01 Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2024_1
Tekst van het document
Nieuwe tekst artikel 114a APV Artikel 114a. Omgevingsvergunning reclame op of aan onroerende zaken 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een openbare plaats.
raad 2024_1548 definitief
2.
Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van ernstige hinder voor de omgeving. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: a. op reclames die zich bevinden in welstandsvrije gebieden (niveau 3) als bedoeld in de welstandsnota. b. op reclames die blijkens de welstandsnota welstandsvrij zijn. c. op reclames waarmee een raam wordt afgeplakt, mits deze niet meer dan 30 procent van het raamoppervlak bestrijken en deze reclames een directe relatie hebben met het gebruik van het pand; d. opschriften en aankondigingen op door het college aangewezen zuilen, borden, muren of andere constructies. e. voor zover een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1 in samenhang met 4.4, tweede lid van de Omgevingswet benodigd is. f. op het ophangen van een vlag in een vlaggenhouder, als deze vlag onderdeel is van een door het college goedgekeurde collectieve aanpak van ondernemers in een gebied. Het college moet voorafgaand aan goedkeuring voor een collectieve aanpak advies vragen aan de Omgevingscommissie.
17/26
2.
Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van ernstige hinder voor de omgeving. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: a. op reclames die zich bevinden in welstandsvrije gebieden (niveau 3) als bedoeld in de welstandsnota. b. op reclames die blijkens de welstandsnota welstandsvrij zijn. c. op reclames waarmee een raam wordt afgeplakt, mits deze niet meer dan 30 procent van het raamoppervlak bestrijken en deze reclames een directe relatie hebben met het gebruik van het pand; d. opschriften en aankondigingen op door het college aangewezen zuilen, borden, muren of andere constructies. e. voor zover een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1 in samenhang met 4.4, tweede lid van de Omgevingswet benodigd is. f. op het ophangen van een vlag in een vlaggenhouder, als deze vlag onderdeel is van een door het college goedgekeurde collectieve aanpak van ondernemers in een gebied. Het college moet voorafgaand aan goedkeuring voor een collectieve aanpak advies vragen aan de Omgevingscommissie.
9. Een verbod opnemen om voertuigen langer dan 56 dagen op dezelfde plek stil te laten staan Het komt met regelmaat voor dat op de openbare weg voertuigen worden achtergelaten. De eigenaar blijkt dan vertrokken of onvindbaar te zijn. Het gaat vaak om personenauto’s met een buitenlands kenteken of om auto’s van arbeidsmigranten die voor de tijd dat zij in Nederland verbleven een voertuig met Nederlands kenteken hadden. Het enkele feit dat een voertuig op de weg staat, levert nog geen strafbaar feit op. Deze achtergelaten voertuigen zijn echter wel een bron van overlast. Zij houden de parkeervoorzieningen in woonwijken bezet en dat tast de bruikbaarheid van de weg aan. Op dit moment moet afgewacht worden totdat een auto defect raakt of een voertuigwrak wordt (artikelen 118 en 119 lid 1 APV Tilburg) voordat er een mogelijkheid ontstaat om handhavend op te treden door middel van een last onder bestuursdwang. In de periode van 1 oktober 2023 tot 1 maart 2024 heeft team Stadstoezicht de meldingen bijgehouden van voertuigen die waren achtergelaten in de openbare ruimte, die verwijderd hadden moeten worden, maar die niet vallen onder een verbodsbepaling. In deze relatief korte periode van vijf maanden zijn 49 voertuigen verspreid over Tilburg gemeld (zie voor een overzicht bijlage 1). Er is een behoefte om de overlast eerder ongedaan te maken en de leefbaarheid te kunnen herstellen.
Om een oplossing te bieden voor het probleem wordt voorgesteld om een nieuw artikel 119a op te nemen waarin het stil laten staan van een voertuig voor een periode langer dan 56 dagen wordt verboden. Naar verwachting kan met de invoering van deze APV-bepaling daadkrachtig op de problematiek worden gehandhaafd.
raad 2024_1548 definitief
18/26
Zelfs als een inwoner een voertuig langere tijd niet gebruikt, bijvoorbeeld bij ziekte of een lange vakantie, is de termijn van acht weken lang en als redelijk te beschouwen. Bovendien is er geen groot risico dat een te goeder trouwe inwoner die zijn auto langdurig bij zijn woning zou parkeren direct getroffen wordt met een verwijdering van zijn voertuig. Van een spoedeisend geval als bedoeld in artikel 5:31 Awb is, louter door het verstrijken van een termijn van zesenvijftig dagen, namelijk geen sprake. Voor het opleggen van een last onder bestuursdwang wordt eerst de gelegenheid geboden om een zienswijze in te dienen, zoals voorgeschreven in artikel 4:8, eerste lid, Awb, waardoor men tijdig geïnformeerd wordt. Daarnaast is het college voornemens door middel van beleidsregels aan te geven hoe invulling wordt gegeven aan de toepassing van deze bevoegdheid en daarbij een prioritering aan te brengen ten aanzien van de handhaving op het verbod. Het voorgestelde artikel is niet in strijd met hetgeen bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) is vastgesteld. Op grond van artikel 2a WVW 1994, in samenhang gelezen met artikel 127 van de Grondwet en artikel 149 van de Gemeentewet, is de raad bevoegd om het APV-artikel vast te stellen. Het verbod geldt niet in gebieden met betaald parkeren.
Op grond van artikel 225, tweede lid, Gemeentewet kan namelijk geen parkeerbelasting worden geheven als het doen of laten staan van het voertuig al bij wettelijk voorschrift (zoals de APV) is verboden. Met het tweede lid wordt voorrang gegeven aan de parkeerregulering. Opgemerkt wordt dat de parkeerregulering ook de mogelijkheid kent om een voertuig te verwijderen. Op grond van artikel 235, vijfde lid, van de Gemeentewet in samenhang gelezen met artikel 9 van de verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2024 bestaat de mogelijkheid om, achtenveertig uur na het aanbrengen van een wielklem, een voertuig te verwijderen. Het derde lid van het APV-artikel maakt duidelijk dat meer specifieke artikelen voorrang krijgen. Het voorgestelde nieuwe artikel 119a APV luidt als volgt: Nieuw artikel en toelichting 119a APV Artikel 119a Weesvoertuigen 1. 2.
3.
Het is verboden om een voertuig langer dan zesenvijftig dagen op de weg stil te laten staan. Het eerste lid is niet van toepassing op die plaatsen waar een belasting als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Gemeentewet wordt geheven. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de overige artikelen van deze afdeling.
Toelichting Het komt voor dat er overlast wordt ondervonden van achtergelaten voertuigen. Met de verbodsbepaling uit het eerste lid wordt de doorstroming van voertuigen, ter waarborging van de parkeercapaciteit en de bruikbaarheid van de weg, beoogd. Het college is bevoegd nadere regels vast te stellen over de handhaving van dit verbod. Op grond van artikel 225, tweede lid, Gemeentewet kan geen belasting in het kader van de parkeerregulering worden geheven, als het doen of
raad 2024_1548 definitief
19/26
laten staan van het voertuig al bij wettelijk voorschrift is verboden. Met het tweede lid wordt voorrang gegeven aan de parkeerregulering. Hiermee worden situaties voorkomen waarin zowel het verbod van het eerste lid wordt overtreden als, daarmee onverenigbaar, parkeerbelasting wordt geheven. Het derde lid geeft voorrang aan de andere parkeerexcessen uit de APV.
Kanttekeningen en gewogen alternatieven Nvt
Niet beïnvloedbare risico’s Nvt
Kosten en dekking Nvt
Uitvoering Nvt
Participatie Nvt
Communicatie Het raadsbesluit wordt bekend gemaakt in het Gemeenteblad op overheid.nl. en de door de raad vastgestelde wijzigingen van de APV worden verwerkt in de geconsolideerde versie van de APV, ook te vinden op overheid.nl.
Evaluatie Nvt
Bijlagen 1.
Cijfers ruimen weesfietsen en meldingen weesvoertuigen
Ter inzage gelegde stukken Geen.
Tilburg, 19 maart 2024 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, de secretaris,
de burgemeester,
raad 2024_1548 definitief
20/26
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 149 Gemeentewet;
Besluit de volgende verordening vast te stellen:
Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2024.1 Artikel I De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 13 en de toelichting daarop komt te luiden: Artikel 13. Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg. 1.
2.
3.
4. 5.
Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; c. voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor bewoning; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. staanplaatsen als bedoeld in de Staanplaatsenverordening; f. evenementen als bedoeld in artikel 25. g. civieltechnische werkzaamheden, die in opdracht van de gemeente in openbaar gebied worden verricht.
Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
raad 2024_1548 definitief
21/26
c.
in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor : a. bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m². b. zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen. c. reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden geplaatst. d. automaten. e. verplaatsbare voorwerpen, die beogen weggebruikers te attenderen op gewenst verkeersgedrag. f. het aanleggen van geveltuintjes en/of het beplanten van boomspiegels, het plaatsen van een gevelbankje voor een woning. g. de plaatsing van gedenktekens. 7. De in het zesde lid onder g. bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het achtste lid van dit artikel beschreven belangen. 8. Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve van de in het zesde lid onder a.,b.,c.,d., e. of f. bedoelde zaken: a.
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c. het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het oog op de onder a) en b) genoemde belangen vastgestelde algemene regels. 9. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 10. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een terrasvergunning. 11. De in het tiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is. Toelichting In het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester en wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een exploitant van een horeca-inrichting vergunning te verlenen om de weg of een weggedeelte als terras te mogen gebruiken.
Dit houdt verband met het feit dat in artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Op grond van lid 8 kan een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de APV-vergunning. Voor de in het zesde lid onder a.,b., c.,d.,e. en f. genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen, die gevaar oplevert etc. Het college heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om voor een aantal van de in het zesde lid opgesomde activiteiten algemene regels te stellen. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom. Het aanbrengen van reclameborden op of aan een onroerende zaak is geregeld in artikel 114 en artikel 114a APV (zie aldaar). Artikel 114a schept een vergunningplicht voor bijvoorbeeld reclame-uitingen aan de gevel, op het dak van een pand of op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare weg.
raad 2024_1548 definitief
22/26
Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen die zijn aangewezen als rijksmonument of gemeentelijk monument en voor schermen aan andere dan woongebouwen op grond van de Omgevingswet wel een omgevingsvergunning vereist blijft. Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande pinautomaten. B. Artikel 46 komt te luiden: Artikel 46. Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: -
Slijtersbedrijf Slijtlokaliteit
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet. C.
Artikel 47 komt te luiden: Artikel 47. Proeverijen in slijtlokaliteiten Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit, met dien verstande dat: a. proeverijen plaatsvinden buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit regulier is opengesteld, met inachtneming van het gestelde bij of krachtens de Winkeltijdenwet; b. proeverijen voldoen aan de in het Alcoholbesluit voor proeverijen gestelde eisen; c. de eigenaar of leidinggevende van de slijtlokaliteit uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de proeverij daarvan een melding heeft gedaan via het daartoe beschikbaar gestelde digitale formulier; d. per slijtlokaliteit maximaal twaalf proeverijen per jaar plaatsvinden; e. per proeverij maximaal 25 deelnemers zijn.
D. Artikel 64a komt te luiden: Artikel 64a Niet afgesloten voertuigen Vervallen. E.
Artikel 67 en de toelichting daarop komt te luiden: Artikel 67. Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Toelichting Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is
raad 2024_1548 definitief
23/26
het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft. Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid Artikel 67 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In de praktijk gaat het met name om harddrugs. In het artikel wordt evenwel gesproken over middelen uit lijst 2 en 3 van de Opiumwet, dus zowel hard- als softdrugs en ‘daarop gelijkende waar’. Bij ‘daarop gelijkende waar’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt, maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (‘drugsrunners’) strafbaar gesteld. Het ‘kennelijke doel’ kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, enzovoorts. Jurisprudentie HR 17-11-1992, ECLI:NL:PHR:1992:AD1779, NJ 1993, 409.
Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan strafbaar gesteld in de Opiumwet. Ook de klacht dat de bepaling onverbindend is wegens te grote onbepaaldheid faalt, aangezien de bepaling — ook voor zover zij melding maakt van 'daarop gelijkende waar', waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan — voldoende duidelijk maakt welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld. F.
Artikel 69a komt te luiden: Artikel 69a Openlijk drugsgebruik 1. Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. 2. Het is verboden op of aan de weg of op een ander voor het publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in artikel 3 Opiumwet te gebruiken, indien dit gepaard gaat met gedragingen, die de openbare orde verstoren dan wel anderszins overlast veroorzaken. 3. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet te gebruiken.
G. Artikel 76 komt te luiden: Artikel 76 Neerzetten van fietsen en dergelijke. 1.
2.
3.
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan, indien daarmee hinder of gevaar voor het verkeer ontstaat of als daardoor anderszins overlast veroorzaakt kan worden. Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud zijn of die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan.
raad 2024_1548 definitief
4.
5.
24/26
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen of voor een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Het is verboden om een fiets langer dan op achtentwintig achtereenvolgende dagen op de weg te laten staan.
H. Artikel 114a komt te luiden: Artikel 114a. Omgevingsvergunning reclame op of aan onroerende zaken 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een openbare plaats. 2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van ernstige hinder voor de omgeving. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: a. op reclames die zich bevinden in welstandsvrije gebieden (niveau 3) als bedoeld in de welstandsnota. b. op reclames die blijkens de welstandsnota welstandsvrij zijn. c. op reclames waarmee een raam wordt afgeplakt, mits deze niet meer dan 30 procent van het raamoppervlak bestrijken en deze reclames een directe relatie hebben met het gebruik van het pand; d. opschriften en aankondigingen op door het college aangewezen zuilen, borden, muren of andere constructies. e. voor zover een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1 in samenhang met 4.4, tweede lid van de Omgevingswet benodigd is. f.
op het ophangen van een vlag in een vlaggenhouder, als deze vlag onderdeel is van een door het college goedgekeurde collectieve aanpak van ondernemers in een gebied. Het college moet voorafgaand aan goedkeuring voor een collectieve aanpak advies vragen aan de Omgevingscommissie. I.
Artikel 119a en de toelichting daarop komt te luiden: Artikel 119a Weesvoertuigen 1. Het is verboden om een voertuig langer dan zesenvijftig dagen op de weg stil te laten staan. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op die plaatsen waar een belasting als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Gemeentewet wordt geheven. 3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de overige artikelen van deze afdeling. Toelichting Het komt voor dat er overlast wordt ondervonden van achtergelaten voertuigen. Met de verbodsbepaling uit het eerste lid wordt de doorstroming van voertuigen, ter waarborging van de parkeercapaciteit en de bruikbaarheid van de weg, beoogd. Het college is bevoegd nadere regels vast te stellen over de handhaving van dit verbod.
raad 2024_1548 definitief
25/26
Op grond van artikel 225, tweede lid, Gemeentewet kan geen belasting in het kader van de parkeerregulering worden geheven, als het doen of laten staan van het voertuig al bij wettelijk voorschrift is verboden. Met het tweede lid wordt voorrang gegeven aan de parkeerregulering. Hiermee worden situaties voorkomen waarin zowel het verbod van het eerste lid wordt overtreden als, daarmee onverenigbaar, parkeerbelasting wordt geheven. Het derde lid geeft voorrang aan de andere parkeerexcessen uit de APV. Artikel II Deze verordening treedt in werking daags na haar bekendmaking.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 april 2024, de griffier,
voorzitter,