CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Bijlage bij de toelichting bestemmingsplan ‘Torenlaan tussen 4 en 6, Voorhout’.pdf

Gemeenteraad 26 april 2021, gemeente TeylingenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Torenlaan tussen 4 en 6, Voorhout28.953 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Stedenbouwkundigkader

Bijlage 2

Beoordeling bedrijven- en milieuzonering

Bijlage 3

Onderzoek drift gewasbeschermingsmiddelen

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek

Bijlage 5

Onderzoek externe veiligheid

Bijlage 6

Quickscan natuurbescherming

Bijlage 7

Nader onderzoek vleermuizen

Bijlage 8

Stikstofonderzoek

Bijlage 9

Bodemonderzoek

Bijlage 10

Waterparagraaf

Bijlage 11

Besluit vormvrije m.e.r.- beoordeling (art. 7.19 Wet milieubeheer)

Bijlage 12

Nota van beantwoording Inspraak en overleg

Bijlage 13

Nota van beantwoording zienswijzen

1

Torenlaan STEDENBOUWKUNDIGE KADER TORENLAAN 4C, GEMEENTE TEYLINGEN december 2020

ruimte voor ideeën

Opdrachtgever: Molenaar en van Ginhoven Beheer BV Documentnaam: 1291-Torenlaan 4c Voorhout 20201126_JK Wijzigingsdatum: 3 december 2020

Alles uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt mits de bron en auteur worden vermeld. Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend.

Middenbaan 108, 2991 CT Postbus 37, 2990 AA Barendrecht

T +31 (0)180 61 31 44

www.wissing.nl

1 Inleiding Door de beëdiging en sloop van de bestaande bedrijfsvoering aan de Torenlaan 4c te Voorhout ligt er het initiatief voor de realisatie van 3 GOM woningen en de aanleg van nieuwe bollenteeltgrond. Dit initiatief pas niet binnen het vigerend bestemming ‘Bedrijf - Agrarische handels- en exportbedrijf waardoor de realisatie van de woningen niet is toegestaan. Een bestemmingsplanwijziging is nodig. Ter voorbereiding van deze wijziging moet er een stedenbouwkundige kaders worden opgesteld. Deze stedenbouwkundige kaders geven de ruimtelijke kaders voor een adequate stedenbouwkundige inpassing in de omgeving.

n

Mu nni ke n l aa nw

eg

n re de

nl aa

Ou

ge

He

l in n

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Teijlingen aan de Torenlaan, een agrarisch dwarslint van de Teylingerlaan. Dit is een doorgaande provinciale route. Vanaf de Teylingerlaan is het plangebied al kijkend over de bollenvelden goed zichtbaar. Ter plaatsen van het plangebied bestaat de Torenlaan uit een rustige weg met agrarische bebouwing en losse vrijstaande woningen met aan beide kanten vrij uitzicht op de bollenteeltgronden.

l aa

y Te

Het uitgangspunt van het stedenbouwkundig kader is de overeenkomst GOM 28 december 2018. Hierin staat dat het plangebied omgezet wordt naar 13.700 m² duurzame bollenteeltgrond en 3 nieuwe woonbestemmingen die samen een oppervlakte hebben van in totaal 2.118 m².

To

n re

Teijlingen Omgeving plangebied

3

2 Uitgangspunten Door initiatiefnemer is een schetsverzoek opgesteld voor de uitbreiding van de 3 vrijstaande GOMwoningen, kavel 1,2,3. Uitgangspunt woonkavels: Het uitgangspunt voor de gezamenlijke bouwkavels is dat deze 2.118 m² groot mogen zijn. Dit is overeengekomen in de GOM overeenkomst op 28 december 2018. Echter om tot een efficiënte verkaveling te kunnen komen zal er van bovengenoemde maatvoering worden afgeweken. Zie hiervoor de situatie tekening stedenbouwkundige randvoorwaarden. Het voorliggende stedenbouwkundig kader met de nieuwe maatvoeringen is afgestemd met de GOM. Uitgangspunt woningen: De woningen in het buitengebied van Teylingen dienen aan te sluiten op het beleid van de gemeente zoals is geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied Teylingen bestemming wonen - 1. Voor een vrijstaande woning geldt een maximum inhoud van 750m³.

3

1

2

Uitgangspunt bollengrond : Voor de bollengrond wordt uitgegaan van een gebied van 13.700 m².

schetsverzoek

N 4

Uitgangspunt bestemmingsplan Buitengebied gemeente Teylingen: In het vigerende bestemmingsplan is het plangebied bestemd als Bedrijf- Agrarisch handelsexportbedrijf. De woningen met huisnummer 4a en 4b zijn bestemd als bedrijfswoningen. Ten westen van het bedrijf zijn woonbestemmingen gelegen. Aan de overige zijden wordt het perceel begrensd door Agrarisch-bollenteelt-bollenzone 1. Door beëindiging van het bedrijf op deze locatie wordt de bestemming van Bedrijf omgezet naar Wonen en agrarisch bollenteelt. De bedrijfswoningen 4a en 4b worden omgezet naar burgerwoningen.

5

3 Situatie Het plangebied aan de Torenlaan meet circa 16.448 m². Het is gelegen in het duin en bollengebied. Ter bescherming van het unieke karakter van deze streek is er een cultuurhistorische atlas opgesteld. Het plangebied maakt onderdeel uit van het landschapstype De strandvlakten. Kenmerken hiervan zijn ondermeer; kreken die recht zijn gegraven tot wateringen, dijkjes en oude hagen. Aan de noordzijde van de Torenlaan wordt het plangebied begrenst door een brede watergang. Aan de oostzijde bevindt zich een waardevolle cultuurhistorische hoge haagbeplanting. Deze begeleidt de Munnikenlaan (een karrenspoor) naar de Oude Herenweg. Deze ontsluit ook de aangelegen bollenvelden. Ten zuiden bestaat de plangrens uit een waterloop. Dit is ook de overgangsgrens tussen het voormalige bedrijvenen terrein en het bollenteeltgebied.

foto 2. Torenlaan

foto 4.

foto 5.

foto 6.

Plangebied 16.448 m²

bestaande watergang

an

Het agrarische lint is niet beeldbepalend. het bestaat uit een smal weg profiel (60 km/u) met afwisselende bebouwing uit verschillende bouwperiodes en bouwstijlen. Kenmerkend is dat al de woningen vrij uitzicht hebben op het landschap. Er bevinden zich geen openbare parkeerplekken langs de Torenlaan. Parkeren gebeurt op eigen erf.

foto1.

la Teylingen

Het zicht vanaf de Torenlaan op het plangebied is enigszins beperkt tot de bestaande toegangen en openingen naar het plangebied. De tuinen van de naast en tussen gelegen woningen bestaan uit een formele lage haag beplanting met heester en (sier) beplanting, waardoor de Torenlaan nabij de woningen een intieme en groene rand vormt. Het staat in sterk contrast met de open noordzijde en het vrije uitzicht over de bollenvelden. Kijkend vanaf de Teylingenlaan over de bollenteeltgrond was het voormalige bedrijven complex vanaf de weg door de openrand goed zichtbaar.

Uitsnede cultuur historische atlas (https://www.cultuurhistorieduinenbollenstreek.nl)

bestaande cultuurhistorische haag beplanting

legenda woning bedrijf

N 6

1. Kruispunt Torenlaan - Teylingenlaan

2. Torenlaan ter hoogte van start sloot aan linkerzijde weg

3. Torenlaan ter hoogte openveld en Torenlaan 4

4. Plangebied ten tijde van sloopwerkzaamheden

5. Bestaande naast in groen gelegen woning

6. Bestaande hoge haag op grens plangebied

7

Bouwmassa De woonbebouwing aan het lint bestaat voornamelijk uit één laag met kap. Het merendeel van de woningen staan met de nokrichting evenwijdig aan de weg. Haakse- en gecombineerde dakvormen komen ook voor maar in minder maten. Deze zijn voornamelijk toegepast bij de vooroorlogse en jonge bouw ontwikkelingen van begin deze eeuw. Rooilijnen De woningen in de Torenlaan bevinden zich veelal in het midden van het perceel. Ze hebben ruime voor en achtertuinen. De rooilijn is aan de noordzijde van de Torenlaan vrij eenduidig. Aan de zuidzijde verspringt de rooilijn diverse malen. Deze loopt van en naar de weg af. Vermoedelijk is dit ritme ontstaan door variatie in kaveldieptes en de positie voor de woning. En mogelijk vanaf de jaren 80 als gevolg van regels ten aanzien van geluid.

Open verbinding landschap

Accent ‘boekensteun’

Bestaande Rooilijnen

6c.

Typologie & opbouw lint De bebouwing aan de Torenlaan is afwisselend. Zo bevinden zich er woningen van omstreeks 1925 tot aan nu. De architectonische kwaliteit is niet beeldbepalend en van hoge kwaliteit. De lint is afwisselend in te delen als “tuindersvilla” of wel woonlint. En als agrarische lint met bedrijfswoning en bijbehorende bedrijfsgebouwen . Landschap Het lint wordt gekenmerkt met enkele open verbindgen naar het landschap. Echter blokkeert de bedrijfsbebouwing vrije doorzichten van en naar het open bollenlandschap. Er is sprake van een duidelijke landschappelijk overgang van woonlint naar agrarische lint door de naast gelegen open verbindingen. Waardoor het ruimtelijk interessant wordt doormiddels een ‘beukensteun’ dit extra te gaan accenturen.

3.

1a. 2.

4.

4a.

4b.

4c.

6. 6a.

6b. Agrarische lint

legenda 1900 1925 1950 1960 1970 1980 2000

Blokkerende doorzichten

N 8

Legenda

4 Stedenbouwkundige randvoorwaarden

Open doorzicht Nieuwe haag De woning op kavel 3 vorm een boekensteun van het lint en begeleiding ruimtelijk de richting van het open het landschap

De inpassing van de 3 GOM woningen kan ruimtelijk passend plaats vinden binnen de volgende stedenbouwkundige kaders. Huidige bedrijfswoningen De huidige bedrijfswoningen nr 4a en 4b worden omgezet naar burgerwoningen met bestemming Wonen. Kavels Door de nieuwe kavelgrenzen aan de achterzijde gelijk te trekken met de kavels van Torenlaan 4a en 4b kunnen er efficiënte kavels worden gecreëerd. Met eenduidige kavelsgrenzen (met niet te veel kleine verspringen) waardoor er voor zowel de kavels als de bollengrond bruikbare kavels ontstaan. Dit betekent dat de kavels gemiddeld 35 tot 42,6m diep zijn en 20 tot 24m breed. De totale oppervlakte van de kavels binnen het stedenbouwkundige kader is nu 2650 m². Hierop mogen 3 woningen worden ontwikkeld met maximaal 750 m³ inhoud. Opbouw volume De woningen bestaan uit één laag met kap. En dienen te worden uitgelijnd op de rooilijn van Torenlaan huisnummer 4 en 6 waardoor de woningen op gepaste wijze van de weg staan en mee doen in het speelse rooilijn ritme. Dit biedt de mogelijkheid om de woning haaks of langs de weg te plaatsen waardoor er meer afwisseling bestaat in kaporiëntatie en dakvormen. Gecombineerde kapvormen zijn mogelijk. Ontsluiting Ontsluiting van de kavels zal plaats vinden via een eigen erfontsluiting op de Torenlaan. Parkeren zal plaats vinden op eigen erf.

De ontsluiting van het nieuwe bollengrondperceel vindt plaats tussen kavel 3 en 4b. Hiervoor is een ruimte gereserveerd van 4 meter.

beplanting als openheid tussen bebouwing Te behouden haag

Open verbinding landschap

Openheid door groen Rooilijn

1.

2.

4a.

4b.

3.

bollengrond

te handhaven watergang

te behouden cultuurhistorische haag

N 9

3

1a-1f

Bollenteelt Voor de bollenteelt geld dat er 13.700 m² grond dient te worden omgezet. Het kader biedt nu aan de zuidzijde een gebied van 13.798 m² dat beschikbaar is als bollenteeltgrond.

Tuin 1 212m²

V B HT0 34 0 54

Tuin 2 194m²

Tuin 3 197m²

V B HT0 57 0 52

nlaan

24.0

Rooilijn

V B HT0 53 0 31

Landschappelijke inpassing Alle drie de kavels hebben vrij uitzicht aan de voorzijde. Door de opbouw van de volumes ontstaat er aan het woonlint tussen de nieuwe woningen openheid middels een groene inrichting van de tuinen. Ten westen van kavel 3 ontstaat een extra zichtlijn langs de woningen naar de bollengrond.

4.0

V B HT0 85 0 37

VHT00 B 4391

23.4

4

kavel 1 834 m² kavel 1 excl. voortuin 621 m²

4a.

kavel 2 830 m² kavel 2 excl. voortuin 636m²

4a

4b.

4b V B HT0 85 0 36

V B HT0 85 0 57

VHT00 B 8558

Nieuwe groene erfbeplanting

V B HT0 60 0 60

42.6

V B HT0 78 0 77

V B HT0 84 0 77

35.0

2

4.

4

De voortuin bestaat uit een representatieve siertuin met een lage haagbeplanting met daarin sierheester en kleine bomen. Waardoor de woonlint met extra groen zal worden versterkt Ter bescherming van de bollengrond en woonlint wordt er een nieuwe groene erfbeplanting voorgesteld. Deze komt op dit moment nog niet voor bij Torenlaan 4a en 4b. Om een passende landschappelijke overgang en een goede ruimtelijke inrichting te bereiken is het wenselijk om voor de gehele nieuwe erfgrens een groene inrichting na te streven. V B HT0 60 0 62

Torenlaan

21.7

kavel 3 986 m² kavel 2 excl. 4c 4.0 voortuin 762 m²

K

V B HT0 60 0 63

K

V B HT0 62 0 45

12 14

V B HT0 84 0 78

16 18

V B HT0 60 0 66

20

22

T0 0 47 HT 0 38 0 8

26

K

28

24

K

00

30

K

32

K

l

36

k

Bollengrond 13798 m²

De inpassing van de drie nieuwe woningen levert daarnaast een landschappelijke kwaliteitsverbetering op doordat de bebouwing zodanig afneemt dat het landschap achter het woonlint een stuk opener wordt. De totale landschappelijke inpassing zorgt ervoor dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatsen vergroot. V B HT0 43 0 89 VH B T0 37 0 30

K

0

V B HT0 60 0 61

Accent ‘boekensteun; In het geval van kavel 3 is het wenselijk dat de woning zicht verbijzonderd. Het cluster met woningen wordt hier afgesloten door een wat robuustere inhoudsmaat aan het einde van het lint, zodat de scheiding tussen woonlint en agrarische bebouwing in visueel opzicht zichtbaar is en dit dus vanuit stedenbouwkundig oogpunt voor een verantwoord accent zorgt in de verhouding tussen de woonbebouwing en het agrarische landschap met bijbehorende agrarische bebouwing. V B HT0 42 0 67

Vanwege deze situering en grootte van het kavel is het ruimtelijk passend om hier een groter volume toe te staan in aansluiting op het afwijkingsbeleid van het bestemmingsplan buitengebied met een maximaal volume van 850m3

Te handhaven

Oppervlaktes Kavel 1 Kavel 2 Kavel 3 totaal GOM kavels

834 m² 830 m² 986 m² 2.650 m²

Bollengrond totaal

13.798 m² 16.448 m²

watergang te handhaven watergang

te behouden cultuurhistorische haag

N

af

10

Aan

:

Wissing

Van

:

BK Bouw- & Milieuadvies, Klaas Romijn

Betreft

:

Bedrijven- en milieuzonering Torenlaan 4c Voorhout

Kenmerk

:

KLRO/191905

Datum

:

14 februari 2020

Inleiding Op de Torenlaan 4C te Voorhout, is een nieuwe ontwikkeling gepland. De ontwikkeling voorziet in een de sloop van de bedrijfswoningen en de realisatie van meerdere GOM-woningen. Omdat er diverse bedrijvigheid in de omgeving is gelegen, is een onderzoek gedaan naar de Bedrijven- en Milieuzonering rondom het planvoornemen. Onderstaand is de nieuwe plankaart opgenomen.

figuur 1: plankaart nieuw bestemmingsplan

Begrip Bedrijven- en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang, dat bij de ontwikkeling van woningen in de buurt van hinderverstorende functies: • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; • de bedrijfsvoering/milieuruimte van de betreffende bedrijven niet wordt ingeperkt als gevolg van de beoogde ontwikkelingen. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan: het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzonering om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen blijven uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten

(VNG) opgestelde brochure Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot een rustige woonwijk. Gemengd gebied Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Bij een gemengd gebied komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Omdat in de directe omgeving van de aanwezige- en toekomstige woningen, diverse bedrijven zijn gelegen en sprake is van lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid, is volgens de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”, sprake van functiemenging. Bovenstaande is van toepassing op het planvoornemen, aangezien sprake is van functie menging met onder andere wonen, bedrijven, agrarische activiteiten en wegen.

De activiteiten worden dan ook getoetst aan de afstanden voor een gemengd gebied. Toetsing De locatie is getoetst op de omliggende (actieve) bedrijvigheid. Hierbij is gebruik gemaakt van het huidige bestemmingplan (via ruimtelijke plannen). Onderstaande afbeelding is een uitsnede hiervan, waar de relevante bestemmingen worden behandeld. Onder de afbeelding worden de bedrijfslocaties verder behandeld.

A D C B

figuur 2: plankaart huidige bestemmingsplan

A: Bedrijf – Agrarisch Handels- en exportbedrijf: Locatie krijgt binnen het nieuwe plan een woonbestemming; Wel zal een deel ingericht worden als bollengrond (hiervoor is separaat een rapportage opgesteld).

blad 2 van 3

Bedrijven en Milieuzonering Torenlaan 4C Voorhout

BK Bouw- & Milieuadvies

B: Bollengrond:

-

Voor de beschouwing van de bollenteelt en drift van gewasbestrijdingsmiddelen, is een separate rapportage opgesteld. In deze rapportage is tevens gekeken naar de nieuw aan te leggen bollengrond in het plangebied. (Kalkman, G. (2020). Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen, Locatie: Torenlaan 4c te Voorhout).

-

Uit deze rapportage blijkt, dat door de getroffen maatregelen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

C: Groothandel in agrarische machines en aanverwante producten: Max. milieucategorie 3.1; Richtafstand (verminderd met één stap): 30 meter; Afstand tot het planvoornemen 73 meter (gevel tot gevel); Gezien de afstand tot het planvoornemen vormt deze locatie geen belemmering voor een goed woonen leefklimaat. D: Bedrijf Max. milieucategorie 2; Richtafstand (verminderd met één stap): 10 meter; Afstand tot het planvoornemen 60 meter (gevel tot gevel);; Gezien de afstand tot het planvoornemen vormt deze locatie geen belemmering voor een goed woonen leefklimaat.

 Analyse en conclusie Het planvoornemen bevind zich binnen de milieuzonering van de bollengronden, hiervoor is een separaat onderzoek uitgevoerd naar de drift van bestrijdingsmiddelen. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage Onderzoek Drift Torenlaan 4c Voorhout Naast deze bollengronden bevindt het planvoornemen zich niet binnen de milieuzoneringscontouren van de naastgelegen bedrijvigheid. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Overigens blijkt uit het onderzoek, dat ook voor een rustige woonwijk voldaan kan worden aan de afstanden uit de VNG-publicatie.

blad 3 van 3

Bedrijven en Milieuzonering Torenlaan 4C Voorhout

BK Bouw- & Milieuadvies

BK Bouw- & Milieuadvies B.V. Daltonstraat 30D Postbus 3064 3301 DB Dordrecht 088 321 25 10 info@bkbouwenmilieuadvies.nl www.bkbouwenmilieuadvies.nl

Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen

BANK NL45ABNA0586840729 KVK 24459961 BTW NL820721141B01

Locatie: Torenlaan 4c te Voorhout

Opdrachtgever:

Wissing B.V. Middenbaan 108 2991 CT Barendrecht

Projectnummer:

191905

Versienummer:

2.2

Plaats, datum:

IJmuiden, 18 juni 2020

Auteur:

ing. G. Kalkman

Controleur:

ing. K.W. Romijn

Paraaf: Paraaf:

BK bouw- & milieuadvies pagina 2 van 16

Inhoudsopgave

pagina

1

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................. 3 1.1 Leeswijzer ...............................................................................................................................................................................................4 2 Regelgeving en beleid................................................................................................................................................................................. 5 3 Wetenschappelijk inzicht ...........................................................................................................................................................................

6 3.1 Gezondheidseffecten.........................................................................................................................................................................6 3.2 Blootstellingsroutes ...........................................................................................................................................................................6 3.3 College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden ...............................................................7 3.4 Onderzoek bestrijdingsmiddelen en omwonenden .............................................................................................................8 4 Kenmerken van het geval ..........................................................................................................................................................................

9 4.1 Inleiding ..................................................................................................................................................................................................9 4.2 Algemene variabelen .........................................................................................................................................................................9 4.3 Gebruikte apparatuur ..................................................................................................................................................................... 10 4.4 Gebruikte gewasbeschermingsmiddelen ............................................................................................................................... 12 5 Situatie ............................................................................................................................................................................................................ 14 6 Conclusie ........................................................................................................................................................................................................ 16

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 3 van 16

1

Inleiding

Molenaar en Van Ginhoven Beheer BV (M&G) is voornemens om de Torenlaan 4C in Voorhout in te richten als cultuurland om bollenteelt op te realiseren. De leegstaande bedrijfshallen die voorheen op de locatie stonden, zijn reeds gesloopt. Het plangebied ligt binnen de richtafstanden van omliggende bollengronden. Bollenteelt is slechts mogelijk indien driftreducerende voorzieningen geen negatieve gevolgen hebben op omliggende ‘gevoelige functies’ zoals woningen. Om deze reden heeft locatie-specifiek onderzoek plaatsgevonden, waarvan voorliggend rapport het resultaat is. Vraagstelling Het geplande bestemmingsvlak ‘Agrarisch-bollenteelt’ wordt gerealiseerd naast locaties waar mensen kunnen verblijven (woningen) en is gelegen op een kortere afstand dan 50 m van de grens van het bollenperceel. Daarom is de vraag aan de orde of dit planvoornemen verantwoord is, gelet op de mogelijke blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld dat bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen.

Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of zwangere vrouwen, kan dit risico’s voor de gezondheid inhouden. Onderstaand is de plankaart met de locatie weergegeven. figuur 1: plankaart (Bron: Wissing).

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 4 van 16

1.1

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het wettelijk kader, hoofdstuk 3 gaat in op de wetenschappelijke achtergronden, in hoofdstuk 4 wordt een omschrijving gegeven van de wijze van aanbrengen, hoofdstuk 5 geeft een beschrijving het plan en de maatregelen. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies van het onderzoek weer.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 5 van 16

2

Regelgeving en beleid

Vanuit het Activiteitenbesluit gelden algemene verplichtingen ten aanzien van bespuitingen met gewasbeschermingsmiddelen. Bijvoorbeeld voor de bollenteelt geldt dat er per 1 januari 2018 gewerkt moet worden met ten minste 75% driftreducerende technieken. Met de geldende wet- en regelgeving, is in dit onderzoek rekening gehouden. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een veiligheidsafstand voor bebouwing aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de gewasgrens. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State ( uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden. Ook de uitspraak van 23 juni 2004, (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, redelijk geacht. Binnen veel gemeenten bestaat de wens om nieuwe gevoelige functies (zoals woningen en bijbehorende tuinen) op minder dan 50 meter vanaf de agrarische perceelsgrens te realiseren. Een kleinere afstand is mogelijk mits dat goed onderbouwd wordt. De vuistregel van 50 m betreft geen minimaal aan te houden afstand. Het is mogelijk om gemotiveerd van deze afstand af te wijken. Hierbij dient de afstand dusdanig te zijn, dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functie.

De ABRvS geeft in haar uitspraak van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2373) aan dat het mogelijk is om bij vollegrondsteelt van gewassen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, af te wijken van de vuistregel van 50 m. Bij bollenteelt worden gewasbeschermingsmiddelen, in tegenstelling tot fruitboomteelt, op een zodanige wijze gebruikt dat daarbij nauwelijks een spuitnevel ontstaat die de omgeving negatief kan beïnvloeden. Bij de betreffende uitspraak wordt een afstand van 9,5 m voldoende geacht, mede omdat het woonerf is afgeschermd door een heg, die eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen zal tegenhouden. Er is sprake van bollenteelt met verplichte driftreductie en er wordt door gecertificeerde agrariërs gespoten onder de juiste (weers)omstandigheden heel laag bij de grond (<50 cm); veel lager als bij boom- en fruitteelt. In artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit milieubeheer, dat op 1 januari 2018 in werking is getreden, is bepaald dat bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen en op braakliggend land in de open lucht een techniek wordt gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75%, ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek. Daarmee gelden strengere normen dan waarvan de ABRvS in haar uitspraken is uitgegaan.

Uit bovenstaande is te concluderen dat de wetgeving al strenger is dan de uitspraak van de ABRvS. Hiermee is dan ook te stellen dat de genoemde afstand uit de uitspraak van de ABRvS gedateerd is en dat een kortere afstand te rechtvaardigen is.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 6 van 16

3

Wetenschappelijk inzicht

3.1

Gezondheidseffecten

Beoordeling van gezondheidsrisico’s vindt plaats aan de hand van gegevens verkregen uit proefdierstudies of andere testsystemen. Daaruit zijn zogenaamde waarden voor de Acceptable Exposure Level (AEL) en Acceptable Daily Intake (ADI) afgeleid. Bij de afleiding wordt rekening gehouden met toxiciteit van metabolieten en wordt met een veiligheidsfactor 100 gewerkt. Deze veiligheidsfactor is opgebouwd uit een factor 10 voor onzekerheden rond dierproeven en een factor 10 om rekening te houden met extra gevoelige mensen.

3.2

Blootstellingsroutes

De blootstellingsroutes en bronnen zijn bij pesticiden goed in kaart gebracht door de Gezondheidsraad (2014). De belangrijkste bronnen zijn: ∂ huidblootstelling (dermaal) ∂ luchtwegblootstelling (inhalatoir) ∂ spijsverteringsblootstelling (oraal) Veel pesticiden worden door de huid heen opgenomen in het lichaam. Huidblootstelling kan optreden door druppeldrift (directe blootstelling) of aanraking van oppervlakten waarop pesticiden terecht zijn gekomen (indirecte blootstelling, via herbetreding van gebied met spuitdepositie buiten het perceel of insleep van middel naar de woning). Blootstelling via de lucht gebeurt door inademing van druppeldrift en vluchtig verbindingen (direct) of kleine stofdeeltjes waarop pesticiden aanwezig zijn (indirect). Door consumptie van gewassen, eigen teelt of gekocht, kunnen resten pesticiden het lichaam binnenkomen. Voor jonge kinderen kan ook, bij spelen in de (speel)tuin sprake zijn van blootstelling via het in de mond stoppen van voorwerpen of de eigen hand. De directe dermale expositieroute is maatgevend voor de acute blootstelling. Voor de lange termijn blootstelling is dit de indirecte dermale route. Uit alle literatuuronderzoeken over dit onderwerp blijkt dat blootstelling via inhalatie van druppels (in diameter kleiner dan 10 micron) van ondergeschikt belang is.

Dit komt overeen met de verwachting, aangezien deze fractie qua massa en daarmee werkzame stof verwaarloosbaar klein is. Een piekmoment waarbij relatief grote hoeveelheden pesticide in de omgeving van omstanders en omwonenden gebracht wordt, is tijdens bespuitingen door de agrariër. In dit geval kan directe blootstelling plaatsvinden. Ook voor het plangebied vormt het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen een risicomoment. De omvang van het risico wordt naast de toxiciteit van het middel gevormd door de mate van drift. Drift is afhankelijk van diverse factoren, zoals: 1. de aanwezigheid van bedekking (kleding) op het lichaam; 2. vakbekwaamheid van de toepasser; 3. meteorologische omstandigheden, waarbij o.a. windrichting, windsnelheid, temperatuur en relatieve luchtvochtigheid een rol speelt; 4. neerwaarts gericht spuiten of zijwaarts en opwaarts gericht; 5. gewaskenmerken, waarbij o.a. ontwikkelingsfase en hoogte een rol speelt; 6. gebruikte apparatuur, waarbij o.a. type spuit en spuitdop, plaatsing spuitdop, gebruik lucht- ondersteuning en rijsnelheid een rol speelt; 7. chemische en toxische eigenschappen van de werkzame stof en de spuitmix die wordt gebruikt (hulpstof, meststof, ander pesticide). De variabelen 1 t/m 4 zijn meer algemeen van aard en variabelen 5 t/m 7 zijn meer geval specifiek.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 7 van 16

Afhankelijk van de risicogroep (jong/oud, zwanger/ziek enzovoort) kan eenzelfde blootstelling andere gezondheidskundige effecten veroorzaken. Zuigelingen en kinderen zijn in het algemeen kwetsbaarder dan volwassenen voor verontreinigende stoffen, omdat hun lichaam nog in ontwikkeling is. Bij senioren neemt in het algemeen het aanpassingsvermogen van het afweersysteem af, waardoor ze eerder reageren op lagere concentraties van tal van chemische stoffen. Het afweersysteem van zieke mensen kan eveneens minder zijn, wat hen eveneens gevoeliger en kwetsbaarder maakt.

3.3

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

In de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen (zie ook bijlage 1) is veel aandacht voor risico’s voor de menselijke gezondheid die uit het voorgestelde gebruik van een middel kunnen voortvloeien. Een aparte beoordeling van de risico’s voor omwonenden maakt in ons land inmiddels onderdeel uit van de toelatingsprocedure. Sinds 1 januari 2016 worden namelijk naast de risico’s voor de toepasser ook de risico’s voor omwonenden beoordeeld. Het tekstblok hierna is overgenomen uit brief 20L5LO21Ot49 van 21 oktober 2015 van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), met als onderwerp Herbeoordeling van bestaande middelen voor gewasbescherming op het gezondheids- risico voor omwonenden. Vanaf 1 januari 2016, de ingangsdatum van de nieuwe Europese richtlijnen, zal het Ctgb de humaan toxicologische beoordeling voor omwonenden en omstanders als volgt invullen bij de beoordeling van nieuwe aanvragen voor stoffen en middelen: het EFSA-model zal de basis zijn voor de risicobeoordeling; waar nodig zal de hiervoor omschreven verfijning op basis van aanvullende gegevens, overige modellen (de Britse en Duitse methoden) of expert judgement worden ingevuld. Het College heeft uit de herbeoordeling de conclusie getrokken dat het gebruik van de reeds toegelaten middelen ook op basis van het nieuwe model veilig is.

ln de resultaten van dit onderzoek ziet het College dan ook geen noodzaak om in te grijpen in de toelatingsvoorwaarden van deze middelen. In dit verband wordt eveneens verwezen naar de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 november 2017, waarin is vermeld: Alle gewasbeschermingsmiddelen worden vóór goedkeuring van de werkzame stof en vóór toelating in een lidstaat beoordeeld op risico’s voor mens, dier en milieu. Een middel kan slechts worden toegelaten als er geen schadelijke effecten zijn voor mens en dier en geen onaanvaardbare effecten voor het milieu. In de risicobeoordeling van het aanvraagdossier wordt rekening gehouden met alle relevante groepen mensen die blootgesteld kunnen worden aan het middel bij gebruik, bewerking en consumptie. Dit betreft behalve degene die de middelen professioneel toepast ook omwonenden van landbouwgebieden en toevallige omstanders. De risicobeoordeling gaat uit van de meest kwetsbare groepen: kin- deren en zwangeren. Daarnaast worden aspecten als reprotoxiciteit (schadelijk voor de voortplanting) en mutageniteit (schadelijk voor het erfelijk materiaal) beoordeeld. In het advies van de Gezondheidsraad werd verwezen naar een nieuw gemeenschappelijk Europees model voor de beoordeling van de risico’s voor, onder andere, omwonenden.

Dit model is inmiddels ingevoerd en wordt door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) gehanteerd bij de beoordeling. Met dit model heeft het Ctgb ook een selectie van eerdere toelatingen beoordeeld en daaruit kon de conclusie worden getrokken dat het nieuwe model, ten opzichte van de oorspronkelijke beoordeling, geen nieuwe inzichten over bestaande middelen opleverde. De tot dan toe door Nederland gebruikte modellen bleken voldoende beschermend te zijn.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 8 van 16

3.4

Onderzoek bestrijdingsmiddelen en omwonenden

Naar aanleiding van advies van de Gezondheidsraad (2014) is in opdracht van de Ministeries van Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken in 2016 het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO) gestart. Het onderzoek wordt door het RIVM gecoördineerd. In eerste instantie is in 2016 en 2017 op meerdere locaties met bollenteelt in Noord-Holland en Zuid-Holland gemeten of bestrijdingsmiddelen aanwezig zijn in de lucht en in huisstof bij mensen thuis en in urine. Deze blootstelling wordt vergeleken met de verspreiding vanuit bespuitingen op nabije percelen. De meetresultaten worden gebruikt om rekenmodellen te maken waarmee ook voor andere situaties (bijvoorbeeld bij verschillende weersomstandigheden en afstanden) voorspellingen gedaan kunnen worden. Analyse: Gesteld kan worden dat, naar aanleiding van voortdurend onderzoek er strenge eisen zijn opgelegd, de lijst van gevaarlijke bestrijdingsmiddelen kleiner wordt en de kans op humane risico’s steeds verder afneemt.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 9 van 16

4

Kenmerken van het geval

4.1

Inleiding

Voor de uitwerking van het locatie specifieke onderzoek is als basis gebruik gemaakt van de hiervoor genoemde wetenschappelijke rapporten van het PRI in Wageningen. Deze rapporten geven op grond van de meest recente wetenschappelijke inzichten een inschatting van de mate van driftblootstelling bij bespuiting van bollenvelden. Aan de hand van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in de bollenteelt is nagegaan welk middel de maatgevende werkzame stof bevat qua toxiciteit in relatie tot toegestane dosering. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten die in de PRI onderzoek zijn gehanteerd vergeleken met die van de situatie van de aangrenzende percelen. Daar waar er verschillen met het PRI zijn, is aangegeven wat het effect daarvan is op de conclusies die in de PRI onderzoeksrapporten worden getrokken. Bij de interpretatie van de verschillen is onder meer gebruikgemaakt van het document “Driftarme Spuitdoppen, de nevel trekt op ”, Technische Commissie Techniekbeoordeling (TCT), versie 25 april 2017.

4.2

Algemene variabelen

Kleding Door PRI is een onbedekt lichaam als uitgangspunt aangehouden. Dit is een worst case situatie ten opzichte van wat verwacht mag worden hoe de mensen binnen het plangebied gekleed zullen gaan. Geschat wordt dat er daardoor sprake is van een overschatting van de dermale blootstelling. Ondanks dat geen sprake zal zijn van een onbedekt lichaam, is hiervoor niet gecorrigeerd. De reden daarvan is dat op deze manier rekening wordt gehouden met het mogelijk doordringen van gewasbeschermingsmiddel in de lichte zomerkleding. Als gevolg daarvan zou alsnog huidblootstelling kunnen optreden. Ademvolume Voor het inhalatierisico wordt in de risicobeoordeling uitgegaan van een bepaalde belasting die ontstaat door een concentratie van de actieve stof in de lucht en een bepaalde inname hiervan door inademen. PRI gaat ervan uit dat een persoon bij rustige belasting 1,25 m3/uur lucht inademt. Dit is gezien de functies die het plan mogelijk maakt een goed uitgangspunt en een correctie is overbodig. Wel is, veiligheidshalve en omwille van inzicht in het effect, aangehouden dat de bewoners langer dan 1 minuut aan drift blootgesteld kunnen worden in geval van bespuiting op de aangrenzende percelen. Ook langer verblijf in de tuin zou tot een hogere blootstelling kunnen leiden.

De rijrichting tijdens bespuiting en de rijsnelheid waarmee dat gebeurt, bepaalt de tijdsduur waarin blootstelling mogelijk is. De passages die het dichtstbij plaatsvinden, hebben het grootste effect op de blootstelling. Alle andere passages dragen minder bij. Bij een conservatieve aanname dat gedurende 15 minuten blootstelling mogelijk is en niet 1 minuut waar PRI vanuit gaat, bedraagt de correctiefactor 15 (1 x 15). Vakbekwaamheid van de toepasser Toepassers van gewasbeschermingsmiddelen dienen in het bezit te zijn van een gewasbescherminglicentie (spuitlicentie) die afgegeven wordt door Bureau Erkenningen. Aangenomen wordt dat er op dit punt geen wezenlijke verschillen zijn tussen de omstandigheden tijdens onderzoek en de praktijk op het aangrenzend perceel.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 10 van 16

Meteorologie Windrichting Wat betreft windrichting is door PRI uit te gaan van 100% meewindomstandigheden, hetgeen worst case is voor de blootstelling. Om die reden is geen correctie nodig. De windrichting zelf is overigens niet van invloed op de hoeveelheid drift. Windsnelheid Van alle meteorologische parameters heeft de windsnelheid de grootste impact op de drift. Spuiten bij een hogere windsnelheid leidt tot verspreiding van drift over grotere afstand (RIZA rapport-2001.00816). Op grond daarvan wordt het PRI onderzoek representatief geacht voor de praktijksituatie in de omgeving van het plangebied. In dat verband is niet met een (aanvullende) correctie gewerkt voor de windsnelheid. Temperatuur en relatieve luchtvochtigheid De luchttemperatuur is van invloed op het vervluchtigen van (volatiele) gewasbeschermingsmiddel. Daardoor kan de inhalatoire blootstelling toenemen bij hogere temperaturen. Voor druppeldrift geldt dat lage temperaturen in combinatie met lage windsnelheden op korte afstanden (tot 5 m) hogere dermale exposities geeft dan in andere gevallen. Hogere temperaturen (vanaf 25 ºC) en lage relatieve luchtvochtigheid daarentegen kunnen er voor zorgen dat grote druppels door verdamping in omvang afnemen en daardoor fijner worden. De afstand waarover de drift zich kan verspreiden neemt daardoor toe.

De invloed van de luchtvochtigheid op de drift is overigens nog niet geheel wetenschappelijk duidelijk. De PRI metingen zijn verricht in april, mei en oktober. Deze maanden komen overeen met de gemiddelde situatie tijdens het spuitseizoen. In dat opzicht spelen verschillen in temperatuur en relatieve luchtvochtigheid tussen de PRI metingen en de omgeving van het plangebied geen rol van betekenis. Om die reden is voor deze parameters geen correctiefactor toegepast bij de vertaling van de blootstelling naar lokale omstandigheden. Spuitrichting Er is geen verschil in bespuitingen tussen het PRI onderzoek en de lokale praktijksituatie, want in beide gevallen is en wordt er neerwaarts gespoten.

4.3

Gebruikte apparatuur

De gebruikte apparatuur is in hoge mate van invloed op de drift. Relevante factoren daarbij zijn de volgende: 1. druppelgrootte/spuitdop 2. spuitdruk 3. spuitvolume 4. luchtondersteuning 5. rijsnelheid 6. spuit(boom)hoogte 7. aanvullende driftreducerende spuittechniek De druppelgrootte is de invloedrijkste factor voor de (hoeveelheid) drift en deze wordt wat betreft apparatuur bepaald door het type spuitdop (dopgrootte) en de spuitdruk. Dat is de reden dat voor driftreductie zowel eisen worden gesteld aan dop als aan druk (vloeistofdruk en eventueel luchtdruk in geval van een mengdop). De minimumeis van 75% driftreductie wordt bereikt door een combinatie van spuitdop en spuitdruk of alternatieven waarbij het complete maatregelenpakket (van punt 1 t/m 7) als geheel deze reductie oplevert.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 11 van 16

Zoals gemeld vormt de windsnelheid de belangrijkste meteorologische factor voor drift. De windsnelheid neemt toe met de hoogte en daardoor neemt de kans op drift toe als op grotere hoogte wordt gespoten. Ook luchtondersteuning en de rijsnelheid is om die reden van belang, omdat daardoor druppels hoger in de lucht terecht kunnen komen. Druppelgrootte/spuitdop Driftarme spuitdoppen geven meer grove druppels, die zwaarder zijn en minder snel verwaaien (dus tot minder drift leiden). De vormgeving van de spuitdop bepaalt de grootte van de druppels die ontstaan. Een veelgebruikt classificatieschema voor druppelgrootte of druppelklasse is: 1 zeer fijn (mist, vooral gebruik in kassen) 2 fijn 3 middel 4 grof Doptype, druk en spuitvolume bepalen samen de druppelgrootte. Een indicatie over driftpotentie vormt de fijne fractie aan druppels die ontstaan. Daarbij wordt gekeken naar het percentage druppels kleiner dan 100 tot 200 micron die in de spuitwaaier voorkomen. In de PRI onderzoeken is vermeld dat een Munkhof dwarsboomspuit uitgerust met Albuz ATR lila werveldoppen is gebruikt voor de referentiesituatie (standaard spuit). Ook zijn gegevens opgenomen voor praktijksituaties met 75% driftreductie. De gebruikte doppen vormen een onderdeel van de techniek(en) die gebruikt wordt of worden om tot de vereiste driftreductie te komen.

In dat opzicht, en in onderlinge samenhang met de andere hiervoor genoemde parameters, is er geen correctie nodig. Spuitdruk De benodigde spuitdruk wordt mede bepaald door de rijsnelheid, gewenste afgifte, onderlinge dopafstand en dopgrootte. De rijsnelheid komt verderop aan bod. De gewenste afgifte is wat betreft gewasbeschermingsmiddel beperkt door wettelijke gebruiksvoorschriften die aan de dosering worden gesteld. De hoeveelheid water en hulpstoffen die wordt gebruikt, is onder andere afhankelijk van de gewenste druppelgrootte, zie hiervoor. Een kleinere onderlinge dopafstand verlaagt doorgaans de spuitdruk en daarmee de kans op drift. Het gebruik van een kleine dopopening leidt in de regel tot een hoge spuitdruk. Bij een grotere dopopening is de spuitdruk lager. Algemeen geldt dat een hogere spuitdruk nadelig is voor de drift indien tevens wordt gewerkt met veel kleine spuitdoppen. Het onderzoek van het PRI is uitgevoerd met een spuitdruk van 7 bar. Deze is lager dan de bovenwaarde van de spuitdruk die door de teler is opgegeven, te weten 8 bar. Echter is per 1-1-2018 voor bespuitingen met gewasbeschermingsmiddelen 75% driftreductie verplicht. Om die reden is er geen correctie voor de spuitdruk nodig, ondanks dat in de praktijk een hogere druk mogelijk is dan waarmee in de PRI onderzoeken is gewerkt.

Want het wettelijk uitgangspunt voor de totale spuittechniek blijft 75% driftreductie ten opzichte van de standaard spuit. Een hogere spuitdruk moet zodoende gecompenseerd worden door bijvoorbeeld het gebruikte type spuitdop. Spuitvolume Door PRI is gemeten tijdens een spuitvolume van 200 l/ha. Afhankelijk van het toegepaste middel komen enkele malen hogere spuitvolumes voor, bijvoorbeeld voor insecticiden. Alleen een verhoging van het spuitvolume door verhoging van de druk zal leiden tot een verhoging van het risico op drift. Een verhoging van het spuitvolume gaat in de praktijk gepaard met andere wijzigingen die de driftverhoging weer teniet doen. Zoals het gebruik van meer of andere spuitdoppen (die grotere druppels geven) of door een lagere rijsnelheid aan te houden. Uit studies in het kader van het Browse project blijkt dat de afstand van de spuitdoppen onderling geen fundamentele parameter is die drift beïnvloedt. Het spuitvolume is daardoor, naast en in samenhang met andere hiervoor beschreven factoren, van ondergeschikt belang voor het driftpercentage. Om deze reden bestaat geen noodzaak om een correctiefactor toe te passen. Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 12 van 16

Luchtondersteuning In de onderzoeken van PRI is voor de maatgevende situatie (kale boom) gewerkt met luchtondersteuning bij laagtoerental (540 toeren aftakas tractor/1.400 toeren ventilator spuit). Het bijbehorende gemiddelde debiet bedroeg 26.000 m3/uur en een uitstroom luchtsnelheid van 18 m/s bij 2-zijdige uitblaas. Uit onderzoek blijkt dat de hoeveelheid drift bij eenzelfde spuit recht evenredig is met het debiet van de luchtondersteuning. Bij luchtondersteuning op een hoog toerental valt meer drift te verwachten dan bij een laagtoerental, omdat een hoog toerental een hoger debiet oplevert. Het gebruik van een hoog toerental in de kale boomsituatie is niet gebruikelijk, aangezien daartoe geen noodzaak bestaat. Want de bomen hebben in die situatie immers geen bladeren en daarom is het gebruik van een hoog debiet (om gewasbeschermingsmiddelen in het bladerdek te krijgen) in strijd met praktijkgebruik en goed vakmanschap. In verband met het voorgaande en de wettelijke verplichting per 1-1-2018 om op de totale spuittechniek 75% driftreductie toe te passen, is op dit punt geen correctie toegepast. Rijsnelheid Driftarme spuitdoppen in Nederland (TCT doppenlijst) worden officieel getest en goedgekeurd voor rijsnelheden van 3-9 km/uur, waarbij de voor bespuiting beste resultaten verkregen worden.

In het PRI onderzoek is tijdens de metingen gewerkt met een rijsnelheid van 6,5 tot 6,7 km/uur. Die rijsnelheid valt binnen de range waarmee driftarme spuitdoppen goed functioneren. Datzelfde geldt voor de beroepspraktijk in de bollenteelt, waar tijdens bespuitingen met een rijsnelheid van 7 tot 8 km/uur wordt gereden. De teler heeft aangeven, dat een rijsnelheid tussen 6 en 7 km/uur wordt gehanteerd. Om die reden is er geen correctiefactor nodig. Driftreducerende spuittechniek en/of maatregelen in het overdrachtsgebied Niet van toepassing.

4.4

Gebruikte gewasbeschermingsmiddelen

Per middel verschilt het gehalte aan werkzame of actieve stof en daardoor ook de toedieningshoeveelheid per hectare. Aangezien het een teler vrij staat alle voor betreffende teelt toegelaten middelen te gebruiken, is het minder zinvol te kijken naar uitsluitend het huidige specifiek gebruik. Gebruikelijk is het om een worst case benadering aan te houden die uitgaat van de qua toxiciteit meest risicovolle werkzame stof die toegelaten is. Dit is ook door het PRI zo gedaan. De spuitoplossing kan naast een hulpstof en/of meststof bestaan uit meer dan een gewasbeschermingsmiddel. Als er meer gewasbeschermingsmiddelen tegelijkertijd worden gedoseerd, zijn er meer of hogere concentraties werkzame stoffen in de drift aanwezig. Door PRI is in haar beoordeling alleen gekeken naar een werkzame stof (in de maximaal toegestane dosering) in de spuitoplossing. De European Food and Safety Agency (EFSA, 2013) heeft geconcludeerd dat de gezondheidsrisico’s vanwege gelijktijdige blootstelling aan meerdere gewasbeschermingsmiddelen gering is, omdat er geen bewijs is dat bepaalde werkzame stoffen elkaar versterken. Het wordt aannemelijk geacht dat chemische stoffen die verschillen in werkingsmechanisme elkaar niet beïnvloeden en elkaar alleen versterken als het werkingsprincipe gelijk is. Op dit punt vindt momenteel verder wetenschappelijk onderzoek plaats en is sprake van een leemte in de kennis.

Door Wenneker is onderzoek uitgevoerd naar de drift naar de omgeving, en in het bijzonder oppervlaktewater voor twintig hagen van diverse soorten. Geconcludeerd is dat een windhaag een effectieve methode is om drift van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. Dit naast de andere functies van windhagen te weten het voorkomen van windschade en verbeteren van het microklimaat.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 13 van 16

Een windhaag heeft ten aanzien van drift een gecombineerd effect, enerzijds de filterende werking, waardoor de emissie aan gewasbeschermingsmiddel in de lucht afneemt en anderzijds de ruimte die een windhaag inneemt, waardoor sprake is van een “teeltvrije” zone. Een windhaag met een volledig ontwikkeld bladerdek (volblad of winter groen) geeft hoge emissiereducties, die afhankelijk van de haagsoort variëren van gemiddeld 80 tot 90%. Voor Elzenhagen is in de periode na 1 mei een bladoppervlak vastgesteld dat uiteenliep van 3,4 tot 7,4 m2 per m2 windhaag. Bij een bladloze of kale windhaag is de emissiereductie lager (gemiddeld 10% tot 21%). Analyse: Toepassers van bestrijdingsmiddelen hebben grote invloed op omgevingseffecten. Toepasssers zijn opgeleid en mogen niet zonder certificaat/spuitlicentie de middelen toepassen.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 14 van 16

5

Situatie

In afbeelding 2 is de ligging van het beoogde plan gegeven, inclusief de al voorziene driftreducerende maatregelen. Een deel van het plangebied wordt bestemd als bollengrond, de nieuw te bouwen woningen en de bestaande woningen bevinden zich binnen 50 meter van deze bollengronden. Tevens ligt het plangebied op minder dan 50 meter van bollengronden in de omgeving. figuur 2: toekomstige inrichting

Spuitzone Verzoek is om de gronden in de omgeving van het plangebied te bestemmen als 'Agrarisch - Bollenteelt'. Op deze gronden kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de drift van gewasbeschermingsmiddelen van belang. Het neerkomen van een deel van de gewasbeschermingsmiddelen door wind heeft mogelijk effect op de gezondheid van omwonenden. Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij bollenteelt ontstaat nauwelijks spuitnevel, omdat spuittechniek neerwaarts is en de spuitkoppen zich relatief dicht bij de grond bevinden. Dit blijkt ook uit bovenstaande hoofdstukken. In het bestemmingplan zal vastgelegd worden dat alleen bollenteelt is toegestaan. In het vervolg van deze paragraaf wordt daarom uitgegaan van alleen bollenteelt.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 15 van 16

Afstand toets De afstand bollengrond tot het woonperceel bedraagt in het ontwerp circa 0 m. Aan deze zuidwestzijde is in de toekomstige situatie ter hoogte van de plangrens een heester aanwezig. Deze heester heeft een driftreducerende werking en heeft een positieve invloed op het woon- en leefklimaat. figuur 3: detail toekomstige inrichting

Invloed vanaf het bollenveld tot de woning(en) Volgens het Activiteitenbesluit mag er geen gewasbeschermingsmiddel in het oppervlaktewater terecht komen. Gezien het voorgaande dient in ieder geval een groenhaag of vanggewas op de erfgrens aanwezig te zijn en in stand gehouden te worden om te kunnen spreken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gewas moet in ieder geval wintergroen (bladhoudend) zijn en heeft een hoogte van minimaal 1,5 meter vanaf maaiveld. Juridische borging in het bestemmingsplan Door middel van de spuitvrije zone en een te handhaven wintergroene haag van 1,5 meter hoog (of hoger) en de toepassingseisen van de chemische middelen kan er vanuit gegaan worden dat de drift van de middelen niet via die zijde bij het woonperceel kan komen. Met een voorwaardelijke verplichting en een aanduiding op de verbeelding is deze maatregel ter voorkoming/beperking van drift van gewasbeschermingsmiddelen geborgd in de planregels. De hoogte van het vanggewas of heg dient minimaal 1,5 meter te zijn. In de regels dient opgenomen te worden dat een 1,5 meter hoge, wintergroene en bladdragende haag in stand gehouden moet worden op de grens van de tuin. Op de verbeelding van het bestemmingsplan dient in dat geval ook de situering van de haag te worden ingetekend.

Tevens dient de bufferzone van 5 meter vanaf de haag te worden geborgd in het bestemmingsplan met een specifieke gebiedsaanduiding op de verbeelding. In de regels kan bijv. het volgende worden opgenomen: “van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen milieuzone’ niet toegestaan”.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BK bouw- & milieuadvies pagina 16 van 16

6

Conclusie

Voor de omvorming van een bedrijfsbestemming tot een ‘woningbouwlocatie’ bestemming is een locatie specifiek onderzoek naar spuitdrift van gewasbeschermingsmiddelen uitgevoerd. Er is rekening gehouden met de voorgenomen ruimtelijke scheiding (zone van 5 meter) en aanplant van een windhaag en met het gebruik van voor gezondheidsrisico’s maatgevende gewasbeschermingsmiddelen en de wettelijk voorgeschreven wijze van toepassen daarvan. Uitgegaan van een conservatieve en worst case benadering, en de bestaande bedrijfsvoering met opengrond bollenteelt, kan worden geconcludeerd dat een spuitzone van 5 m vanaf de woning die voorzien is van een groene heg, voldoende garantie biedt op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met andere woorden, er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het gebied waar menselijk verblijf planologisch mogelijk gemaakt wordt indien het volgende wordt opgenomen in de regels: -

Een zone tussen de woonpercelen en de bollengrond met een breedte van 5 meter moet vrijgehouden worden van drift. Zie hiervoor ook de laatste verbeelding. Dit is ook vastgelegd in de regels. Tussen de woonpercelen en de bollengrond moet een blad dragende wintergroene haag komen met een hoogte van 1,5 meter.

Torenlaan 4c te Voorhout Onderzoek naar drift van gewasbeschermingsmiddelen | 191905 | 30 juni 2020

BIJLAGE: REGELGEVING Europese regelgeving Het Nederlandse gewasbeschermingbeleid wordt in hoge mate door EU-regelgeving beïnvloed en bepaald. In het zesde milieuactieprogramma (MAP) van de Europese Gemeenschap is speciale aandacht besteed aan gewasbeschermingsmiddelen. Daarvoor zijn twee EU verordeningen en twee EU-richtlijnen met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen opgesteld. Ze vormen samen de vier kernelementen van het gewasbeschermingbeleid. •

•

•

•

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG (PbEU 2009, L 309), in het kort: de Verordening Gewasbeschermingsmiddelen. Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU 2009, L 309), in het kort: de Richtlijn duurzaam gebruik. Richtlijn 2009/127/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot wijziging van de Richtlijn 2006/42/EG met betrekking tot machines voor de toepassing van pesticiden (PbEU 2009, L 310), in het kort: de Machinerichtlijn. Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden (PbEU 2009, L324), in het kort: de Statistiekverordening.

Ook andere Europese regelgeving is bepalend voor het gewasbeschermingbeleid, zoals de Residuverordening1 en de Kaderrichtlijn Water (KRW)2. Nationale regelgeving De volgende nationale regelgeving is van belang voor het gewasbeschermingsmiddelen- beleid. Deze vloeit grotendeels rechtstreeks voort uit de EU-regelgeving. • Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). De Wgb bevat regels voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingmiddelen en biociden. In de Wgb en het daarop gebaseerde Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Bgb) en de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Rgb) zijn bepalingen opgenomen ter uitvoering van Europese regelgeving. Onder andere worden eisen gesteld aan de vakbekwaamheid van de toepasser, het maken van een gewasbeschermingsmonitor en de (periodieke) keuring van spuitapparatuur. Bovendien voorziet de Wgb in een College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Eén van de belangrijkste taken van dit college is de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingstoffen op de Nederlandse markt. Aan de toelating worden voorschriften verbonden wat betreft het gebruik van de middelen. • Wet milieubeheer en dan met name het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (‘Activiteitenbesluit).

In het Activiteitenbesluit zijn onder meer voorschriften voor het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen opgenomen. Die voorschriften hebben bijvoorbeeld betrekking op de bescherming van het oppervlaktewater of de opslag van gewasbeschermingsmiddelen.

1

2 a. b. c.

Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en dier- voeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG (PbEU l 70). Richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG l 327) ∂ Warenwetregeling residuen van bestrijdingsmiddelen. Deze regeling is van toepassing op residuen van bestrijdingsmiddelen die niet vallen onder de werkingssfeer van de Residuverordening.

Beschermen omwonenden en passanten Mensen die in de buurt van een agrarisch bedrijf of perceel wonen (omwonenden) en mensen die zich incidenteel in de omgeving daarvan bevinden (passanten) kunnen langdurig of kortdurend aan gewasbeschermingsmiddelen worden blootgesteld. Tot voor kort werden in de toelatingsbeoordelingen door het Ctgb eventuele risico’s voor omwonenden en passanten niet meegenomen. Verondersteld werd dat de risico’s afgedekt worden via de beoordeling van de risico’s voor de toepasser, die logischerwijs aan hogere concentraties blootgesteld wordt doordat deze zich dichterbij de bron bevindt. Over deze aanname is nationaal en internationaal discussie ontstaan en risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen is nog steeds een proces van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht. Het Ctgb heeft in het licht van het advies van de Gezondheidsraad van 20143 aanvullend onderzoek uitgevoerd. In de brief van het Ctgb van 21 oktober 2015 daarover aan Staatssecretaris Mansveld wordt geconcludeerd dat alle 116 gewasbeschermingsmiddelen die zijn doorgerekend, waaronder de meest belastende gewasbeschermingsmiddelen die gebruikt worden, geen gevaar opleveren voor de gezondheid van omwonenden of omstanders.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=f362efb0-2ce7-4a3e-8c21-e4694937ba06