimtelijk aanvaardbaar. Opgemerkt wordt dat centrale voorzieningen mogen uitsluitend binnen de functieaanduidingsvlakken ‘specifieke vorm van recreatie – centrale voorzieningen’ worden gerealiseerd. De zienswijze is ongegrond. Een bestemmingsplan biedt maxima, kaders en randvoorwaarden en biedt enige mate van flexibiliteit en ontwikkelruimte. In de toelichting en bijlagen is gemotiveerd dat dit plan ruimtelijk aanvaardbaar is. Volgens reclamant worden er door de toename van de maximale oppervlakte van een recreatieverblijf tot 70 m² in feite groepsaccommodaties mogelijk gemaakt, die tot veel overlast leiden.

Reclamant wenst dat groepsaccommodaties voor 7 tot 10 personen worden uitgesloten en dat reeds illegaal opgerichte groepsaccommodaties niet gelegaliseerd mogen worden of onder het overgangsrecht gebracht mogen worden. Als groepsaccommodaties wel worden toegestaan, dan verzoekt reclamant om een zo groot mogelijke afstand te hanteren tot zijn woonperceel. Reclamant stelt ook de voorwaarde dat er een beheerder aanwezig moet zijn op het park. Met het voorliggende bestemmingsplan worden semipermanente recreatieverblijven van maximaal 70 m² toegelaten. Deze zijn in theorie ook

Conclusie

1.19

Zienswijze – treintje

Reactie gemeente

Conclusie

1.20

Zienswijze – gebruik van de bedrijfswoning als recreatieverblijf Reactie gemeente

Conclusie 1.21

Zienswijze – horeca

geschikt voor 7 tot 10 personen. Deze theoretische mogelijkheid is dan ook meegenomen in de ruimtelijke beoordeling van het plan door in de berekening van het gemiddeld aantal personen per standplaats uit te gaan van semipermanente recreatieverblijven voor 10 personen (worst case). De praktijk laat echter zien dat de meeste accommodaties op Recreatiepark Duinhoeve maximaal 6 personen kunnen herbergen. Het recreatiepark richt zich voornamelijk op gezinnen. Een semipermanent recreatieverblijf dient niet te worden verward met een groepsaccommodatie. Een groepsaccommodatie is een permanente en grote gebouwde voorziening, vaak in de vorm van een kampeerboerderij of een herberg. Dergelijke accommodaties zijn niet toegestaan op Recreatiepark Duinhoeve. De zienswijze is ongegrond. Semipermanente recreatieverblijven van 70 m² en de ruimtelijke effecten daarvan zijn ruimtelijk aanvaardbaar bevonden op basis van de toelichting met bijlagen. Groepsaccommodaties zijn niet toegestaan op Recreatiepark Duinhoeve. Reclamant heeft bezwaar tegen het gebruik van een treintje op het park, omdat het niet zou passen binnen planregels (het is geen speelvoorziening als bedoeld in artikel 1.89) en de geluidsbelasting van 96 dB(A) die het treintje veroorzaakt is onacceptabel.

In tegenstelling tot wat reclamant aangeeft is 96 dB(A) het bronvermogenniveau van het treintje en niet het optredende geluidniveau ter plaatse van de woning van de reclamant. Het treintje rijdt drie keer in de dagperiode en één keer in de avondperiode. Het optredende geluidniveau vanwege het treintje is verdisconteerd in het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en bedraagt ter plaatse van de woning van reclamant respectievelijk 42, 40 en 12 dB(A) in de dag, avond- en nachtperiode in de maximale planologische situatie. Daarmee wordt voldaan aan de richtwaarden van 45, 40 en 35 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het treintje wordt incidenteel gebruikt voor het ter vermaak rondrijden van kinderen op het recreatiepark. Dit gebruik is ondergeschikt aan het gebruik van de gronden als recreatiepark en daarmee passend binnen de bestemming. De zienswijze is ongegrond. Het gebruik van het treintje is passend binnen de bestemming en het optredende geluidniveau vanwege het treintje is in de berekening meegenomen. Volgens reclamant is het niet acceptabel als de bedrijfswoning ten westen van de ingang dienst zou mogen doen als recreatieverblijf en moet dit planologisch uitgesloten worden. Op deze locatie mag zowel een bedrijfswoning worden gerealiseerd, als een standplaats voor een recreatieverblijf.

Wordt hier een standplaats gerealiseerd voor een (semipermanent of mobiel) recreatieverblijf, dan mag het ook enkel als standplaats met recreatieverblijf gebruikt worden, dus door gasten die recreatief op het park verblijven. Wordt er een bedrijfswoning gerealiseerd, dan mag het gebouw enkel als bedrijfswoning gebruikt worden. Een bedrijfswoning is een permanent bouwwerk en verschilt in die zin van een semipermanent recreatieverblijf op een standplaats. Daarom kan er op grond van dit bestemmingsplan nooit een bouwwerk worden gerealiseerd dat dienst doet als bedrijfswoning en recreatieverblijf. De zienswijze is ongegrond. Het bestemmingsplan borgt reeds dat een bouwwerk ofwel een bedrijfswoning is, ofwel een recreatieverblijf. Reclamant is van mening dat de horeca uitsluitend en een ondergeschikte functie dient te vervullen voor het recreatiepark zelf en dat feesten en partijen moeten worden uitgesloten. Daarnaast pleit reclamant ervoor om artikel 3.5.5 van de

Reactie gemeente

Conclusie

1.22

Zienswijze – groene buffer, uitzicht

Reactie gemeente

regels te laten vervallen, omdat zomeractiviteiten voor veel overlast zouden zorgen en de effecten hiervan niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek. In de specifieke gebruiksregels in het bestemmingsplan is opgenomen dat de horeca ondergeschikt is aan de verblijfsrecreatieve bestemming en primair gericht is op de campinggasten. Feesten en partijen zijn expliciet uitgesloten. Het huidige horecabeleid geeft aan dat horeca in het buitengebied bij een recreatieve functie doorgaans ondersteunend is aan de hoofdfunctie maar zich wel moet kunnen richten op externe bezoekers. Daarmee voldoet de in het bestemmingsplan opgenomen regeling aan het horecabeleid. Artikel 3.5.5 betreft een standaard regeling in de Tilburgse Plansystematiek om incidenteel afwijkend gebruik toe te staan. Gelet op het incidentele karakter zijn wij van mening dat hierdoor per definitie geen aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt. Op Duinhoeve is het de bedoeling dat er uitsluitend festiviteiten ter uitvoering van recreatieve bestemming kunnen plaatsvinden. Daarom heeft deze bepaling in dit geval geen waarde en kan worden geschrapt. De zienswijze is gedeeltelijk gegrond. De horecaregeling in het bestemmingsplan voldoet aan het horecabeleid. Het op grond van artikel 3.5.5 toegestane incidentele afwijkende gebruik van de bestemming ‘Recreatie’ ten behoeve van o.a.

zomeractiviteiten wordt uit het bestemmingsplan geschrapt. Reclamant vindt de beoogde en reeds gerealiseerde groene omzoming van het recreatiepark onvoldoende groen, dicht en hoog. De groene buffer groeit slecht en daardoor heeft reclamant uitzicht op de recreatieverblijven, de voorzieningen en de ingang van het recreatiepark. Ook de geluidwerende voorziening is nog zichtbaar. Op grond van het provinciale beleid moet er een kwaliteitsverbetering van het landschap worden bewerkstelligd. Recreatiepark Duinhoeve doet dat door een vijf meter brede beplantingsstrook aan te brengen rondom het recreatiepark. Bij de totstandkoming van het landschapsplan is enerzijds belang gehecht aan het gebruik van inheemse soorten. Deze soorten zijn voor de natuur en de biodiversiteit van groot belang. Daardoor moest plaatselijk de bestaande nietinheemse beplanting worden vervangen door nieuwe inheemse beplanting. Anderzijds is rekening gehouden met het verzoek van omwonenden om veel groenblijvende soorten toe te passen. Kenmerkend van groenblijvende soorten is dat deze minder hard groeien dan bladverliezende beplanting. Daarnaast is de beplanting aangeplant onder bestaande bomen, wat maakt dat de groeiomstandigheden iets beperkter zijn (minder vocht en zonlicht). Qua aantallen is er wel voldoende aangeplant en de beplanting is niet dood. De staat van onderhoud is voldoende.

Het vraagt enkel wat geduld.

Conclusie

1.23

Zienswijze spuitzones Reactie gemeente

Kijkend naar de straatbeeldfoto’s van 2021 en 2022 in bijlage 3 bij deze nota van zienswijzen wordt duidelijk dat de beplanting wel degelijk meer volume krijgt en de geluidwerende voorziening steeds meer aan het zicht onttrokken wordt, evenals de recreatieverblijven. De zienswijze is ongegrond. De beplantingsstrook voldoet aan het landschapsplan, er is voldoende aangeplant en de staat van onderhoud is in orde. Groei van de beplanting vraagt geduld. Reclamant is van mening dat de spuitzones moeten worden gerespecteerd. De gemeente heeft in het bestemmingsplan een uitgebreide belangenafweging gemaakt voor wat betreft spuitzones (bijlage 15 en 16). Het gemeentebestuur is van oordeel dat een beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de in dit bestemmingsplan voorgenomen wijze aanvaardbaar is, gelet op de daarmee te dienen doelen en dat de reclamant hierdoor niet onevenredig in de

Conclusie

1.24

Zienswijze – m.e.r.beoordeling

Reactie gemeente

1.25

Conclusie Zienswijze

Reactie gemeente

Conclusie

belangen wordt geschaad. Voor de overwegingen die tot dit oordeel leiden wordt verwezen naar bijlage 16 onder grondeigenaar E. De zienswijze is ongegrond. Op basis van de uitgebreide belangenafweging zijn wij van mening dat reclamant niet onevenredig in de belangen wordt geschaad door inperking van zijn mogelijkheden voor het spuiten van chemische gewasbeschermingsmiddelen op een deel van zijn gronden. Reclamant verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 augustus 2022 in de voorlopige voorziening tegen een tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruik van 200 standplaatsen voor kampeermiddelen. Reclamant stelt dat de rechtbank heeft overwogen dat een milieueffectrapportage noodzakelijk is voor de activiteit. Reclamant is daarom van mening dat er een milieueffectrapportage dient te worden gemaakt ten behoeve van het bestemmingsplan. Voor het bestemmingsplan is voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure een vormvrije m.e.r.-beoordeling gedaan. Verwezen wordt naar paragraaf 4.1 van de toelichting en bijlage 9 bij de toelichting. De uitspraak waar reclamant naar verwijst heeft betrekking op een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, bijlage II bij het Bor.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de activiteit die met de omgevingsvergunning werd toegestaan voorkomt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, en dat de omgevingsvergunning, gelet op artikel 5, zesde lid van bijlage II van het Bor, niet verleend had mogen worden. De rechtbank heeft dus niet geoordeeld dat er een milieueffectrapportage noodzakelijk was. De zienswijze is ongegrond. Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling gedaan. Reclamant is onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank in de voorlopige voorziening tegen een tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruik van 200 standplaatsen voor kampeermiddelen van mening dat de gemeente in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende rekening heeft gehouden met de significante wijzigingen van hun woon- en leefklimaat. In de toelichting bij het bestemmingsplan zijn alle ruimtelijke effecten van het nieuwe bestemmingsplan voor Recreatiepark Duinhoeve in beeld gebracht en beoordeeld. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van reclamant en het plan voldoet aan het principe van een goede ruimtelijke ordening. De zienswijze is ongegrond. In de toelichting is aangetoond dat er bij de maximale planologische invulling sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van reclamant.

Zienswijze 2 – Schoorstraat 32B te Udenhout 2.1

Zienswijze – toekomstig bedrijfsplan ten onrechte niet meegewogen

Reactie gemeente

Reclamant meent dat de gemeente er bij de belangenafweging over de spuitzones voor gekozen heeft om alleen te waarborgen dat het huidige agrarische grondgebruik kan worden voortgezet en dat toekomstige plannen onvoldoende actueel of concreet zijn. Reclamant licht toe dat er echter een actuele en reële kans is op ander gebruik van zijn agrarische gronden door de ontwikkelingen in het stikstofdossier. Door de ligging van zijn melkveebedrijf op ca. 500 meter van het Natura-2000 gebied en gelet op de richtinggevende emissiereductiedoelstellingenkaart is de verwachting van reclamant dat het melkveebedrijf gedwongen zal worden beëindigd ten behoeve van stikstofreductie. Reclamant heeft dan weinig andere opties dan omzetting naar akkerbouw. Volgens reclamant heeft de gemeente dit ten onrechte niet meegewogen in de belangenafweging. Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (1 juli 2021) is al langer bekend dat de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden

Conclusie

2.2

Zienswijze – onevenredige benadeling

Reactie gemeente

Conclusie

2.3

Zienswijze planschade Reactie gemeente

vergaand moet worden gereduceerd. Op 8 februari 2022 heeft de gemeente geïnformeerd bij de eigenaren van agrarische gronden naar concrete plannen voor omschakeling naar een vorm van agrarisch grondgebruik waarbij chemische gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn. Reclamant heeft geen concrete plannen kenbaar gemaakt. Dat reclamant zich op enig moment min of meer gedwongen zal zien tot omschakeling naar akkerbouw is naar onze mening onvoldoende reden om de door Recreatiepark Duinhoeve aangevraagde planologische mogelijkheden (gedeeltelijk) te weigeren. Akkerbouw leidt niet per definitie tot gezondheidsrisico’s voor recreanten. Reclamant behoudt binnen de nieuwe regeling de mogelijkheid voor omschakeling naar akkerbouw, alleen dient er aan aanvullende regels te worden voldaan om de gezondheid van recreanten te waarborgen. Dat kan inhouden dat er een vergunning nodig is en dat er een onderzoek moet worden verricht. Het gemeentebestuur is van oordeel dat een beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de in dit bestemmingsplan voorgenomen wijze aanvaardbaar is gelet op de daarmee te dienen doelen en dat de reclamant hierdoor niet onevenredig in de belangen wordt geschaad. Voor de overwegingen die tot dit oordeel leiden wordt verwezen naar bijlage 16 onder grondeigenaar A. De zienswijze is ongegrond.

Dat reclamant zich op enig moment gedwongen zal zien tot omschakeling naar akkerbouw is onvoldoende reden om de door Recreatiepark Duinhoeve beoogde uitbreiding (gedeeltelijk) te weigeren. Reclamant is van mening dat hij onevenredig in zijn belangen wordt geschaad, omdat de belangenafweging geheel in het voordeel van Recreatiepark Duinhoeve uitvalt en het bestemmingsplan ertoe zou leiden dat hij in het meest nadelige geval 1 hectare grond niet kan benutten ten behoeve van akkerbouw. Daardoor is het bestemmingsplan volgens reclamant in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Als het college van mening zou blijven dat er een spuitvrije zone moet worden aangehouden van tenminste 50 meter breed, dan is reclamant van mening dat de ligging van deze zone moet worden gewijzigd om de benadeling daarvan gelijkmatiger te verdelen, omdat er niet gemotiveerd zou zijn waarom het nadeel geheel voor zijn rekening moet komen en niet (deels) voor Recreatiepark Duinhoeve. Het evenredigheidsbeginsel is vastgelegd in artikel 3:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Het doel van dit besluit is om een nieuw bestemmingsplan voor Recreatiepark Duinhoeve vast te stellen, dat voorziet in instandhouding en uitbreiding van planologische mogelijkheden voor (verblijfs)recreatie binnen een straal van 50 meter van de gronden van reclamant, en het waarborgen van de gezondheid van recreanten ter plaatse. Het nadeel waar reclamant naar verwijst komt geheel voor zijn rekening omdat wij op basis van de uitgebreide belangenafweging van mening zijn dat reclamant op de voorgenomen wijze, en gelet op de specifieke omstandigheden, niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad, en dus voldaan wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Verwezen wordt naar de belangenafweging in bijlage 16 van de toelichting (grondeigenaar A). De zienswijze is ongegrond. Wij hebben de belangen afgewogen en zijn van mening dat de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Er is niet vastgesteld dat reclamant (een deel van) het nadeel gecompenseerd kan krijgen door middel van een tegemoetkoming in planschade. Wat reclamant stelt klopt. Een verzoek om tegemoetkoming in planschade kan worden ingediend na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Als reclamant van deze mogelijkheid gebruik maakt, zal in dat kader door een onafhankelijk adviesbureau worden onderzocht of er sprake is van planschade.

Conclusie 2.4

Zienswijze – gemeente had locatie specifiek onderzoek moeten doen

Reactie gemeente

Conclusie

2.5

Zienswijze – doorschuiven onderzoekslast in strijd met rechtszekerheid en onevenredige gevolgen

De zienswijze is ongegrond. Wat reclamant stelt klopt, maar vaststellen van planschade kan pas nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. Reclamant stelt dat de gemeente ten onrechte uit de jurisprudentie afleidt dat er te allen tijde een afstand van 50 meter moet worden aangehouden tussen gevoelige functies en gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Volgens reclamant kan de gemeente nog steeds motiveren dat een kleinere afstand aanvaardbaar is op basis van een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Het ontbreken van dit onderzoek maakt volgens reclamant dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.2 en 3.4 Awb. Volgens reclamant moet de gemeente onderzoeken op welke wijze zijn huidige en toekomstige bedrijfsvoering ongehinderd kan worden voortgezet en is het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel om de toekomstige bedrijfsvoering vergaand te beperken en het aan reclamant over te laten om dit door middel van een omgevingsvergunning ongedaan te maken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is inderdaad mogelijk die afstand te verkleinen, mits daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt.

Sinds de uitspraak van de Raad van State van 16 december 2020 heeft het wetenschappelijk kader (Wageningen University, PRI 2015) voor de beoordeling van de gezondheidsrisico’s binnen spuitzones zijn rechtskracht verloren. Dit wetenschappelijk kader bood handvatten om uitspraken te doen over de mate van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen (drift) en de effecten van bepaalde maatregelen om de verspreiding tegen te gaan. Sinds de uitspraak van 16 december 2020 kan een motivering die gebaseerd wordt op het genoemde onderzoek niet langer als ‘deugdelijk’ worden beschouwd. Ook een nieuwe methode om uitspraken te doen over de mate van verspreiding en de effecten van maatregelen ter voorkoming van gezondheidsrisico’s, het zogeheten EFSA-model, is onsuccesvol gebleken. Verwezen wordt naar de uitspraken ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023, ABRvS 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3303 en ABRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3387. Er is op dit moment geen deugdelijke motivering mogelijk voor een afstand kleiner dan 50 meter. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. Het belang van de gezondheid stellen wij voorop.

Voor de volledige belangenafweging verwijzen wij naar bijlage 16 bij de toelichting. Daarmee is het bestemmingsplan in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel. De zienswijze is ongegrond. Uit jurisprudentie blijkt dat er op dit moment geen deugdelijke motivering mogelijk is voor een afstand kleiner dan 50 meter. Aangezien er een uitgebreide belangenafweging is gemaakt, is er geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Reclamant stelt dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid om onder bepaalde voorwaarden alsnog omgevingsvergunning te kunnen krijgen voor het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in strijd is met de rechtszekerheid, omdat de onderzoekslast zonder deugdelijke motivering bij reclamant wordt neergelegd en onvoldoende is onderbouwd dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uitvoerbaar is. Daarbij overweegt reclamant dat het aannemelijk is dat er driftreducerende maatregelen nodig zijn. Aangezien het ontwerpbestemmingsplan tot op de erfgrens van het recreatiepark recreatie mogelijk maakt, kunnen hier geen driftreducerende maatregelen meer komen en moeten deze maatregelen op de gronden van reclamant worden gerealiseerd. Reclamant vindt dat hij hierdoor onevenredig wordt benadeeld.

Reactie gemeente

Conclusie

2.6

Zienswijze – onderscheid bestaand en uitbreiding recreatiepark Reactie gemeente

Conclusie

2.7

Zienswijze – strijd met het gelijkheidsbeginsel

Reactie gemeente

Als reclamant in de toekomst inderdaad wil omschakelen naar akkerbouw op de gronden binnen 50 meter van Recreatiepark Duinhoeve, en hij heeft daar chemische gewasbeschermingsmiddelen voor nodig, dan kan op dat moment concreet in beeld gebracht worden welke gewassen er verbouwd gaan worden, welke spuittechniek daarvoor gebruikt gaat worden en eventueel welke driftreducerende maatregelen er getroffen worden. Er kan dan een specifiek op de locatie toegesneden onderzoek worden verricht op basis waarvan met meer zekerheid uitspraken kunnen worden gedaan over de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de gezondheidsrisico’s. Zo is het bijvoorbeeld algemeen bekend dat drift afkomstig van een hoogstam(fruit)boomgaard verder reikt dan drift van gewassen die laag bij de grond worden verbouwd en misschien zelfs incidenteel, plaatselijk of handmatig worden bespoten. Veel hangt dus af van de concrete bedrijfsvoering. Als er driftreducerende maatregelen moeten worden getroffen, dan moet reclamant daar in principe op eigen grond in voorzien. Mogelijk kan de vijf meter brede landschappelijke inpassingsstrook worden meegewogen bij de beoordeling van een toekomstig plan. De onderzoekslast is op basis van een uitgebreide belangenafweging bij reclamant neergelegd. Hiervoor wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijzen 2.1 en 2.2 en bijlage 16 van de toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12926319/1