02 Beleidsnota biodiversiteit 2024
Tekst van het document
12 Voor een deel van de tekst is gebruik gemaakt van de website www.clo.nl (Compendium voor de Leef-
13 In de tabel is landelijk de vuursalamander niet meegenomen. De aantallen vuursalamanders zijn scherp
omgeving).
gedaald door een zeer besmettelijke uitheemse schimmelziekte. Het meenemen van de Vuursalamander in de grafiek zou hierdoor een vertekend beeld geven.
Bijlagen - iii
Bijlagen De ontwikkeling van de populatie reptielen in Tilburg is te vergelijken met de ontwikkelingen in heel Nederland: het gaat niet zo goed. De in Tilburg voorkomende levendbarende hagedis is in aantallen afgenomen. De achteruitgang van de Levendbarende hagedis is het meest duidelijk zichtbaar in cultuurlandschap waar de soort te leiden heeft onder schaalvergroting en intensivering van landgebruik. Ook de verandering van het klimaat en waarschijnlijk daarmee gepaard gaande veranderingen zoals afname van voedselaanbod is hoogstwaarschijnlijk een reden. Dagvlinders Het gaat slecht met de dagvlinders. Sinds 1992 zijn de aantallen van vlinders in Nederland gemiddeld met meer dan 50 procent afgenomen. Met in 2023 de laagste waarde sinds 1992. In de gemeente Tilburg is de trend niet veel anders. Veel dagvlindersoorten staan op de Rode Lijst14 van bedreigde dagvlinders. De belangrijkste oorzaak van hun achteruitgang is het verdwijnen van geschikt leefgebied. Een aantal vlindersoorten komt alleen nog maar in enkele kleine natuurgebieden voor, wat de populaties extra kwetsbaar maakt voor invloeden van buitenaf. Deze gebieden liggen vaak ver van elkaar af, wat maakt dat in het geval van een beperkte dispersieafstand (=verspreiding) van een soort de kans op hervestiging na lokaal uitsterven klein is.
Landelijk gezien gaat het wat beter met een aantal zeldzamere bosvlindersoorten beter gaat (grote weerschijnvlinder, en keizersmantel). Hierbij speelt het warmere klimaat een rol. De grootste achteruitgang is te vinden bij de vlinders die karakteristiek zijn voor heide en open duinen. Op de heide gaan alle karakteristieke soorten achteruit, of het nu de soorten van droge heide (als heivlinder en kommavlinder) of van vochtige heide (als gentiaanblauwtje) zijn. Dit heeft te maken met zowel fragmentatie van het overgebleven heidegebied, als bodemverzuring en eutrofiëring (voedselrijker worden) van de bodem door neerslag van stikstof vanuit de lucht. 14
Bijlagen - iv
Bijlagen Libellen De landelijke trend van de laatste 12 jaar is stabiel, ook in de gemeente Tilburg. Bij een nadere beschouwing van de soort-specifieke ontwikkelingen en per leefgebied blijkt dat libellen van laagveen en moeras nog steeds in de lift zitten, maar de trend afvlakt; libellen van stromend water stabiliseerden na een eerdere toename en lijken in de laatste paar jaar weer iets verder te stijgen; typische soorten voor hoogveen en vennen vertonen vanaf 2008 een steeds sterkere afname in hun verspreiding. Veel soorten libellen hebben vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw geprofiteerd van de grootschalige verbeteringen in de waterkwaliteit en de natuurvriendelijker inrichting van oevers en beheer van de Nederlandse wateren. Tegelijkertijd hebben warmte-minnende, zuidelijke soorten zich sterk uitgebreid door de klimaatverandering, bijvoorbeeld grote keizerlibel, zuidelijke keizerlibel en vuurlibel. Libellen zijn koudbloedige dieren die in veel Voor graslandvlinders is de achteruitgang ook aanzienlijk, namelijk vijftig procent ten opzichte van 1992. Een eeuw geleden waren bijna alle graslanden in Nederland rijk aan kruidensoorten. Sindsdien is de landbouwpraktijk geïntensiveerd, waarbij graslandkruiden nauwelijks tot niet meer voorkomen. Een kruidenrijkdom die vergelijkbaar is met de situatie van weleer wordt tegenwoordig alleen nog gevonden in natuurreservaten.
Klimaatverandering speelt mogelijk ook een negatieve rol, waarbij heftige zomerbuien enerzijds en droogte anderzijds, met name in de jaren 2018-2019-2020 en 2023, voor sommige soorten nadelige uitwerkingen hebben gehad (o.a. koevinkje en kleine heivlinder). Ook blijkt uit onderzoek dat het klimaat sneller opwarmt dan de snelheid waarmee vlinders opschuiven naar het noorden. Bijzondere soorten in Tilburg zijn de bruine eikenpage en de iepenpage. Hier is de afgelopen periode op ingezet om het leefgebied te verbeteren.
Bijlagen - v
Bijlagen gevallen profiteren van warmere zomers. Door hun mobiliteit kunnen met name libellen relatief snel (in vergelijking tot andere insectensoorten) de door klimaatverandering geschikt geworden gebieden koloniseren. Zuidelijke soorten hebben een sterke opmars naar het noorden gemaakt en dit is een fenomeen dat ook op een veel grotere, Europese schaal optreedt. Dat libellen niet meer verder toenemen komt onder meer doordat de chemische kwaliteit van veel wateren nog onvoldoende is. Daarnaast gaan sommige algemene, weinig kritische soorten de laatste jaren achteruit, zoals lantaarntje. In sommige gebieden is dat een gevolg van toegenomen concurrentie van of predatie door de grotere soorten die profiteren van waterkwaliteitsverbetering en klimaatverandering. In sommige delen van het land lijkt het echter door een verslechtering van het leefgebied te komen.
beïnvloed, waardoor sommige soorten zich opnieuw konden vestigen op plekken waar ze eerder waren verdwenen. Toch gaat een aantal soorten (nog steeds) achteruit. Dit zijn bijvoorbeeld plantensoorten van voedselarme tot matig voedselrijke bosranden, graslanden, oevers en wateren. Mogelijk spelen de nog altijd hoge niveaus van stikstofdepositie aan de randen van natuurgebieden hierbij een rol. Ook intensief slootkantbeheer (mechanisch geschoond), waardoor steile oevers ontstaan, kan van invloed zijn geweest bij deze verslechteringen.
De afgelopen periode zijn er in Tilburg diverse poelen voor amfibieën aangelegd. Hier profiteren libellen ook van mee.
Vaatplanten Ook al nemen er meer soorten toe dan af in verspreiding, toch neemt het aantal bedreigde soorten recent weer toe. Sinds de eerste versie van de Rode Lijst zijn er een aantal soorten van die lijst zodanig achteruitgegaan dat ze nu in meer of mindere mate bedreigd zijn geworden, terwijl ze dat eerder niet waren. Tegelijkertijd is een aantal soorten van de lijst in verspreiding toegenomen, waardoor deze minder bedreigd zijn geworden. Daarmee is de gemiddelde bedreiging minder sterk geworden dan in het midden van de jaren '90, al loopt deze in recente jaren weer iets op. Deze landelijke trend geldt ook voor de gemeente Tilburg. Het is niet eenvoudig om individuele trends te verklaren. De groep vaatplanten is namelijk vrij divers. Wat waarschijnlijk voor een aantal soorten gunstig is geweest, is de afname van de uitstoot van milieubelastende stoffen in de afgelopen decennia. Ook hebben beheermaatregelen lokale condities gunstig
Bijzondere biotopen voor planten in onze gemeente zijn onder meer de Piushaven met haar muurplanten en de dennenorchis in het Stadsbos013.
Bijlagen - vi
Bijlagen Zoetwatervissen De trend voor de gemeente Tilburg voor zoetwatervissen is naar alle waarschijnlijkheid vergelijkbaar met de landelijke cijfers. De gemiddelde trend in verspreiding van zoetwatervissen nam sinds 1990 enigszins toe, maar neemt de laatste jaren weer af.
allemaal algemene soorten waarbij de afname geen bedreiging voor het voortbestaan van de soort vormt. Zoetwatervissen zijn in de jaren zestig en zeventig sterk achteruitgegaan doordat de waterkwaliteit slecht was als gevolg van lozingen op het oppervlaktewater. Het rechttrekken van beken en verharden van de oevers droeg ook bij aan de afname van de visstand. Nadat diverse milieumaatregelen werden genomen, verbeterde de waterkwaliteit. Zo zijn de lozingen van stikstof en fosfaat op zoet oppervlaktewater tussen 1986 en 2012 flink afgenomen, al gaat de afname de laatste jaren langzamer. Ook de inrichting van veel wateren verbeterde door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en de hermeandering van beken. Ondanks de verbetering in de biologische kwaliteit voldoen veel wateren nog niet aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water. Ook andere factoren dan waterkwaliteit dragen bij aan de trends. Snoekbaars en karper waren in het verleden mede talrijker doordat ze toen waarschijnlijk veel meer werden uitgezet voor de sportvisserij dan tegenwoordig. Ook het effect van de droogte/warmte sinds 2018 kan worden genoemd. Soorten die in kleine wateren voorkomen hebben niet alleen te maken met droogval maar ook met hittestress. Dit kan een rol spelen bij de afname van soorten als bermpje, stekelbaars en rivierdonderpad.
De soorten die schoon water, vaak met waterplanten erin, nodig hebben zijn gemiddeld genomen aanvankelijk zelfs harder vooruitgegaan, maar nemen nu ook juist sneller af. Die groep bestaat uit bermpje, bittervoorn, kleine modderkruiper, tiendoornige stekelbaars, snoek, rivierdonderpad en zeelt. Een aantal soorten hiervan is relatief zeldzaam en Europees beschermd. Daarentegen zijn soorten die vervuild water goed verdragen juist vanaf 1990 al achteruitgegaan in verspreiding en van die afname niet meer hersteld. Die groep bestaat uit baars, blankvoorn, brasem, karper, pos en snoekbaars. Dat zijn
Bijlagen - vii
Bijlagen Broedvogels De gemiddelde landelijke trend van broedvogels is sinds 1990 geleidelijk toegenomen met ongeveer 25%. Toch zijn er niet alleen soorten met een toenemende populatie (want het aantal toenemende soorten, is niet veel groter dan het aantal soorten met een afnemende populatie). Dat de groep als geheel een toename laat zien, komt voor een groot deel door een aantal recente nieuwkomers die in sommige gevallen spectaculair toenemen. Voorbeelden hiervan zijn Cetti's zanger, middelste bonte specht, grote zilverreiger en brandgans. Daarnaast is in de toe- of afname van vogelsoorten ook een weerspiegeling te zien van veranderingen in de leefomgevingen van soorten, zoals waterkwaliteitsverbetering, het ouder worden van bossen en het steeds intensiever gebruik van het landelijk gebied.
gemiddeld af sinds 1990. Ook vogels van open natuurgebieden zoals duin en heide, doen het gemiddeld gezien niet goed. Duinpieper, klapekster, kuifleeuwerik en ortolaan zijn sinds enkele jaren zelfs geheel verdwenen uit Nederland. (zie ook Vogelbalans | Sovon). De trend in de gemeente Tilburg volgt het landelijk beeld; akker- en weidevogels gaan achteruit, bosvogels nemen toe, en stadsvogels lijken stabiel. De afgelopen periode hebben we het aanbod van nestgelegenheid (nestgelegenheid) vergroot. Dit heeft voor meerdere soorten een positief effect. Denk aan de slechtvalk, gierzwaluw, huiszwaluw en de huismus. Vanwege de verduurzaming van woningen (isoleren) zien we kansen en bedreigingen voor soorten die in gebouwen nestelen. Door de wereldwijde afname van insecten zien we dat insectenetende vogels achteruitgaan, met name akker en weidevogels.
Zoogdieren De aantallen zoogdieren in onze gemeente zijn stabiel en te vergelijken met de landelijke trend. Van een toename van zoogdieren in de laatste 12 jaar in Nederland is inmiddels geen sprake meer. De trend over deze periode is gemiddeld genomen stabiel geworden. Het konijn is de grote verliezer. Sinds 2011 vertoont deze soort een sterke afname. Twee nieuwe soorten in onze gemeente zijn de bever en de boommarter. Deze laatste soort heeft geprofiteerd door het meer toepassen van ecologisch beheer in onze bossen. Ontsnippering is voor zoogdieren een belangrijk aandachtspunt, aangezien te
Onder de afnemende soorten zien we verhoudingsgewijs veel soorten van open natuurgebieden en agrarisch gebied. Vogels van het boerenland nemen Bijlagen - viii
Bijlagen veel dieren verkeersslachtoffer worden (1/3 van de dassen komt bijv. om het leven door een aanrijding met een auto).
Vleermuizen Tot halverwege de 20e eeuw zijn in Nederland veel vleermuissoorten achteruitgegaan en drie soorten zijn zelfs verdwenen uit Nederland. Mogelijke factoren bij afnames zijn verstoring en verdwijning van verblijfplaatsen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw, en bijvoorbeeld houtverduurzamingsmiddelen op kerkzolders. Ook de vermindering van het aantal houtwallen en rommelhoekjes, en andere intensivering in het agrarische landschap, worden vaak als oorzaken genoemd van achteruitgang. Vanaf de jaren '70 lijken de aantallen van verschillende soorten vleermuizen weer langzaam toe te nemen, wat duidt op een herstel van de populatie van deze soorten. Mogelijke oorzaken hiervoor zijn de verbetering van de kwaliteit van oppervlaktewater, de intensivering van beschermingsmaatregelen, en het ouder worden van de bossen, wat zeker sinds de jaren '80 een effect zal hebben gesorteerd.
Landelijk gezien zijn de oorzaken van de toe- of afname van zoogdiersoorten zijn divers en niet altijd duidelijk. Bescherming en beheersmaatregelen hebben zeker bijgedragen aan de groei in het aantal vleermuizen en bijvoorbeeld de otter en bever. Otter en bever zijn enkele decennia terug geherintroduceerd in Nederland en sindsdien, mede dankzij aanvullende bescherming, ook verder vooruitgegaan. De afname bij het konijn is duidelijk een gevolg van virusziektes. Voor insecteneters als vleermuizen kan de veranderde beschikbaarheid van hun stapelvoedsel: insecten, een rol spelen. Maar binnen deze groep nemen enkele gebouwbewonende soorten af, wat kan samenhangen met afname van geschikte verblijfplaatsen door (na)isolatie van gebouwen. Ook veranderingen in beheer, omvang en kwaliteit van de leefgebieden kunnen een rol spelen. Bijlagen - ix
Bijlagen Zaken als steeds warmere winters, te intensief beheerde bossen en aantasting van verblijven in gebouwen i.v.m. de energietransitie, afname van foerageergebieden kunnen een negatief effect hebben op vleermuizen. In onze gemeente heeft het gebruik van het Soortenmanagementplan en de aanwezigheid van vleermuizenkelders ervoor gezorgd dat er meer verblijven voor de zomer en winter zijn. Daarnaast worden er door meer onderzoek naar de vleermuis in de gemeente Tilburg er ook meer soorten waargenomen. De trend in Tilburg van twee gebouwbewonende vleermuizen is stabiel. Na isolatie geeft wel een grote druk op de verblijven van vleermuizen in spouwmuren.
wilde bestuivers. De verwachting is dat ook veel van bestuiving afhankelijke wilde plantensoorten achteruit zullen gaan bij afname van wilde bestuivers. Paddenstoelen (schimmels) Schimmels worden nog sterk ondergewaardeerd, terwijl deze van cruciale betekenis zijn voor afbraak van organisch afval, maar vooral voor de gezondheid van onze bomen. Zonder vele schimmels kunnen bomen geen voedsel opnemen en zullen langzaam afsterven.
Wilde bijen De populaties van wilde stuivers zijn in de periode 1989-2014 met ruim tachtig procent afgenomen. In onze gemeente is de situatie niet veel anders. Oorzaken zijn de achteruitgang van bloeiende planten, gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, schaalvergroting en intensivering in de landbouw en de introductie van exoten zoals de Varroamijt. De achteruitgang van de wilde bijen en hommels blijkt ook uit het grote aandeel bijensoorten dat bedreigd is. Van de 331 in Nederland aangetroffen soorten staan er 181 (54%) op de Rode Lijst. Daarvan zijn 46 soorten uit Nederland verdwenen, 30 ernstig bedreigd, 42 bedreigd, 38 kwetsbaar en 25 gevoelig. Veel landbouwgewassen en wilde planten profiteren van bestuiving door bloem bezoekende insecten. Ongeveer 70%van alle bedektzadige plantensoorten wordt door insecten bestoven. Wereldwijd zijn 76% van de soorten voedselgewassen afhankelijk van dierlijke bestuiving, voor het overgrote deel door insecten. Ondanks dat er ook een afname is van honingbijen (die een concurrent is van de wilde bijen) blijft er zorg over de afname van populaties van zogenoemde
Veel bospaddenstoelen zijn in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw sterk achteruitgegaan. Deze achteruitgang wordt toegeschreven aan de hoge niveaus van stikstofdepositie in die periode, afkomstig van met name de landbouw en het verkeer. Vanaf eind jaren 80 zijn er diverse milieumaatregelen genomen, waardoor de stikstofdepositie sinds 1994 geleidelijk afneemt. Veel Bijlagen - x
Bijlagen soorten die via schimmeldraden samenleven met bomen zijn stikstofgevoelig, zoals de Hanenkam (of Cantharel), Vliegenzwam en Eekhoorntjesbrood. Bodembewonende saprotrofe15 soorten, die leven van dood organisch materiaal in de bosbodem, gaan licht vooruit in zowel de periode 1965-1985 als in de periode 1994-2013. Ook de groep houtpaddenstoelen gaat vooruit. Het ouder (en dichter) worden van de bossen in Nederland en het veranderde beheer is voordelig voor bodembewonende saprotrofe soorten en voor paddenstoelen op hout. Het aandeel loofbomen neemt toe en er blijft meer dood hout liggen. De oorzaak van de vooruitgang van deze groepen paddenstoelen laat zich hierdoor verklaren. Exoten De Nederlandse flora en fauna veranderen voortdurend. Sinds 1900 neemt het aantal exoten toe, ook in onze gemeente. Door klimaatverandering zijn ook steeds meer van deze soorten in staat om in ons land te overleven. Exoten in Nederland zijn planten- en diersoorten die Nederland niet op eigen kracht bereiken, maar door direct of indirect toedoen van de mens, vanuit hun oorspronkelijke verspreidingsareaal naar Nederland zijn gebracht en zich hier zelfstandig in het wild kunnen voortplanten. De belangrijkste wijze waarop nieuwe soorten hier komen is door handel in planten en dieren, als contaminant16 en met transport bijvoorbeeld via het ballastwater.
Zo is een deel van de exoten door de mens in Europa of Nederland ingevoerd voor gebruik, zoals de Japanse oester voor de oestercultuur en de muskusrat voor de pelsdierfokkerij. Sommige exoten zijn uitgezet voor de sport- of beroepsvisserij. Andere soorten zijn onbedoeld hier terecht gekomen, zoals de bruine rat en de Amerikaanse zwaardschede (schelp) die onder meer met schepen of andere transporten meeliften bijvoorbeeld in ballastwater. De belangrijkste wijze waarop nieuwe soorten hier komen is door handel in exotische 15 Saprofyt is een plantaardig organisme of een schimmel die zijn celmateriaal opbouwt door het opnemen
planten en dieren. Exotische soorten ontsnappen soms uit gevangenschap (Siberische grondeekhoorn in Tilburg), worden losgelaten zoals de nijlgans of de halsbandparkiet of worden geloosd in wateren zoals de grote vlotvaren. Een exoot is invasief als deze zich sterk verspreidt en dus een plaag wordt. Ook het aantal (potentieel) invasieve exoten neemt toe; de laatste vier decennia sneller dan de perioden daarvoor. De zogeheten invasieve exoten kunnen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en de veiligheid. Zo kunnen de pollen van alsemambrosia zeer heftige allergische reacties veroorzaken. Aanraking van de reuzenberenklauw kan onder invloed van zonlicht grote blaren op de huid veroorzaken. De muskusrat graaft holen in dijken en andere waterkeringen en wordt hierom intensief bestreden. Invasieve exoten kunnen ook schadelijk zijn voor de inheemse soorten en ecosystemen. Ze kunnen inheemse soorten wegconcurreren, opeten, infecteren of zich ermee vermengen en ecosystemen veranderen. Zo kunnen exoten negatieve effecten hebben op de inheemse soorten doordat ze concurreren om voedsel of ruimte. Een voorbeeld is het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje, geïntroduceerd als biologische bestrijder van bladluizen, is een invasieve exoot.
Deze soort eet de inheems voorkomende soorten lieveheersbeestjes op, waardoor er op plekken waar het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje voorkomt, geen inheemse lieveheersbeestjes meer voorkomen. De uitgezette zonnebaars heeft negatieve effecten in vennen doordat deze vissoort amfibieën en libellenlarven eet. In de vennen waar de zonnebaars in grote aantallen aanwezig is, zijn aantoonbaar minder libellenlarven en amfibieën en gaat de biodiversiteit achteruit.
16 Stoffen die onbedoeld in voedsel of diervoeder voorkomen.
van organische stoffen uit dode andere organismen. Ze staan mee in voor de afbraak van dood hout, afgevallen bladeren en dode planten en dieren.
Bijlagen - xi
Bijlagen In zoet water veroorzaken drijvende planten als de grote waternavel, parelvederkruid, watercrassula en waterteunisbloem lokaal overlast in watergangen. De negatieve effecten zijn zuurstofloos water onder een gesloten dek van drijvende planten, het verstoppen en vastlopen van gemalen en een verslechtering van de ecologische waterkwaliteit. Waterschappen moeten de woekerende waterplanten opruimen om de waterdoorgang weer vrij te maken. Dit kost de waterschappen jaarlijks zo'n 2 miljoen euro extra aan onderhoud. Deze waterplanten breiden zich nog steeds uit, ondanks het wettelijk verbod en intensieve bestrijding. Naast verdringing van inheemse dier- en plantensoorten kunnen exoten schadelijk zijn omdat ze ziekten overbrengen. Ook de financiële schade die exoten veroorzaken kan enorm zijn.
pallas eekhoorn, de Siberische grondeekhoorn, de halsbandparkiet (sinds enkele jaren), de Amerikaanse rivierkreeften en verschillende sier-schildpadden. Invasieve planten zijn de reuzenbereklauw, Japanse duizendknoop, knolcyperus, Canadese waterpest en grote waternavel. Ook zijn er een aantal planten die in het verleden zijn aangeplant, maar nu blijkt dat deze zich invasief gedragen, zoals de hemelboom. De afgelopen periode hebben we o.a. met succes Zonnebaars in de Oude Warande verwijderd. De Siberische grondeekhoorn die in het Stadsbos013 voorkomt wordt in de gaten gehouden. Zolang deze soort niet uitbreidt mag hij blijven in Tilburg. Onze poelen zijn onlangs bemonsterd op exoten en er zijn acties uitgevoerd om deze te verwijderen.
Ook in onze gemeente neemt het aantal exoten toe. Voor Tilburg zijn er een aantal opvallende diersoorten zoals de onlangs (waarschijnlijk ontsnapte) Deel artikel Brabants Dagblad over de aanwezigheid van de pallas eekhoorn (invasieve exoot) in de gemeente Tilburg
Bijlagen - xii
Bijlagen Bijlage 3: Stadsnatuurkaart 2040
Bijlagen - xiii Stadsnatuurkaart 2040 (vastgesteld 2022)
Bijlagen Stadsnatuurkaart 2040
tussen deze gebieden bestaan uit EVZ’s (Ecologische Verbindingszones).
‘De ecologische structuur van gemeente Tilburg’
Een EVZ in het buitengebied bestaat uit; - gemiddeld 25 meter breed (2,5ha/km). Opgebouwd uit een smallere zone met stapstenen en ziet er daardoor uit als een kralensnoer.
Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Omdat er geen landelijke normen voor de hoeveelheid groen/ecologie in stedelijk gebied bestaan, heeft het college vijf jaar geleden de Stadsnatuurkaart 2040 vastgesteld (als onderdeel van de agenda groen in de stad; vaststelling 19/07/2016). Samen met onze Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen zijn dit de huidige beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Mede om ecologie/groen op een duidelijke manier vroegtijdig onderdeel te laten uitmaken van de belangenafweging binnen een ruimtelijke ontwikkeling, is de Stadsnatuurkaart 2040 in maart 2022 geactualiseerd. De Stadsnatuurkaart 2040 is hierbij uitgebreid met het buitengebied, beter leesbaar geworden en aangevuld met een maatvoering voor ecologie/groen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt Tilburg die groene, klimaatbestendige en biodiverse stad met dorpen die wij ambiëren dat ze is. De streefwaarde voor beheer en de streefwaarde voor inrichting zijn nieuw ten opzichte van de in 2022 vastgestelde Stadsnatuurkaart2040. Algemene kenmerken Hieronder worden de kwantitatieve maatvoeringen beschreven behorende bij de Stadsnatuurkaart2040 (versie 2021).
Verschillende niveaus van ecologische structuren De ecologische structuren in Nederland bestaan uit een aantal verschillende niveaus. Op Europese schaal hebben we de Natura2000 gebieden, op landelijk en provinciaal niveau hebben we de NNN (Natuur Netwerk Nederland) en NNB (Natuur Netwerk Brabant) met hun eigen regelgeving. De verbindingen
Een EVZ in het stedelijk gebied bestaat uit; - gemiddeld 50 meter breed (5ha/km). Opgebouwd uit een smallere corridor met stapstenen en ziet er daardoor uit als een kralensnoer. Stadsnatuurkaart 2040: ecologische structuren Met de Stadsnatuurkaart 2040 definiëren we de ecologische structuren op gemeentelijk niveau. Hierbij wordt de systematiek van de EVZ’s doorgetrokken. Maatvoering ecologische structuren: De gemeentelijke ecologische structuren bestaan uit drie verschillende ordes: 1e orde: dit zijn de belangrijkste binnenstedelijke ecologische structuren die in het stedelijk gebied lopen en veelal een directe verbinding hebben met buitengebied: o.a. kanaal en spoor. o gemiddeld 20 meter breed* (2ha/km) met een minimale breedte van 15 meter op maaiveld. 2e orde: de binnenstedelijke ecologische dooradering van de stad. o gemiddeld 15 meter breed* (1,5ha/km) met een minimale breedte van 10 meter. 3e orde: het fijnmazige stedelijke ecologische netwerk. o gemiddeld 10 meter breed* (1ha/km) met een minimale breedte van 5 meter. Invloedsfeer-zone Rondom alle ecologische gebieden en structuren ligt een ‘invloedsfeer-zone’ Bijlagen - xiv
Bijlagen waarvoor geldt dat ontwikkelingen in deze zone geen negatieve effecten mogen hebben op het functioneren van deze gebieden en structuren. * De breedte van een verbinding in de gemeentelijke ecologische structuur geldt op maaiveldniveau. Binnen een verbinding mag sprake zijn van een opdeling in bijvoorbeeld berm en middenberm (eventueel onderbroken door bijv. een weg) die gezamenlijk deze breedte halen tot een maximum van 4 opdelingen en een minimale breedte van 1 meter per opdeling. Bij een eventuele reconstructie van de weg of andere ingreep wordt bij deze gemeentelijke ecologische structuren getracht te komen tot één verbindingszone die minimaal de gewenste breedte heeft. maatvoering ecologische corridor: Voor een ecologische corridor geldt dat deze waar mogelijk gemiddeld 5 meter breed is (0,5ha/km) en mag onderbroken worden; Een corridor bestaat uit verschillende groene plekjes op maaiveldniveau (bijv. ‘vergroende’ lantaarnpaal, geveltuin, boom, berm, voortuin, plantsoen) waarbij de maximale onderlinge afstand 30 meter mag zijn; In een corridor liggen op maximaal 300 meter van elkaar grotere groene plekken. Deze groene plekken hebben een oppervlak van minimaal 200m2. Streefwaarden voor beheer Het streven is dat in 2030 alle ecologische structuren van de 1e orde voor minimaal 80% ecologisch worden beheerd.
Voor ecologische structuren van de 2e orde moet dit in 2035 gelden en voor ecologische structuren van de 3e orde in 2040. Voor 80% van de ecologische stapstenen is het streven dat deze in 2035 voor minimaal 60% ecologisch worden beheerd. Ten slotte de ecologische corridors (daar waar ze onderdeel uitmaken van de openbare ruimte) en de rest
van de openbare ruimte. Deze dienen in 2040 waar mogelijk ecologisch te worden beheerd. Bij het ecologisch beheer worden geen houtachtige beplantingen actief omgevormd als ze nog niet aan vervanging toe zijn. Het streven is om de omvorming naar ecologisch beheer binnen bestaand beheerbudget te realiseren. Maatvoering wordt niet gehaald Als bij het schetsontwerp (of al eerder in het proces) van een ruimtelijke ontwikkeling de maatvoering van de Stadsnatuurkaart 2040 niet gehaald wordt (en dit binnen het project niet op te lossen valt), stelt het projectteam een integraal advies op. In dit advies worden botsingen tussen verschillende belangen omschreven en wordt er een eindadvies (incl. afweging) opgesteld. Het advies van de omgevingscommissie, dat nu al standaard onderdeel uitmaakt van het proces bij ruimtelijke plannen, draagt hierbij bij aan de integrale advisering. Afhankelijk van de aard van de afwijking wordt besloten al dan niet af te wijken van de Stadsnatuurkaart 2040.
Bij ondergeschikte afwijkingen van de maatvoering waar het functioneren van de ecologische structuur voor de desbetreffende doelsoorten niet achteruitgaat, wordt na raadpleging van de Stuurgroep Stedelijk Ontwikkeling (of in de toekomst een soortgelijk gremium) ambtelijk namens het college in mandaat besloten of er wel of niet afgeweken mag worden van de Stadsnatuurkaart 2040; Daar waar de maatvoering niet gehaald wordt en ook het functioneren van de ecologische structuur voor de desbetreffende soorten achteruitgaat, legt het college een advies voor aan de gemeenteraad. De raad neemt uiteindelijk het besluit om wel of niet af te wijken van de Stadsnatuurkaart 2040. Als er niet voldaan kan worden aan de Stadsnatuurkaart, dient de ecologie/groen dat verloren gaat gecompenseerd te worden. Uitgangpunt hierbij is dat het aantal m2 groen dat verloren gaat elders in Tilburg, bij voorkeur in Bijlagen - xv
Bijlagen de nabije omgeving, wordt gecompenseerd. Afwijkingen en voorstellen voor (her)plant dienen altijd door een ecoloog getoetst te zijn. Door het processchema dat bij de Stadsnatuurkaart 2040 hoort te volgen, wordt er bij tegenstrijdige belangen in een vroegtijdig stadium opgeschaald. Randvoorwaarden Inrichting bij ruimtelijke ontwikkelingen Naast een maatvoering om de hoeveelheid groen/ecologie bij ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen borgen, is het ook van belang dat de inrichting bijdraagt aan biodiversiteit. Daarom zijn de volgende randvoorwaarden van toepassing: A. inrichting ecologische structuren, stapstenen en ecologische corridors Bij de inrichting van ecologische structuren, stapstenen en ecologische corridors gelden onderstaande regels: ✓ Bomenrijen of lanen moeten bestaan uit meerdere soorten; ✓ Plantvakken van 1 soort zijn niet groter dan 50 m2. Afwijken van bovenstaande inrichtingseisen is mogelijk (bijv. vanuit cultuurhistorie of ruimtelijke afweging), maar met instemming van college. Streefwaarden voor inrichting (bijdrage aanplant aan biodiversiteit) Voor ecologische structuren van de 1e orde streven we ernaar dat de beplanting in de openbare ruimte in deze structuren in 2030 voor minimaal 80% bestaat uit soorten met een hoge biodiversiteitswaarde. Voor ecologische structuren van de 2e en 3e orde geldt dit in respectievelijk 2035 en 2040.
Voor ecologische stapstenen geldt dat de beplanting in de openbare ruimte in 2035 voor minimaal 75% bij moet dragen aan een hoge biodiversiteitswaarde. Dit betekent niet dat we actief bomen gaan vervangen, maar nieuwe aanplant moet hier wel aan voldoen. Op plaatsen waar veel bomen en 17
struiken staan met een lage biodiversiteitswaarde zal de streefwaarde minder snel gehaald worden. Ten slotte de ecologische corridors en de rest van de openbare ruimte. Daar waar deze onderdeel uitmaken van de openbare ruimte, dient de beplanting in 2040 zoveel mogelijk bij te dragen aan een hoge biodiversiteit Randvoorwaarden beplanting Beplanting dient een bijdrage te leveren aan biodiversiteit. De planten moeten deel uitmaken van de potentiële natuurlijke vegetatie. Dit zijn de planten die hier van nature thuishoren. Als dit niet mogelijk is, dienen de planten in ieder geval voedsel te bevatten voor de aanwezige fauna. Dit zijn meestal planten die bloeien met enkelvoudige bloemen. Deze planten bevatten stuifmeel en nectar17 voor veel insecten. Na de bloei geven deze planten vaak vruchten dat als voedsel dient voor voornamelijk vogels. ▪ 1e keuze: inheemse beplanting; ▪ 2e keuze: klonen (geen gevuldbloemigen) van inheemse beplanting; ▪ 3e keuze: uitheemse soorten die enkelvoudige bloemen bevatten. B Niet zaaien, tenzij… Voor de biodiversiteit is het vrijwel altijd het beste om bloemen en kruiden spontaan op de te laten komen en deze niet te zaaien. Op die manier ontwikkelen soorten zich spontaan op plekken die de juiste omstandigheden hebben.
Ons uitgangspunt voor openbaar gebied is dan ook ‘niet zaaien, tenzij…’ Er zijn gevallen waarin er soms (in samenspraak met een ecoloog) een uitzondering kan worden gemaakt. Nee, tenzij…… Woongebieden: om snel een kleurrijk en groen beeld te kunnen geven (beleving) is het soms wenselijk om terreinen in te zaaien met een
Met uitzondering van windbestuivers
Bijlagen - xvi
Bijlagen
kruiden- en bloemmengsel. Zoals bijv. bij plantvakken die nog niet met vaste planten of bomen aangeplant kunnen worden. Ook tijdelijk braakliggende terreinen kunnen zo worden opgefleurd. Door het juiste mengsel in te zaaien, wordt er de biodiversiteit ook in deze tijdelijke situaties verhoogd. Bedrijventerreinen: bij nieuwe percelen die nog niet meteen ontwikkeld worden en tijdelijk braakliggende terreinen, mag worden ingezaaid. Hiermee wordt de omgeving sneller kleurrijk en groen. Het inzaaien kan een tijdelijke maatregel zijn om en snellere groene beleving (het ‘af zijn’ van de omgeving) van de openbare ruimte te hebben. Agrarische gebieden: het agrarisch gebied is de afgelopen periode qua beplanting steeds monotoner geworden, waardoor de biodiversiteit achteruit is gegaan. Het inzaaien van akkerranden op onze eigen gronden is een eerste stap om de biodiversiteit te verhogen. Uiteindelijk moet de biodiversiteit in het agrarisch gebied verhoogd worden door toevoeging van groen-blauwe dooradering. Natuurgebieden: In natuurgebieden is het in principe niet wenselijk om in te zaaien. Uitzondering hierop is de herintroductie van soorten (bij voorkeur het aanbrengen van maaisel (en daarmee zaden) uit andere natuurgebieden).
uitheemse kruiden- en bloemenmengsels kunnen een bijdrage leveren aan de biodiversiteit. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de randen van het stedelijk gebied (lichtgroen), waarbij de uitheemse zaden zich niet mogen uitzaaien (groen) en het hart van het stedelijk gebied waar het uitheemse zaad wel mag uitzaaien (donkergroen).
Inzaaien met kruiden- en bloemenmengsel18: Als er toch gekozen wordt voor inzaaien (in overleg met een gemeentelijk ecoloog) geldt het volgende: ▪ Buiten de bebouwde kom mogen alleen inheemse kruiden- en bloemenmengsels (gebiedseigen) worden toegepast19. ▪ Binnen de bebouwde kom dient hetzelfde mengsel als uitgangspunt te worden gebruikt. Deze mag eventueel met andere soorten worden aangevuld. Hierdoor kan er een langere bloeiperiode zijn, meer natuurbeleving, ook 18 Onderdeel van het uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit, vastgesteld door het college in april
2012.
19
Hiervoor is door Cuydt Hoeck en de gemeente samen een Tilburgs kruiden- en bloemenmengsel ontwikkeld.
Bijlagen - xvii
Bijlagen
Figuur: gebruik kruiden- en bloemenmengsels
Bijlagen - xviii
Bijlagen Bijlage 4: inrichtingsbouwstenen, de basis voor natuur Elke inrichtingsbouwsteen kent zijn eigen doelsoortgroepen. Doelsoorten zijn planten en dieren die de desbetreffende inrichtingsbouwsteen nodig hebben om te kunnen (over)leven. Vaak gaat het om combinaties van inrichtingsbouwstenen. Een doelsoortgroep vertegenwoordigt de meest karakteristieke soort voor bepaald een gebied/structuur. Door gebruik te maken van doelsoortgroepen, helpen we niet alleen de specifieke doelsoort, maar ook andere soorten die min of meer dezelfde eisen stellen aan hun leefgebied. De doelsoort is al het ware de ‘ambassadeur’ van al die andere soorten. Inrichtingsbouwsteen Bomen Struiken/struweel20
Water Gazon/gras Bloemrijk gras
Faunavoorziening
Doelsoortgroep Vaatplanten, vogels, vleermuizen, bijen Amfibieën, insecten, vlinders, vaatplanten, vogels, zoogdieren, vleermuizen Amfibieën Vogels Amfibieën, bijen, vlinders, libellen, vaatplanten, vogels, zoogdieren, vleermuizen Vogels, vleermuizen
Bij ontwikkelingen/inrichting van de openbare ruimte in de betreffende ecotopen dient rekening te worden gehouden met deze inrichtingsbouwstenen. De ecotopen staan op twee pagina’s verderop weergegeven. Per ecotoop wordt met pictogrammen op een eenvoudige manier aangegeven welke inrichtingsbouwstenen en in welke verhouding er van belang zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt in het pictogram een gradatie van 25, 50, 75 en 100% uitgebeeld. Hiermee wordt de verhouding tussen de verschillende bouwstenen bedoeld. NB: Bij het bepalen van de inrichtingsbouwstenen is uitgegaan van huidige ecologische situatie in een gebied (ecotoop). De bouwstenen geven aan wat extra nodig is om het gewenste biodiverse basisniveau te halen. De inrichtingsbouwstenen geven dus niet het gewenste eindbeeld van de inrichting van de ecotopen aan. Huismus
Tilburgse ecotopen en hun inrichtingsbouwstenen Het grondgebied van de gemeente is opgedeeld in zes verschillende ecotopen: de Oude Stad; wijken & dorpen; bedrijventerrein; agrarische gebied; natuurgebied; ecologische structuren (volgens de Stadsnatuurkaart 2040). Onder ecotoop verstaan we verschillende ecologisch te vergelijken Tilburgse gebieden. Elk ecotoop heeft zijn eigen kenmerkende inrichtingsbouwstenen. 20
Struweel is een rand van struiken waar soms ook verspreid bomen in kunnen voorkomen.
Bijlagen - xix
Bijlagen Figuur: inrichtingsbouwstenen
Bijlagen - xx
Bijlagen Figuur: de Tilburgse ecotopen Figuur: de zes Tilburgse ecotopen
Bijlagen - xxi
Bijlagen sommige soorten (huismus, gierzwaluw en verschillende soorten vleermuizen) ook als verblijfplaats. Gaten en nissen in panden bieden nestgelegenheid aan deze dieren. Ze zijn afhankelijk geworden van deze bebouwing en komen daar (vaak) elk jaar terug.
Ecotoop: Oude Stad Inrichtingsbouwstenen:
Daarnaast is het behoud en kwalitatief verbeteren van het huidige groen en het meer vergroenen (op ooghoogte) van belang. Gezien de schaarse beschikbare ruimte boven- en ondergronds is creatief en innovatief ontwerpen vaak nodig om dit te bereiken. Denk niet altijd in grote groene plekken. Juist van kleinere groene plekken samen kan een groene kracht vanuit gaan.
Gidssoorten: Oude Stad Amfibieën Bijen Vlinders Vaatplanten Vogels Zoogdieren Vleermuizen
Gewone pad, bruine kikker Rosse metselbij, grote klokjesbij, klimopbij Iepenpage, boomblauwtje, citroenvlinder, gehakkelde aurelia Muurleeuwenbek, muurvaren, klimop Gierzwaluw, heggenmus, huismus, zwarte roodstaart Egel, konijn Gewone dwergvleermuis, laatvlieger
Het gebied binnen de ringbanen heeft relatief weinig (openbaar) groen en er is veel verharding. Ondanks dit uitdagende woonmilieu voor flora en fauna, is de Oude Stad een belangrijke plek voor biodiversiteit. Planten en dieren wonen hier al heel lang, hebben zich hier in de loop van de tijd aangepast of hebben simpelweg niet meer voldoende leefruimte elders. Voor deze doelsoorten zijn groene corridors en stapstenen in dit gebied van levensbelang. De vele (met name oudere) gebouwen in de Oude Stad functioneren voor
Uitgangspunten Oude Stad (vergroten, verbinden en versterken): Behoud huidig (vitaal) biodivers groen; Kwaliteitsverbetering huidig groen; o meer variatie o meer bloeiend (nectar en stuifmeel) en kleurrijk groen o gebruik inheemse soorten Inzetten op stimuleren geveltuintjes, boomspiegeltuintjes, groene daken en adoptiegroen; Natuur- en klimaatinclusief ontwerpen- en bouwen; Toepassen gevel- en dakgroen; Zinloze verharding omzetten in groen; Gemeentelijke braakliggende terreinen benutten voor ‘zwerfgroen’; Gebiedsontheffing voor gebouwbewonende fauna; Versterken van leefomgeving met groen; Realiseren groene Koopvaardijstraat, Koningswei, Stadsforum; Realiseren programma 013 parken.
Bijlagen - xxii
Bijlagen
Ecotoop: bedrijventerrein Inrichtingsbouwstenen:
Gidssoorten: bedrijventerrein Amfibieën Bijen Vlinders Vaatplanten Vogels Zoogdieren Vleermuizen
Bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander Tronkenbij, klimopbij, rosse metselbij Bont zandoogje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder Brede wespenorchis, rietorchis Heggenmus, ijsvogel, roek Egel, bunzing Gewone dwergvleermuis, laatvlieger
(uit zichzelf). Op het moment dat een braakliggend terrein bebouwd gaat worden, vertrekken deze nomadische soorten weer, op weg naar een nieuwe plek. Op groter schaalniveau is het effect echter permanent, omdat jonge dieren en plantenzaden zich vanuit dit tijdelijk habitat verspreiden naar de omgeving. Tijdelijk natuur kan daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan natuurbehoud en -ontwikkeling. Dit kan door braakliggende terreinen hier de natuur bewust zijn gang te laten gaan, of als het noodzakelijk is in te zaaien. Bedrijfspercelen zijn vaak erg stenig. Dit maakt het belang van bermen en daken hoog. Voor de biodiversiteit is het van belang dat bermen niet alleen maar uit gras bestaan, maar dat hier ook kruiden (bloemen en waar kan bomen en struiken) te vinden zijn. Hierdoor is het niet alleen voor flora en fauna aantrekkelijk, maar ook voor de mens (het oogt groener en natuurlijker en biedt schaduwplekken). Essentieel is dat het beheer hierop is aangepast (door bijv. de juiste tijdstippen te kiezen om te maaien). Uitgangspunten bedrijventerreinen (verbinden en versterken): Ecologisch bermbeheer waar het kan; o Omvormen bermen: meer variatie, meer bloeiend en kleurrijk groen en gebruik van inheemse soorten Natuur- en klimaatinclusief bouwen; Tijdelijke natuur op braakliggende terreinen; Toepassen gevel- en dakgroen; Versterken van de werkomgeving met groen.
Onze bedrijventerreinen zijn het overgangsgebied tussen stedelijk en landelijk gebied en hiermee erg belangrijk voor flora en fauna. Ze bieden kansen en mogelijkheden voor zowel biodiversiteit als bedrijven (groenere en representatievere uitstraling en een gezonde groene werkomgeving). Bedrijventerreinen zijn daarnaast een prima plek voor tijdelijke natuur. Op braakliggende terreinen vestigen nomadische planten en dieren zich al eerste Bijlagen - xxiii
Bijlagen
Ecotoop: agrarisch gebied Inrichtingsbouwstenen:
Gidssoorten: agrarisch gebied Amfibieën Bijen Vlinders Vaatplanten Vogels Zoogdieren Vleermuizen
Bruine kikker, rugstreeppad, vinpootsalamander Pluimvoetbij, kleine roetbij Argusvlinder, oranjetipje, veldparelmoervlinder Akkerandoorn, Duits viltkruid, grasklokje, pinksterbloem Boerenzwaluw, patrijs, ringmus, veldleeuwerik, steenuil Egel, mol, bunzing Gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis
Het buitengebied is veelal het werkterrein van agrariërs, maar de gebieden zijn ook in trek voor recreatie. Door de nadruk te leggen op groene dooradering van deze agrarische gebieden, kan deze kwaliteit behouden en versterkt worden. Het gemeentelijk vastgoedbedrijf zaait akkerranden daarom in met een kruiden- en bloemenmengsel. Streven is dat agrariërs in het gebied zich naast hun eigen agrarische bedrijf ook kunnen helpen met het beheer
natuurgronden. Naast het beheer van natuurgronden gaat het ook om de randen van percelen. Door bloemrijke randen wordt de (nomadische) natuur de kans geboden in het buitengebied te kunnen leven en zich te kunnen voortplanten. Bijkomend voordeel is dat in de randen veel natuurlijke vijanden van plaagdieren voorkomen, waardoor er geen of minder bestrijdingsmiddelen hoeven te worden gebruikt. Belangrijke landschapselementen in het agrarisch gebied zijn waterstructuren in de vorm van poelen en/of flauwe oevers bij bestaande watergangen, bloemrijke akker- en graslanden, struweel en bomenrijen. Deze elementen zijn nodig voor de minder mobiele soorten die in de omgeving van waterstructuren voorkomen; bijv. amfibieën (bijv. vinpootsalamander, rugstreeppad, bruine kikker), vlinders (bijv. argusvlinder, oranjetipje) en kleine zoogdieren (bijv. bunzing, egel en das). Door in het agrarisch gebied te zorgen voor meerdere ‘natuurlijke lijnen’ en verschillende natuurtypen een plek te geven in het gebied, wordt de natuur in het gehele agrarische gebied geïntegreerd. Door een fijn netwerk te maken van verbindingen, kunnen soorten van een groot deel van het agrarisch netwerk gebruik maken. Daarnaast wordt met deze landschapselementen de beleving van het landschap vergroot (en daarmee recreatief aantrekkelijker).
Uitgangspunten (vergroten, verbinden en versterken): Landschapsverfraaiing voor recreatie/mens en het verhogen van biodiversiteit; o Creëren natuurlijke structuren/landschapselementen o Minder gecultiveerd landschap o Behouden en creëren poelen Agrarisch natuurbeheer (o.a. bloemrijke akkerranden); Inzaaien bloemrijke akkerranden op gemeentelijke gronden; Ecologisch beheren; Op gemeentelijke gronden geen gebruik van glyfosaat en minimaal gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bijlagen - xxiv
Bijlagen
Ecotoop: wijken en dorpen Inrichtingsbouwstenen:
boomspiegeltuintjes, gevel- en dakgroen komt er meer groen ‘tussen gras en kruin’; goed voor mens en dier. Streven is de (midden)bermen van de grotere wegen en rotondes zoveel mogelijk te vergroenen. Bij de plantkeuze moet hierbij rekening gehouden worden met zoutgevoeligheid (strooien in de winter), klimaatverandering en het onderhoud. Deze beplanting dient niet te onderhoudsintensief te zijn, aangezien bij elk onderhoud (delen van) de weg moeten worden afgesloten. In de wijken en dorpen liggen groene stapstenen en lopen verschillende corridors en ecologische structuren (zie de Stadsnatuurkaart 2040). Door deze te versterken en aan te vullen zorgen we ervoor dat de flora en fauna in de stad en de beleving van het groen toeneemt.
Gidssoorten: wijken en dorpen Amfibieën Bijen Vlinders Vaatplanten Vogels Zoogdieren Vleermuizen
Gewone pad, groene kikker, kleine watersalamander Blauwzwarte houtbij, grote klokjesbij, tuinbladsnijder Boomblauwtje, bruin blauwtje, dagpauwoog Brede wespenorchis, muurleeuwebek Gierzwaluw, huismus, merel, boomklever Egel, steenmarter Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis
In de wijken en dorpen staat versterking van het huidige groen centraal. Groen in de wijk is hier (vaak onbewust) een niet uit te wissen rol; voor mens en dier. Deels speelt hier hetzelfde op het gebied van ecologie als in de Oude Stad. Daarnaast is de keuze van openbare beplanting is erg belangrijk. Veel groene plekken bestaan nu louter uit alleen gras en bomen. Door te kiezen voor meer struiken en/of bloeiende planten, bloembollen,
Uitgangspunten (vergroten, verbinden en versterken): Behoud huidig (vitaal) biodivers groen; Kwaliteitsverbetering huidig groen; o meer variatie o meer bloeiend en kleurrijk groen o gebruik inheemse soorten Binnen 300 m2 is er een grotere groenplek aanwezig; Inzetten op stimuleren geveltuintjes, boomspiegeltuintjes, groene daken en adoptiegroen; Natuurinclusief ontwerpen- en bouwen; Toepassen gevel- en dakgroen; Vergroenen (midden)bermen; Zinloze verharding omzetten in groen; Gemeentelijke braakliggende terreinen benutten voor ‘zwerfgroen’; Gebiedsontheffing voor gebouwbewonende fauna; Versterken van verstedelijking door groen. Bijlagen - xxv
Bijlagen
Ecotoop: natuurgebied Inrichtingsbouwstenen:
Gidssoorten: natuurgebied Amfibieën Bijen Vlinders Vaatplanten Vogels Zoogdieren Vleermuizen
Kamsalamander, knoflookpad, boomkikker Bosmier, blauwzwarte houtbij Agusvlinder, groot dikkopje, kleine parelmoervlinder Duits viltkruid, hondsviooltje, kamgras, rietorchis Groene specht, kleine bonte specht, Raaf Eekhoorn, ree, Siberische grondeekhoorn, boommarter Rosse vleermuis, watervleermuis, franjestaart
bestaan voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden (met name om het Natura 2000 gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, NatuurNetwerk Brabant (NNB) en Ecologische verbindingszones (EVZ)). Daarnaast liggen ook gebieden met andere functies (zoals agrarisch) binnen de groenblauwe structuur die van belang zijn voor natuurwaarden in en buiten natuurgebieden. We zetten enerzijds in op het structuurrijker maken van de bossen, wat gunstig is voor de biodiversiteit. Er komen meer geleidelijke overgangen van bos via struweel en ruigte naar grasland. Anderzijds maken we de groenblauwe dooradering robuuster door de aanleg van landschapselementen. Om de recreatiedruk in de natuurgebieden niet ten koste van de natuurkwaliteiten te laten gaan is het in een aantal gevallen nodig de recreatie en rustige gebieden te zoneren. Stillere gebieden zijn een goed middel om ook gebieden te behouden waar de natuur zich kan ontwikkelen.
Uitgangspunten (versterken): Behoud van ecologische waarden; Realiseren/afmaken Ecologische verbindingszones; Creëren structuurrijkere bossen; Verbinden natuur- en watersystemen; Groenblauwe structuur robuust en veerkrachtig maken; De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken en verder ontwikkelen; De mogelijkheden voor gebruik en beleving vergroten.
Het gaat hier over de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuren Bijlagen - xxvi
Bijlagen
Ecotoop: ecologische structuur De ecologische structuren die op de Stadsnatuurkaart 2040 staan hebben, samen met de provinciale ecologische verbindingszones (EVZ’s) en het Natuurnetwerk Brabant (NNB), een bijzondere ecologische status. Voor deze structuren streven we niet naar een basisniveau qua biodiversiteit, maar willen we het maximale realiseren. De ecologische structuren kunnen gezien worden als de gebiedsontsluitingswegen voor biodiversiteit. Anders dan bij de voorgaande ecotopen zijn er geen specifieke inrichtingsbouwstenen en gidssoorten te geven voor de ecologische structuren. Dat komt omdat de ecologische structuren dwars door alle andere ecotopen lopen en daardoor dus de inrichtingsbouwstenen van de desbetreffende ecotoop in de basis overnemen. Door deze inrichtingsbouwstenen toe te passen, wordt de basiskwaliteit voor de (stads)natuur gehaald. Echter, omdat het hier gaat over ecologische structuren, wordt er dus per ecologische structuur expliciet gekeken naar hoe er het maximale uit de biodiversiteit kan worden gehaald (er wordt een ‘plus’ op gezet). Belangrijk hierbij is 1) de maatvoering (m2) uit de Stadsnatuurkaart 2040 en 2) het ecologisch functioneren van de structuur. Er wordt daarom op structuurniveau gekeken welke dieren gebruik (zouden kunnen/moeten) maken van deze structuur. Van belang hierbij zijn de vijf V’s van belang: -
-
-
Verblijfplaatsen: zonder succesvolle voortplanting sterven soorten/populaties uit. Veel diersoorten hebben hiervoor specifieke locaties nodig, zoals holten in bebouwing, solitaire bomen of open plekken in de vegetatie; Voedsel: zonder (voldoende) voedsel en vocht is overleven en/of voortplanting onmogelijk. Het is dus essentieel dat in de nabijheid van de verblijfplaatsen voedsel en water te vinden is; Veiligheid: schuil- en rustgelegenheid is noodzakelijk om te overleven. Het is daarom nodig dat er (naast verblijfplaatsen) voldoende plekken
-
-
met beschutting aanwezig zijn, waar een dier zo min mogelijk verstoring ervaart; Verbinding: om voldoende voedsel, beschutting, een partner én een voortplantingsplek te vinden, moeten dieren zich in hun leefgebied kunnen voortbewegen. Plekken met voedsel, schuil- en voortplantingsplekken moeten binnen bereikbare afstand van elkaar te liggen om functioneel te zijn en met elkaar verbonden zijn. Variatie: bij de vier bovengenoemde V’s is variatie essentieel. Een variatie aan verblijfplaatsen, voedsel, veiligheid en verbinding zorgt voor een grotere overlevingskans. Denk hierbij o.a. aan variatie in plantensoorten, variatie in inrichtingselementen, variatie in planthoogten, variatie in temperatuur/zon-schaduw/vochtigheid, variatie in typen verblijfplaatsen, etc.
De inrichting in ecologische structuren is maatwerk. Uitgangspunten (verbinden, versterken en vergroten): Basis zijn de inrichtingsbouwstenen van de desbetreffende biotoop waarde ecologische structuur doorheen loopt; Zorg voor voldoende m2 groen (maatvoering Stadsnatuurkaart 2040); Richt de ecologische structuur zo in dat hij ecologisch kan functioneren. Dit is maatwerk. Betrek hierbij een ecoloog. Gebruik van inheemse plantsoorten. Ecologisch beheer toepassen
Bijlagen - xxvii
Bijlagen Bijlage 5: voorbeelden ontsnipperende maatregelen
Bijlagen - xxviii
Bijlagen
Bijlagen - xxix Roodborsttapuit
Bijlagen
Colofon: Deze nota is een uitgave van de gemeente Tilburg Afdeling Ruimte, mei 2024 Lay-out: Tekst en vormgeving: Mischa Cillessen en Paula de Voogd Fotografie: Mischa Cillessen en Paula de Voogd Foto omslag achterkant: akkerhommel op witte klaver
Bijlagen - xxx