Definitieve Lokale energiestrategie Teylingen - LES 1.0.pdf
Tekst van het document
Een toename van het aantal gereden kilometers met 15%
◼
75% elektrische personenauto’s, 25% op biobrandstoffen of synthetische gassen zoals waterstof
Het aandeel elektrisch vervoer is nog onzeker. De verwachting is dat het merendeel elektrisch zal zijn, aangezien bezwaren als een kleine actieradius er in 2050 niet meer zijn, en hernieuwbare gassen eerst in de industrie worden ingezet, voordat mobiliteit aan bod komt. Daarom wordt in dit scenario ervan uitgegaan dat 75% van het wagenpark elektrisch is in 2050.
63
Totaal energieoverzicht De grafiek hieronder laat zien hoe de energiehuishouding op basis van de scenario’s verandert in de toekomst.
Figuur 28: Overzicht totaal energieverbruik 2014 - 2050 (3 scenario's voor eindsituatie)
64
Overzicht aannames achter de scenario’s RES 2030
2050 All electric scenario
2050 Warmtenet scenario
2050 Midden scenario
Groei woningen t.o.v. 2019: 6% (1.000 woningen)
15% groei woningen en utiliteitsgebouwen t.o.v. 2030
15% groei woningen en utiliteitsgebouwen t.o.v. 2030
15% groei woningen en utiliteitsgebouwen t..o.v.2030
7% besparing d.m.v. isolatie
25% besparing d.m.v. isolatie in de hele gebouwde omgeving
10% besparing d.m.v. isolatie in de hele gebouwde omgeving
13% besparing d.m.v. isolatie in de hele gebouwde omgeving
20% hybride warmtepompen
100% all electric
Merendeel warmtenet
50% warmtenetten, 25% all electric, 25% hybride
5% besparing woningen 15% besparing utiliteitsgebouwen
10% besparing woningen 20% besparing utiliteitsgebouwen
10% besparing woningen 20% besparing utiliteitsgebouwen
10% besparing woningen 20% besparing utiliteitsgebouwen
Toename wagenpark 5% t.o.v. 2019
Toename wagenpark 15% t.o.v. 2019
Toename wagenpark 15% t.o.v. 2019
Toename wagenpark 15% t.o.v. 2019
30% elektrisch 70% fossiele brandstof
75% elektrisch 25% (bio/duurzame) brandstof
75% elektrisch 25% (bio/duurzame) brandstof
75% elektrisch 25% (bio/duurzame) brandstof
Nieuwbouw
Warmte
Elektriciteit
Mobiliteit
65
Bijlage: Uitgangspunten LES gemeente Teylingen Uitgangspunten Lokale Energiestrategie (LES), vastgesteld op 11
c. streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van de inwo-
maart 2021
ners van Teylingen met specifieke aandacht voor jongeren;
De voorlopige uitgangspunten sluiten aan bij de regionale uitgangspunten
d. om het draagvlak verder te kunnen vergroten de energiecoaches
van de RES, de ambitie van de regio Holland Rijnland “energieneutraal in
maximaal betrekken;
2050” en de lokale ambitie “De gemeentelijke organisatie is in 2030 volledig duurzaam”. We maken ons eigen vastgoed (aard)gasloos en energieneutraal en we verduurzamen ons wagenpark”. Daarnaast zijn de uitgangspunten getoetst aan de resultaten van de eerste fase van het participatietraject.
2. Bij keuzes rekening houden met inherente flexibiliteit Dit betekent dat wij:
1. Realiseren van maatschappelijk draagvlak
a. ons realiseren dat de energietransitie een stap-voor-stap proces is, waarbij iedere keer de beste keuze gemaakt moet worden uit
Het realiseren van maatschappelijk draagvlak is een noodzakelijke voor-
de opties die er op dat moment zijn;
waarde voor het doen slagen van de energietransitie in Teylingen. In dat verband is het nodig dat inwoners zo goed mogelijk wordt gevraagd naar
b. ons beseffen dat vooral innovaties de drijvende kracht achter de
hun mening over de energietransitie en over de concrete maatregelen die
energietransitie zijn;
worden overwogen en dat recht wordt gedaan aan de gehoorde opvattingen. Het is belangrijk dat ook de participatie van jongeren concreet invulling
c.
willen voorkomen dat voor Teylingen een situatie ontstaat waarbij er gaandeweg betere technologieën opkomen die vervolgens niet
krijgt.
gebruikt kunnen worden omdat alles vooraf al is dichtgetimmerd; Dit betekent dat wij: d. prioriteit geven aan maatregelen die daadwerkelijk leiden tot vera. ons maximaal gaan inspannen om te komen tot een zo breed mogelijk gedragen aanpak van de energietransitie in Teylingen; b. ernaar streven maatschappelijk draagvlak te realiseren door de informatieverstrekking aan en de participatie van onze inwoners de komende periode concreet in te vullen en te verbeteren incl. aandacht voor financiële participatie van onze inwoners’;
66
mindering van CO2-uitstoot
3. Versterking van landschapselementen en toerisme
4. Gebieden worden niet op voorhand uitgesloten
Het landschap en het toerisme zijn voor ons belangrijk. We willen dat de
Het ambitieniveau van de energietransitie is hoog. Dit betekent dat we alle
energietransitie ons landschap en ons toerisme niet verstoort. Dit betekent
mogelijkheden onderzoeken waarmee we onze ambitie zouden kunnen in-
dat we het buitengebied niet zomaar vol zetten met windturbines en/of zon-
vullen. We sluiten op voorhand dus geen locaties binnen onze gemeente
neparken, maar aansluiten bij wat past bij ons cultuurlandschap en onze
uit. Pas als er een voorstel ligt kijken we of dit realistisch en haalbaar is en
infrastructuur. Dit betekent dat we inzetten op de verduurzaming van ver-
wegen we dit af tegen eventuele nadelige effecten. Zo zorgen we ervoor
voer en mobiliteit rondom toeristische en recreatielocaties. Tevens maken
dat we open het gesprek ingaan. Hierbij is het belangrijk dat gebieden niet
we gebruik van onze bestaande landschapselementen zoals wegen en
al te veel worden verstoord als het gaat om wonen, toerisme, recreatie,
vaarwateren om “horizon- en landschapsversterking” voor iedereen aan-
biodiversiteit en ondernemerschap. Daarbij is het van belang dat initiatie-
trekkelijk te maken en te houden. De Structuurvisie Teylingen 2015 en de
ven een bijdrage leveren aan de koers van Structuurvisie Teylingen 2015.
Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (ISG 2016) vormen daarbij voor ons het vertrekpunt. Dit betekent dat wij: a. Ons lokale bollentoerisme willen behouden en waar mogelijk versterken.
Dit betekent dat wij: a. De mogelijkheden willen onderzoeken voor opwekking op water als op land. b. Het landschap met grote cultuurhistorische waarde zoals de kenmerkende bollengronden en de polders rond de Kaag niet oneven-
b. De landschappelijke en recreatie waarde van de Kagerplassenge-
redig veel willen verstoren, maar een initiatief landschappelijk goed
bied willen behouden en waar mogelijk versterken. c.
Onze energie bij voorkeur langs infrastructuur opwekken. onze
c.
Willen dat grootschalige energie opwek binnen gebieden realis-
energie bij voorkeur langs en/of geïntegreerd in (bestaande) infra-
tisch, milieu technisch, maatschappelijk (draagvlak) en financieel
structuur opwekken.
(lokaal eigenaarschap) haalbaar is. We voeren hiervoor een maat-
d. Focussen op multifunctioneel ruimte gebruik voor wonen, werken, recreatie en energieopwekking. e. Moeten zorgen dat (onze) initiatieven bijdragen aan de koers van de Structuurvisie Teylingen 2015 en de ISG 2016.
67
wordt ingepast.
schappelijke kosten/batenanalyse en/of een omgevingseffectrapportage (OER) uit.
5. Stimulering van particuliere en zakelijke initiatieven en ontwikkelingen Naast grootschalige energieoplossingen zijn ook kleine oplossingen nodig. Dat betekent dat wij kleinschalige oplossingen zoals zon-op-dak maximaal willen benutten. Hiervoor kunnen we bewoners en bedrijven faciliteren in de zoektocht naar en/of het verstrekken van (rijks)subsidies voor zonnepa-
graslanden (in het Groene Hart) en bollenvelden kan betekenen dat de opgave voor duurzame opwek onevenredig zwaar drukt op andere delen van de regio Holland Rijnland. Wij hechten aan een vorm van evenredige spreiding in de opgave. Op voorhand blijven handhaven van ruimtelijke restricties, zorgt ervoor dat de beoogde verduurzamingsdoelstellingen niet gehaald gaan worden.
nelen en proeftuinen voor aardgasvrije wijken. Voor nieuwbouw geldt dat
Dit betekent dat wij binnen de samenwerking met de Holland Rijnland ge-
we multifunctioneel gebruik van de openbare ruimte stimuleren voor wat
meenten:
betreft wonen, werken, recreëren en energieopwekking, mits een initiatief een bijdrage levert aan de koers van de Structuurvisie Teylingen.
e. Op zoek gaan naar landelijk fiscale of financiële maatregelen (wetgeving) en samenwerking zoeken met onze omliggende gemeen-
Dit betekent dat wij: a. Zonnepanelen op daken stimuleren en onderzoeken hoe we de
ten, Omgevingsdienst, provincie en rijk. f.
overige benodigde duurzame energie gaan opwekken.
vingsbeleid flexibeler gaan maken voor de realisatie van grootschalige wind- en zonne-energie. We stemmen dit in een vroegtij-
b. Faciliteren bij het zoeken en/of verstrekken van de juiste subsidies. c.
Multifunctioneel gebruik willen gaan maken van nieuw- en herbouwlocaties.
d. Ervoor willen zorgen dat inwoners kunnen profiteren van initiatieven voor grootschalige opwek.
In samenwerking met andere gemeenten en provincie het omge-
dig stadium met elkaar af. g. Bij het rijk extra financiële middelen vrij willen maken om onze doelstellingen voor mobiliteit te realiseren.
Amendement 3 juni 2021 van VVD, Trilokaal en D66 I) De RES 1.0 wordt vastgesteld met dien verstande dat de gemeente Teylingen zelf de regie wil houden door de volgende prioritering aan te bren-
6. Herbezinning van de ruimtelijke restricties van Rijk, provincie en gemeenten De gemeente is ervan overtuigd dat windenergie onmisbaar is in de totale duurzame energiemix. Vasthouden aan de restricties in de waardevolle
68
gen:
1. De inspanning wordt in eerste instantie gericht op ‘no regret’-maatregelen zoals (meer) zonnepanelen op daken van bedrijven, openbare gebouwen en van particulieren (waaronder ook die van stichtingen/verenigingen); 2. De informatievoorziening over energiebesparende maatregelen richting inwoners wordt geoptimaliseerd, o.a. door de inzet van energiecoaches en voorlichting via de gemeentelijke website; 3. In de komende jaren (2021-2025) verkenningen worden uitgevoerd, inclusief participatietrajecten, om te onderzoeken wat haalbaar is om op enige wijze uiteindelijk in 2050 100% energieneutraal te zijn binnen de eigen gemeentegrenzen. II) Het bovenstaande besluitpunt uit te dragen binnen het verband van Holland Rijnland, de Provincie Zuid-Holland en elders waar nodig. III) Te inventariseren uiterlijk 1 oktober 2021 welke acties nodig zijn om verder invulling te geven aan de RES 1.0 IV) Het college van Burgemeester en Wethouders de opdracht te geven om waar mogelijk en gewenst de RES 1.0 mee te nemen in verankering van (omgevings-)beleid, in afstemming met de Regionale Omgevingsagenda Holland Rijnland.
69
Bijlage: Ruimtelijke belemmeringen wind en zon Mogelijkheden en beperkingen windenergie Voor windturbines zijn wettelijke belemmeringen en beleid en/of regelgeving, zoals op het gebied van geluid, slagschaduw, veiligheid, natuur, cultuur en landschap van toepassing. Voor de opbrengsten zijn de afmetingen
hebben. In deze LES wordt van een turbine met een vermogen van 4 MW en een tiphoogte van circa 200 m uitgegaan voor opbrengstberekeningen en ruimtelijke inpassing. Overlast en risico’s afhankelijk van hoogte windturbines
van de windturbine en de windsnelheid van belang. De opbrengsten bepalen ook de aantrekkelijkheid van de business case.
Voor veel belemmeringen wordt een afstand op basis van de grootte van de windturbine aangehouden. Hoe hoger een tur-
Voor de plaatsing van windturbines gelden verschillende wetten en regels.
bine is, hoe groter het bereik van de overlast en risico.
De wetten en regels gaan niet uit van harde afstanden tussen windturbine en verschillende soorten bebouwing, maar van normen. Deze normen kun-
Voor de belemmeringen is uitgegaan van een windturbine van
nen door middel van vuistregels in afstanden vertaald worden. Dit geeft
circa 240 meter hoog, met een ashoogte van 166 meter en een
houvast voor het zoeken naar een mogelijke locatie, maar voor daadwer-
wieklengte van 75 meter (zie afbeelding).
kelijke plaatsing moeten project specifieke berekeningen aantonen dat aan de normen en meest recente jurisprudentie voldaan wordt.
Lagere windturbines passen binnen dezelfde belemmeringen. De meeste hinderafstanden zijn op basis van de wieklengte, bij
Afmeting van windturbines
een iets kleinere windturbine van 200 meter is de wieklengte
Er zijn vele soorten en maten windturbines. Op land zijn momenteel turbi-
gelijk. Voor afstand tot woningen of infrastructuurlijnen is de aan
nes met een tiphoogte van ongeveer 250 m en vermogen van circa 4 MW
te houden afstand iets korter. Waar dit uitmaakt, zal dat toege-
gangbaar. Dit heeft te maken met de hogere opbrengst van deze turbines
licht worden.
en ook met de subsidieregeling SDE++. De mast van een moderne turbine is doorgaans circa 120 tot 130 meter hoog. De rotordiameter bedraagt circa 150 meter (wieklengte 75 meter). De tiphoogte, de maximale hoogte van de windturbine, ligt hiermee op ongeveer 200 meter. Hogere windturbines (met hogere vermogens) met een tiphoogte tot 250 meter worden ook steeds meer (op land) toegepast. Hoger in de lucht waait het harder en hogere turbines kunnen dus meer wind vangen. Turbines lager dan 200 meter worden niet veel meer toegepast op grote schaal, omdat deze steeds vaker geen haalbare business case meer
70
In
de
geactualiseerde
Handreiking
Risicozonering
Windturbines
(HRW2020) zijn vuistregels opgenomen voor de minimaal aan te houden afstanden. De handreiking geeft drie risico’s aan: ▪
Breuk en het wegslingeren van een (deel van een) windturbineblad;
▪
Het omvallen van een windturbine door mastbreuk;
▪
Het naar beneden vallen van de gondel en/of de rotor.
De kans dat één van deze gevallen voorkomt is uitermate klein. Toch moet er rekening gehouden worden met de kans dat er iemand slachtoffer wordt van zo’n geval. De gevolgen van zo’n gebeurtenis dienen zo klein mogelijk te zijn. Daarom zijn in de handreiking aan te houden afstanden tot bepaalde gebouwen of objecten vastgesteld. Deze afstanden worden bepaald aan de hand van de werpafstand of de tiphoogte van turbines. Over het algemeen is de werpafstand niet langer dan de tiphoogte. De veiligheidsafstanden zijn relevant voor woningen, gebouwen en infrastructuur (leidingen, hoogspanningsmasten, waterkeringen, wegen en Figuur 29: Belangrijke afmetingen van een windturbine
spoorwegen). Voor elk type gelden andere regels.
Veiligheid
Ruimtelijke belemmering
In 2010 is de AMvB23 Windturbines in werking getreden waarin normen
Een van de belangrijkste ruimtelijke belemmeringen is de afstand tussen
voor veiligheid en windturbines staan aangegeven. Uit veiligheidsoogpunt
een windturbine en bebouwing. Dit wordt bepaald op basis van de grootte
moet een bepaalde afstand aangehouden worden tussen windturbines en
van de windturbine. Hoe hoger een turbine is, hoe groter het bereik van zijn
zogenaamde kwetsbare (zoals woningen en grote kantoren) en beperkt
geluid, zicht, slagschaduw en risico is.
kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en loodsen).
23
71
AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur
Wet geluidhinder
In beschermde natuurgebieden mogen geen windturbines geplaatst wor-
Conform de Wet geluidhinder mag geluid van windturbines de geluidsnorm
den. Ten eerste mogen er geen bouwwerken in deze gebieden geplaatst
van 47 dB(A) Lden niet overschrijden bij omliggende geluidgevoelige be-
worden. Ten tweede mogen de bestaande natuurwaarden niet aangetast
stemmingen. Dit betekent dat geluidsgevoelige bestemmingen (zoals wo-
worden.
ningen, scholen en ziekenhuizen) een jaarlijkse gemiddelde geluidsbelasting als gevolg van de windturbine(s) mogen ondervinden van maximaal 47 dB, waarbij avond en nacht zwaarder meetellen. Meestal komt dit neer op een minimale afstand van 300 tot 500 meter tussen windturbines en woningen. Dit hangt af van het type windturbine, de afmetingen en de oriëntatie op de heersende windrichting. Slagschaduw Conform het Activiteitenbesluit24 mag bij woningen van derden niet meer dan 20 minuten per dag en niet meer dan 17 dagen per jaar slagschaduw optreden. Doorgaans wordt dit vertaald naar maximaal zes uur per jaar. Als deze norm overschreden kan worden zal een stilstandsvoorziening moeten worden getroffen. Als de norm van zes uur overschreden dreigt te worden, wordt de turbine dan automatisch stilgezet.
Analysekaarten NP RES Voor het Nationaal Programma RES zijn kansenkaarten gemaakt om inzicht te verschaffen in de mogelijkheden voor het plaatsen van windturbines op land. Hierbij zijn alle wettelijke belemmeringen in beeld gebracht. Natuur is hier niet in meegenomen, maar deze zien wij wel als belemmering. Plaatsing windturbines Om het landschappelijke beeld aantrekkelijk te houden moet er nagedacht worden over hoe windturbines geplaatst worden. Gebeurt dit in groepjes, in een rechte lijn, langs infrastructuur of verspreid over het landschap? Waar rekening mee gehouden kan worden is dat het landschap niet te rommelig wordt. Vanuit een technisch oogpunt moeten de turbines een paar honderd meter
Natuurbescherming In Nederland zijn twee soorten natuurgebieden: Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000-gebieden zijn beschermd onder Europese regels en de gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland zijn aangewezen door de provincie.
24
Activiteitenbesluit: In het Activiteitenbesluit staan milieuregels van het Rijk. Deze regels gelden ook voor windturbines. Door een recente uitspraak van de Raad van State zijn de geluidsnormen voor windturbines niet meer geldig, gemeenten moeten een eigen afweging
72
(afhankelijk van de rotordiameter, bij voorkeur 5 maal de rotordiameter) uit elkaar geplaatst worden in verband met interferentie tussen de windturbines. Als de turbines te dicht bij elkaar worden geplaats dan daalt de efficientie van de turbines door verstoring van de windstromen. Ook treedt versterking van het windturbinegeluid op.
maken over het milieubeschermingsniveau. Voor deze studie zijn we nog uitgegaan van de normen uit het activiteitenbesluit.
Mogelijkheden zonnevelden Voor zonnevelden gelden veel minder ruimtelijke beperkingen. Dat maakt deze optie flexibeler dan windturbines. Zonnepanelen zijn al een hele tijd erg rendabel, met en zonder subsidie (afhankelijk van de schaal). Ze kunnen op bijna elke schaal winstgevend worden toegepast. Wel is het vaak zo dat hoe groter een project, hoe beter het rendement en dus hoe aantrekkelijker het is voor ontwikkelaars. Ook de fundatie heeft invloed op de kosten: plaatsing in het zandige bollengebied is goedkoper dan boven het veenachtige weidegebied. Een relatief nieuwe ontwikkeling zijn drijvende zonnevelden. In uitvoering zijn deze duurder, maar de SDE++ subsidieregeling voorziet hierin.
73
Afwegingskader grootschalig wind en zon
Afwegingsaspect
Wind
ZonPV
Opmerking
44 €/ton CO2 subsidie
75 €/ton CO2 subsidie
Betreft SDE++ subsidie 2019,
2,8 Euro cent/kWh subsidie
4,5 Euro cent/kWh subsidie
1 TWh zonPV kost 250 miljoen meer dan 1 TWh wind
6,7 Euro cent/kWh kosten
9,8 Euro cent/kWh kosten
Ruimtegebruik 1 TWh
In de hoogte tot circa 230 m. Vraagt direct 20 ha, indirect 2.000 ha
Horizontaal tot meer dan 10 ha. Vraagt minimaal 1.000 ha
10 ha zonPV = 1 WT 3,4 MW. Bij wind blijft land grotendeels bruikbaar
Leveringszekerheid
Hoog, ook in nacht en winter. Circa 3.000 vollasturen
Laag, op de dag, nauwelijks in winter. Circa 950 vollasturen
Bij zonPV nauwelijks duurzame elektriciteit in winter, extra back up nodig
Hoog. 1 TWh vraagt om 1.050 MW netcapaciteit Schittering, flora en fauna impact
Netimpact bij zonPV is 3 keer zo hoog in vergelijking tot wind
Milieu
Beperkt. 1 TWh vraagt om 330 MW netcapaciteit Geluid, slagschaduw, fauna impact
CO2 voetafdruk
7 gram per kWh
50 gram per kWh
Energieterugverdientijd
8 maanden
24 maanden
Investeringskosten 1 TWh
383 miljoen Euro
736 miljoen Euro
Kosten
Netimpact 1 TWh
74
Betreft gehele keten, incl. fabricage. Centrales 649 gr CO2/kWh Het maken van zonPV panelen kosten meer energie dan wind Exclusief netinpassing
Bijlage: Netimpactanalyse In de netimpactanalyse (bijlage 6.1 van de RES 1.0 van Holland Rijnland)
Het meenemen van deze aspecten biedt gelegenheid aan de RES Holland
worden een aantal mogelijkheden genoemd om eventuele knelpunten in
Rijnland om:
het net te voorkomen en te zorgen voor een gebalanceerd en systeemefficiënt gebruik van het elektriciteitsnetwerk. Dit is essentieel voor een haalbare energietransitie. Systeem efficiëntie Liander benoemt in hun netimpactanalyse een aantal aanbevelingen voor het verbeteren/waarborgen van de systeemefficiëntie:
•
Maatschappelijke kosten te besparen;
•
Ruimte te besparen;
•
De haalbaarheid in tijd van de RES-ambitie te vergroten, en
•
Slimme keuzes te maken voor de periode na 2030.
Voor verdere uitwerking en toelichting van de punten uit de figuur hiernaast en de netimpact analyse in z’n geheel, kan in de netimpactanalyse van de RES 1.0 bekeken worden. De conclusie uit deze analyse is: Groei van energieaanbod is mogelijk in de gemeente Teylingen, maar er moet wel rekening gehouden worden met lokale knelpunten in het elektriciteitsnet (check bij Liander). Dit komt omdat er nog relatief weinig productie is in onze gemeente, waardoor de netbelasting nu nog lager is dan aan vraagzijde. De aanbeveling van Liander is dat de productie van duurzame elektriciteit bij voorkeur plaatsvindt daar waar ook een grote vraag is naar elektriciteit. Ook geeft Liander aan dat bij het ontwikkelen van zonnepanelen langs infrastructuur het zoeken van de juiste aansluitpunten in het net een aandachtspunt is.
Figuur 30: Vijf hoofdpunten voor netinpassing vanuit Liander
75
Bijlage: Waterstof en kernenergie Naast duurzame elektriciteit zullen in de toekomst andere energiebronnen gebruikt worden om in de vraag naar warmte en vervoer te voorzien, zoals kernenergie en synthetische gassen. Er is weinig aandacht besteed aan deze energiebronnen in deze strategie. Hier volgt een motivatie: Kernenergie Kernenergie is wordt niet uitgesloten door de overheid. Maar het duurt lang om een kerncentrale te bouwen, waardoor deze niet kan bijdragen aan de gemeentelijke doelen tot 2030. Ruimtelijk is het niet mogelijk om een kerncentrale van de huidige generatie in de gemeente neer te zetten. Waterstof en bio-/groen gas Bij mobiliteit zijn er toepassingsmogelijkheden voor duurzame gassen. Dit ligt echter nog ver in de toekomst en is afhankelijk van de ontwikkeling van brandstofcellen, infrastructuur, beleid, ontwikkeling van hernieuwbare elektriciteit opwek, etc. In onze strategie wordt - mede door deze onzekerheden en de kleine potentie van deze gassen om lokaal opgewekt te worden - niet verder ingegaan op de invulling van de vraag met deze duurzame bronnen.
76