01 Raadsvoorstel wijziging Algemene Plaatselijke Verordening 2022-1
Tekst van het document
raad 2022_1293 definitief
1
Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2022.1 Aanleiding Met de raad is afgesproken om een debatbijeenkomst te organiseren over de vraag “Wat voor APV-gemeente wil Tilburg zijn?” Totdat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden zullen enkel noodzakelijke wijzigingen van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) worden voorgelegd aan de raad. Er zijn vier onderwerpen die het noodzakelijk maken de APV op korte termijn te wijzigen. Het eerste betreft het dierenwelzijn bij het gebruik van dieren bij evenementen en straatartiesten. Handhaving op het gebied van dierenwelzijn is een bevoegdheid van het Rijk, namelijk van de NVWA en de dierenpolitie. De raad heeft het college verzocht te onderzoeken wat aanvullend kan worden opgenomen in de APV, zodat het dierenwelzijn bij evenementen en andere optredens maximale aandacht krijgt. Het tweede onderwerp betreft het opnemen van een apart regime voor incidentele festiviteiten met overschrijding van geluidnormen voor de Binnentuin in de Spoorzone. Het gaat om het vastleggen in de APV van hetgeen hierover is opgenomen door de raad in het ‘Koersdocument Spoorzone’. In verband met de aanstaande oplevering van Mindlabs en De Brabander moet de APV hierop worden aangepast.
Het derde onderwerp betreft het opnemen van algemene weigeringsgronden voor vergunningen en het aanpassen van de titel van hoofdstuk 2 van de APV. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk om nu door te voeren in verband met de ontwikkeling betreffende duurzaamheidseisen die worden gesteld aan organisatoren van evenementen. Door het opnemen van de algemene weigeringsgrond ‘bescherming van het milieu’ kan een vergunning op grond van de APV, onder andere een evenementenvergunning, geweigerd worden als het milieu in het geding is bij de uitvoering van de activiteit. Door het aanpassen van de titel van hoofdstuk 2 van de APV wordt aangegeven welke belangen door de regels in dat hoofdstuk worden beschermd. Het vierde onderwerp betreft tenslotte het invoeren van een vergunningplicht voor deelauto’s. Op grond van de huidige APV is het al mogelijk het aanbieden van deelfietsen en deelscooters vergunningplichtig te maken. Er bestaat behoefte om dit ook op korte termijn mogelijk te maken voor deelauto’s. Deelmobiliteit levert een bijdrage aan het realiseren van de mobiliteits- en duurzaamheidsambities. Dit raadsvoorstel betreft de wijziging van de volgende artikelen en/of hun toelichting: Algemene weigeringsgronden opnemen in hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’. De model-APV van de VNG kent in hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’ een artikel met algemene weigeringsgronden.
Deze weigeringsgronden zijn ontleend aan artikel 16 van de Europese Dienstenrichtlijn en zien op algemene belangen die een belangrijke rol kunnen spelen bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning of ontheffing. Deze algemene weigeringsgronden zijn ook voor de Tilburgse praktijk een zinvolle en wenselijke aanvulling. In diverse APV-artikelen komen deze weigeringsgronden al voor, maar het is goed om ze in algemene zin van toepassing te verklaren. Op die manier kunnen deze belangen, indien zij aan de orde zijn, ook daadwerkelijk betrokken worden bij de besluitvorming rondom een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de APV. Voorgesteld wordt om het betreffende artikel uit de model-APV van de VNG op te nemen in de Tilburgse APV en toe te voegen aan het huidige artikel 2. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 3. Titel hoofdstuk 2 ‘Openbare orde’ actualiseren. Hoofdstuk 2 van de APV heeft als titel ‘Openbare orde’. Dit hoofdstuk gaat echter over meer dan enkel openbare orde. De titel van hoofdstuk 2 van de model-APV van de VNG luidt ‘Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu’. Deze titel dekt veel beter de lading, inhoud en belangen die hoofdstuk 2 van de Tilburgse APV bedoelt te beschermen.
Voorgesteld wordt daarom om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG en de titel van hoofdstuk 2 van de Tilburgse APV aan te passen in ‘Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu’. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 5. Portefeuillehouder: Burgemeester Behandelend ambtenaar: Juridische Zaken, G. Dellevoet
raad 2022_1293 definitief
Artikel 26A APV aanpassen om evenementen met dieren vergunningplichtig te maken Kleinschalige evenementen zijn op grond van artikel 26A van de APV uitgezonderd van de vergunningplicht mits wordt voldaan aan de in het tweede lid van dat artikel genoemde criteria. Het gaat om evenementen die weinig of geen invloed hebben op de omgeving, in beginsel vrijwel altijd worden toegestaan en waarvoor standaardvoorschriften kunnen gelden. Dergelijke evenementen hoeven alleen bij de gemeente te worden gemeld. Als bij een evenement dieren worden gebruikt die geen onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering (zoals bijvoorbeeld bij kinderboerderijen, maneges en kennels) is het van belang om zorgvuldig te bekijken in hoeverre het evenement verantwoord is uit het oogpunt van de veiligheid en gezondheid van anderen en het voorkomen van overlast. Het gebruik van dieren bij evenementen kan immers leiden tot gevaarlijke situaties. Verder kan het gebruik van dieren risico’s met zich brengen voor de gezondheid of leiden tot overlast. Gelet hierop is het van belang deze categorie evenementen niet te laten vallen onder de uitzondering op de vergunningplicht. Voorgesteld wordt om aan artikel 26A, tweede lid, van de APV zo aan te passen dat evenementen waarbij dieren worden gebruikt die geen onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering vergunningplichtig zijn.
Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 6. Artikel 74 APV aanpassen om straatoptredens met dieren ontheffingsplichtig te maken In artikel 74 van de APV zijn regels opgenomen over het optreden als straatartiest. In het tweede lid staan de voorwaarden waaronder een straatartiest zonder ontheffing mag optreden. De gemeente ontvangt regelmatig meldingen over straatartiesten die gebruikmaken van dieren. Als er door een straatartiest dieren worden gebruikt, is het van belang om zorgvuldig te bekijken in hoeverre dit verantwoord is vanuit het oogpunt van de veiligheid en gezondheid van anderen en het voorkomen van overlast. Het gebruik van dieren door een straatartiest kan immers leiden tot gevaarlijke situaties. Verder kan het gebruik van dieren risico’s met zich brengen voor de gezondheid of leiden tot geluids- of stankoverlast. Voorgesteld wordt om straatoptredens waarbij gebruik wordt gemaakt van dieren ontheffingsplichtig te maken. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 7. Bijzonder regime incidentele festiviteiten Binnentuin door wijziging artikel 107 en 109 APV en actualisering artikel 109 APV De horecabedrijven aan de Binnentuin organiseren op hun terras geregeld activiteiten met versterkte muziek. Op deze activiteiten zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.
Door de nieuwbouw in de Spoorzone is het niet langer mogelijk om deze buitenactiviteiten binnen de geluidnormen te laten plaatsvinden. Om toch een aantal maal per jaar buitenactiviteiten mogelijk te maken is een vrijstelling van de geluidnormen nodig. In het Koersdocument Spoorzone (vastgesteld door de Raad op 25 maart 2019) is opgenomen om voor 12 dagen ontheffing te verlenen voor de geluidnormen voor activiteiten met versterkte muziek in de Binnentuin. Uitgangspunt hierbij is dat de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer bij de bestaande woningen (zoals de wijk Theresia) niet wordt overschreden. Naast de toevoeging van het bijzondere regime voor de Binnentuin wordt voorgesteld om enkele tekstuele wijzigingen aan te brengen in artikel 109. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 8. Artikel 116 APV aanpassen om het aanbieden van deelauto's vergunningplichtig te maken De komende jaren staat Tilburg voor een grote verdichtingsopgave. Daardoor komen er meer mensen wonen en werken en groeit de mobiliteitsbehoefte in de stad. Binnenstedelijk is de beschikbare openbare ruimte zeer beperkt en zijn de ambities met betrekking tot leefbaarheid en klimaatadaptatie hoog. Met al deze ambities is het onmogelijk om het autobezit en autogebruik op het huidige niveau te blijven faciliteren.
Om ons voor te bereiden op de toekomst is alleen het optimaliseren van ons verkeersnetwerk daarom niet voldoende. Deelmobiliteit levert een bijdrage aan het realiseren van de mobiliteits- en duurzaamheidsambities, omdat het zorgt voor minder autokilometers, afname van het autobezit en daardoor minder toename van parkeerplaatsen en van de druk op de toegangswegen naar de parkeerplaatsen. Tegelijkertijd constateren wij dat de openbare ruimte in de stad schaars is, met name in de binnenstad. De gemeente wil grip houden op het gebruik van deze ruimte en de orde en veiligheid hierin handhaven. Om regulering van deelauto’s mogelijk te maken, wordt voorgesteld om het aanbieden van deelauto’s vergunningplichtig te maken. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 12.
2
raad 2022_1293 definitief
In de uitwerking van de wijzigingsvoorstellen is in de oude tekst van de artikelen steeds schuingedrukt en in rood aangegeven wat er wordt gewijzigd. Beoogd effect/ bestuurlijk kader Dit voorstel beoogt de APV te actualiseren.
Voorstel De bijgevoegde Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2022.1 vaststellen, met de volgende wijzigingen voor de APV: • • • • • • •
Artikel 2 en de toelichting op dit artikel wijzigen; De titel van hoofdstuk 2 wijzigen; Artikel 26A wijzigen; Artikel 74 wijzigen; Artikel 107 wijzigen; Artikel 109 en de toelichting op dit artikel wijzigen; Artikel 116 wijzigen.
Argumenten 1.
Algemene weigeringsgronden opnemen in artikel 2 van de APV.
De model-APV van de VNG kent in hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’ een artikel met algemene weigeringsgronden. Deze weigeringsgronden zijn ontleend aan artikel 16 van de Europese Dienstenrichtlijn en zien op algemene belangen die een belangrijke rol kunnen spelen bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning of ontheffing. Het betreft: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van milieu. Dit zijn tevens de rechtvaardigingsgronden op grond waarvan volgens de Dienstenrichtlijn een inbreuk mag worden gemaakt op het beginsel van vrije toegang tot en vrije uitoefening van een dienstenactiviteit. Als de genoemde belangen in het geding zijn dan kunnen deze het noodzakelijk maken om een vergunning of ontheffing te weigeren of om hier beperkende voorwaarden aan te verbinden. Deze algemene weigeringsgronden zijn ook voor de Tilburgse praktijk een zinvolle en wenselijke aanvulling op de reeds bestaande specifieke weigeringsgronden. Het gaat om belangen waarvan iedereen snapt dat deze relevant zijn en dat deze soms in de weg kunnen en/of moeten staan aan het verlenen van een vergunning of ontheffing op grond van de APV. In diverse APV-artikelen komen deze weigeringsgronden al voor, maar het is goed om ze in algemene zin van toepassing te verklaren.
Op die manier kunnen deze belangen, indien zij aan de orde zijn, ook daadwerkelijk betrokken worden bij de besluitvorming rondom een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de APV. In de VNG-modelbepaling worden de algemene weigeringsgronden gecombineerd met de ook in Tilburg bestaande mogelijkheid om een vergunning of ontheffing te weigeren als de aanvraag daarvoor te laat is ingediend. Deze laatste mogelijkheid is in de Tilburgse APV opgenomen in artikel 2. Het is wenselijk om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de VNG-modelbepaling en daarom ligt het voor de hand om het huidige artikel 2 van de APV aan te passen en uit te breiden met de genoemde algemene weigeringsgronden. Het voorgestelde gewijzigde artikel 2 APV en de toelichting daarop luiden als volgt:
3
raad 2022_1293 definitief
Oude tekst + toelichting artikel 2 APV Artikel 2. Te late indiening aanvraag. Weigeringsgronden. 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan tien weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Toelichting Lid 1: De weigeringsgronden zijn algemeen geformuleerd. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. Deze kunnen wel vallen onder: - Overlast: Vanouds is de APV een openbare orde- en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over ‘overlast’. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving of het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder en overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke.
Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. - Verkeersveiligheid: De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. - Veiligheid van personen en gezondheid: Deze gronden waarop voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt. - Zedelijkheid: Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip ‘openbare orde’, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41 bij de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke
4
Nieuwe tekst + toelichting artikel 2 APV Artikel 2. Weigeringsgronden. 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan tien weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Toelichting Lid 1: De weigeringsgronden zijn algemeen geformuleerd. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. Deze kunnen wel vallen onder: - Overlast: Vanouds is de APV een openbare orde- en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over ‘overlast’. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving of het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder en overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke.
Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. - Verkeersveiligheid: De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. - Veiligheid van personen en gezondheid: Deze gronden waarop voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt. - Zedelijkheid: Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip ‘openbare orde’, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41 bij de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke
raad 2022_1293 definitief
waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Over het belang van dierenwelzijn als aparte weigeringsgrond heeft de Afdeling beslist dat deze in strijd is met hogere regelgeving. Met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in samenhang met de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften is beoogd het dierenwelzijn uitputtend te regelen (ABRvS 26-082009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6075). Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect hebben. Lid 2: De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten.
Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Artikel 2 APV biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan tien weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is
5
waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Over het belang van dierenwelzijn als aparte weigeringsgrond heeft de Afdeling beslist dat deze in strijd is met hogere regelgeving. Met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in samenhang met de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften is beoogd het dierenwelzijn uitputtend te regelen (ABRvS 26-082009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6075). Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect hebben. Lid 2: De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten.
Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Artikel 2 APV biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan tien weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
2. Titel hoofdstuk 2 van de APV ‘Openbare orde’ actualiseren Hoofdstuk 2 van de APV heeft als titel ‘Openbare orde’. Dit hoofdstuk gaat echter over zoveel meer dan enkel openbare orde. De titel van hoofdstuk 2 van de model-APV van de VNG luidt ‘Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu’. Deze titel dekt veel beter de lading, de inhoud en de belangen die hoofdstuk 2 van de Tilburgse APV bedoelt te beschermen. De titel van een hoofdstuk of een paragraaf in de APV is van belang omdat daarin kort wordt weergegeven welke belangen door de in dat hoofdstuk/paragraaf opgenomen artikelen worden beschermd. Bij besluitvorming mogen alleen die belangen worden meegewogen die beoogd werden te beschermen. De plaats
raad 2022_1293 definitief
6
van een artikel in de APV kan daarom bepalend zijn voor de beoordeling van de bij besluitvorming betrokken belangen. Voorgesteld wordt om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG en de titel van hoofdstuk 2 van de Tilburgse APV aan te passen in ‘Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu’: Oude titel Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Nieuwe titel Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
3. Aanpassing artikel 26A in verband met het vergunningplichtig maken van evenementen waarbij dieren worden gebruikt In artikel 26A staat dat voor het houden van een kleinschalig evenement geen vergunning nodig is. Als het evenement voldoet aan de in het tweede lid genoemde criteria, kan de indiener volstaan met een melding. Op dit moment zijn ook kleine evenementen waarbij dieren worden gebruikt uitgezonderd van de vergunningplicht. Als bij een evenement dieren worden gebruikt, dan is het van belang om zorgvuldig te bekijken in hoeverre het evenement verantwoord is uit het oogpunt van de veiligheid en gezondheid van anderen en het voorkomen van overlast. Het gebruik van dieren bij evenementen kan immers leiden tot gevaarlijke situaties. Verder kan het gebruik van dieren risico’s met zich brengen voor de gezondheid of leiden tot overlast of verstoringen van de openbare orde. Voorgesteld wordt om evenementen met dieren altijd vergunningplichtig te maken, met uitzondering van gevallen waarin de dieren onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering op de locatie van het evenement, zoals in het geval van kinderboerderijen als zij gebruik maken van de dieren die daar al aanwezig zijn.
Het vergunningplichtig maken van evenementen waarbij dieren worden gebruikt heeft als bijkomend voordeel dat bij de aanvraag tot op zekere hoogte kan worden vastgesteld of de organisator voldoet aan landelijke regelgeving op het gebied van dierenwelzijn. Hoewel handhaving op het gebied van dierenwelzijn een bevoegdheid is van het Rijk, kunnen eventuele zorgen over het welzijn van dieren op die manier vroegtijdig worden gesignaleerd en worden doorgegeven aan de bevoegde instanties (NVWA/dierenpolitie), zodat zij waar nodig handhavend kunnen optreden. Voor de volledigheid moet hierbij worden opgemerkt dat dierenwelzijn op zichzelf geen grond is om de evenementenvergunning te weigeren, omdat dit onderwerp reeds in hogere regelgeving is vastgelegd. Dit ligt anders bij evenementen waarbij sprake is van dierenmishandeling. Dergelijke evenementen vormen een aantasting van de zedelijkheid en brengen risico’s voor de openbare orde met zich mee (zie ook: ARRvS 08-07-1985, ECLI:NL:RVS:1985:AH0784 met betrekking tot het evenement gansslaan in de toenmalige gemeente Eijsden). Het voorgestelde gewijzigde artikel 26A luidt als volgt: Oude tekst artikel 26A APV Nieuwe tekst artikel 26A APV Artikel 26A. Artikel 26A. Kennisgevingsevenementen Kennisgevingsevenementen 1. Geen vergunning als bedoeld in artikel 26, eerste 1.
Geen vergunning als bedoeld in artikel 26, eerste lid, lid, is vereist voor een kennisgevingsevenement is vereist voor een kennisgevingsevenement indien indien de organisator deze uiterlijk 6 weken de organisator deze uiterlijk 6 weken voordat deze voordat deze zal plaatsvinden heeft gemeld bij de zal plaatsvinden heeft gemeld bij de burgemeester burgemeester door middel van het door de door middel van het door de burgemeester burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier. vastgestelde kennisgevingsformulier. 2. Van een kennisgevingsevenement is sprake indien: 2. Van een kennisgevingsevenement is sprake indien: a. Het bedrijfsfeesten op eigen locatie betreft a. Het bedrijfsfeesten op eigen locatie betreft b. Het kleine activiteiten in de openbare ruimte b. Het kleine activiteiten in de openbare ruimte betreft met de volgende voorwaarden: betreft met de volgende voorwaarden:
raad 2022_1293 definitief
▪ ▪ ▪
3.
4.
5.
Het is een evenement in de openlucht Maximaal 300 bezoekers en deelnemers Er worden geen dieren gebruikt, los van de dieren die onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering op de locatie van het evenement. ▪ Geen alcohol geschonken bedrijfsmatig ▪ Geen tijdelijke ruimte waar 150 personen (of meer) gelijktijdig in aanwezig zijn ▪ Geen doorgaande wegen afgesloten hoeven te worden ▪ De activiteit vindt tussen 8.00 - 24.00 uur plaats (voor zon- en feestdagen geldt een begintijd van niet eerder dan 13.00 uur vanwege de Zondagswet) ▪ Het geluidsniveau niet meer bedraagt dan 70 dB(A) gemeten op 2 meter afstand van de dichtstbij zijnde gevels van woningen. Tot maximaal 22:00 uur, van 22:00 tot 24:00 uur geldt een norm van 50 dB(A). ▪ Geen extra politiecapaciteit nodig is De burgemeester bevestigt de ontvangst van het 3. kennisgevingsformulier. De burgemeester kan binnen vier weken na ontvangst van het kennisgevingsformulier besluiten het organiseren van een kennisgevingsevenement te verbieden indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De organisator dient aan een toezichthouder op 4. eerste verzoek een ontvangstbevestiging van het kennisgevingsformulier te tonen. Indien naar het oordeel van de burgemeester uit 5.
nieuwe feiten of omstandigheden na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het derde lid, er vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde of gevaar bestaat voor de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu, kan de burgemeester het organiseren van een kennisgevingsevenement verbieden.
7
▪ Het is een evenement in de openlucht ▪ Maximaal 300 bezoekers en deelnemers ▪ Er worden geen dieren gebruikt, los van de dieren die onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering op de locatie van het evenement ▪ Geen alcohol geschonken bedrijfsmatig ▪ Geen tijdelijke ruimte waar 150 personen (of meer) gelijktijdig in aanwezig zijn ▪ Geen doorgaande wegen afgesloten hoeven te worden ▪ De activiteit vindt tussen 8.00 - 24.00 uur plaats (voor zon- en feestdagen geldt een begintijd van niet eerder dan 13.00 uur vanwege de Zondagswet) ▪ Het geluidsniveau niet meer bedraagt dan 70 dB(A) gemeten op 2 meter afstand van de dichtstbij zijnde gevels van woningen. Tot maximaal 22:00 uur, van 22:00 tot 24:00 uur geldt een norm van 50 dB(A). ▪ Geen extra politiecapaciteit nodig is De burgemeester bevestigt de ontvangst van het kennisgevingsformulier. De burgemeester kan binnen vier weken na ontvangst van het kennisgevingsformulier besluiten het organiseren van een kennisgevingsevenement te verbieden indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De organisator dient aan een toezichthouder op eerste verzoek een ontvangstbevestiging van het kennisgevingsformulier te tonen.
Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het derde lid, er vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde of gevaar bestaat voor de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu, kan de burgemeester het organiseren van een kennisgevingsevenement verbieden.
4. Artikel 74 APV aanpassen om straatoptredens met dieren ontheffingsplichtig te maken In artikel 74 van de APV zijn regels opgenomen over het optreden als straatartiest. In het tweede lid staan de voorwaarden waaronder een straatartiest zonder ontheffing mag optreden. De gemeente ontvangt regelmatig meldingen over straatartiesten die gebruikmaken van dieren. Wij vinden het van belang om van tevoren zorgvuldig te bekijken in hoeverre dergelijke optredens verantwoord zijn uit het oogpunt van de veiligheid en gezondheid van anderen en het voorkomen van overlast. Het gebruik van dieren door een straatartiest kan immers leiden tot gevaarlijke situaties. Verder kan het gebruik van dieren risico’s met zich brengen voor de gezondheid of leiden tot overlast. Het ontheffingsplichtig maken van straatoptredens waarbij dieren worden gebruikt heeft als bijkomend voordeel dat bij de aanvraag tot op zekere hoogte kan worden vastgesteld of de organisator voldoet aan landelijke regelgeving op het gebied van dierenwelzijn. Hoewel handhaving op dierenwelzijn een bevoegdheid
raad 2022_1293 definitief
is van het Rijk, kunnen eventuele zorgen over het welzijn van dieren op die manier vroegtijdig worden gesignaleerd en worden doorgegeven aan de bevoegde instanties (NVWA/dierenpolitie), zodat zij waar nodig handhavend kunnen optreden. Voor de volledigheid moet hierbij worden opgemerkt dat dierenwelzijn op zichzelf geen grond is om de ontheffing te weigeren, omdat dit onderwerp reeds in hogere regelgeving is vastgelegd. Dit ligt anders bij straatoptredens waarbij sprake is van dierenmishandeling. Dergelijke optredens vormen een aantasting van de zedelijkheid en brengen risico’s voor de openbare orde met zich mee (zie ook: ARRvS 08-07-1985, ECLI:NL:RVS:1985:AH0784 met betrekking tot het evenement gansslaan in de toenmalige gemeente Eijsden). Het voorgestelde gewijzigde artikel 74 luidt als volgt: Oude tekst artikel 74 Nieuwe tekst artikel 74 Artikel 74. Artikel 74. Straatartiesten Straatartiesten 1. Het is verboden op een door de burgemeester 1. Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats en tijd als aangewezen openbare plaats en tijd als straatartiest op te treden. straatartiest op te treden. 2. Het is verboden op een andere dan de bij het 2.
Het is verboden op een andere dan de bij het eerste lid aangewezen openbare plaats en tijd eerste lid aangewezen openbare plaats en tijd voor het publiek als straatartiest op te treden voor het publiek als straatartiest op te treden als: als: a. dit optreden plaatsvindt tussen 18.00 uur en a. dit optreden plaatsvindt tussen 18.00 uur 11.00 uur. en 11.00 uur. b. dit optreden langer duurt dan een half uur op b. dit optreden langer duurt dan een half uur dezelfde plaats; op dezelfde plaats; c. dit optreden plaatsvindt in geheel of c. dit optreden plaatsvindt in geheel of gedeeltelijk overdekte ruimten; gedeeltelijk overdekte ruimten; d. tijdens het optreden voorwerpen worden d. tijdens het optreden voorwerpen worden geplaatst waardoor het verkeer wordt geplaatst waardoor het verkeer wordt gehinderd; gehinderd; e. binnen vierentwintig uur meer dan twee keer e. binnen vierentwintig uur meer dan twee binnen een cirkel met een straal van vijftig keer binnen een cirkel met een straal van meter wordt opgetreden; vijftig meter wordt opgetreden. f. bij dit optreden dieren worden gebruikt. f. bij dit optreden dieren worden gebruikt. 3. In afwijking van het tweede lid aanhef en sub a 3. In afwijking van het tweede lid aanhef en sub a geldt het verbod niet op donderdag en vrijdag geldt het verbod niet op donderdag en vrijdag tussen 18.00 uur en 21.00 uur.
Daarnaast geldt tussen 18.00 uur en 21.00 uur. Daarnaast geldt het verbod niet in het horecaconcentratiegebied het verbod niet in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 31, eerste lid, sub c van als bedoeld in artikel 31, eerste lid, sub c van deze deze verordening op zaterdag en zondag tussen verordening op zaterdag en zondag tussen 18.00 18.00 en 21.00. en 21.00. 4. Het verbod uit het tweede lid aanhef en sub b, c 4. Het verbod uit het tweede lid aanhef en sub b, c en e geldt niet als sprake is van individuen of en e geldt niet als sprake is van individuen of groepen van maximaal vijf personen die in stilte groepen van maximaal vijf personen die in stilte of met onversterkt stemgeluid optreden. of met onversterkt stemgeluid optreden. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. het tweede lid gestelde verbod.
8
raad 2022_1293 definitief
9
5. Bijzonder regime incidentele festiviteiten Binnentuin door wijziging artikel 107 en 109 APV en redactionele wijzigingen artikel 109 APV. Binnentuin De horecabedrijven aan de Binnentuin organiseren op hun terras geregeld activiteiten met versterkte muziek. Op deze activiteiten zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. Door de nieuwbouw in de Spoorzone is het niet langer mogelijk om deze buitenactiviteiten binnen de geluidnormen te laten plaatsvinden. Om toch een aantal maal per jaar buitenactiviteiten mogelijk te maken is een vrijstelling van de geluidnormen nodig. In het Koersdocument Spoorzone (vastgesteld door de Raad op 25 maart 2019) is opgenomen om voor 12 dagen ontheffing te verlenen voor de geluidnormen voor activiteiten met versterkte muziek in de Binnentuin. Uitgangspunt hierbij is dat de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer bij de bestaande woningen (zoals de wijk Theresia) niet wordt overschreden. Deze 12 dagen komen naast de bestaande 8 vrijstellingsdagen voor de Spoorzone, zoals opgenomen in artikel 109 lid 6 APV. In de locatiematrix behorende bij het evenementenbeleid is al met deze dagen rekening gehouden. Met deze vrijstelling staan we dus extra geluid toe op de gevels van de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen in de Spoorzone. In de loop van dit jaar wordt het eerste geluidgevoelige gebouw opgeleverd.
Het gaat hier om MindLabs dat aan de Binnentuin grenst. Daarna volgt al snel De Brabander. Vandaar dat aanpassing van de APV nu aan de orde is. Met de drie horecaondernemers aan de Binnentuin is besproken hoe deze 12 vrijstellingsdagen in te zetten. Afgesproken is dat elke exploitant voor vier dagen een kennisgeving mag indienen. Daarbij is het wel mogelijk om bij elkaars activiteiten aan te sluiten. Om een en ander goed vast te leggen in de APV wordt voorgesteld om een nieuw lid 7 toe te voegen aan artikel 109 en om de definitie van het gebied Binnentuin op te nemen in artikel 107. Redactionele wijzigingen Naast de toevoeging van het bijzondere regime voor de Binnentuin wordt voorgesteld om enkele wijzigingen aan te brengen in artikel 109. Het eerste en het tweede lid zouden beter aan kunnen sluiten bij de bepaling uit de model-APV van de VNG. Door de voorgestelde wijzigingen over te nemen wordt duidelijker aangegeven wat er met deze leden bedoeld wordt. Het derde lid moet worden gewijzigd als gevolg van de wijziging in het eerste en het tweede lid. Er wordt voorgesteld om het vierde lid te wijzigen omdat het gebruik van geluidbegrenzers niet meer van deze tijd is en deze dus ook bijna nergens meer aanwezig zijn.
Het voorstel is om aan het vijfde lid toe te voegen dat de geluidnormen uit een evenementenvergunning van toepassing zijn wanneer de incidentele festiviteit een activiteit betreft waarvoor naast een vrijstelling van de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer ook een evenementenvergunning nodig is. Dit is in lijn met het horecabeleid Samen Gastvrij en een verduidelijking van de toepassing van dit artikel. De voorgestelde nieuwe tekst van artikel 107 luidt als volgt: Oude tekst artikel 107 APV Artikel 107. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; b. inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
Nieuwe tekst artikel 107 APV Artikel 107. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; b. inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
raad 2022_1293 definitief
d.
e.
f.
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een of een klein aantal inrichtingen; gebied Binnentuin: de buitenruimte die wordt omsloten door de horeca-inrichtingen aan de Burgemeester Brokxlaan 8-76/77, 8-82/84 en 30, inclusief de bij die horeca-inrichtingen behorende terrassen.
10
d.
e.
f.
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een of een klein aantal inrichtingen; gebied Binnentuin: de buitenruimte die wordt omsloten door de horeca-inrichtingen aan de Burgemeester Brokxlaan 8-76/77, 8-82/84 en 30, inclusief de bij die horeca-inrichtingen behorende terrassen.
De voorgestelde nieuwe tekst van artikel 109 en de toelichting op dit artikel luidt als volgt: Oude tekst + toelichting artikel 109 APV Artikel 109. Aanwijzing incidentele festiviteiten. 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 2 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de waarden geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van een inrichting tenminste vier twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 dagen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden voor sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van een inrichting tenminste vier twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college kan gebieden aanwijzen, waarbinnen de in het eerste en tweede lid bedoelde activiteiten niet door iedere inrichting afzonderlijk mogen worden gehouden, maar slechts door de in het gebied gevestigde ondernemers gezamenlijk. Alsdan geldt voor het gehele gebied een maximum van 2 dagen incidentele festiviteiten per kalenderjaar. 4.
De kennisgeving geschiedt schriftelijk en bevat tenminste de volgende gegevens: naam en adres van de inrichting, datum, tijdstip en aard van de festiviteit, contactpersoon tijdens de activiteit. Inrichtingen waar een geluidsbegrenzer verplicht is, dienen tevens te melden of de geluidsbegrenzer tijdens de festiviteit buiten werking wordt gesteld. 5. Het college kan een incidentele festiviteit verbieden, wanneer er sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder of een
Nieuwe tekst + toelichting artikel 109 APV Artikel 109. Aanwijzing incidentele festiviteiten. 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 2 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van een inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 dagen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden voor sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van een inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college kan gebieden aanwijzen, waarbinnen de in het eerste en tweede lid bedoelde activiteiten niet door iedere inrichting afzonderlijk mogen worden gehouden, maar slechts door de in het gebied gevestigde ondernemers gezamenlijk. Alsdan geldt voor het gehele gebied een maximum van 2 dagen per kalenderjaar. 4. De kennisgeving geschiedt schriftelijk en bevat tenminste de volgende gegevens: naam en adres van de inrichting, datum, tijdstip en aard van de festiviteit, contactpersoon tijdens de activiteit.
5.
Het college kan een incidentele festiviteit verbieden, wanneer er sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder of een
raad 2022_1293 definitief
6.
7.
ontoelaatbare samenloop met festiviteiten die gelijktijdig plaatsvinden, dan wel voorwaarden of beperkingen stellen ter voorkoming van geluidoverlast. Voor incidentele festiviteiten waarvoor een evenementenvergunning is verleend, gelden de voorschriften uit de evenementenvergunning. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel geldt dat in voor het gebied Spoorzone, zoals vastgesteld door de raad en aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart (bijlage 1), op maximaal een maximum van 8 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten mogen plaatsvinden per kalenderjaar, waarbij de waarden geluidnormen als bedoeld in artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn. In aanvulling op het bepaalde in het zesde lid van dit artikel geldt dat in het gebied Binnentuin , in de Spoorzone, op maximaal 12 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten mogen plaatsvinden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn. Hiervoor geldt dat op gevels van de geluidgevoelige bestemmingen aan de Atelierstraat, Lange Nieuwstraat, Spoorlaan, Magazijnstraat en Willem II-straat wel wordt voldaan aan de geluidnormen als bedoeld in artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit.
De ondernemers van de inrichtingen aan de Burgemeester Brokxlaan 30, 8-76 en 8-82 mogen ieder voor maximaal 4 dagen een kennisgeving indienen
Toelichting Eerste lid Het eerste lid komt voort uit 2.21 van het Activiteitenbesluit. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden is, zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest. In het Besluit is het maximum aantal incidentele festiviteiten bepaald op 12. Vooralsnog wordt, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, een aantal van 2 voldoende geacht. Tweede lid Dit lid heeft betrekking op lichthinder en vloeit voort uit voorschrift 4.113 van het Activiteitenbesluit. Voor het overige zie de toelichting bij het eerste lid.
11
6.
7.
ontoelaatbare samenloop met festiviteiten die gelijktijdig plaatsvinden, dan wel voorwaarden of beperkingen stellen ter voorkoming van geluidoverlast. Voor incidentele festiviteiten waarvoor een evenementenvergunning is verleend, gelden de geluidvoorschriften uit de evenementenvergunning. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt dat in het gebied Spoorzone, zoals vastgesteld door de raad en aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart (bijlage 1), op maximaal 8 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten mogen plaatsvinden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn. In aanvulling op het bepaalde in het zesde lid van dit artikel geldt dat in het gebied Binnentuin in de Spoorzone, op maximaal 12 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten mogen plaatsvinden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn. Hiervoor geldt dat op gevels van de geluidgevoelige bestemmingen aan de Atelierstraat, Lange Nieuwstraat, Spoorlaan, Magazijnstraat en Willem II-straat wel wordt voldaan aan de geluidnormen als bedoeld in artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit.
De ondernemers van de inrichtingen aan de Burgemeester Brokxlaan 30, 8-76 en 8-82 mogen ieder voor maximaal 4 dagen een kennisgeving indienen
Toelichting Eerste lid Het eerste lid komt voort uit artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden is, zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest. In het Besluit is het maximum aantal incidentele festiviteiten bepaald op 12. Vooralsnog wordt, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, een aantal van 2 voldoende geacht. Tweede lid Dit lid heeft betrekking op lichthinder en vloeit voort uit artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. Voor het overige zie de toelichting bij het eerste lid.
raad 2022_1293 definitief
Derde lid Op basis van dit lid is het mogelijk te bepalen, dat binnen een bepaald gebied niet iedere inrichting incidenteel ontheffing kan krijgen, maar dat er sprake moet zijn van een gezamenlijke aanvraag, bijvoorbeeld per plein. Bedoeling hiervan is te voorkomen, dat in een gebied, waar veel horecainrichtingen gevestigd zijn, iedere weekend wel ergens de geluidsnormen mogen worden overschreden, met alle overlast van dien. Vierde lid De termijn voor het indienen van een kennisgeving is met name van belang om het college in staat te stellen na te gaan op welke wijze de houder van de inrichting tracht overmatige geluid- of lichthinder te voorkomen. De beoordeling van de wijze waarop de houder van een inrichting overmatige geluid-of lichthinder tracht te voorkomen kan resulteren in het opleggen van nadere eisen. Heeft de houder van de inrichting geen kennisgeving gedaan dan gelden alsnog alle voorschriften uit het Besluit. Niet-naleving van laatstgenoemde voorschriften kan leiden tot bestuursrechtelijk (artikel 18.2 Wet milieubeheer) of strafrechtelijk (artikel 18.18 Wet milieubeheer) optreden. Zevende lid De horecabedrijven aan de Binnentuin organiseren op hun terras geregeld activiteiten met versterkte muziek. Op deze activiteiten zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.
Door de nieuwbouw in de Spoorzone is het niet langer mogelijk om deze buitenactiviteiten binnen de geluidnormen te laten plaatsvinden. Om toch een aantal maal per jaar buitenactiviteiten mogelijk te maken is een vrijstelling van de geluidnormen nodig. In het Koersdocument Spoorzone (vastgesteld door de Raad op 25 maart 2019) is opgenomen om voor 12 dagen ontheffing te verlenen voor de geluidnormen voor activiteiten met versterkte muziek in de Binnentuin. Uitgangspunt hierbij is dat de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer bij de bestaande woningen (zoals de wijk Theresia) niet wordt overschreden. Deze 12 dagen komen naast de bestaande 8 vrijstellingsdagen voor de Spoorzone, zoals opgenomen in lid 6. In de locatiematrix behorende bij het evenementenbeleid is al met deze dagen rekening gehouden. Met de drie horecaondernemers aan de Binnentuin is besproken hoe deze 12 vrijstellingsdagen in te zetten. Afgesproken is dat elke exploitant voor vier dagen een kennisgeving mag indienen. Daarbij is het wel mogelijk om bij elkaars activiteiten aan te sluiten.
12
Derde lid Op basis van dit lid is het mogelijk te bepalen, dat binnen een bepaald gebied niet iedere inrichting incidenteel ontheffing kan krijgen, maar dat er sprake moet zijn van een gezamenlijke aanvraag, bijvoorbeeld per plein. Bedoeling hiervan is te voorkomen, dat in een gebied, waar veel horecainrichtingen gevestigd zijn, iedere weekend wel ergens de geluidsnormen mogen worden overschreden, met alle overlast van dien. Vierde lid De termijn voor het indienen van een kennisgeving is met name van belang om het college in staat te stellen na te gaan op welke wijze de houder van de inrichting tracht overmatige geluid- of lichthinder te voorkomen. De beoordeling van de wijze waarop de houder van een inrichting overmatige geluid-of lichthinder tracht te voorkomen kan resulteren in het opleggen van nadere eisen. Heeft de houder van de inrichting geen kennisgeving gedaan dan gelden alsnog alle voorschriften uit het Besluit. Niet-naleving van laatstgenoemde voorschriften kan leiden tot bestuursrechtelijk (artikel 18.2 Wet milieubeheer) of strafrechtelijk (artikel 18.18 Wet milieubeheer) optreden. Zevende lid De horecabedrijven aan de Binnentuin organiseren op hun terras geregeld activiteiten met versterkte muziek. Op deze activiteiten zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.
Door de nieuwbouw in de Spoorzone is het niet langer mogelijk om deze buitenactiviteiten binnen de geluidnormen te laten plaatsvinden. Om toch een aantal maal per jaar buitenactiviteiten mogelijk te maken is een vrijstelling van de geluidnormen nodig. In het Koersdocument Spoorzone (vastgesteld door de Raad op 25 maart 2019) is opgenomen om voor 12 dagen ontheffing te verlenen voor de geluidnormen voor activiteiten met versterkte muziek in de Binnentuin. Uitgangspunt hierbij is dat de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer bij de bestaande woningen (zoals de wijk Theresia) niet wordt overschreden. Deze 12 dagen komen naast de bestaande 8 vrijstellingsdagen voor de Spoorzone, zoals opgenomen in lid 6. In de locatiematrix behorende bij het evenementenbeleid is al met deze dagen rekening gehouden. Met de drie horecaondernemers aan de Binnentuin is besproken hoe deze 12 vrijstellingsdagen in te zetten. Afgesproken is dat elke exploitant voor vier dagen een kennisgeving mag indienen. Daarbij is het wel mogelijk om bij elkaars activiteiten aan te sluiten.
raad 2022_1293 definitief
13
6. Aanpassen artikel 116 APV in verband met het vergunningplichtig maken van het aanbieden van deelauto's. Het delen van vervoersmiddelen is een ontwikkeling die sterk in opkomst is. Bij het delen van vervoersmiddelen gaat het om een verschuiving van bezit naar gebruik. Als Gemeente Tilburg willen we met de aanzienlijke groei van elektrische deelmobiliteit meebewegen. We moeten daarbij bewerkstelligen dat deelmobiliteit een juiste plek in de stad krijgt. In ons huidige stedelijke mobiliteitssysteem is de auto nog dominant. In hoeverre past dit straks nog bij onze ambities op het gebied van duurzaamheid, bereikbaarheid, leefbaarheid en verdichting? Het steeds voller worden van onze stad is een grote opgave. Gezien deze verdichtingsopgave is streven naar minder autodominantie in de binnenstad onvermijdelijk. Met deelmobiliteit als alternatief voor autobezit wordt een verdere stedelijke ontwikkeling mogelijk. Deelmobiliteit is daarom één van de sporen waarmee we ontwikkelingen als die van het Stadsforum mogelijk maken. Terwijl wij gefocust zijn op de toekomst en plannen maken hoe we als gemeente regie houden op deelmobiliteit in de (binnen)stad, staan (nieuwe) aanbieders van deelmobiliteit - geïnteresseerd om in Tilburg hun producten en diensten uit te rollen – nu al voor de deur of exploiteren ze zelfs al in onze stad.
Tegelijkertijd is de openbare ruimte in de stad schaars, met name in de binnenstad. De gemeente wil grip houden op het gebruik van deze ruimte en orde en veiligheid hierin handhaven. Het doel van deelmobiliteit is om een hoogwaardig en betaalbaar aanbod te realiseren dat bijdraagt aan een vitale, duurzame en inclusieve stad. Bij het bepalen van het juridisch kader zijn de volgende richtinggevende keuzes gemaakt: - Tilburg staat open voor nieuwe ideeën en faciliteert de inzet van verschillende vormen van deelmobiliteit in de stad. Het college houdt daarbij regie op de uitrol, kwaliteit en ordening. - Tilburg stimuleert duurzame (deel-)mobiliteit en geeft daarbij prioriteit aan actieve modaliteiten. - Tilburg stimuleert emissieloze verplaatsingen en realiseert zich dat elektrische deelmobiliteit daarin een belangrijke rol kan spelen. - Tilburg werkt aan een stadsbreed netwerk van deelmobiliteit waarbij we op basis van kennis en ervaring regie houden op vraag en aanbod, zodat efficiënt omgegaan wordt met de openbare ruimte. - Deelmobiliteit moet zichtbaar en herkenbaar zijn en tevens toegankelijk voor iedereen. Met het toevoegen van personenauto’s aan het vergunning-/ontheffingsstelsel in artikel 117a van de APV kunnen de volgende doelen worden gerealiseerd: 1.
Het stimuleren van het aanbod van deelmobiliteit om onze mobiliteitsdoelen (Mobiliteitsagenda 2020) en klimaatdoelen voor de stad te bereiken, door het creëren van duidelijke voorwaarden die voor alle aanbieders van deelmobiliteit gelijk zijn (fair level playing field). 2. Het voorkomen van overlast en afbreuk aan het uiterlijke aanzien van de openbare ruimte alsmede het voorkomen van nadelige beïnvloeding van het milieu en de verkeersveiligheid. Door goede voorwaarden te stellen aan het aanbod en exploitatie van deelmobiliteit kunnen we daarnaast de zichtbaarheid, herkenbaarheid en toegankelijkheid voor de gebruikers van deelmobiliteit in de stad beter organiseren. 3. De mogelijkheid om in te grijpen als de afspraken niet worden nageleefd. De juridische mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken bieden een goed instrumentarium om ongewenste situaties te voorkomen of te beëindigen. Het is nog onduidelijk hoe deelmobiliteit zich gaat ontwikkelen, maar ervaringen in andere steden laten zien dat een dergelijk instrument om in te kunnen grijpen noodzakelijk is. 4. Deelmobiliteit genereert data. Middels deze data verkrijgen we inzicht in het gebruik, zo kunnen we deelmobiliteit toekomstbestendig maken. Het vergunning- en ontheffingsstelsel voor aanbieders van deelvoertuigen is een vergunningstelsel als bedoeld in de Dienstenrichtlijn.
Dit vergunningstelsel kan gerechtvaardigd worden op grond van de volgende dwingende redenen van algemeen belang: • de veiligheid van de gebruikers, de verkeersveiligheid en de vlotte doorstroming van het verkeer; • het voorkomen van hinder voor het woon- of leefklimaat;
raad 2022_1293 definitief
14
• het voorkomen van een nadelige beïnvloeding van het milieu; • het voorkomen van een onevenredig beslag van de deelvoertuigen op de openbare ruimte; • het voorkomen van afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte; Het vergunningstelsel is non-discriminatoir, nu de vergunningplicht geldt voor alle aanbieders van deelvoertuigen. Ook is het vergunningstelsel evenredig met het oog op de dwingende redenen van algemeen belang. Het voorgestelde gewijzigde artikel 116 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 116 APV Artikel 116. Begripsomschrijvingen. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: 1. treinen en trams; 2. fietsen en bromfietsen; 3. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; 4. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen; c. deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van personenauto's, die op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, al dan niet tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of een of meerdere aanbieder(s).
Nieuwe tekst artikel 116 APV Artikel 116. Begripsomschrijvingen. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: 1. treinen en trams; 2. fietsen en bromfietsen; 3. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; 4. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen; c. deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, al dan niet tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of een of meerdere aanbieder(s).
Tilburg, 11 april 2022 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, de secretaris, de burgemeester,
raad 2022_1293 definitief
15
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 149 Gemeentewet;
Besluit de volgende verordening vast te stellen:
Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2022.1 Artikel I De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 2 en de toelichting daarop komt te luiden: Artikel 2. Weigeringsgronden. 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan tien weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Toelichting Lid 1: De weigeringsgronden zijn algemeen geformuleerd. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. Deze kunnen wel vallen onder: - Overlast: Vanouds is de APV een openbare orde- en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over ‘overlast’. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving of het milieu.
Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder en overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. - Verkeersveiligheid: De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.
raad 2022_1293 definitief
16
- Veiligheid van personen en gezondheid: Deze gronden waarop voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt. - Zedelijkheid: Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip ‘openbare orde’, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41 bij de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Over het belang van dierenwelzijn als aparte weigeringsgrond heeft de Afdeling beslist dat deze in strijd is met hogere regelgeving. Met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in samenhang met de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften is beoogd het dierenwelzijn uitputtend te regelen (ABRvS 26-08-2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6075). Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect hebben. Lid 2: De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd.
In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Artikel 2 APV biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan tien weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. B. De titel van hoofdstuk 2 komt te luiden: Hoofdstuk 2.