01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
Tekst van het document
Voorblad Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024 Datum college: Portefeuillehouder: Afdeling: Behandelend ambtenaar:
3 oktober 2022 Wethouder Van Asten Juridische Zaken A. Dietvorst
Samenvatting De raad stelt jaarlijks de belastingverordeningen voor het komende jaar vast. De actualisatie van de belastingverordeningen behelst aanpassing van de tarieven en redactionele wijzigingen. Voordat een belasting kan worden geheven, moet een belastingverordening worden vastgesteld door de raad. Aangezien de datum van ingang van de heffing 1 januari 2024 is, dienen 15 belastingverordeningen vóór deze datum te worden vastgesteld door de raad.
Collegebesluit Het college stelt de raad voor de volgende 15 belastingverordeningen voor belastingjaar 2024 vast te stellen: 1. de Verordening onroerende zaakbelastingen 2024 2. de Verordening afvalstoffenheffing 2024 3. de Verordening rioolheffing 2024 4. de Verordening hondenbelasting 2024 5. de Verordening precariobelasting 2024 met tarieventabel 6. de Verordening reclamebelasting Binnenstad 2024 en kaart 7. de Verordening reclamebelasting Linten 2024 en 2 kaarten 8. de Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2024 en 8 kaarten 9. De Verordening reclamebelasting Spoorzone 2024 en kaart 10. de Verordening toeristenbelasting 2024 11. de Verordening parkeerbelastingen 2024 met tarieventabel en 1 kaart 12. de Verordening begraafplaatsrechten 2024 en kaart 13. de Verordening scheepvaartrechten 2024 14. de Verordening liggelden Piushaven Tilburg 2024 en kaart 15. de Legesverordening 2024 met tarieventabel en Tabel Grondslag legesberekening
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
1
Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024 Aanleiding De raad stelt jaarlijks de belastingverordeningen voor het komende jaar vast. De actualisatie van de belastingverordeningen behelst aanpassing van de tarieven en redactionele wijzigingen. Voordat een belasting kan worden geheven, moet een belastingverordening worden vastgesteld door de raad. De tarieven in de belastingverordeningen voor 2024 zijn afgestemd op de voorstellen in de begroting 2024. In de meeste gevallen is sprake van een nominale indexering van 7,16% van de tarieven 2024 ten opzichte van de tarieven 2023 en in andere gevallen van een extra tariefsverhoging of -verlaging in verband met het streven naar kostendekkendheid. Aangezien de datum van ingang van de heffing 1 januari 2024 is, dienen de hierna genoemde belastingverordeningen vóór deze datum te worden vastgesteld door de raad:
Beoogd effect In het kader van de Programmabegroting 2024 dienen de tarieven van de belastingverordeningen te worden geactualiseerd. Bij het vaststellen van de tarieven is rekening gehouden met de uitgangspunten van de Programmabegroting 2024.
Voorstel De volgende 15 belastingverordeningen 2024 vaststellen: 1. de Verordening onroerende zaakbelastingen 2024 2. de Verordening afvalstoffenheffing 2024 3. de Verordening rioolheffing 2024 4. de Verordening hondenbelasting 2024 5. de Verordening precariobelasting 2024 met tarieventabel 6. de Verordening reclamebelasting Binnenstad 2024 en kaart 7. de Verordening reclamebelasting Linten 2024 en 2 kaarten 8. de Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2024 en 8 kaarten 9. De Verordening reclamebelasting Spoorzone 2024 en kaart 10. de Verordening toeristenbelasting 2024 11. de Verordening parkeerbelastingen 2024 met tarieventabel en 1 kaart 12. de Verordening begraafplaatsrechten 2024 en kaart 13. de Verordening scheepvaartrechten 2024 14. de Verordening liggelden Piushaven Tilburg 2024 en kaart 15. de Legesverordening 2024 met tarieventabel en Tabel Grondslag legesberekening
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
2
Argumenten 1. Onroerende zaakbelastingen WOZ-waarde In verband met de jaarlijkse herwaardering zijn de onroerende zaken voor het belastingjaar 2024 opnieuw getaxeerd en hiervoor is de waardepeildatum 1 januari 2023 gehanteerd. Op basis van de huidige prognoses komt de stijging van de WOZ-waarden voor de woningen uit op gemiddeld 2,01 % en voor de niet-woningen op 2,55 %. De totale WOZ-waarde stijgt daarnaast als gevolg van een toename van het aantal woningen en nietwoningen (areaalontwikkeling). Voor de ontwikkeling van de WOZ-waarde geeft dit het volgende totaalbeeld: De totale WOZ-waarde 2023 is: € 41.261.747.000 De totale WOZ-waarde van woningen 2023 is: € 33.825.535.000 De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2023 is: € 7.436.212.000 De totale WOZ-waarde 2024 is: De totale WOZ-waarde van woningen 2024 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2024 is:
€ 42.231.068.000 € 34.313.484.000 € 7.917.584.000
Voor het belastingjaar 2024 wordt een opbrengst geraamd van € 55.554.000,00. Hierbij is rekening gehouden met een correctie voor vrijstellingen, leegstand (voor gebruikers), afrondingen, bezwaarschriften en oninbare posten. Tarieven 2024 OZB woningen OZB niet-woningen OZB niet-woningen
eigenaar eigenaar gebruiker
0,0776 % 0,2106 % 0,1666 %
De OZB tarieven zijn berekend op basis van de nieuwe WOZ-waarden voor 2024 met inbegrip van de verwachte areaal- en waardeontwikkeling. 2. Afvalstoffenheffing Voor de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid. Ten opzichte van 2023 stijgen de tarieven voor een eenpersoonshuishouden van € 278,17 naar € 291,78 en voor een meerpersoonshuishouden van € 309,08 naar € 324,20. Ten opzichte van 2023 zijn de kosten van de afvalstoffenheffing door de prijsontwikkelingen € 1,8 miljoen hoger. De kapitaallasten zijn € 0,9 mln. lager door het verschuiven van het startmoment van afschrijven naar het eerste jaar na activering/ingebruikname in plaats van activering na oplevering. Het in 2022 in gang gezet nieuw beleid van de elektrificatie wagenpark betekent een toename van de kosten in 2024 met € 0,5 mln. De toerekening van inzet BOA’s aan de afvalstoffenheffing leidt tot een toename van € 0,2 mln. Door het verhogen van de vermogensgrens voor de kwijtschelding nemen de kosten hiervan eveneens met € 0,2 mln. toe. 3.
Rioolheffing
Tarieven Ten opzichte van 2023 stijgen de tarieven respectievelijk van € 73,35 en € 31,61 (tarief artikel 6, lid 2, onderdeel a/bij waterverbruik van 0 tot en met 250m3) naar respectievelijk € 79,83 en € 34,41. Dit is een stijging van 9% ten opzichte van 2023 en dit geldt ook voor de overige tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 2. Voor de rioolheffing wordt uitgegaan van 100 % kostendekkendheid.
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
3
De toerekening aan de rioolheffing laat een stijging zien van € 1,3 mln. ten opzichte van 2023. Dit wordt met name veroorzaakt door de toename van de kapitaallasten en door de stijging van de exploitatiekosten mede veroorzaakt door prijsstijgingen. 4. Hondenbelasting Ten opzichte van 2023 stijgen de tarieven hondenbelasting voor 2024 met 8,44%. Voor 2024 wordt een totale opbrengst hondenbelasting verwacht van € 1.936.000,00. Dit is inclusief een extra te realiseren opbrengst van € 270.000,00 vanuit de afspraken in de begrotingen van 2012 en 2015. De totale kosten bedragen naar verwachting € 1.666.000,00. 5. Precariobelasting De tarieven 2024 zijn gestegen door indexering van de tarieven 2023 met 7,16%. Voor de precariobelasting is een overdekking wettelijk toegestaan. De kosten zijn geraamd op € 302.000,00 en de opbrengsten op € 819.000,00. 6. Reclamebelasting Binnenstad De tarieven voor 2024 stijgen ten opzichte van 2023 door indexering met 5%. De kosten zijn geraamd op € 260.000,00 en de opbrengsten op € 260.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan het Ondernemersfonds Binnenstad Tilburg.
Het ondernemersfonds is een initiatief van de samenwerkende partijen in de binnenstad, te weten: Binnenstad Management Tilburg (B.M.T.), Winkeliersvereniging Binnenstad Tilburg (W.B.T.) en Stichting Horeca Concentratiegebied Tilburg (H.C.G.). 7. Reclamebelasting Linten Het heffingsgebied Linten omvat Korvel en De Besterd. De tarieven 2024 zijn gestegen ten opzichte van 2023. De tarieven zijn bepaald door indexering van de tarieven 2023 met 7,16%. De kosten zijn geraamd op € 85.000,00 en de opbrengsten op € 85.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan de Stichting de Tilburgse Linten. 8. Reclamebelasting Bedrijventerreinen Het heffingsgebied voor deze reclamebelasting omvat de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Kreitenmolen, Loven en Vossenberg. De tarieven 2024 zijn op verzoek van Stichting TOF op zeven bedrijventerreinen met 5% gestegen ten opzichte van 2023. Dit geldt niet voor het bedrijventerrein Kreitenmolen. Voor 2024 is met stichting TOF een tarief van € 137,80 overeengekomen inzake "Deelgebruik - geen WOZwaarde"(artikel 8, lid 2) voor de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Loven & Vossenberg. De kosten zijn geraamd op € 627.000,00 en de opbrengsten geraamd op € 627.000,00.
De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan stichting TOF. 9. Reclamebelasting Spoorzone Het heffingsgebied voor deze reclamebelasting wordt omsloten door de Burgemeester Brokxlaan (Noord en Zuid), de Gasthuisring (Oostkant), de Spoorlaan van de Gasthuisring tot aan de Willem II passage (Noordkant) en het NS-plein tot de Burgemeester Brokxlaan (Westkant). De kosten zijn geraamd op € 53.000,00 en de opbrengsten op € 53.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan het Ondernemersfonds Binnenstad Tilburg. Het ondernemersfonds is een initiatief van de samenwerkende partijen in de binnenstad, te weten: Binnenstad
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
4
Management Tilburg (B.M.T.), Winkeliersvereniging Binnenstad Tilburg (W.B.T.) en Stichting Horeca Concentratiegebied Tilburg (H.C.G.). 10. Toeristenbelasting Het tarief voor 2024 is ten opzichte van 2023 ongewijzigd, namelijk 3,5 % van de verblijfsvergoeding. De kosten zijn geraamd op € 41.000,00 en de opbrengsten op € 783.000,00. 11. Parkeerbelasting De meeste tarieven voor 2023 zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van 2022. Hoofdstuk 1 Het tarief voor parkeren op straat in tariefzones 1 en 2 is verhoogd naar €3,50 en daarmee gelijk aan het weekendtarief in de parkeergarages. Dit doen we om parkeren in de garages aantrekkelijker te maken voor bezoekers. Wanneer parkeren op straat goedkoper is dan in de garages zullen bezoekers eerder uitwijken naar parkeerplaatsen op straat. Deze capaciteit is schaars. De garages daarentegen hebben voldoende capaciteit en zijn bedoeld voor het opvangen van bezoekers. Het tarief voor de bezoekersregeling en het tarief in zone 3 en 4 blijven gelijk. Het tarief voor de naheffingsaanslag parkeerbelasting bedraagt in 2024 € 61,38 (=excl. de kosten voor één uur parkeren) blijkens de kostenberekening (zie bijlage Kostprijs naheffingsaanslag). Tariefzonekaart: de tariefzonekaart geeft het uurtarief aan in de huidige gereguleerde gebieden.
Zoals opgenomen in de tarieventabel (hoofdstuk 1) is tariefzone 3 van toepassing in wijken waar parkeerrayons worden uitgebreid. 12. Begraafplaatsrechten De tarieven voor 2024 zijn ten opzichte van 2023 aangepast met een nominale verhoging van 7,16 %. De kosten zijn geraamd op € 271.000,00 en de opbrengsten geraamd op € 250.000,00. 13. Scheepvaartrechten De tarieven voor 2024 zijn ten opzichte van 2023 verhoogd met de nominale index van 7,16 %. Voor de scheepvaartrechten en de liggelden bedragen de geraamde kosten € 533.000,00 en de geraamde opbrengsten € 101.000,00. 14. Liggelden Piushaven De tarieven voor 2024 zijn ten opzichte van 2023 verhoogd met de nominale index van 7,16 %. Voor de liggelden en de scheepvaartrechten bedragen de geraamde kosten € 533.000,00 en de geraamde opbrengsten € 101.000,00. 15. Leges De tarieven zijn ten opzichte van 2023 aangepast met een nominale verhoging van 7,16 %. De legesverordening is ingedeeld in 3 titels, overeenkomstig de modelverordening van de VNG. Algemene dienstverlening valt onder Titel 1. De totale lasten voor 2024 zijn geraamd op € 7.232.693,- en de geraamde opbrengsten zijn € 4.320.893,00. De kostendekkendheid van Titel 1 komt daarmee op 59,7%. Dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving/omgevingswet valt onder Titel 2. De totale lasten van Titel 2 zijn geraamd op € 9.048.555,00 en de totale baten op € 7.268.671,--.
De kostendekkendheid van Titel 2 komt daarmee op 80,3%. Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn en niet vallend onder Titel 2 valt onder Titel 3. De totale lasten hiervan zijn geraamd op € 1.214.498,-- en de geraamde opbrengsten zijn € 611.318,--. De kostendekkendheid van Titel 3 komt daarmee op 50,3%. De totale geraamde lasten en geraamde opbrengsten van de legesverordening bedragen respectievelijk € 17.495.746,00 en € 12.200.882,00. De kostendekkendheid van de totale legesverordening komt uit op 69,7%.
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
5
Kanttekeningen en gewogen alternatieven Niet van toepassing.
Niet beïnvloedbare risico’s De inwerkingtreding van alle belastingverordeningen is voorzien op 1 januari 2024 en daarom dienen deze belastingverordeningen vóór 1 januari 2024 door de raad te worden vastgesteld. De raadsbesluiten tot vaststelling van deze belastingverordeningen treden niet in werking als deze raadsbesluiten niet zijn bekendgemaakt en gepubliceerd.
Kosten en dekking Zie de memorie van toelichting bij de verordeningen.
Uitvoering Wij stellen voor dit voorstel aan de orde te stellen in de raadsvergadering van 6 november 2023.
Participatie Niet van toepassing.
Communicatie De raadsbesluiten tot vaststelling van deze belastingverordeningen worden bekendgemaakt in het elektronische Gemeenteblad. De belastingverordeningen zijn te downloaden via overheid.nl en via de gemeentewebsite.
Evaluatie De verantwoording van de geraamde opbrengsten en kosten vindt plaats middels de jaarrekening.
Bijlagen Het raadsvoorstel bevat 15 belastingverordeningen (ontwerpbesluiten).
Ter inzage gelegde stukken Niet van toepassing.
Tilburg, 3 oktober 2023 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, de secretaris de burgemeester
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
6
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;
Besluit 1.
De volgende 15 belastingverordeningen 2024 vast te stellen waarbij binnen de ‘Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2024’ op de bedragen uit hoofstukken 4, 5, 6 en nr.78 code 190 uit artikel 7, eenmalig een vrijstelling van 013% wordt verleend’: I.de Verordening onroerende zaakbelastingen 2024 II.de Verordening afvalstoffenheffing 2024 III.de Verordening rioolheffing 2024 IV.de Verordening hondenbelasting 2024 V.de Verordening precariobelasting 2024 met tarieventabel VI.de Verordening reclamebelasting Binnenstad 2024 en kaart VII.de Verordening reclamebelasting Linten 2024 en 2 kaarten VIII.de Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2024 en 8 kaarten IX.De Verordening reclamebelasting Spoorzone 2024 en kaart X.de Verordening toeristenbelasting 2024 XI.de Verordening parkeerbelastingen 2024 met tarieventabel en 1 kaart XII.de Verordening begraafplaatsrechten 2024 en kaart XIII.de Verordening scheepvaartrechten 2024 XIV.de Verordening liggelden Piushaven Tilburg 2024 en kaart XV.de Legesverordening 2024 met tarieventabel en Tabel Grondslag legesberekening 2.
De minder opbrengsten van afgerond € 67.000,- als gevolg van de 013% vrijstelling op de precariobelasting te dekken uit het Crisis- en Herstelfonds
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 november 2023 de griffier,
voorzitter,
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
7
Bijlage 1 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;
Besluit Vast te stellen de “Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2024”. Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
2.
3.
Onder de naam "onroerende zaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2 Belastingobject 1. 2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. 2.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
8
met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Belastingtarieven 1.
2. 3.
Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,1666 % b. de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,0776 % c. de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,2106 % Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op hele euro's. Belastingbedragen van minder dan € 10,-- worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 5 Vrijstellingen 1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt bij het bepalen van de maatstaf van heffing buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, worden beheerd; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, één en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. onroerende zaken, die worden gebruikt als pastorie of kosterswoning, indien het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht daarvan toekomt aan een kerkgenootschap of ander genootschap als in onderdeel c bedoeld;
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
2.
9
m. onroerende zaken met agrarische bestemming, voor zover deze ongebouwd zijn en al niet vrijgesteld zijn op grond van letter a voornoemd; n. onroerende zaken die worden gebruikt als sportterrein, één en ander met uitzondering van gebouwde eigendommen; o. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht daarvan toekomt, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Termijnen van betaling 1.
2. 3.
4.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.
Artikel 8 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2. 3.
4.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking, doch niet eerder dan 1 januari 2024. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. De "Verordening onroerende zaakbelastingen 2023" van 14 november 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening onroerende zaakbelastingen 2024".
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 november 2023
de griffier,
voorzitter,
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
10
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
11
Memorie van toelichting behorende bij de “Verordening onroerende zaakbelastingen 2024” WOZ-waarde In verband met de jaarlijkse herwaardering zijn de onroerende zaken voor het belastingjaar 2024 opnieuw getaxeerd en hiervoor is de waardepeildatum 1 januari 2023 gehanteerd. Op basis van de huidige prognoses komt de stijging van de WOZ-waarden voor de woningen uit op gemiddeld 2,01 % en voor de niet-woningen op 2,55 %. De totale WOZ-waarde stijgt daarnaast als gevolg van een toename van het aantal woningen en nietwoningen (areaalontwikkeling). Voor de ontwikkeling van de WOZ-waarde geeft dit het volgende totaalbeeld: De totale WOZ-waarde 2023 is: € 41.261.747.000 De totale WOZ-waarde van woningen 2023 is: € 33.825.535.000 De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2023 is: € 7.436.212.000 De totale WOZ-waarde 2024 is: De totale WOZ-waarde van woningen 2024 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2024 is:
€ 42.231.068.000 € 34.313.484.000 € 7.917.584.000
Voor het belastingjaar 2024 wordt een opbrengst geraamd van € 55.554.000,00. Hierbij is rekening gehouden met een correctie voor vrijstellingen, leegstand (voor gebruikers), afrondingen, bezwaarschriften en oninbare posten. Tarieven 2024 OZB woningen OZB niet-woningen OZB niet-woningen
eigenaar eigenaar gebruiker
0,0776 % 0,2106 % 0,1666 %
De OZB tarieven zijn berekend op basis van de nieuwe WOZ-waarden voor 2024 met inbegrip van de verwachte areaal- en waardeontwikkeling.
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
12
Bijlage 2 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
Besluit vast te stellen de ’Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Tilburg 2024’. Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. perceel: een gebouwde onroerende zaak - of een gedeelte ervan - dat blijkens indeling en inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel wordt gelijkgesteld: een stacaravan, een woonboot, een woonwagen, een demontabel zomer- of vakantiehuisje en een wisselwoning, indien gebruikt door een particuliere huishouding; b. huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen, behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; c. herbruikbare afvalstoffen: de als zodanig door het college van burgemeester en wethouders aangewezen afvalstoffen (o.a. oud papier, karton, glas, textiel, oud ijzer/ metalen en elektrische en elektronische apparatuur); d. 'gebruik maken': gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer; e. aanbieding: de hoeveelheid en samenstelling van grof huisvuil zoals omschreven bij de aanmelding vooraf aan de inzameldienst. Artikel 2 Aard van belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; 2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven voor het gebruikmaken van een perceel waarvoor krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van: degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt: a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b.
gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
13
c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld. Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing 1. 2.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een schriftelijke gedagtekende kennisgeving waarop het verschuldigde bedrag is vermeld.
Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt. 5. Bij de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is de situatie aan het begin van het belastingjaar of zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht, bepalend voor de tariefstelling van een éénpersoons- of meerpersoonshuishouden. 6.
De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvraag tot ophalen van grof huisvuil, de aanvraag voor een vervangende toegangspas of bij aanvang van het gebruik van de ter beschikking gestelde plaats (milieustraat). Artikel 8 Termijnen van betaling 1.
2. 3.
4.
5.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. De in hoofdstuk 2 van de tarieventabel opgenomen bedragen moeten per pinbetaling worden afgerekend
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
14
op het moment van de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, tweede lid. Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de afvalstoffenheffing kan kwijtschelding worden verleend voor de in hoofdstuk 1 van de tarieventabel opgenomen tarieven. Artikel 10 Overgangsrecht 1. De 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2023' vastgesteld bij raadsbesluit van 14 november 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de heffing van afvalstoffenheffing in die periode plaatsvindt. Artikel 11 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. Artikel 12 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2024'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 november 2023
de griffier,
voorzitter,
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
15
Tarieventabel behorende bij de 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2024' Deze bijlage omvat de in artikel 6 van genoemde verordening aangehaalde tarieventabel per 1 januari 2024.
Hoofdstuk 1 AFVALSTOFFENHEFFING 1.1
1.2
1.3
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 291,78 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 324,20 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen afvalstoffenheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Hoofdstuk 2 Overige maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing 2.1
Het tarief voor het op de milieustraat van de gemeente Tilburg achterlaten van: a. grof huishoudelijk restafval € 0,25 per kg b. verbouwingsrestafval bedraagt € 0,25 per kg 2.2 De belasting genoemd onder 2.1 wordt niet geheven voor het achterlaten van: a. klein chemisch afval en asbesthoudend materiaal; b. per soort gescheiden aangeboden herbruikbare huishoudelijke afvalstoffen. 2.3 Het tarief voor het op aanvraag aan huis ophalen van grof huisvuil bedraagt € 25,00 per aanbieding. 2.4 Het tarief voor het bij vermissing of beschadiging aanvragen van een nieuwe toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainer of voor de milieustraat bedraagt € 12,50 per aangevraagde toegangspas. Nadere regels met betrekking tot het achterlaten en laten ophalen van grof huishoudelijk afval zijn in het Gewijzigde Uitvoeringsbesluit 2022 behorende bij de Afvalstoffenverordening gemeente Tilburg 2019 opgenomen. Hierin zijn ook de omschrijvingen van diverse afvalsoorten opgenomen.
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
16
Memorie van toelichting behorende bij de 'Verordening afvalstoffenheffing Tilburg 2024' Voor de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekking. Ten opzichte van 2023 zijn de kosten van het afvalbeheer € 1,8 miljoen hoger. Door de prijsontwikkeling stijgen de kosten met € 1,8 mln. De kapitaallasten zijn € 0,9 mln. lager door het verschuiven van het startmoment van afschrijven naar het eerste jaar na activering/ingebruikname in plaats van activering na oplevering. Het in 2022 in gang gezet nieuw beleid van de elektrificatie wagenpark betekent een toename van de kosten in 2024 met € 0,5 mln. De toerekening van inzet BOA’s aan de afvalstoffenheffing leidt tot een toename van € 0,2 mln. Door het verhogen van de vermogensgrens voor de kwijtschelding nemen de kosten hiervan eveneens met € 0,2 mln. toe. -
Tariefontwikkeling afvalstoffenheffing Tarief
2022
2023
2024
- Eenpersoonshuishouden
€ 260,50
€ 278,17
€ 291,78
- Meerpersoonshuishouden
€ 289,45
€ 309,08
€ 324,20
- grof huishoudelijk restafval per kg.
€ 0,25
€ 0,25
€ 0,25
- verbouwingsrestafval per kg.
€ 0,25
€ 0,25
€ 0,25
Ophalen grof huisvuil
€ 25,00
€ 25,00
€ 25,00
Vervangende toegangspas milieustraat of ondergrondse container (bij beschadiging/vermissing)
€ 12,50
€ 12,50
€ 12,50
Afvalstoffenheffing Per perceel;
Afgifte Milieustraat;
Bedragen * € 1.000,Omschrijving Kosten taakveld(en) incl omslagrente Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente Netto kosten taakveld
Rekening Begroting Begroting 2022 2023 2024 20.263 23.281 24.189 -2.643 -2.327 -2.457 17.620 20.954 21.732
Toe te rekenen kosten: Overhead incl. omslagrente BTW Totale kosten
5.982 2.474 26.076
6.333 2.994 30.281
7.397 2.971 32.100
Opbrengst heffingen Dekkingspercentage
28.011 107%
30.281 100%
32.100 100%
Reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing (onttrekking is +, storting is -)
-1.936
-
-
Dekkingspercentage incl. onttrekking reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing
100%
100%
100%
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
17
Bijlage 3 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024'. Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; b. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: 1. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en 2. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
2.
3.
De belastingen worden geheven: a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
18
degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. 2.
Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. 2. 3.
4.
5.
6.
Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters afvalwater, als bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 12 maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. Indien er geen sprake is van een voorafgaande verbruiksperiode wordt de hoeveelheid water bepaald naar het werkelijke verbruik (eventueel herleid naar een periode van 12 maanden) op het moment van aangifte of, indien daarover ook geen gegevens bekend zijn, door schatting. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. De op voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water, of de op grond van het vierde lid bepaalde hoeveelheid water, wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Artikel 6 Belastingtarieven 1. 2.
Het tarief van het eigenarendeel bedraagt € 79,83. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt bij een hoeveelheid water van: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
0 251 501 751 1.001 2.501 5.001 7.501 10.001 15.001 20.001
m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³
tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met
250 500 750 1.000 2.500 5.000 7.500 10.000 15.000 20.000 50.000
m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³
€ € € € € € € € € € €
34,41 315,11 583,58 894,80 1.672,89 4.221,16 7.002,84 10.504,25 13.850,09 18.674,27 31.045,96
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
l. m. n. 3.
50.001 100.001 500.001
m³ m³ m³
tot en met tot en met en meer
19
100.000 500.000
m³ m³ m³
€ € €
52.521,35 61.469,46 78.587,51
Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De rioolheffing wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.
3.
4.
De belastingen zijn verschuldigd bij aanvang van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Bij aanslagen, die opgelegd zijn op basis van de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, en 6, tweede lid, onderdeel a, is het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel niet van toepassing indien er sprake is van een verhuizing binnen de gemeente Tilburg, waarbij de belastingplichtige zowel op het nieuwe als op het oude adres als belastingplichtige kan worden aangemerkt.
Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. Artikel 11 Vrijstellingen 1. 2.
Vervallen. De belastingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, worden niet geheven ter zake van afvalwater dat wordt geloosd op het gemeentelijke rioleringsstelsel en afkomstig is van saneringsprojecten in het kader van bodemverontreiniging.
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
20
Artikel 12 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2. 3.
4.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. De 'Verordening rioolheffing 2023' van 14 november 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2024'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 november 2023
de griffier,
voorzitter,
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
21
Memorie van toelichting behorende bij de ‘Verordening rioolheffing 2024’ Tarieven Ten opzichte van 2023 stijgen de tarieven respectievelijk van € 73,35 en € 31,61 (tarief artikel 6, lid 2, onderdeel a/bij waterverbruik van 0 tot en met 250m3) naar respectievelijk € 79,83 en € 34,41. Dit is een stijging van 9% ten opzichte van 2023 en dit geldt ook voor de overige tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 2. Voor de rioolheffing wordt uitgegaan van 100 % kostendekkendheid. De toerekening aan de rioolheffing laat een stijging zien van € 1,3 mln ten opzichte van 2023. Dit wordt met name veroorzaakt door de toename van de kapitaallasten en door de stijging van de exploitatiekosten mede veroorzaakt door prijsstijgingen.
Tariefontwikkeling rioolheffing:
Rioolheffing eigenaar Rioolheffing gebruiker (“basis” tarief)
bedragen * € 1.000,Kosten taakveld(en) incl omslagrente Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente Netto kosten taakveld Toe te rekenen kosten: Overhead incl. omslagrente BTW
2022 € 75,46 € 32,52
2023 € 73,35 € 31,61
2024 € 79,83 € 34,41
Rekening Begroting Begroting 2022 2023 2024 10.620 10.086 13.864 -245 -69 -62 10.375 10.017 13.802
628 1.725
616 2.698
815 2.535
Totale kosten
12.728
13.331
17.152
Opbrengst heffingen
13.473
13.331
14.623
106% -745 100%
100% 0 100%
85% 2.529 100%
Dekkingspercentage Reserve en/of voorziening rioolheffing (onttrekking is +, storting is -) Dekkingspercentage incl. reserve en/of voorziening Rioolheffing
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
22
Bijlage 4 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; - gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; - gelet op artikel 226 van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2024'. Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam 'hondenbelasting' wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van één of meer honden binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van één of meer honden. 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook één of meer honden onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. 3. Het houden van één of meer honden door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van één of meer honden door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden: Artikel 4 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt per belastingjaar: a. voor een eerste hond € 128,76; b. voor een tweede hond € 182,61; c. voor iedere hond boven het aantal van twee € 216,93. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in kennels, per kennel per belastingjaar € 406,44.
Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen. Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, indien dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting respectievelijk de hogere belasting ter zake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
3.
4.
23
Indien de belastingplicht in de loop van het belasting jaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, wordt geheel of gedeeltelijke ontheffing verleend voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden resteren. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen hondenbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 8 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: 1. die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en als zodanig door een blind persoon of een persoon met een lichamelijke en/of geestelijke beperking worden gehouden of die verblijven bij een opleider van een hulp- of geleidehondorganisatie om te worden opgeleid tot assistentiehond of die in opleiding zijn als assistentiehond en in opdracht van een opleidingsinstituut daartoe zijn geplaatst bij een gastgezin. Onder assistentiehonden wordt verstaan: - Een hulphond: opgeleid voor hulp aan mensen met een motorische beperking. - Een signaalhond: opgeleid voor hulp aan mensen met een auditieve beperking. - Een (blinde)geleidehond: opgeleid voor de begeleiding van blinden en mensen met een visuele beperking. - Een epilepsiehond: opgeleid om mensen met epilepsie bij te staan en alarm te slaan bij een aanval. - Een therapiehond: opgeleid voor hulp aan mensen met autisme. 2. die in een hondenasiel verblijven. Onder hondenasiel wordt verstaan: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren; 3.
die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid van het Besluit houders van dieren; 4. die jonger zijn dan drie maanden, voor zover ze tezamen met de moederhond worden gehouden; 5. waarvan de houder een geldig certificaat 'politiehond' van de Koninklijke Nederlandse Politiehondenvereniging kan tonen, die gehoorzamen naar de bevelen van zijn begeleider en waarvoor de houder zich heeft verbonden om hond en begeleider op aanvraag aan de politie ter beschikking te stellen; 6. die door de 'Stichting Hulphond Nederland' of een daarmee gelijk te stellen erkende instantie als gehandicaptenhond aan een lichamelijk of auditief gehandicapte persoon of een persoon met epilepsie of autisme ter beschikking zijn gesteld. Artikel 9 Termijn van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnenworden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
24
Artikel 10 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. 3. De 'Verordening hondenbelasting 2023' van 14 november 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening hondenbelasting 2024'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 november 2023
de griffier,
voorzitter,
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
25
Memorie van toelichting behorende bij de “Verordening hondenbelasting 2024" Tarieven Ten opzichte van 2023 stijgen de tarieven hondenbelasting voor 2024 met 8,44%. Voor 2024 wordt een totale opbrengst hondenbelasting verwacht van € 1.936.000. Dit is inclusief een extra te realiseren opbrengst van € 270.000 vanuit de afspraken in de begrotingen van 2012 en 2015. De totale kosten bedragen naar verwachting € 1.666.000. Tariefontwikkeling Hondenbelasting 2019
2020
2021
2022
2023
2024
e
€ 107,86
€ 108,93
€ 109,40
€ 113,19
€ 118,74
€ 128,76
e
€ 152,98
€ 154,49
€ 155,15
€ 160,53
€ 168,40
€ 182,61
e
€ 181,73
€ 183,53
€ 184,31
€ 190,71
€ 200,05
€ 216,93
€ 340,48
€ 343,85
€ 345,32
€ 357,29
€ 374,81
€ 406,44
1 hond 2 hond 3 hond Kennel
Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Omschrijving
Rekening Begroting Begroting 2022
2023
2024
Handhaving/dierenopvangcentrum
932
1.068
1.169
Afvalverwijdering
358
360
407
Heffing en invordering
81
86
90
Totaal kosten
1.371
1.514
1.666
Totaal opbrengsten
1.660
1.784
1.936
289
270
270
Saldo
bedragen * € 1.000,-
Rekening Begroting Begroting 2022
Kosten taakveld(en) incl. omslagrente Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente
1.241
2023
2024
1.186
1.416
186
34
162
1.055
1.152
1.254
Overhead incl. omslagrente
136
155
185
BTW
180
207
227
Totale kosten
1.371
1.514
1.666
Opbrengst heffingen
1.660
1.784
1.936
289
270
270
Netto kosten taakveld Toe te rekenen kosten:
Saldo
01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2024
26
Bijlage 5 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2024'. Artikel 1 Definities 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. jaar: een kalenderjaar; b. maand: een kalendermaand; c. week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen; d. dag: een periode van 24 uur, aanvangende te 0.00 uur, of een gedeelte daarvan. e. dag bij hoofdstuk 6 (nr. 60 en nr. 62) van de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel: een periode van 24 aaneengesloten uren; f. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht 1.