CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2024_1

Raadsvergadering 11 april 2024, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2024.113.639 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Voorblad Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2024.1 Datum college: Portefeuillehouder: Afdeling: Behandelend ambtenaar:

19 maart 2024 Burgemeester Juridische Zaken G. Dellevoet en M. van Gansen

Samenvatting Er bestaat aanleiding tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna APV). De voorstellen hiertoe worden verzameld en periodiek aan de raad voorgelegd. In dit raadsvoorstel wordt de eerste wijziging van de APV van 2024 aan de raad voorgelegd. Er zal dit jaar nog één raadsvoorstel tot wijziging van de APV volgen.

Collegebesluit Het college stelt de raad voor de bijgevoegde Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2024.1 vast te stellen, met de volgende wijzigingen voor de APV: 1. Artikel 13 en de toelichting daarop wijzigen; 2. Een nieuw artikel 46 toevoegen; 3. Een nieuw artikel 47 toevoegen; 4. Artikel 64a laten vervallen; 5. Artikel 67 en de toelichting daarop wijzigen; 6. Artikel 69a wijzigen; 7. Artikel 76 wijzigen; 8. Artikel 114a wijzigen; 9. Een nieuw artikel 119a met toelichting toevoegen.

raad 2024_1548 definitief

1/26

Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2024.1 Aanleiding Er bestaat aanleiding tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna APV). De voorstellen hiertoe worden verzameld en periodiek aan de raad voorgelegd. In dit raadsvoorstel wordt de eerste wijziging van de APV van 2024 aan de raad voorgelegd. Er zal dit jaar nog één raadsvoorstel tot wijziging van de APV volgen. In de afgelopen periode hebben er diverse bijeenkomsten plaatsgevonden met de raad waarin is gesproken over de APV. Informatiebijeenkomst raad 18 oktober 2021 Tijdens een informatiebijeenkomst over de voorgestelde wijzigingen van de APV op 18 oktober 2021 zijn vragen gesteld over wat onze APV eigenlijk zou moeten regelen. M.a.w. wat voor een APV willen wij in onze gemeente? Tijdens de gemeenteraadsvergadering van maandag 15 november 2021 is tijdens de behandeling van het raadsvoorstel door de VVD Tilburg een vraag gesteld over het voeren van het goede gesprek hierover. De burgemeester gaf aan hiervoor open te staan en ook andere partijen hadden reeds aangegeven dit gesprek te willen voeren. Om die reden werd voorgesteld een informatiebijeenkomst te houden over de vraag “Wat voor APV-gemeente willen wij zijn?”. De reguliere wijzigingen van de APV werden aangehouden tot na deze informatiebijeenkomst. In 2022 heeft daarom maar één wijziging van de APV plaatsgevonden.

Deze wijziging bevatte enkel onderwerpen die geen uitstel konden verdragen. Informatiebijeenkomst raad 6 maart 2023 Op 6 maart 2023 vond de informatiebijeenkomst plaats. Naar aanleiding van een presentatie over de kenmerken van de APV is een vragenronde gehouden bij de aanwezige fracties. Deze vragen werden beantwoord door medewerkers van Juridische Zaken en Handhaving. Er bleef onvoldoende tijd over om gedachtebepalend te spreken over de stelling 'Welke APV-gemeente willen we zijn.' Er is daarom afgesproken om voorafgaand aan het moment dat enkele artikelen uit de APV ontvlecht worden (richting Omgevingswet) een nieuw moment in te plannen met de raad om over de stelling inhoudelijk verder te spreken. Daarnaast is afgesproken dat de reguliere wijzigingen van de APV weer opgepakt worden. Informatiebijeenkomst 11 september 2023 Op 11 september 2023 vond een informatiebijeenkomst plaats over de tweede wijziging van de APV in 2023. Tijdens deze bijeenkomst werd door de raad aangegeven dat er grote behoefte bestaat om te spreken over de stelling 'Welke APV-gemeente willen we zijn?' en verzocht hierover in 2023 nog een debatbijeenkomst in te plannen. Deze debatbijeenkomst vond plaats op 13 november 2023.

Opbrengst debatbijeenkomst 13 november 2023 Aan de hand van drie debatvragen is er op 13 november 2023 door de raad gediscussieerd met de woordvoerders Openbare orde en veiligheid over de APV en meer in het bijzonder over hoe de raad de APV wil benutten. De drie debatvragen waren: - Niet-handhaafbare onderwerpen horen niet in de APV te staan. - APV-onderwerpen waarop niet wordt gehandhaafd hebben nut. - Onderwerpen die in andere wet- en regelgeving geregeld kunnen worden (of zijn) horen niet in de APV. Een korte samenvatting van deze discussie is vastgelegd in een verslag dat van deze debatbijeenkomst is gemaakt. De in dit verslag opgenomen rode lijnen zullen mede als leidraad fungeren voor toekomstige wijzigingen van de APV.

raad 2024_1548 definitief

2/26

De APV en de Omgevingswet De APV bevat regels over de fysieke leefomgeving. Deze regels zullen, als gevolg van de Omgevingswet, uit de APV moeten worden gelicht en worden opgenomen in het toekomstige Omgevingsplan van de gemeente Tilburg. Dit geldt voor meerdere verordeningen die regels bevatten ten aanzien van de fysieke leefomgeving. De omzetting/overheveling van deze verordeningen naar het Omgevingsplan maakt onderdeel uit van het programma Omgevingswet. Op dit moment wordt binnen dit programma gewerkt aan de zogenaamde Roadmap Omgevingsplan Tilburg waarin een plan van aanpak wordt opgenomen voor het realiseren van de transitie van een tijdelijk omgevingsplan (m.i.v. 1-1-2024) naar een volledig omgevingsplan (uiterlijk 31-122031). De aanpak en de planning ten aanzien van de diverse verordeningen die in het Omgevingsplan moeten worden opgenomen is onderdeel van deze roadmap. Een voorstel tot ontvlechting van de APV wordt aan de raad voorgelegd zodra deze stap volgens de genoemde roadmap kan worden genomen in het proces om te komen tot een Omgevingsplan. Deze ontvlechting is een logisch moment om het gesprek met de raad over de vraag ‘Welke APV-gemeente willen we zijn?’ verder op inhoud te voeren.

Raadsvoorstel tot vaststelling van de eerste wijziging van de APV in 2024 Bij de in dit raadsvoorstel opgenomen wijzigingen gaat het om de wijziging van 5 artikelen en/of de toelichting op deze artikelen, het toevoegen van 3 nieuwe artikelen en het laten vervallen van 1 artikel. De adviezen van de VNG ten aanzien van wijzigingen van de APV zijn hier ook bij betrokken en worden indien van toepassing overgenomen. Het betreft de volgende onderwerpen. Gebruik van de weg voor kleine bouwactiviteiten reguleren door stellen van algemene regels in plaats van meldplicht De huidige meldplicht uit artikel 13 lid 7 van de APV voor kortdurende bouwactiviteiten waarvoor maximaal 15m² van de (openbare) weg moet worden gebruikt, voor bijvoorbeeld het plaatsen van een bouwcontainer, een steiger, bouwmaterialen etc., blijkt geen impact te hebben op de regievoering op het gebruik van de openbare ruimte. De meldingen worden niet gebruikt om voorgenomen activiteiten te verbieden en deze activiteiten leiden niet tot substantiële problemen voor de verkeersveiligheid of de bereikbaarheid (incidenten daargelaten). Voorgesteld wordt daarom om de meldplicht voor het gebruik van de weg voor kleine bouwactiviteiten te laten vervallen en deze activiteiten te reguleren via door het college vastgestelde algemene regels.

Hiermee zorgen we voor deregulering, aangezien burgers/aannemers voor deze kleine, kortdurende plaatsing van bouwgerelateerde objecten geen melding meer hoeven te doen, zolang ze maar voldoen aan de algemene regels. Voorgesteld wordt om artikel 13 van de APV en de toelichting daarop aan te passen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 4. Een definitie van de termen slijtersbedrijf en slijtlokaliteit opnemen In verband met het opnemen van een nieuw artikel 47, waarmee het onder voorwaarden wordt toegestaan om betaalde proeverijen in slijtersbedrijven te organiseren, wordt voorgesteld om in het eveneens nieuwe artikel 46 een definitie van “slijtersbedrijf” en “slijtlokaliteit” op te nemen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 9. Mogelijk maken om betaalde proeverijen in slijterijen te organiseren Op 14 juli 2023 ontving de gemeente van een slijtersbedrijf een verzoek om een algemene vrijstelling voor betaalde proeverijen in slijterijen toe te staan, conform artikel 25e van de Alcoholwet. In dit artikel is geregeld dat gemeenten bij verordening betaalde proeverijen in slijtersbedrijven kunnen toestaan buiten de openingstijden van het slijtersbedrijf. In de APV van de gemeente Tilburg is nog geen artikel opgenomen waarmee betaalde proeverijen kunnen worden toegestaan.

Voorgesteld wordt om het organiseren van proeverijen onder voorwaarden mogelijk te maken door een nieuw artikel 47 op te nemen in de APV. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 9.

raad 2024_1548 definitief

3/26

Het verbod om niet deugdelijk afgesloten voertuigen en voertuigen die niet onder behoorlijk toezicht staan op of aan de weg te laten staan laten vervallen In artikel 64a van de APV is een verbod opgenomen om voertuigen op de weg te laten staan die niet afgesloten zijn of niet onder behoorlijk toezicht staan. In de praktijk wordt dit artikel alleen gebruikt voor situaties waarin een voertuig langere tijd wordt achtergelaten. De formulering van het artikel maakt dat het verbod in die situaties maar beperkt toegepast kan worden. Met het opnemen van een verbod om voertuigen langer dan 56 dagen op dezelfde plek te laten staan (zie verderop in dit voorstel) heeft het huidige artikel 64a geen toegevoegde waarde meer. Voorgesteld wordt om dit artikel te laten vervallen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 11. Het verbod om op straat in drugs te handelen aanpassen aan de model-APV In artikel 67 van de APV is een verbod opgenomen om op straat in drugs te handelen. De formulering van deze bepaling is ingewikkelder dan het standaardartikel uit de model-APV. De burgemeester moet namelijk per geval aannemelijk maken dat de betrokkene op of aan de weg post heeft gevat, zich daar heen en weer heeft bewogen, zich op of aan wegen in of op een voertuig heeft bevonden of met dat voertuig heen en weer of rond heeft gereden, met het kennelijke doel om – kort gezegd – in drugs te handelen.

Dit bemoeilijkt een effectieve handhaving. Voorgesteld wordt om dit artikel aan te passen aan de model-APV. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 12. Het verbod om openlijk drugs te gebruiken gedeeltelijk aanpassen aan de model-APV In artikel 69a is ter voorkoming van overlast een verbod op het openlijk gebruiken van drugs opgenomen. Dit artikel heeft tot doel om drugsoverlast in de stad terug te dringen en de openbare orde te handhaven. De Tilburgse APV-bepaling komt niet overeen met de model-APV, waardoor de bepaling niet goed aansluit op de feitcodes die het Openbaar Ministerie hanteert. Hierdoor wordt strafrechtelijke handhaving door de politie bemoeilijkt. Voorgesteld wordt om de bepaling gedeeltelijk aan te passen aan de modelbepaling van de VNG en een verschrijving in de titel van het artikel te herstellen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 14. Een verbod opnemen om fietsen langer dan 28 dagen op dezelfde plek te laten staan Het komt veelvuldig voor dat fietsen langdurig achtergelaten worden in de openbare ruimte. Het gaat dan om fietsen die conform de regelgeving op de weg zijn geplaatst. Deze fietsen kunnen, doordat ze langdurig blijven staan, overlast of gevaar veroorzaken. Ten eerste trekken fietsen ook andere fietsen aan, waardoor na verloop van tijd een ongestructureerd cluster aan fietsen ontstaat.

Trottoirs en voetpaden worden daardoor minder bruikbaar of zelfs onbruikbaar voor de voetgangers. Als gevolg daarvan worden voetgangers gedwongen om hun weg via fietspad of rijbaan te vervolgen. Ook kunnen fietsen die in een fietsparkeervoorziening staan deze onnodig lang bezet houden. Andere fietsers worden dan gedwongen hun fiets buiten die voorzieningen te plaatsen. Dat leidt tot een vermindering van de gastvrijheid van de stad en de toegankelijkheid van stations, winkelcentra en dienstverlenende instanties. Voorgesteld wordt om een duidelijke en expliciete juridische basis te creëren voor de verwijdering van deze zogenaamde weesfietsen door een vijfde lid aan artikel 76 toe te voegen met een verbod om fietsen langer dan 28 dagen op dezelfde plek te laten staan. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 14. Reclamevlaggen bij goedgekeurde collectieve aanpak vergunningvrij maken Het college wil een collectieve aanpak van reclamevlaggen, zoals aanwezig in het Dwaalgebied, stimuleren door het aanbrengen van vlaggen die vallen onder een door het college goedgekeurde collectieve aanpak vergunningvrij te maken. Het vergunningvrij maken van een collectieve aanpak van vlaggen stimuleert ondernemers om hier (kosteloos) aan bij te dragen. Daarnaast draagt zo’n aanpak bij aan een eenduidige uitstraling en herkenbaarheid van een gebied.

Voorgesteld wordt om artikel 114a van de APV aan te passen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 15. Een verbod opnemen om voertuigen langer dan 56 dagen op dezelfde plek te laten staan Het komt met regelmaat voor dat op de openbare weg voertuigen worden achtergelaten. De eigenaar blijkt dan vertrokken of onvindbaar te zijn. Het gaat dan vaak om personenauto’s met een buitenlands kenteken of om auto’s van arbeidsmigranten die voor de tijd dat zij in Nederland verbleven een voertuig met Nederlands

raad 2024_1548 definitief

4/26

kenteken hadden. Het enkele feit dat een voertuig op de weg staat, levert nog geen strafbare gedraging op. Deze achtergelaten voertuigen zijn echter wel een bron van overlast. Zij houden de parkeervoorzieningen in woonwijken bezet en dat tast de bruikbaarheid van de weg aan. Gelet op de huidige mogelijkheden die de APV Tilburg biedt, moet afgewacht worden totdat een auto defect raakt of een voertuigwrak wordt (artikelen 118 en 119 lid 1 APV Tilburg), voordat er een mogelijkheid ontstaat om handhavend op te treden door middel van een last onder bestuursdwang. Er is een behoefte om de overlast eerder ongedaan te maken en de leefbaarheid te kunnen herstellen. Voorgesteld wordt daarom om een nieuw artikel 119a op te nemen waarin het stil laten staan van een voertuig voor een periode langer dan 56 dagen wordt verboden. Dit artikel vervangt het huidige artikel 64a. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 17. In de uitwerking van de wijzigingsvoorstellen is in de oude tekst van de artikelen steeds schuingedrukt en in rood aangegeven wat er wordt gewijzigd.

Beoogd effect Dit voorstel beoogt de APV te actualiseren.

Voorstel De bijgevoegde Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2024.1 vaststellen, met de volgende wijzigingen voor de APV: 1. Artikel 13 en de toelichting daarop wijzigen; 2. Een nieuw artikel 46 toevoegen; 3. Een nieuw artikel 47 toevoegen; 4. Artikel 64a laten vervallen; 5. Artikel 67 en de toelichting daarop wijzigen; 6. Artikel 69a wijzigen; 7. Artikel 76 wijzigen; 8. Artikel 114a wijzigen; 9. Een nieuw artikel 119a met toelichting toevoegen.

Argumenten 1. Gebruik van de weg voor kleine bouwactiviteiten reguleren door stellen van algemene regels in plaats van meldplicht. Tot 2008 was alle gebruik van de weg voor bouwactiviteiten vergunningplichtig. In het kader van deregulering is in maart 2008 door de raad besloten de vergunningsplicht voor het gebruik van de weg voor bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m², alsook voor de plaatsing van gedenktekens, los te laten en te vervangen door een meldplicht. Voor de behandeling van meldingen worden geen leges in rekening gebracht. Het toetsen van de melding op tijdigheid, volledigheid en eventuele conflicterende situaties vraagt echter wel capaciteit, bovendien loopt het aantal van deze meldingen op. Op dit moment wordt de informatie uit de meldplicht slechts ter informatie aangenomen. Deze informatie wordt niet gebruikt om voorgenomen activiteiten te verbieden. Er zijn geen cijfers bekend die aangeven dat dit leidt tot substantiële problemen met betrekking tot verkeersveiligheid of bereikbaarheid (incidenten daargelaten). De meldplicht heeft daarmee geen impact op de regievoering op het gebruik van de openbare ruimte.

Ter optimalisatie wordt voorgesteld de meldplicht uit artikel 13 lid 7 van de APV, voor bouwactiviteiten die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m², te laten vervallen. De meldplicht wordt vervangen door een verbodsbepaling om de genoemde objecten te plaatsen op een wijze die gevaar of schade oplevert, dan wel een belemmering kan vormen voor doelmatig beheer en

raad 2024_1548 definitief

5/26

onderhoud van de weg. Het college is op grond van artikel 13 lid 8 sub c van de APV bevoegd om daarbij algemene regels te stellen. Met algemene regels kan worden vastgelegd onder welke voorwaarden het gebruik van de weg voor kleine, kortdurende bouwactiviteiten is toegestaan. Er zullen daarom regels worden gesteld over de wijze van plaatsing om belemmeringen voor de vrije doorstroming van gemotoriseerd verkeer, fietsers en voetgangers te voorkomen. Overtreding van deze algemene regels is verboden. Bij een overtreding kan de toezichthouder daar direct op wijzen, zonder eerst na te hoeven gaan of er een melding is gedaan. Indien nodig kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom. Dit voorstel zorgt voor deregulering, aangezien burgers/aannemers voor deze kleine, kortdurende plaatsing van bouwgerelateerde objecten geen melding meer hoeven te doen, zolang ze maar voldoen aan de algemene regels. Het vervangen van de meldplicht door algemene regels is daarmee klantvriendelijker, aangezien de klant niet meer hoeft te melden en geen bewijs van de melding hoeft te printen. Ook is dit efficiënter, aangezien de behandeling van meldingen geen capaciteit meer vraagt.

Het systeem wordt hiermee (nog) eenvoudiger gemaakt, zonder dat dit effect heeft op de huidige regie die wordt gevoerd op het gebruik van de openbare ruimte. Meldplicht voor plaatsing gedenktekens blijft in stand. Het plaatsen van een gedenkteken kan van grote emotionele betekenis zijn voor de nabestaanden en een bijdrage leveren in de verwerking van het verlies. Een gedenkteken kan echter ook overlast of hinder voor gebruikers van de weg veroorzaken, tot onveilige verkeersituaties leiden of het beheer van de weg belemmeren. Het gaat hier doorgaans om specifieke locaties die zich moeilijk in algemene regels laten vatten. Om grip te houden op het plaatsen van gedenktekens en daar voorwaarden aan te kunnen verbinden wordt voorgesteld de meldplicht voor gedenktekens in stand te houden. Het voorgestelde gewijzigde artikel 13 APV en de toelichting hierop luidt als volgt: Oude tekst artikel 13 APV Artikel 13. Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg.

Nieuwe tekst artikel 13 APV Artikel 13. Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg.

1.

1.

2.

Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

2.

Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

raad 2024_1548 definitief

c.

3.

4.

5.

6.

voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor bewoning; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. staanplaatsen als bedoeld in de Staanplaatsenverordening; f. evenementen als bedoeld in artikel 25. g. civieltechnische werkzaamheden, die in opdracht van de gemeente in openbaar gebied worden verricht. Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c.

in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor : a. bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m². en de plaatsing van gedenktekens. b. zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen. c. reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden geplaatst. d. automaten.

6/26

c.

3.

4.

5.

6.

voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor bewoning; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. staanplaatsen als bedoeld in de Staanplaatsenverordening; f. evenementen als bedoeld in artikel 25. g. civieltechnische werkzaamheden, die in opdracht van de gemeente in openbaar gebied worden verricht. Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c.

in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor : a. bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m². b. zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen. c. reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden geplaatst. d. automaten. e. verplaatsbare voorwerpen, die beogen weggebruikers te attenderen op gewenst verkeersgedrag.

raad 2024_1548 definitief

e.

7/26

verplaatsbare voorwerpen, die beogen weggebruikers te attenderen op gewenst verkeersgedrag. f. het aanleggen van geveltuintjes en/of het beplanten van boomspiegels, het plaatsen van een gevelbankje voor een woning. g. de plaatsing van gedenktekens. 7. De in het zesde lid onder a. g bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het achtste lid van dit artikel beschreven belangen. 8. Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve van de in het zesde lid onder a.,b.,c.,d.,e. of f. bedoelde zaken: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c. het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het oog op de onder a) en b) genoemde belangen vastgestelde algemene regels. 9.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 10. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een terrasvergunning. 11. De in het tiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is.

f.

het aanleggen van geveltuintjes en/of het beplanten van boomspiegels, het plaatsen van een gevelbankje voor een woning. g. de plaatsing van gedenktekens. 7. De in het zesde lid onder g. bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het achtste lid van dit artikel beschreven belangen. 8. Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve van de in het zesde lid onder a.,b.,c.,d., e. of f. bedoelde zaken: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c. het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het oog op de onder a) en b) genoemde belangen vastgestelde algemene regels. 9.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 10. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een terrasvergunning. 11. De in het tiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is.

Toelichting In het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester en wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een exploitant van een horeca-inrichting

Toelichting In het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester en wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een exploitant van een horeca-inrichting

raad 2024_1548 definitief

8/26

vergunning te verlenen om de weg of een weggedeelte als terras te mogen gebruiken. Dit houdt verband met het feit dat in artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

vergunning te verlenen om de weg of een weggedeelte als terras te mogen gebruiken. Dit houdt verband met het feit dat in artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

Op grond van lid 8 kan een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de APV-vergunning.

Op grond van lid 8 kan een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de APV-vergunning.

Artikel 13 is gewijzigd bij raadsbesluit van 3 maart 2008 (2208/062). Ten gevolge van dit besluit komt de verplichting om een vergunning te hebben om van de weg gebruik te maken voor kleinere bouwactiviteiten, zonneschermen, stoepborden, uitstallingen, gedenktekens en automaten te vervallen. In 2019 is hieraan nog het gebruik van de weg voor het plaatsen/aanbrengen van een gevelbankje voor een woning aan toegevoegd.

Voor de in het zesde lid onder a.,b., c.,d.,e. en f. genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen, die gevaar oplevert etc. Het college heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om voor een aantal van de in het zesde lid opgesomde activiteiten algemene regels te stellen. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.

In maart 2008 is ook de vergunningplicht vervallen voor reclameborden, voor zover deze niet op of in de openbare weg worden geplaatst. In de plaats daarvan komt er voor het gebruik t.b.v. kleinere bouwactiviteiten en gedenktekens een meldingsplicht. Voor de in het zesde lid onder a.,b., c.,d.,e. en df. genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen, die gevaar oplevert etc. Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om voor een aantal van de in het zesde lid opgesomde activiteiten algemene regels te stellen. Daarnaast heeft het college algemene regels opgesteld, waaraan b.v. de plaatsing en afmeting van dergelijke zaken dient te voldoen en heeft het in dat kader b.v. ook bepaald, dat plaatsing van uitstallingen in een bepaald gebied niet is toegestaan. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom. Het aanbrengen van reclameborden op of aan een onroerende zaak is geregeld in artikel 114 en artikel 114a APV (zie aldaar). Artikel 114a schept een

Het aanbrengen van reclameborden op of aan een onroerende zaak is geregeld in artikel 114 en artikel 114a APV (zie aldaar). Artikel 114a schept een vergunningplicht voor bijvoorbeeld reclame-uitingen aan de gevel, op het dak van een pand of op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare weg. Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen die zijn aangewezen als rijksmonument of gemeentelijk monument en voor schermen aan andere dan woongebouwen op grond van de Omgevingswet wel een omgevingsvergunning vereist blijft. Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande pinautomaten.

raad 2024_1548 definitief

9/26

vergunningplicht voor bijvoorbeeld reclame-uitingen aan de gevel, op het dak van een pand of op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare weg. Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen die zijn aangewezen als rijksmonument of gemeentelijk monument , die vallen onder de Monumentenwet of- verordening en voor schermen aan andere dan woongebouwen op grond van de Woningwet Omgevingswet wel een omgevingsvergunning vereist blijft. Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande pinautomaten.

2. Een definitie van de termen slijtersbedrijf en slijtlokaliteit opnemen In verband met het opnemen van een nieuw artikel 47, waarmee het onder voorwaarden wordt toegestaan om betaalde proeverijen in slijtersbedrijven te organiseren, wordt voorgesteld om een definitie van “slijtersbedrijf” en “slijtlokaliteit” op te nemen in eveneens nieuwe artikel 46 van de APV. Het voorgestelde artikel 46 APV luidt als volgt: Nieuw artikel 46 APV Artikel 46. Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: -

Slijtersbedrijf Slijtlokaliteit

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet.

3.

Mogelijk maken om betaalde proeverijen in slijterijen te organiseren

Op 14 juli 2023 ontving de gemeente van een slijtersbedrijf een verzoek om een algemene vrijstelling voor betaalde proeverijen in slijterijen te verlenen, conform artikel 25e van de Alcoholwet. In dit artikel is geregeld dat gemeentes bij verordening betaalde proeverijen in slijtersbedrijven kunnen toestaan buiten de openingstijden van het slijtersbedrijf. Dit staat in artikel 25e van de Alcoholwet: Bij gemeentelijke verordening kan met inachtneming van artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet vrijstelling worden verleend van het in artikel 3, eerste lid, ten aanzien van het horecabedrijf vervatte verbod en het in artikel 14, eerste lid, vervatte verbod ten behoeve van proeverijen in slijtlokaliteiten buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteiten regulier zijn opengesteld. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld waaraan een proeverij moet voldoen. In de APV van de gemeente Tilburg is nog geen artikel opgenomen waarmee het mogelijk wordt gemaakt om betaalde proeverijen toe te staan. Het Alcoholbesluit regelt aan welke voorwaarden een betaalde proeverij in een slijterij moet voldoen. Deze voorwaarden hebben tot doel te voorkomen dat een situatie ontstaat waar het verschil tussen enerzijds een

raad 2024_1548 definitief

10/26

proeverij en anderzijds een café vervaagt. Ook hebben de voorwaarden tot doel het verschil tussen enerzijds het slijtersbedrijf en anderzijds de proeverij te benadrukken. Artikel 6.1 van het Alcoholbesluit omschrijft de eisen waaraan de proeverijen moeten voldoen: o o o o o

In een slijtlokaliteit wordt maximaal één proeverij per dag gegeven en maximaal drie proeverijen per week; De kosten voor deelname aan een proeverij zijn voor aanvang van de proeverij door een leidinggevende van het slijtersbedrijf vastgesteld; De deelnemers van een proeverij zijn voor aanvang van de proeverij bekend bij een leidinggevende van het slijtersbedrijf; en De deur van de slijtlokaliteit is gedurende een proeverij gesloten voor publiek anders dan de deelnemers aan de proeverij. Tijdens een proeverij is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende en alcoholvrije drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, met uitzondering van alcoholhoudende en alcoholvrije drank die in het kader van die proeverij is verstrekt voor gebruik ter plaatse aan de deelnemers van de proeverij.

Op grond van artikel 6.1 van het Alcoholbesluit mogen in slijtlokaliteiten maximaal één proeverij per dag en maximaal drie per week plaatsvinden. Afwijken van deze eisen is toegestaan, zolang de aantallen niet worden overschreden. Na overleg met het slijtersbedrijf, die incidentele proeverijen wenst, is besloten jaarlijks maximaal 12 proeverijen per slijtlokaliteit toe te staan. Ondernemers mogen zelf bepalen wanneer zij deze proeverijen organiseren, zolang zij voldoen aan de eisen van artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Parkeeroverlast wordt verwacht minimaal te zijn, aangezien slijterijen voldoende parkeervoorzieningen hebben voor auto's van gasten. Tijdens de reguliere openingstijden is expliciet rekening gehouden met de beschikbare parkeermogelijkheden. Na sluitingstijd blijven dezelfde parkeervoorzieningen beschikbaar. Bovendien wordt verwacht dat een groot deel van de bezoekers alternatieve vervoersmiddelen zal gebruiken. De verwachting is dat geluidsoverlast minimaal zal zijn, om verschillende redenen. Allereerst is het aantal proeverijen op jaarbasis aanzienlijk beperkt. Deze beperking draagt bij aan het minimaliseren van mogelijke hinder voor de omgeving. Bovendien zijn de tijdstippen van proeverijen begrensd door de Winkeltijdenwet, waarbij speciale aandacht is voor het woon- en leefklimaat.

Doordat een proeverij niet mag plaatsvinden tijdens de reguliere openingstijden van de slijterij en bovendien wordt beperkt door de Winkeltijdenwet, betekent dit concreet dat de meeste proeverijen zullen plaatsvinden tussen grofweg 18.00u en 22.00u. Deze specifieke tijdsbeperkingen zijn bedoeld om de impact op het woon- en leefklimaat tot een minimum te beperken. Een bijkomend voordeel is dat er geen extra regels hoeven te worden opgesteld met betrekking tot geluidniveaus, aangezien dit reeds geregeld is in de Omgevingswet. Bij eventuele overtredingen kunnen de geldende geluidsnormen worden gehandhaafd. Een proeverij draait om het proeven en het voeren van gesprekken onder begeleiding van een expert. Dit vereist een zekere intimiteit en geen grote groep mensen. Daarom stellen we een redelijk maximum van 25 deelnemers voor. Tijdens een bestuurlijke overleg horeca rees de vraag of ook andere ondernemers, die geen slijterijen zijn, proeverijen mogen organiseren. Er bestaat geen wettelijke mogelijkheid om proeverijen bij andere ondernemers, zoals bezorg-/afhaalrestaurants, toe te staan. Dit betekent dat als er zitgelegenheid geboden wordt, er sprake is van reguliere horeca en dat dan de wet- en regelgeving voor horeca-inrichtingen van toepassing is. Het verzoek van het slijtersbedrijf is ook voor een reactie neergelegd bij Koninklijke Horeca Nederland (KHN).

KHN vindt, samengevat, dat hiermee een eerdere illegale situatie die regelmatig plaatsvond, maar waar niet op werd gehandhaafd, wordt gelegaliseerd. KHN ziet graag een eerlijk speelveld met een handhaafbare legale

raad 2024_1548 definitief

11/26

situatie in plaats van gedoogconstructies. KHN heeft geen bezwaar mits het besluit geen enorme impact heeft op het ondernemersklimaat. Handhaving De burgemeester is het bevoegd bestuursorgaan om handhavend op te treden wanneer de regels uit de Alcoholwet overtreden worden. In gevallen waarbij de regels over proeverijen in slijterijen geschonden worden, kan een last onder dwangsom worden opgelegd. Hiervoor is reeds een handhavingsarrangement opgesteld. Het voorgestelde artikel 47 APV luidt als volgt: Nieuw artikel 47 APV Artikel 47. Proeverijen in slijtlokaliteiten Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit, met dien verstande dat: a. proeverijen plaatsvinden buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit regulier is opengesteld, met inachtneming van het gestelde bij of krachtens de Winkeltijdenwet; b. proeverijen voldoen aan de in het Alcoholbesluit voor proeverijen gestelde eisen; c. de eigenaar of leidinggevende van de slijtlokaliteit uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de proeverij daarvan een melding heeft gedaan via het daartoe beschikbaar gestelde digitale formulier; d. per slijtlokaliteit maximaal twaalf proeverijen per jaar plaatsvinden; e. per proeverij maximaal 25 deelnemers zijn.

4. Het verbod om niet deugdelijk afgesloten voertuigen en voertuigen die niet onder behoorlijk toezicht staan op of aan de weg te laten staan laten vervallen In artikel 64a van de APV is een verbod opgenomen om voertuigen op de weg te laten staan die niet afgesloten zijn of niet onder behoorlijk toezicht staan. In de praktijk wordt dit artikel alleen gebruikt voor situaties waarin een voertuig langere tijd op de weg wordt achtergelaten. Het artikel is in die situaties, gelet op de formulering ervan, maar beperkt toepasbaar. Met het opnemen van een verbod om voertuigen langer dan 56 dagen op dezelfde plek te laten staan (zie verderop in dit voorstel) heeft het huidige artikel geen toegevoegde waarde meer. Voorgesteld wordt om dit artikel te laten vervallen voor zover uw raad kan instemmen met het opnemen van een nieuw artikel 119a.

raad 2024_1548 definitief

12/26

Oude tekst en toelichting artikel 64a APV Artikel 64a Niet afgesloten voertuigen

Nieuwe tekst artikel 64a APV Artikel 64a Niet afgesloten voertuigen

Het is verboden een motorvoertuig, bromfiets of fiets op of aan de weg te laten staan anders dan deugdelijk afgesloten of onder behoorlijk toezicht.

Vervallen.

Toelichting Dit artikel beoogt het mogelijk te maken op te treden door middel van bestuursdwang tegen voertuigen die lange tijd worden achtergelaten op (parkeer)plaatsen. Het is met name bedoeld voor gevallen waarin de eigenaar niet kan worden getraceerd dan wel deze weigert het voertuig te verwijderen. 5. Het verbod om op straat in drugs te handelen aanpassen aan de model-APV In artikel 67 van de APV is een verbod opgenomen om zich op straat op te houden met de intentie in drugs te handelen. De formulering van deze bepaling is ingewikkelder dan het standaardartikel uit de model-APV. De burgemeester moet namelijk per geval aannemelijk maken dat de betrokkene op of aan de weg post heeft gevat, zich daar heen en weer heeft bewogen, zich op of aan wegen in of op een voertuig heeft bevonden of met dat voertuig heen en weer of rond heeft gereden met het kennelijke doel om – kort gezegd – in drugs te handelen. Door het artikel aan te passen aan de tekst van de model-APV hoeft de burgemeester alleen nog aannemelijk te maken dat de betrokkene zich op een openbare plaats heeft opgehouden met het kennelijke doel om – kort gezegd – in drugs te handelen. Met deze eenvoudigere definitie kunnen onnodige juridische discussies over de vraag of het specifieke gedrag van de betrokkene onder het verbod valt worden voorkomen terwijl aan de inhoud van het artikel niet wordt getornd.

Voorgesteld wordt om dit artikel en de toelichting aan te passen aan de model-APV. Het voorgestelde gewijzigde artikel 67 APV luidt als volgt: Oude tekst en toelichting artikel 67 APV Artikel 67. Drugshandel op straat

Nieuwe tekst en toelichting artikel 67 APV Artikel 67. Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel, al dan niet tegen betaling, ommiddelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Toelichting. Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de

Toelichting Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen

raad 2024_1548 definitief

13/26

verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.

staan van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.

Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid

Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid

Artikel 67 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In de praktijk gaat het met name om harddrugs.

Artikel 67 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In de praktijk gaat het met name om harddrugs.

In het artikel wordt evenwel gesproken over middelen uit lijst 2 en 3 van de Opiumwet, dus zowel hard- als softdrugs en ‘daarop gelijkende waar’. Bij ‘daarop gelijkende waar’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt, maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. In dit artikel zijn zowel aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enzovoorts. Jurisprudentie HR 17-11-1992, ECLI:NL:PHR:1992:AD1779, NJ 1993, 409. Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan strafbaar gesteld in de Opiumwet. Ook de klacht dat de bepaling onverbindend is wegens te grote onbepaaldheid faalt, aangezien de bepaling — ook voor zover zij melding maakt van 'daarop gelijkende waar', waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan — voldoende duidelijk maakt

In het artikel wordt evenwel gesproken over middelen uit lijst 2 en 3 van de Opiumwet, dus zowel hard- als softdrugs en ‘daarop gelijkende waar’. Bij ‘daarop gelijkende waar’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt, maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (‘drugsrunners’) strafbaar gesteld. Het ‘kennelijke doel’ kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, enzovoorts. Jurisprudentie HR 17-11-1992, ECLI:NL:PHR:1992:AD1779, NJ 1993, 409. Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan strafbaar gesteld in de Opiumwet. Ook de klacht dat de bepaling onverbindend is wegens te grote onbepaaldheid faalt, aangezien de bepaling — ook voor zover zij melding maakt van 'daarop gelijkende waar', waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan — voldoende duidelijk maakt

raad 2024_1548 definitief

welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld.

14/26

welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld.

6. Het verbod om openlijk drugs te gebruiken gedeeltelijk aanpassen aan de model-APV In artikel 69a is ter voorkoming van overlast een verbod op het openlijk gebruiken van drugs opgenomen. Dit artikel heeft tot doel om drugsoverlast in de stad terug te dringen en de openbare orde te handhaven. In de Tilburgse APV-bepaling is alleen het gebruik van drugs strafbaar gesteld, terwijl in de model-APV ook het toedienen, het verrichten van voorbereidingshandelingen en het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen ten behoeve van dat gebruik strafbaar is gesteld. Door deze omissie sluit de Tilburgse bepaling niet goed aan op de feitcodes die het Openbaar Ministerie hanteert en wordt strafrechtelijke handhaving door de politie bemoeilijkt. Er wordt voorgesteld de bepaling in dat opzicht gelijk te trekken aan de modelbepaling voor zover het gaat om het gebruik van harddrugs. Daarnaast wordt een verschrijving in de titel van het artikel hersteld. Uw raad heeft er bij de invoering van dit artikel voor gekozen om een onderscheid te maken tussen het gebruik van hard- en softdrugs. Het gebruik van softdrugs is alleen strafbaar gesteld als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren of anderszins overlast veroorzaken. Dit onderscheid blijft gehandhaafd. Het voorgestelde gewijzigde artikel 69a APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 69a APV Artikel 69a.

Openlijk drugsgberuik

Nieuwe tekst artikel 69a APV Artikel 69a Openlijk drugsgebruik

1.

1.

2.

3.

Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 Opiumwet te gebruiken., toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Het is verboden op of aan de weg of op een ander voor het publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in artikel 3 Opiumwet te gebruiken, indien dit gepaard gaat met gedragingen, die de openbare orde verstoren dan wel anderszins overlast veroorzaken. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet te gebruiken.

2.

3.

Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Het is verboden op of aan de weg of op een ander voor het publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in artikel 3 Opiumwet te gebruiken, indien dit gepaard gaat met gedragingen, die de openbare orde verstoren dan wel anderszins overlast veroorzaken. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet te gebruiken.

7. Een verbod opnemen om fietsen langer dan 28 dagen op dezelfde plek te laten staan Fietsen die langere tijd achtergelaten worden in de publieke ruimte worden weesfietsen genoemd. Om de hinder- en gevaarzetting ongedaan te maken of te voorkomen, worden deze fietsen na 28 dagen verwijderd. In het raadsvoorstel tot wijziging van de APV wordt voorgesteld om hiervoor een juridische basis te creëren. Het komt veelvuldig voor dat fietsen langdurig achtergelaten worden in de openbare ruimte. Het gaat dan om fietsen die op zichzelf op een legale manier op de weg zijn geplaatst. In artikel 27 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 is immers bepaald dat fietsen op het trottoir, het voetpad of in de berm geplaatst dienen te worden. In de aangewezen fietsruimgebieden (in en rondom het centrum) kan het ook gaan om fietsen die langdurig de daarvoor bestemde stallingsvoorzieningen bezet houden. Op dit moment

raad 2024_1548 definitief

15/26

biedt de APV alleen mogelijkheden om handhavend op te treden als de hinder of het gevaar rechtstreeks voortvloeit uit het plaatsen of het laten staan van een fiets. Er zijn echter ook situaties waarin fietsen dusdanig worden geplaatst dat geen sprake is van een overtreding, maar waarin het achterlaten van een fiets voor langere tijd wel onwenselijk is. Ten eerste trekken fietsen andere fietsen aan, waardoor na verloop van tijd een ongestructureerd cluster aan fietsen ontstaat. Trottoirs en voetpaden worden daardoor minder bruikbaar of zelfs onbruikbaar voor de voetgangers. Als gevolg daarvan worden voetgangers gedwongen om hun weg via fietspad of rijbaan te vervolgen. Ook kunnen fietsen die in een fietsparkeervoorziening staan deze onnodig lang bezet houden. Andere fietsers worden dan gedwongen hun fiets buiten die voorzieningen te plaatsen. Dat leidt tot een vermindering van de gastvrijheid van de stad en de toegankelijkheid van stations, winkelcentra en dienstverlenende instanties. Om de hinder- en gevaarzetting ongedaan te maken of te voorkomen, worden weesfietsen na 28 dagen verwijderd. Over de jaren 2013 tot en met 2023 heeft Stadstoezicht 17.663 weesfietsen geruimd (zie voor een overzicht bijlage 1). Met dit voorstel wordt beoogd om voor de verwijdering van weesfietsen een duidelijke en expliciete juridische basis te creëren.

Dit kan door een vijfde lid aan artikel 76 toe te voegen met een verbod om fietsen langer dan 28 dagen op dezelfde plek te laten staan. Het voorgestelde gewijzigde artikel 76 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 76 APV

Nieuwe tekst artikel 76 APV

Artikel 76 Neerzetten van fietsen en dergelijke.

Artikel 76 Neerzetten van fietsen en dergelijke.

1.

1.

2.

3.

4.

5.

Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan, indien daarmee hinder of gevaar voor het verkeer ontstaat of als daardoor anderszins overlast veroorzaakt kan worden. Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud zijn of die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen of voor een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Het is verboden om een fiets langer dan op achtentwintig achtereenvolgende dagen op de weg te laten staan.

2.

3.

4.

5.

Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan, indien daarmee hinder of gevaar voor het verkeer ontstaat of als daardoor anderszins overlast veroorzaakt kan worden. Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud zijn of die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen of voor een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Het is verboden om een fiets langer dan op achtentwintig achtereenvolgende dagen op de weg te laten staan.

raad 2024_1548 definitief

16/26

8. Reclamevlaggen bij goedgekeurde collectieve aanpak vergunningvrij maken Op 22 juni 2020 heeft de raad besloten om een vergunningplicht in te voeren voor reclames die geen bouwwerk zijn (waaronder vlaggen en doeken in buizenframes). Doel hiervan is om het aanzien van de stad te verbeteren. De vergunningplicht is vastgelegd in artikel 114a van de APV. Hierin wordt het verboden om zonder omgevingsvergunning handelsreclame te voeren op of aan een onroerende zaak. Na de coronaperiode is gestart met handhaving. Gestart is in de binnenstad op reclame-uitingen die sterk bijdragen aan een rommelig beeld. De handhaving op vlaggen is één van de prioriteiten (naast buizenframes en haakse reclames). Ondernemers worden er nu op gewezen dat vlaggen vergunningplichtig zijn. Dit betekent dat elke individuele ondernemer een vergunning moet aanvragen voor het ophangen van een reclamevlag. Er werd vastgesteld dat in het Dwaalgebied vanuit een collectieve aanpak vlaggen zijn opgehangen. Het idee voor deze vlaggen is ontstaan tijdens de werkzaamheden in de Noordstraat in 2021 en daarna zijn ondernemers in andere straten gevolgd. Het college staat positief tegenover deze collectieve aanpak nu hierdoor zowel de zichtbaarheid van de winkels als de herkenbaarheid van het Dwaalgebied wordt verhoogd.

Op 21 december 2022 is aan de omgevingscommissie gevraagd hoe zij staan tegenover een collectieve aanpak van (reclame)vlaggen in het algemeen en de collectieve vlag in het Dwaalgebied in het bijzonder. De omgevingscommissie kan instemmen met de collectieve aanpak van vlaggen, maar dit vraagt in hun ogen wel om specifieke, transparante en heldere criteria voor deze vlaggeninzet in combinatie met een clausule die voorziet in maatwerk bij bijzondere situaties. Het college wil een collectieve aanpak van reclamevlaggen stimuleren door het aanbrengen van vlaggen die vallen onder een dergelijke aanpak vergunningvrij te maken. Voorwaarde is wel dat het college de vlaggen, na advies van de omgevingscommissie, heeft goedgekeurd. Het vergunningvrij maken van een collectieve aanpak van vlaggen zorgt voor een stimulans aan ondernemers om hier aan bij te dragen. Zonder vergunning (en de bijbehorende aanvraag en kosten) kan een reclame-uiting worden gerealiseerd. Daarnaast draagt zo’n aanpak bij aan een eenduidige uitstraling en herkenbaarheid van een gebied. Tenslotte voorkomt het dat ondernemers vergunning moeten aanvragen voor iets waarvan het college op voorhand weet dat het hier aan wil meewerken (gelet op het advies van de omgevingscommissie). Dit bespaart tijd voor zowel de ondernemer als de gemeentelijke organisatie.

Om een collectieve aanpak van vlaggen vergunningvrij te maken moet artikel 114a van de APV worden aangepast. Voorgesteld wordt om in artikel 114a van de APV (omgevingsvergunning reclame op of aan onroerende zaken) bij de uitzonderingen onder lid 3 het volgende toe te voegen: “f. op het ophangen van een vlag in een vlaggenhouder, als deze vlag onderdeel is van een door het college goedgekeurde collectieve aanpak van ondernemers in een gebied. Het college moet voorafgaand aan goedkeuring voor een collectieve aanpak advies vragen aan de Omgevingscommissie”. Door dit toe te voegen vervalt de vergunningplicht voor het ophangen van deze vlaggen. Onder het voorbehoud dat de raad instemt met deze voorgestelde wijziging van artikel 114a van de APV heeft het college de collectieve aanpak van vlaggen in het Dwaalgebied reeds goedgekeurd. Het voorgestelde gewijzigde artikel 114a APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 114a APV Artikel 114a. Omgevingsvergunning reclame op of aan onroerende zaken 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een openbare plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13993506/2