CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2022 met bijlagen versie 26-10-21_

Raadsvergadering 11 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen van de belastingverordeningen 202229.323 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

raad 2021_1210 definitief

1

Raadsvoorstel belastingverordeningen 2022 Aanleiding De raad stelt jaarlijks gelijktijdig met de Programmabegroting de belastingverordeningen voor het komende jaar vast. De actualisatie van de belastingverordeningen behelst aanpassing van de tarieven en redactionele wijzigingen. Voordat een belasting kan worden geheven, moet een belastingverordening worden vastgesteld door de raad. Aangezien de datum van ingang van de heffing 1 januari 2022 is, dienen de hierna genoemde belastingverordeningen vóór deze datum te worden vastgesteld door de raad: 1. de Verordening onroerende zaakbelastingen 2022 2. de Verordening afvalstoffenheffing 2022 3. de Verordening rioolheffing 2022 4. de Verordening hondenbelasting 2022 5. de Verordening precariobelasting 2022 met tarieventabel 6. de Verordening reclamebelasting Binnenstad 2022 en kaart 7. de Verordening reclamebelasting Linten 2022 en 2 kaarten 8. de Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2022 en 8 kaarten 9. de Verordening toeristenbelasting 2022 10. de Verordening parkeerbelastingen 2022 met tarieventabel en 1 kaart 11. de Verordening begraafplaatsrechten 2022 en kaart 12. de Verordening scheepvaartrechten 2022 13. de Verordening liggelden Piushaven Tilburg 2022 en kaart 14.

de Legesverordening 2022 met tarieventabel en Tabel Grondslag legesberekening De raad ontvangt ter besluitvorming het raadsvoorstel en de ontwerpbesluiten van de belastingverordeningen 2022. De tarieven in de belastingverordeningen voor 2022 zijn afgestemd op de voorstellen in de Programmabegroting 2022. In de meeste gevallen is sprake van een nominale indexering van 1,9% van de tarieven 2022 ten opzichte van de tarieven 2021 en in andere gevallen van een extra tariefsverhoging of -verlaging in verband met het streven naar kostendekkendheid.

Beoogd effect/ bestuurlijk kader In het kader van de Programmabegroting 2022 dienen de tarieven van de belastingverordeningen te worden geactualiseerd. Bij het vaststellen van de tarieven is rekening gehouden met de uitgangspunten van de Programmabegroting 2022.

Voorstel Het voorstel is om bijgevoegde 14 belastingverordeningen 2022 vast te stellen.

Argumenten 1.

Onroerende zaakbelastingen

WOZ-waarde In verband met de jaarlijkse herwaardering zijn de onroerende zaken voor het belastingjaar 2022 opnieuw getaxeerd en hiervoor is de waardepeildatum 1 januari 2021 gehanteerd. Op basis van de huidige prognoses komt de stijging van de WOZ-waarden voor de woningen uit op gemiddeld 8,01 % en voor de niet-woningen op

raad 2021_1210 definitief

2

0,34 %. De totale WOZ-waarde stijgt daarnaast als gevolg van een toename van het aantal woningen en nietwoningen (areaalontwikkeling) Voor de ontwikkeling van de WOZ-waarde geeft dit het volgende totaalbeeld: De totale WOZ-waarde 2021 is: € 31.206.537.000 De totale WOZ-waarde van woningen 2021 is: € 24.789.562.000 De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2021 is: € 6.416.975.000 De totale WOZ-waarde 2022 is: De totale WOZ-waarde van woningen 2022 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2022 is:

€ 34.006.281.000 € 27.296.095.000 € 6.710.186.000

Voor het belastingjaar 2022 wordt een opbrengst geraamd van € 48.356.000,-. Hierbij is rekening gehouden met een correctie voor vrijstellingen, leegstand (voor gebruikers), afrondingen, bezwaarschriften en oninbare posten en een beleidsmatige verhoging van € 1.000.000,Tarieven 2022 OZB woningen OZB niet-woningen OZB niet-woningen

eigenaar eigenaar gebruiker

0,0849 % 0,2182 % 0,1822 %

De OZB tarieven zijn berekend op basis van de nieuwe WOZ-waarden voor 2022 met inbegrip van de verwachte areaal- en waardeontwikkeling. 2. Afvalstoffenheffing Voor de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid. Ten opzichte van 2021 stijgen de tarieven voor een eenpersoonshuishouden van € 249,48 naar € 260,50 en voor een meerpersoonshuishouden van € 277,20 naar € 289,45. Ten opzichte van 2021 zijn de kosten van de afvalstoffenheffing € 4,2 miljoen hoger. Dit komt voornamelijk door de kosten voor nieuw beleid (N € 3,5 mln.), prijsontwikkelingen (€ 0,4 miljoen) en verwerkingskosten afval (N € 0,3 mln.). Het nieuw beleid bestaat uit Aanpak inzameling hoogbouw (N € 0,4 mln.), Milieustraat en Circulair Ambachtscentrum (N € 2,4 mln.), Duurzame afvalinzameling Binnenstad/Spoorzone (N € 0,2 mln.) en Illegale bijplaatsingen (N € 0,5 mln.). Het voorstel Milieustraat en Circulair Ambachtscentrum bevat voor € 2,3 mln. eenmalige kosten voor afboeken oude boekwaarde en tijdelijke milieustraat. Om een eenmalige tariefverhoging te voorkomen, worden deze kosten ten laste van de reserve Afvalstoffenheffing gebracht. De Illegale bijplaatsingen betreft een voorstel uit de begroting 2021 ten laste van de reserve Afvalstoffenheffing. In de opstelling 2021 was deze onttrekking echter gesaldeerd onder de lasten. 3.

Rioolheffing

Wijzigingen Artikel 11, lid 1 laten vervallen. Het betreft de vrijstelling om kerken in de heffing te betrekken. Het is niet duidelijk wat de reden is geweest om deze vrijstelling, welke niet meer aansluit bij het kostenverhaal in deze tijd, in de verordening op te nemen. De rioolheffing is een bestemmingsheffing die gebaseerd is op het principe van kostenveroorzaking. Die kosten worden door zowel kerken als woningen veroorzaakt en zowel kerken als woningen hebben een gelijk belang bij de gemeentelijke rioleringstaken.

raad 2021_1210 definitief

3

Tarieven Ten opzichte van 2021 stijgen de tarieven respectievelijk van € 71,83 en € 30,96 (tarief artikel 6, lid 2, onderdeel a/bij waterverbruik van 0 tot en met 250m3) naar respectievelijk € 75,46 en € 32,52. Dit is een stijging van 5,1% ten opzichte van 2021 en dit geldt ook voor de overige tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 2. Voor de rioolheffing wordt uitgegaan van 100 % kostendekkendheid. De toerekening aan de rioolheffing laat een stijging zien van € 0,7 mln. ten opzichte van 2021. Dit wordt o.a. veroorzaakt door de toename van de kapitaallasten van investeringen PWR (€ 0,6 mln.) en de kosten nieuw beleid retentievijvers (€ 0,7 mln.). Anderzijds zijn in 2022 geen kosten voor baggeren voorzien (€ 0,3 mln.). 4. Hondenbelasting Ten opzichte van 2021 stijgen de tarieven hondenbelasting voor 2021 met 3,47%. Voor 2022 wordt een totale opbrengst hondenbelasting verwacht van € 1.701.000,00. Dit is inclusief een extra te realiseren opbrengst van € 270.000,00 die is ingesteld vanwege de afspraken uit het Coalitieakkoord 20142018. De totale kosten bedragen naar verwachting € 1.431.000,00. 5. Precariobelasting De tarieven 2022 zijn gestegen door indexering van de tarieven 2021 met 1,9%. Voor de precariobelasting is een overdekking wettelijk toegestaan. De kosten zijn geraamd op € 274.000,00 en de opbrengsten op € 736.000,00. 6.

Reclamebelasting Binnenstad De tarieven voor 2022 zijn niet gewijzigd ten opzichte van 2021. De kosten zijn geraamd op € 250.000,00 en de opbrengsten op € 250.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan het Ondernemersfonds Binnenstad Tilburg. Het ondernemersfonds is een initiatief van de samenwerkende partijen in de binnenstad, te weten: Binnenstad Management Tilburg (B.M.T.), Winkeliersvereniging Binnenstad Tilburg (W.B.T.) en Stichting Horeca Concentratiegebied Tilburg (H.C.G.). 7. Reclamebelasting Linten Het heffingsgebied Linten omvat Korvel en De Besterd. De tarieven 2022 zijn gestegen ten opzichte van 2021. De tarieven zijn bepaald door indexering van de tarieven 2021 met 1,9%. De kosten zijn geraamd op € 70.000,00 en de opbrengsten op € 70.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan de Stichting de Tilburgse Linten. 8. Reclamebelasting Bedrijventerreinen Het heffingsgebied voor deze reclamebelasting omvat de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Kreitenmolen, Loven en Vossenberg. De tarieven 2022 zijn op verzoek van Stichting TOF op zeven bedrijventerreinen met 5% gestegen ten opzichte van 2021. Dit geldt niet voor het bedrijventerrein Kreitenmolen.

Voor 2022 is met stichting TOF een tarief van € 131,25 overeengekomen inzake "Deelgebruik - geen WOZwaarde"(artikel 8, lid 2) voor de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Loven & Vossenberg. De kosten zijn geraamd op € 530.000,00 en de opbrengsten geraamd op € 530.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan stichting TOF.

raad 2021_1210 definitief

4

9. Toeristenbelasting Het tarief voor 2022 is ten opzichte van 2021 ongewijzigd, namelijk 3,5 % van de verblijfsvergoeding. De kosten zijn geraamd op € 38.000,00 en de opbrengsten op € 442.000,00. 10. Parkeerbelasting De meeste tarieven voor 2022 zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van 2021. Het tarief voor de naheffingsaanslag parkeerbelasting bedraagt in 2022 € 42,60 (=excl. de kosten voor één uur parkeren). De werkelijke kosten blijkens de kostenberekening (zie bijlage Kostprijs naheffingsaanslag) bedraagt € 42,60 per naheffingsaanslag op basis van een raming van 2022 . De kosten voor het aanbrengen en verwijderen van een wielklem, evenals de kosten voor de overbrenging en bewaring van voertuigen, zijn aan de tarieventabel toegevoegd. Parkeerdienstverlener P1 verzorgt het proces van klemmen en slepen. De week- of maandkaart is vervangen door maandvergunning. De weekkaart wordt op basis van de beleidsregel parkeervergunningen 2021 niet meer verstrekt. Het product maandkaart heeft de productnaam maandvergunning gekregen. Met de inwerkingtreding van de beleidsregel parkeervergunningen 2021 hebben we de ‘maatschappelijke parkeervergunning’ geïntroduceerd. Deze vergunning heeft een tarief gelijk aan de 1 e bewonersvergunningen. In de tarieventabel is deze vergunning opgenomen (tarief: € 15,- per kwartaal). De overige tarieven voor vergunningen worden ongewijzigd voorgezet.

Voor de parkeerbelasting (naheffingsaanslag) bedragen de geraamde kosten 2022 € 3.833.679,00 en de geraamde opbrengsten over deze periode zijn € 3.833.679,00. 11. Begraafplaatsrechten De tarieven voor 2022 zijn ten opzichte van 2021 aangepast met een nominale verhoging van 1,9%. De kosten zijn geraamd op € 247.000,- en de opbrengsten geraamd op € 237.000,-. 12. Scheepvaartrechten Voor 2022 zijn de tarieven verhoogd met de nominale index van 1,9%. Voor de scheepvaartrechten en de liggelden bedragen de geraamde kosten € 275.000,- en de geraamde opbrengsten € 81.000,-. 13. Liggelden Piushaven De tarieven voor 2022 zijn verhoogd met de nominale index van 1,9%. Voor de liggelden en de scheepvaartrechten bedragen de geraamde kosten € 275.000,- en de geraamde opbrengsten € 81.000,-. 14. Leges Over het algemeen zijn de tarieven 2022 ten opzichte van 2021 verhoogd met de nominale index van 1,9%. De legesverordening is ingedeeld in 3 titels, overeenkomstig de modelverordening van de VNG. Algemene dienstverlening valt onder Titel 1. De totale lasten voor 2022 zijn geraamd op € 4.575.415,- en de geraamde opbrengsten zijn € 1.996.731,-. De kostendekkendheid van Titel 1 komt daarmee op 43,6%. Dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning valt onder Titel 2. De totale lasten van Titel 2 zijn geraamd op € 8.704.333,- en de totale baten op € 8.258.843,-.

De kostendekkendheid van Titel 2 komt daarmee op 94,9%. Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn en niet vallend onder Titel 2 valt onder Titel 3. De totale lasten hiervan zijn geraamd op € 1.004.389,- en de geraamde opbrengsten zijn € 539.204,-. De kostendekkendheid van Titel 3 komt daarmee op 53,7%. De totale geraamde lasten en geraamde opbrengsten van de legesverordening bedragen respectievelijk € 14.284.137,- en € 10.794.778,-. De kostendekkendheid van de totale legesverordening komt uit op 75,6%.

raad 2021_1210 definitief

5

Risico’s De inwerkingtreding van alle belastingverordeningen is voorzien op 1 januari 2022 en daarom dienen deze belastingverordeningen vóór 1 januari 2022 door de raad te worden vastgesteld. De raadsbesluiten tot vaststelling van deze belastingverordeningen treden niet in werking als deze raadsbesluiten niet zijn bekendgemaakt en gepubliceerd.

Vervolg Wij stellen u voor om de belastingverordeningen voor het belastingjaar 2022 vast te stellen conform de bijgevoegde ontwerp raadsbesluiten. De raadsbesluiten tot vaststelling van deze belastingverordeningen worden bekendgemaakt in het elektronische Gemeenteblad. De belastingverordeningen zijn te downloaden via overheid.nl en via de gemeentewebsite.

Evaluatie De verantwoording van de geraamde opbrengsten en kosten vindt plaats middels de jaarrekening.

Bijlagen Het raadsvoorstel bevat 14 belastingverordeningen (ontwerpbesluiten). Bijlagen 1) Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2022 2) Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Tilburg 2022 3) Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2022 4) Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2022 5) Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2022 6) Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Binnenstad 2022 7) Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Linten 2022 8) Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Bedrijventerreinen 2022 9) Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2022 10) Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 11) Verordening op de heffing en invordering van begraafplaatsrechten 2022 12) Verordening op de heffing en invordering van scheepvaartrechten 2022 13) Verordening op de heffing en invordering van liggelden Piushaven Tilburg 2022 14) Verordening op de heffing en invordering van leges 2022

Tilburg, 19 oktober 2021 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, de secretaris, de burgemeester,

raad 2021_1210 definitief

6

BIJLAGE 1 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

Besluit Vast te stellen de “Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2022”. Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.

2.

3.

Onder de naam "onroerende zaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2 Belastingobject 1. 2.

Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. 2.

De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald

raad 2021_1210 definitief

7

met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4 Belastingtarieven 1.

2. 3.

Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,1822 % b. de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,0849 % c. de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,2182 % Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op hele euro's. Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 5 Vrijstellingen 1.

In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt bij het bepalen van de maatstaf van heffing buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, worden beheerd; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, één en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; k.

straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

raad 2021_1210 definitief

8

l.

2.

onroerende zaken, die worden gebruikt als pastorie of kosterswoning, indien het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht daarvan toekomt aan een kerkgenootschap of ander genootschap als in onderdeel c bedoeld; m. onroerende zaken met agrarische bestemming, voor zover deze ongebouwd zijn en al niet vrijgesteld zijn op grond van letter a voornoemd; n. onroerende zaken die worden gebruikt als sportterrein, één en ander met uitzondering van gebouwde eigendommen; o. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht daarvan toekomt, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Termijnen van betaling 1.

2. 3.

4.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.

Artikel 8 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2. 3.

4.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking, doch niet eerder dan 1 januari 2022. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. De "Verordening onroerende zaakbelastingen 2021" van 9 november 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening onroerende zaakbelastingen 2022".

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 november 2021.

de griffier,

voorzitter,

raad 2021_1210 definitief

9

Memorie van toelichting behorende bij de “Verordening onroerende zaakbelastingen 2022” WOZ-waarde In verband met de jaarlijkse herwaardering zijn de onroerende zaken voor het belastingjaar 2022 opnieuw getaxeerd en hiervoor is de waardepeildatum 1 januari 2021 gehanteerd. Op basis van de huidige prognoses komt de stijging van de WOZ-waarden voor de woningen uit op gemiddeld 8,01 % en voor de niet-woningen op 0,34 %. De totale WOZ-waarde stijgt daarnaast als gevolg van een toename van het aantal woningen en nietwoningen (areaalontwikkeling). Voor de ontwikkeling van de WOZ-waarde geeft dit het volgende totaalbeeld: De totale WOZ-waarde 2021 is: € 31.206.537.000 De totale WOZ-waarde van woningen 2021 is: € 24.789.562.000 De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2021 is: € 6.416.975.000 De totale WOZ-waarde 2022 is: De totale WOZ-waarde van woningen 2022 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2022 is:

€ 34.006.281.000 € 27.296.095.000 € 6.710.186.000

Voor het belastingjaar 2022 wordt een opbrengst geraamd van € 48.356.000,-. Hierbij is rekening gehouden met een correctie voor vrijstellingen, leegstand (voor gebruikers), afrondingen, bezwaarschriften en oninbare posten en een beleidsmatige verhoging van € 1.000.000,Tarieven 2022 OZB woningen OZB niet-woningen OZB niet-woningen

eigenaar eigenaar gebruiker

0,0849 % 0,2182 % 0,1822 %

De OZB tarieven zijn berekend op basis van de nieuwe WOZ-waarden voor 2022 met inbegrip van de verwachte areaal- en waardeontwikkeling.

raad 2021_1210 definitief

10

BIJLAGE 2 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

Besluit vast te stellen de ’Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Tilburg 2022’. Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. perceel: een gebouwde onroerende zaak - of een gedeelte ervan - dat blijkens indeling en inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel wordt gelijkgesteld: een stacaravan, een woonboot, een woonwagen, een demontabel zomer- of vakantiehuisje en een wisselwoning, indien gebruikt door een particuliere huishouding; b. huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen, behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; c. herbruikbare afvalstoffen: de als zodanig door het college van burgemeester en wethouders aangewezen afvalstoffen (o.a. oud papier, karton, glas, textiel, oud ijzer/ metalen en elektrische en elektronische apparatuur); d. 'gebruik maken': gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer; e. aanbieding: de hoeveelheid en samenstelling van grof huisvuil zoals omschreven bij de aanmelding vooraf aan de inzameldienst. Artikel 2 Aard van belasting en belastbaar feit 1.

Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; 2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven voor het gebruikmaken van een perceel waarvoor krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van: degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; 2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt: a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als

raad 2021_1210 definitief

11

gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld. Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing 1. 2.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een schriftelijke gedagtekende kennisgeving waarop het verschuldigde bedrag is vermeld.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt. 5. Bij de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is de situatie aan het begin van het belastingjaar of zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht, bepalend voor de tariefstelling van een éénpersoons- of meerpersoonshuishouden. 6.

De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvraag tot ophalen van grof huisvuil, de aanvraag voor een vervangende toegangspas of bij aanvang van het gebruik van de ter beschikking gestelde plaats (milieustraat). Artikel 8 Termijnen van betaling 1.

2. 3.

4.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische

raad 2021_1210 definitief

5.

12

betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. De in hoofdstuk 2 van de tarieventabel opgenomen bedragen moeten per pinbetaling worden afgerekend op het moment van de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, tweede lid.

Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de afvalstoffenheffing kan kwijtschelding worden verleend voor de in hoofdstuk 1 van de tarieventabel opgenomen tarieven. Artikel 10 Overgangsrecht 1. De 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2021' vastgesteld bij raadsbesluit van 9 november 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de heffing van afvalstoffenheffing in die periode plaatsvindt. Artikel 11 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022.

Artikel 12 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2022'.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 november 2021

de griffier,

voorzitter,

raad 2021_1210 definitief

13

Tarieventabel behorende bij de 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2022' Deze bijlage omvat de in artikel 6 van genoemde verordening aangehaalde tarieventabel per 1 januari 2022.

Hoofdstuk 1 AFVALSTOFFENHEFFING 1.1

1.2

1.3

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 260,50 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 289,45 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen afvalstoffenheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Hoofdstuk 2 Overige maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing 2.1

Het tarief voor het op de milieustraat van de gemeente Tilburg achterlaten van: a. grof huishoudelijk restafval € 0,25 per kg b. verbouwingsrestafval bedraagt € 0,25 per kg 2.2 De belasting genoemd onder 2.1 wordt niet geheven voor het achterlaten van: a. klein chemisch afval en asbesthoudend materiaal; b. per soort gescheiden aangeboden herbruikbare huishoudelijke afvalstoffen. 2.3 Het tarief voor het op aanvraag aan huis ophalen van grof huisvuil bedraagt € 25,00 per aanbieding. 2.4 Het tarief voor het bij vermissing of beschadiging aanvragen van een nieuwe toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainer of voor de milieustraat bedraagt € 12,50 per aangevraagde toegangspas. Nadere regels met betrekking tot het achterlaten en laten ophalen van grof huishoudelijk afval zijn in het Uitvoeringsbesluit 2020 behorende bij de Afvalstoffenverordening gemeente Tilburg 2019 opgenomen. Hierin zijn ook de omschrijvingen van diverse afvalsoorten opgenomen.

raad 2021_1210 definitief

14

Memorie van toelichting behorende bij de 'Verordening afvalstoffenheffing Tilburg 2022' Voor de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekking. Ten opzichte van 2021 zijn de kosten van de afvalstoffenheffing € 4,2 miljoen hoger. Dit komt voornamelijk door de kosten voor nieuw beleid (N € 3,5 mln.), prijsontwikkelingen (€ 0,4 miljoen) en verwerkingskosten afval (N € 0,3 mln.). Het nieuw beleid bestaat uit Aanpak inzameling hoogbouw (N € 0,4 mln.), Milieustraat en Circulair Ambachtscentrum (N € 2,4 mln.), Duurzame afvalinzameling Binnenstad/Spoorzone (N € 0,2 mln.) en Illegale bijplaatsingen (N € 0,5 mln.). Het voorstel Milieustraat en Circulair Ambachtscentrum bevat voor € 2,3 mln. eenmalige kosten voor afboeken oude boekwaarde en tijdelijke milieustraat. Om een eenmalige tariefverhoging te voorkomen, worden deze kosten ten laste van de reserve Afvalstoffenheffing gebracht. De Illegale bijplaatsingen betreft een voorstel uit de begroting 2021 ten laste van de reserve Afvalstoffenheffing. In de opstelling 2021 was deze onttrekking echter gesaldeerd onder de lasten. -

Tariefontwikkeling afvalstoffenheffing Tarief

2020

2021

2022

- Eenpersoonshuishouden

€ 263,25

€ 249,48

€ 260,50

- Meerpersoonshuishouden

292,50

277,20

€ 289,45

- grof huishoudelijk restafval per kg.

€ 0,25

€ 0,25

€ 0,25

- verbouwingsrestafval per kg.

€ 0,25

€ 0,25

€ 0,25

Ophalen grof huisvuil

€ 25,00

€ 25,00

€ 25,00

Vervangende toegangspas milieustraat of ondergrondse container (bij beschadiging/vermissing)

€ 12,50

€ 12,50

€ 12,50

Rekening

Begroting

Afvalstoffenheffing Per perceel;

Afgifte Milieustraat;

Bedragen * € 1.000,Omschrijving

2020 Kosten taakveld(en) incl omslagrente

Begroting 2022 2021 24.652 20.527 -2.490 -2.665 21.987 18.037

Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente

20.322 -3.215

Netto kosten taakveld

17.107

Toe te rekenen kosten: Overhead incl. omslagrente

5.543

5.615

BTW

2.655

2.617

Totale kosten

25.305

26.269

Opbrengst heffingen

27.550

26.269

Dekkingspercentage

109%

100%

27.746 91%

Reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing (onttrekking is +, storting is -)

-2.245

0

2.748

5.865 2.642 30.494

raad 2021_1210 definitief

Dekkingspercentage incl. onttrekking reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing

15

100%

100%

100%

raad 2021_1210 definitief

16

BIJLAGE 3 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2022'. Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; b. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: 1. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en 2. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1.

2.

3.

De belastingen worden geheven: a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik

raad 2021_1210 definitief

17

door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. 2.

Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. 2. 3.

4.

5.

6.

Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters afvalwater, als bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 12 maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. Indien er geen sprake is van een voorafgaande verbruiksperiode wordt de hoeveelheid water bepaald naar het werkelijke verbruik (eventueel herleid naar een periode van 12 maanden) op het moment van aangifte of, indien daarover ook geen gegevens bekend zijn, door schatting. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. De op voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water, of de op grond van het vierde lid bepaalde hoeveelheid water, wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

Artikel 6 Belastingtarieven 1. 2.

Het tarief van het eigenarendeel bedraagt € 75,46. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt bij een hoeveelheid water van: a. b. c. d. e. f. g. h.

0 251 501 751 1.001 2.501 5.001 7.501

m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³

tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met

250 500 750 1.000 2.500 5.000 7.500 10.000

m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³

€ € € € € € € €

32,52 297,85 551,61 845,79 1.581,26 3.989,95 6.619,26 9.928,87

raad 2021_1210 definitief

i. j. k. l. m. n. 3.

10.001 15.001 20.001 50.001 100.001 500.001

18

m³ m³ m³ m³ m³ m³

tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met en meer

15.000 20.000 50.000 100.000 500.000

m³ m³ m³ m³ m³ m³

€ € € € € €

13.091,45 17.561,39 29.345,42 49.644,48 58.102,46 74.282,87

Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De rioolheffing wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.

3.

4.

De belastingen zijn verschuldigd bij aanvang van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Bij aanslagen, die opgelegd zijn op basis van de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, en 6, tweede lid, onderdeel a, is het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel niet van toepassing indien er sprake is van een verhuizing binnen de gemeente Tilburg, waarbij de belastingplichtige zowel op het nieuwe als op het oude adres als belastingplichtige kan worden aangemerkt.

Artikel 10 Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. Artikel 11 Vrijstellingen 1.

Vervallen.

raad 2021_1210 definitief

2.

19

De belastingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, worden niet geheven ter zake van afvalwater dat wordt geloosd op het gemeentelijke rioleringsstelsel en afkomstig is van saneringsprojecten in het kader van bodemverontreiniging.

Artikel 12 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2. 3.

4.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. De 'Verordening rioolheffing 2021' van 9 november 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2022'.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 november 2021

de griffier,

voorzitter,

raad 2021_1210 definitief

20

Memorie van toelichting behorende bij de ‘Verordening rioolheffing 2022’ Wijzigingen Artikel 11, lid 1 laten vervallen. Het betreft de vrijstelling om kerken in de heffing te betrekken. Het is niet duidelijk wat de reden is geweest om deze vrijstelling, welke niet meer aansluit bij het kostenverhaal in deze tijd, in de verordening op te nemen. De rioolheffing is een bestemmingsheffing die gebaseerd is op het principe van kostenveroorzaking. Die kosten worden door zowel kerken als woningen veroorzaakt en zowel kerken als woningen hebben een gelijk belang bij de gemeentelijke rioleringstaken. Tarieven Ten opzichte van 2021 stijgen de tarieven respectievelijk van € 71,83 en € 30,96 (tarief artikel 6, lid 2, onderdeel a/bij waterverbruik van 0 tot en met 250m3) naar respectievelijk € 75,46 en € 32,52. Dit is een stijging van 5,1% ten opzichte van 2021 en dit geldt ook voor de overige tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 2. Voor de rioolheffing wordt uitgegaan van 100 % kostendekkendheid. De toerekening aan de rioolheffing laat een stijging zien van € 0,7 mln. ten opzichte van 2021. Dit wordt o.a. veroorzaakt door de toename van de kapitaallasten van investeringen PWR (€ 0,6 mln.) en de kosten nieuw beleid retentievijvers (€ 0,7 mln.). Anderzijds zijn in 2022 geen kosten voor baggeren voorzien (€ 0,3 mln.).

Tariefontwikkeling rioolheffing:

Rioolheffing eigenaar Rioolheffing gebruiker (“basis” tarief)

bedragen * € 1.000,Kosten taakveld(en) incl omslagrente Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente Netto kosten taakveld Toe te rekenen kosten: Overhead incl. omslagrente BTW

2020 € 67,41 € 29,05

Rekening 2020 9.270 -618 8.652

2021 € 71,83 € 30,96

2022 € 75,46 € 32,52

Begroting Begroting 2021 2022 10.266 10.789 -69 -69 10.197 10.720

476 1.529

568 2.134

616 2.302

Totale kosten

10.657

12.899

13.638

Opbrengst heffingen

11.850

12.899

13.638

111%

100%

100%

-1.193

0

0

100%

100%

100%

Dekkingspercentage Reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing (onttrekking is +, storting is -) Dekkingspercentage incl. reserve en/of voorziening Rioolheffing

raad 2021_1210 definitief

21

BIJLAGE 4

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 226 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2022'. Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam 'hondenbelasting' wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van één of meer honden binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van één of meer honden. 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook één of meer honden onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. 3. Het houden van één of meer honden door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van één of meer honden door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden: Artikel 4 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt per belastingjaar: a. voor een eerste hond € 113,19; b. voor een tweede hond € 160,53; c. voor iedere hond boven het aantal van twee € 190,71. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in kennels, per kennel per belastingjaar € 357,29.

Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen.

raad 2021_1210 definitief

22

Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.

3.

4.

De belasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, indien dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting respectievelijk de hogere belasting ter zake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht in de loop van het belasting jaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, wordt geheel of gedeeltelijke ontheffing verleend voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden resteren. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen hondenbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 8 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: 1. a. die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en als zodanig door een blind persoon of een persoon met een lichamelijke en/of geestelijke beperking worden gehouden of die verblijven bij een opleider van een hulp- of geleidehondorganisatie om te worden opgeleid tot assistentiehond. b. Onder assistentiehonden wordt verstaan: - Een hulphond: opgeleid voor hulp aan mensen met een motorische beperking. - Een signaalhond: opgeleid voor hulp aan mensen met een auditieve beperking. - Een (blinde)geleidehond: opgeleid voor de begeleiding van blinden en mensen met een visuele beperking. - Een epilepsiehond: opgeleid om mensen met epilepsie bij te staan en alarm te slaan bij een aanval. - Een therapiehond: opgeleid voor hulp aan mensen met autisme. 2. die in een hondenasiel verblijven. Onder hondenasiel wordt verstaan: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren; 3. die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid van het Besluit houders van dieren; 4.

die jonger zijn dan drie maanden, voor zover ze tezamen met de moederhond worden gehouden; 5. waarvan de houder een geldig certificaat 'politiehond' van de Koninklijke Nederlandse Politiehondenvereniging kan tonen, die gehoorzamen naar de bevelen van zijn begeleider en waarvoor de houder zich heeft verbonden om hond en begeleider op aanvraag aan de politie ter beschikking te stellen; 6. vervallen; 7. die door de 'Stichting Hulphond Nederland' of een daarmee gelijk te stellen erkende instantie als gehandicaptenhond aan een lichamelijk of auditief gehandicapte persoon of een persoon met epilepsie of autisme ter beschikking zijn gesteld.

raad 2021_1210 definitief

23

Artikel 9 Termijn van betaling 1.

2. 3.

4.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.

Artikel 10 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2. 3.

4.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. De 'Verordening hondenbelasting 2021' van 9 november 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening hondenbelasting 2022'.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 november 2021.

de griffier,

voorzitter,

raad 2021_1210 definitief

24

Memorie van toelichting behorende bij de “Verordening hondenbelasting 2022" Tarieven Ten opzichte van 2021 stijgen de tarieven hondenbelasting voor 2022 met 3,47%. Voor 2022 wordt een totale opbrengst hondenbelasting verwacht van € 1.701.000,00. Dit is inclusief een extra te realiseren opbrengst van € 270.000,00 die is ingesteld vanwege de afspraken uit het Coalitieakkoord 2014-2018. De totale kosten bedragen naar verwachting € 1.431.000,00. Tariefontwikkeling hondenbelasting

2019

2020

2021

2022

€ 107,86

€ 108,93

€ 109,40

€ 113,19

2 hond

€ 152,98

€ 154,49

€ 155,15

€ 160,53

3e hond

€ 181,73

€ 183,53

€ 184,31

€ 190,71

Kennel

€ 340,48

€ 343,85

€ 345,32

€ 357,29

1e hond e

Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Omschrijving

Rekening Begroting Begroting 2020

2021

2022

Handhaving/dierenopvangcentrum

923

991

1.018

Afvalverwijdering

209

309

337

Heffing en invordering

72

74

76

Totaal kosten

1.204

1.374

1.431

Totaal opbrengsten

1.583

1.644

1.701

379

270

270

Saldo

bedragen * € 1.000,-

Rekening Begroting Begroting 2020

Kosten taakveld(en) incl omslagrente

2021

2022

908

1.041

1.080

908

1.041

1.080

Overhead incl. omslagrente

133

146

154

BTW

163

187

197

Totale kosten

1.204

1.374

1.431

Opbrengst heffingen

1.583

1.644

1.701

379

270

270

Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente Netto kosten taakveld Toe te rekenen kosten:

Saldo

raad 2021_1210 definitief

25

BIJLAGE 5 Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2022'. Artikel 1 Definities 1.

Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. jaar: een kalenderjaar; b. maand: een kalendermaand; c. week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen; d. dag: een periode van 24 uur, aanvangende te 0.00 uur, of een gedeelte daarvan. e. dag bij hoofdstuk 6 (nr. 60 en nr. 62) van de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel: een periode van 24 aaneengesloten uren; f. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.

Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht 1.

2.

De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Belastingtijdvak 1. 2.

Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het kalenderjaar, bedraagt de belasting zoveel twaalfden van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na aanvang van de belastingplicht nog volle maanden van het kalenderjaar resteren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10781118/1