9. Bijlage IX - Quickscan natuurtoets - VAB-terrein - update d.d. 8-10-2024.pdf - Bijlage IX - Quic
Tekst van het document
Update QS natuurtoets VAB-terrein in Voorhout In opdracht van gemeente MeerVAB B.V.
Colofon Update QS natuurtoets VAB-terrein in Voorhout
Opdrachtgever Contactpersoon
MeerVAB B.V.
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Projectnummer Rapportnummer Auteur Controle Status Publicatiedatum Foto voorblad
5342 2791
Definitief 08-10-2024 Plangebied
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en soorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten. Het voorkomen van beschermde en Rode Lijstsoorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus (www.netwerkgroenebureaus.nl).
Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk.
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 1 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 3 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 3
1.2
Doel ...................................................................................................................... 3
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 4 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 4
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 4
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 4
2.4
Geplande flora- en fauna-activiteit ........................................................................ 4
Gebiedsbescherming in de Omgevingswet .................................................................. 7 3.1
Inleiding ................................................................................................................ 7
3.2
Provinciaal beschermde gebieden ........................................................................ 7
3.3
Natura 2000 ........................................................................................................ 10
3.4
Bijzondere natuurgebieden en landschappen ..................................................... 12
3.5
Beschermde houtopstanden ............................................................................... 13
3.6
Conclusie gebiedsbescherming .......................................................................... 14
Soortenbescherming in de Omgevingswet ................................................................. 15 4.1
Methode ............................................................................................................. 15
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 16
4.3
Consequenties soortenbescherming ................................................................... 26
4.4
Conclusie soortenbescherming ........................................................................... 31
Literatuurlijst ..................................................................................................................... 33 Bijlagen ............................................................................................................................. 34 Bijlage 1 Impressie plangebied ......................................................................................... 35 Bijlage 2 Natuurbescherming onder de Omgevingswet ..................................................... 38
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is. VAB-terrein: Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de volgende soort(groep)en: • •
Vleermuizen (vaste rust- en verblijfplaatsen gebouwbewonende soorten) Rugstreeppad
Landbouwgronden: Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de volgende soorten: • •
Rugstreeppad Platte schijfhoren
Opslagterrein met woonhuis: Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de volgende soort: •
Rugstreeppad
Het onderzoek naar vleermuizen (vaste rust- en verblijfplaatsen gebouwbewonende soorten) en rugstreeppad is in 2022 uitgevoerd (SA rapport 2518). Uit dit onderzoek is gebleken dat bij de herinrichting van het VAB-terrein zomerhabitat en winterverblijfplaatsen van de rugstreeppad verloren gaan. Daarnaast kan het verstoren, verwonden en doden van rugstreeppadden niet volledig uitgesloten worden tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Derhalve is het aanvragen van een vergunning voor een flora- en fauna activiteit en het opstellen van een activiteitenplan ten aanzien van de rugstreeppad noodzakelijk. Uit het in oktober 2024 uit te voeren onderzoek naar de platte schijfhoren zal blijken of er (ook) een vergunning voor een flora- en fauna activiteit noodzakelijk is. Voor elke flora- en fauna-activiteit geldt tevens de specifieke zorgplicht. In het kader hiervan moet voor het plangebied verder rekening gehouden worden met broedvogels, vleermuizen, overige grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Pagina 1
Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Werkzaamheden mogen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden. De activiteit is mogelijk een ‘Natura 2000-activiteit’. Het uitvoeren van een AERIUSberekening is noodzakelijk om vast te stellen of negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie aan de orde zijn en of daarmee sprake is van een ‘Natura 2000activiteit’. De AERIUS-berekening is reeds door adviesbureau Witteveen+Bos uitgevoerd (Stikstofonderzoek Meerlanden Concept 01, referentie 141856/24-008.906, 20 juni 2024, Witteveen+Bos, met AERIUS-berekeningen). Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het Natuurnetwerk Nederland is niet aan de orde. Het plangebied ligt niet in/nabij een bijzonder nationaal natuurgebied of bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap. De activiteit heeft geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen voor deze gebieden. Het nemen van maatregelen is niet noodzakelijk. Een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland en een herplantplicht voor beschermde houtopstanden is ook niet aan de orde. In het kader van de specifieke zorgplicht voor houtopstanden zijn geen maatregelen noodzakelijk.
Staring Advies voerde het onderzoek en de ecologische beoordeling uit in opdracht van MeerVAB B.V.
Pagina 2
1
Inleiding en doel
1.1
Inleiding
Bij een flora- en fauna-activiteit moet, in het kader van de Omgevingswet, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde plant- en diersoorten, beschermde natuurgebieden en beschermde houtopstanden. Om in te schatten wat het effect van de flora- en fauna-activiteit is op beschermde soorten, beschermde natuurgebieden en beschermde houtopstanden wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Indien beschermde soorten verwacht worden is nader onderzoek vereist. Er zijn plannen om op het VAB-terrein aan de 's-Gravendamseweg 77 in Voorhout de verouderde gebouwen en installaties te vervangen. In 2021 is voor de locatie een quickscan natuurtoets uitgevoerd (SA rapport 2378). Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving. In de Omgevingswet is, evenals in de Wet natuurbescherming het geval was, ook een specifieke zorgplicht vastgelegd. Speciale aandacht gaat daarbij niet alleen uit naar vogels en soorten genoemd onder de Habitatrichtlijn, maar ook naar Rode Lijst-soorten; dit is een bescherming die er voorheen voor Rode Lijst soorten niet was. In het in 2021, onder de Wet natuurbescherming, opgestelde quickscan natuurtoets zijn de Rode lijst genoteerde soorten flora en fauna niet behandeld. van MeerVAB B.V.
is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om, specifiek voor Rode lijst genoteerde soorten, een update van de in 2021 uitgevoerde quickscan natuurtoets uit te voeren.
1.2
Doel
Het doel van deze update quickscan is om snel te inventariseren of door de flora- en faunaactiviteit schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden. Verder geldt dat er geïnventariseerd wordt of Rode Lijst soorten verwacht worden. Hierbij wordt ook vastgesteld of nader onderzoek, nadere toetsing en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet aan de orde is. Daarnaast wordt met deze quickscan inzichtelijk gemaakt op welke wijze voldaan kan worden aan de specifieke zorgplicht die geldt bij soortenbescherming, gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden.
Pagina 3
2
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden
2.1
Gegevens plangebied
Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
2.2
's-Gravendamseweg 77 (VAB-terrein) Voorhout Teylingen Zuid-Holland
Beschrijving van het plangebied
Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de woonkern Noordwijkerhout en ten noorden van de woonkern Voorhout in de gemeente Teylingen (zie figuur 1 en 2). Het plangebied is min of meer te verdelen in drie deelgebieden: het VAB-terrein zelf (blauw), het opslagterrein met woonhuis (groen) en de landbouwgronden (oranje): zie figuur 3 en bijlage 1. Het plangebied wordt begrensd door een spoorlijn, enkele agrarische percelen, infrastructuur en bebouwing. •
• •
2.3
VAB-terrein: terrein dat grotendeels bestaat uit geasfalteerd terrein met enkele perken en gebouwen. Er is tevens een ongebruikte spoorlijn over de gehele lengte aan de zuidoostzijde van het terrein. Deze spoorbaan ligt grotendeels op een spoorbed (stenen). Aan de meest westelijke punt is een iets verwilderd terrein/ruigte. Opslagterrein met woonhuis: terrein met woonhuis dat grotendeels onbegroeid is. Landbouwgronden: het westelijke perceel betreft een akker, de oostelijke percelen betreft graszoden. Aan alle zijden, met uitzondering van de noordoostelijke rand, bevinden zich sloten.).
Beschrijving van het onderzoeksgebied
Om het eventuele verstorend effect van de geplande activiteiten op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf (zie figuur 2). Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door een spoorlijn, enkele agrarische percelen, infrastructuur en bebouwing.
2.4
Geplande flora- en fauna-activiteit
De gebouwen en installaties op het VAB-terrein in Voorhout zijn verouderd en aan vervanging toe. De gemeentes hebben een projectteam aangesteld dat werkt aan een plan om het VAB-terrein toekomstbestendig en innovatief in te richten. Men is voornemens om op het VAB-terrein in Voorhout onder andere enkele gebouwen en installaties te slopen.
Pagina 4
Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Zuid-Holland (2024).
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (gele stippellijn). Bron: Provincie Zuid-Holland (2024).
Pagina 5
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied met deelgebieden (zie paragraaf 2.1). Bron: Provincie Zuid-Holland (2024).
Pagina 6
3
Gebiedsbescherming in de Omgevingswet
3.1
Inleiding
De gebiedsbescherming in de Omgevingswet bestaat uit de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden, bijzondere landschappen en houtopstanden. In paragraaf 3.2 wordt de geplande activiteit behandeld in relatie tot de bescherming van provinciaal beschermde gebieden. In paragraaf 3.3 wordt de activiteit behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. In paragraaf 3.4 wordt de activiteit behandeld in relatie tot de bescherming van houtopstanden.
3.2
Provinciaal beschermde gebieden
3.2.1 Algemeen De provincie Zuid-Holland heeft beschermde gebieden onderverdeeld in drie beschermingscategorieën: Beschermingscategorie 1, 2 en 3. Deze kennen geen externe werking. Beschermingscategorie 1 Dit is de categorie die het zwaarste beschermingsregime geniet. Hieronder valt onder andere het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het NNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het NNN in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. In de provincie Zuid-Holland vallen ook ecologische verbindingen en zoekgebieden natuur onder het NNN. Behalve het NNN vallen onder beschermingscategorie 1 ook zogenaamde ‘Kroonjuwelen cultureel erfgoed’. Daarnaast zijn er enkele specifiek aangewezen gebieden met een status die onder beschermingscategorie 1 vallen, zoals ‘Beschermd Grasland in de Bollenstreek’ en ‘Buijtenland van Rhoon’.
Beschermingscategorie 2 Beschermingscategorie 2 is minder zwaar dan beschermingscategorie 1 en bestaat uit drie soorten gebieden: •
Belangrijk weidevogelgebied
Pagina 7
• •
Groene buffer Recreatiegebied
Belangrijk weidevogelgebied Een omgevingsplan voor een belangrijk weidevogelgebied kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: ➢ de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor; ➢ de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied. Groene buffer Een omgevingsplan voor locaties binnen Groene Buffers kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: ➢ de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; ➢ de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; ➢ de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; ➢ de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.
Recreatiegebied De kernkwaliteiten van deze beschermingszone gaan over recreatie. Deze aspecten zijn niet relevant voor deze natuurtoets. Beschermingscategorie 3 (Buitengebied) Een omgevingsplan voor een locatie in het Buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: ➢ de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; ➢ de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;
Pagina 8
➢ het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; ➢ de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties.
3.2.2 Geplande activiteit Beschermingscategorie 1 Het plangebied ligt buiten gebieden met beschermingscategorie 1. Deze kennen geen externe werking. Er liggen twee typen gebieden dichtbij, namelijk: ‘Beschermd grasland in de bollenstreek’, ten zuiden van het plangebied en ‘Natuurnetwerk Nederland: Ecologische verbinding’, langs het spoor ten noorden van het plangebied (zie figuur 4). In figuur 4 valt de uiterste zuidwestelijke hoek van het plangebied binnen het gebied ‘Beschermd grasland in de bollenstreek’. Het betreft hier een strook braakland met opslag van enkele bomen. Er is hier geen sprake van grasland en kan dan ook niet als ‘Beschermd grasland in de bollenstreek’ getypeerd worden. Beschermingscategorie 2 Het plangebied ligt buiten gebieden met beschermingscategorie 2. Deze kennen geen externe werking. Het dichtstbijzijnde gebied is ten zuiden van het plangebied, wat is aangemerkt als belangrijk weidevogelgebied. Beschermingscategorie 3 Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom en dus binnen gebieden die zijn aangewezen als ‘Buitengebied’ onder beschermingscategorie 3 (zie figuur 4). De openheid en het groene karakter van het landschap worden echter niet onevenredig aangetast. Hieronder volgt de motivering van de vermeende kwaliteiten zoals beschreven in de omgevingsverordening: Het terrein is niet zichtbaar vanaf de openbare weg.
In die zin steekt het ook niet uit vanaf de lintbebouwing, maar zullen de nieuwe panden opgaan in de al aanwezige bebouwing. Daarmee tast het plaatsen van een gebouw niet de weidsheid en openheid van het landschap aan. Het terrein kent geen enkele relevantie in de relatie tussen stad en buitengebied. Het is niet te zien of te betreden vanaf de openbare weg. ‘Kenmerkend voor de bollenstreek is dat op een betrekkelijk klein oppervlakte een grote landschappelijke variatie bestaat. Oude en jonge duinen, strandvlaktes, zanderijen, bloembollenvelden, buitenplaatsen, verstedelijking, oeverwallen, veenweidegebieden en een enkele droogmakerij komen allemaal voor’ (uit: Panorama Landschap: Duin- en Bollenstreek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Deze landschappelijke variatie is, op verstedelijking na, niet te herkennen in het plangebied. Dit kan dus ook niet verloren gaan. Samengevat kan gesteld worden dat de plannen geen aantasting zijn van het buitengebied.
Pagina 9
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van gebieden met beschermingscategorie 1, beschermingscategorie 2 en beschermingscategorie 3. Bron: Provincie Zuid-Holland (2024).
3.3
Natura 2000
3.3.1 Algemeen De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Omgevingswet beschermt onder andere Natura 2000gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een omgevingsvergunning nodig. Een dergelijke activiteit wordt een ‘Natura 2000-activiteit’ genoemd en is vergunningsplichtig.
3.3.2 Geplande activiteit Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt op ruime afstand (vanaf 3,1 km) van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ (zie figuur 5). Overige Natura 2000-gebieden als ‘Coepelduynen’ liggen op ruimere afstand van het plangebied, vanaf ruim 4,6 kilometer.
Pagina 10
Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering worden niet verwacht. Door de afstand tot de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Coepelduynen’ kunnen indirecte verstoringen als licht, geluid en trillingen op voorhand uitgesloten worden. Stikstofdepositie Er is tijdens de werkzaamheden door in te zetten materieel en de verkeersbewegingen sprake van extra stikstofdepositie, tenzij er volledig gebruik gemaakt wordt van elektrisch materieel. Daarnaast zal in de gebruiksfase ook sprake zijn van meer verkeersbewegingen. Daarmee zijn er mogelijk negatieve effecten door extra stikstofdepositie op Natura 2000gebieden niet uit te sluiten. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een (significante) toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de geplande activiteiten. Er is reeds een AERIUS-berekening uitgevoerd. Voorlopige conclusie (begin september 2024) is dat er geen sprake is van een (significante) toename van stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning natuur (w.b. stikstof) is, op basis van de voorlopige conclusie, niet noodzakelijk. Specifieke zorgplicht Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden (vanaf 10,6 km).
Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn er in het kader van de specifieke zorgplicht geen maatregelen noodzakelijk.
Pagina 11
Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden. Bron: natura2000.eea.europa.eu (2024).
3.4
Bijzondere natuurgebieden en landschappen
3.4.1 Algemeen Het Rijk kan bijzondere nationale natuurgebieden aangewezen hebben. Dit zijn gebieden die zijn aangewezen als vooruitloper op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied of gebieden die bescherming behoeve voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt de specifieke zorgplicht. De provincies kunnen bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen hebben aangewezen. Ter bescherming van deze gebieden zijn specifieke regels opgesteld. In Zuid-Holland zijn er buiten de provinciaal beschermde (natuur)gebieden ook nog UNESCO Werelderfgoederen aangewezen.
Pagina 12
UNESCO Werelderfgoed: Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de UNESCO Werelderfgoederen, worden in het omgevingsplan regels gesteld in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten opgesteld voor het desbetreffende werelderfgoed. De regels houden in ieder geval in dat de kernkwaliteiten niet worden aangetast. De toelichting op het omgevingsplan bevat: a) een beschrijving van de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten; en b) een beschrijving en motivering van de wijze waarop die kernkwaliteiten in stand worden gehouden of versterkt. Groen erfgoed: In Nederland zijn door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verschillende groenstructuren aangeduid als groen erfgoed. Hieronder worden historische groenaanleggen zoals tuinen, parken, woonwijken, verdedigingswerken, begraafplaatsen, buitenplaatsen en landgoederen verstaan. Ook monumentale bomen en cultuurlandschappen met door de mens beïnvloed groen zoals (hakhout)bossen en houtwallen vallen ook onder de noemer Groen erfgoed.
3.4.2 Geplande activiteit Het plangebied waar de activiteit gaat plaatsvinden, ligt buiten UNESCO Werelderfgoed en er bevinden zich geen groene erfgoederen in het plangebied en de directe omgeving. Voor bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn geen preventieve of herstelmaatregelen noodzakelijk bij de geplande activiteiten.
3.5
Beschermde houtopstanden
3.5.1 Algemeen De Omgevingswet beschermt houtopstanden vanaf 10 are of meer en bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Omgevingswet vallen dan geldt een algemene meldplicht en een herplantplicht. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij deze regels niet gelden.
3.5.2 Geplande activiteit Van bomenkap is geen sprake. De werkzaamheden vinden plaats buiten de bebouwingscontour houtkap. Er is geen sprake is van aantasting van beschermde houtopstanden. Voor deze activiteit is geen sprake van een meldplicht en/of herplantingsplicht. Specifieke zorgplicht Voor houtopstanden geldt de specifieke zorgplicht. Deze geldt bij het vellen van
Pagina 13
houtopstanden, het aanplanten van bomen of nadat een houtopstand teniet is gedaan. Als deze handelingen nadelige gevolgen hebben voor de doelstellingen van de regels voor het vellen en herplanten van houtopstanden, te weten natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal en het beschermen van landschappelijk waarden, dan is de initiatiefnemer verplicht om de nadelige gevolgen te voorkomen te beperken of ongedaan te maken of achterwege te laten. In het plangebied is van bomenkap is geen sprake. In kader van de specifieke zorgplicht voor beschermde houtopstanden zijn geen maatregelen nodig.
3.6
Conclusie gebiedsbescherming
Natuurnetwerk Nederland Er is geen sprake van aantasting van beschermde waarden of ontwikkelingsdoelen van het Natuurnetwerk Nederland. Vervolgstappen, zoals nadere toetsing, vergunningsaanvraag of het opstellen van een versterkingsplan is niet noodzakelijk. Natura 2000-gebieden Op basis van een eerder uitgevoerde AERIUS-berekening is geconcludeerd dat de activiteit geen ‘Natura 2000-activiteit’ is. Een omgevingsvergunning natuur (w.b. stikstof) is, op basis van de voorlopige conclusie, niet noodzakelijk. Gezien de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn er in het kader van de specifieke zorgplicht verder geen maatregelen noodzakelijk. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Voor bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn geen preventieve of herstelmaatregelen noodzakelijk bij de geplande activiteiten. Beschermde houtopstanden Er is geen sprake is van aantasting van beschermde houtopstanden. Voor deze activiteit is geen sprake van een meldplicht en/of herplantingsplicht. In kader van de specifieke zorgplicht voor beschermde houtopstanden zijn ook geen maatregelen nodig.
Pagina 14
4
Soortenbescherming in de Omgevingswet
4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en er is gericht veldonderzoek uitgevoerd.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over beschermde flora- en faunasoorten, soorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet vlakdekkend en volledig. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten en soorten die staan op de Rode Lijsten, uit de afgelopen 10 jaar.
4.1.2 Veldonderzoek Ten opzichte van het onderzoek uit 2021 is het plangebied ongewijzigd. Dit blijkt uit diverse veldbezoeken welke door Staring Advies, na uitvoering van de quickscan natuurtoets in 2021, zijn uitgevoerd. In verband met de sloop en nieuwbouw op het VAB-terrein is door Staring Advies een (aanvullende) quickscan natuurtoets uitgevoerd op een gedeelte van perceel 4134 en 4136 aan de ‘s Gravendamseweg 65 (SA rapport 2378). Voor het veldonderzoek is deze locatie, bestaande uit een opslagterrein met woonhuis, op 7 maart 2024 bezocht. Betreffende locatie maakt ook onderdeel uit van het op 13 oktober 2021 onderzochte plangebied. Daarnaast is in 2022 een aanvullend onderzoek naar rugstreeppad en vleermuizen in het plangebied uitgevoerd. Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht in 2021 het plangebied en nabije omgeving om een inschatting te maken van de beschermde soorten, Rode Lijstsoorten (flora en fauna) en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats (zie tabel 1). Bij het veldonderzoek is gebruik gemaakt van een verrekijker en fotocamera. Tabel 1. Veldonderzoek.
Onderzoeker
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
Ing. R. Top
13-10-2021
14.15 uur
Bewolkt, droog, 14 °C, wind 0-1 Bft
Pagina 15
4.2
Resultaten
Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Voor het literatuuronderzoek is de NDFF geraadpleegd. Voor het zoekgebied maakt de NDFF melding van de volgende beschermde en Rode Lijstsoorten: Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied geen melding van beschermde plantensoorten. De NDFF maakt wel melding van een aantal soorten hogere planten die op de Rode Lijst staan. Het betreft de volgende soorten: •
Engels gras, kamgras, kleverige reigersbek, korenbloem en selderij.
Broedvogels De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van diverse beschermde vogelsoorten en soorten die op de Rode Lijst staan. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. De NDFF maakt melding van de volgende vogelsoorten waarvan de vaste rusten verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd (categorie 1 t/m 4) zijn: •
Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, sperwer en wespendief.
Daarnaast zijn er waarnemingen van categorie 5-soorten bekend. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Het betreft de volgende in de NDFF vermelde soorten: •
Blauwe reiger, boerenzwaluw, boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, tapuit, torenvalk, zwarte kraai, zwarte mees en zwarte roodstaart.
De NDFF maakt melding van de volgende vogelsoorten die op de Rode Lijst staan: •
Blauwe kiekendief, boerenzwaluw, boomvalk, Engelse gele kwikstaart, gele kwikstaart, goudplevier, graspieper, grauwe vliegenvanger, grote karekiet, grutto, huismus, huiszwaluw, keep, kemphaan, kneu, koekoek, kramsvogel, nachtegaal, oeverloper, ortolaan, paapje, patrijs, pijlstaart, ransuil, ringmus, roerdomp, slobeend, smient, spotvogel, tapuit, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik en visdief.
Pagina 16
Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van de volgende beschermde zoogdiersoorten: •
•
Nationaal beschermde soorten: boommarter, bosmuis, bunzing, damhert, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis en vos1. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.
Daarnaast maakt de NDFF melding van een aantal Rode Lijst zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •
Haas, konijn en laatvlieger.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde amfibieënsoorten: • •
Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Internationaal beschermde soorten: rugstreeppad.
Daarnaast maakt de NDFF melding van een Rode Lijst amfibieënsoort. Het betreft de volgende soort: •
Rugstreeppad.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van een beschermde weekdier. Het betreft de volgende slakkensoort: •
Internationaal beschermde soort: platte schijfhoren.
Daarnaast maakt de NDFF melding van de volgende Rode Lijstsoorten: •
Bruin blauwtje en wijngaardslak.
1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de boommarter en damhert in de provincie Zuid-Holland vrijgesteld van
de verboden als bedoeld in in de Bal 11.54.
Pagina 17
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora VAB-terrein Dit deel van het plangebied bestaat uit geasfalteerd terrein met enkele perken, gebouwen en een ongebruikte spoorlijn. De vegetatie op het VAB-terrein wordt grotendeels gedomineerd door ruderale vegetatie en lokale aanwezigheid van verwilderde tuinplanten. Aan de meest westelijke punt is een iets verwilderd terrein/ruigte. De ruderale delen van het plangebied, rondom de te slopen gebouwen en op het spoorbed van de ongebruikte spoorlijn, bestaat uit een ruderale vegetatie van vrij algemene plantensoorten zoals bezemkruiskruid, hondsroos, rimpelroos, zwaardherik (rucola), zeepkruid, kleverig kruiskruid, robertskruid, hazenpootje, gewoon biggenkruid, bijvoet, duizendblad, paardenbloem species, ridderzuring, braam species, teunisbloem species, boerenwormkruid, wilde peen, fluitenkruid, smalle weegbree, gewone berenklauw, akkerdistel, kaal knopkruid, duizendblad, grote brandnetel, gewone ossentong, gekroesde melkdistel en Canadese fijnstraal. Landbouwgronden Dit deel wordt bepaald door agrarische percelen (grasland en één akker) en enkele sloten.
De vegetatie in de agrarische percelen is structuur- en soortenarm en wordt gedomineerd door algemene soorten van voedselrijke en ruderale omstandigheden zoals paarse dovenetel, vogelmuur, riet, zwarte nachtschade, moeraskers, akkerkers, grote weegbree, smalle weegbree, reukeloze kamille, witte klaver, duizendblad, gewone berenklauw, grote brandnetel, teunisbloem species, gekroesde melkdistel, witte dovenetel, klein kruiskruid en scherpe boterbloem. De oeverzone van de aanwezige sloten is meer gevarieerd qua soortensamenstelling en structuur met onder andere moerasvergeet-me-nietje en pijptorkruid. De sloot tussen dit deelgebied en het VAB-terrein wordt gedomineerd door riet. Opslagterrein met woonhuis De vegetatie op het opslagterrein en rondom het woonhuis worden grotendeels bepaald door een ruderale vegetatie van vrij algemene plantensoorten. Bijzondere en soortenrijke vegetaties met zeldzame en/of beschermde plantensoorten en muurflora op de te slopen gebouwen zijn niet in het plangebied aanwezig. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden hier niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek.
Rode Lijst Met uitzondering van kamgras en mogelijk korenbloem worden de overige, in de NDFF vermelde, Rode Lijstsoorten hogere planten niet in het plangebied verwacht, door het
Pagina 18
ontbreken van geschikte (natuurlijke) groeiplaatsen. Kamgras wordt aangetroffen in beperkt bemeste bermen en op dijkhellingen en in beweide graslanden op matig vochtige tot vrij droge graslanden, die basisch tot vrij zuur kunnen zijn. Dit habitat is lokaal in de randen van de landbouwpercelen aanwezig. Korenbloem is een kenmerkende soort van akkers en braakliggende grond op kalkarme tot kalkrijke grond. Het natuurlijke verspreidingsgebied in Nederland concentreert zich voornamelijk tot de oostelijke en zuidelijke provincies. In ZuidHolland is het van oudsher een zeldzame soort en het merendeel van de actuele waarnemingen in deze provincie zijn afkomstig van (verwilderde) exemplaren uit ingezaaide zomerbloemenmengsels. Het VAB-terrein is geschikt als groeiplaats voor de korenbloem. Geschikte groeiplaatsen voor Engels gras (zilte graslanden en kwelders), kleverige reigersbek (kalkrijke pionierssituaties in duinen) en selderij (zilte tot brakke grazige vegetaties) is niet in het plangebied aanwezig. Broedvogels Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving de volgende vogelsoorten aangetroffen: blauwe reiger, ekster, halsbandparkiet, kauw, krakeend en spreeuw.
Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, sperwer en wespendief, waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar en sperwer zijn waarnemingen bekend waarbij er sprake is van directe binding met de omgeving (ter plaatse, baltsend/zingend, broedend, etc.). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied geen van deze jaarrond beschermde soorten waargenomen. VAB-terrein, landbouwgronden en opslagterrein met woonhuis Boomvalk, buizerd, havik, sperwer en wespendief Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde boombewonende soorten in het onderzoeksgebied, of directe hieraan grenzend, waargenomen. Op het VAB-terrein en op het opslagterrein met woonhuis zijn enkele knotwilgen en solitaire bomen aanwezig welke potentieel geschikt kunnen zijn als nestlocatie voor boomvalk, buizerd en/of sperwer. Voor de havik en wespendief, welke sterk afhankelijk zijn van verstoringsvrije bospercelen, is een nestplaats hier uit te sluiten.
Tijdens het veldbezoek zijn in de aanwezige bomen geen (recent) gebruikte roofvogelnesten, (oude) ekster-, roeken- en kraaiennesten of andere gebruikssporen van deze soorten (veren, uitwerpselen, plukplaatsen, prooiresten, braakballen, etc.) aangetroffen.
Pagina 19
Gierzwaluw Ten tijde van het veldbezoek (half oktober) is de gierzwaluw weggetrokken voor overwintering in Afrika, waardoor geen exemplaren zijn waargenomen. Gierzwaluwen zijn koloniebroeders die hun verblijfplaatsen doorgaans hebben in bebouwing, waar ze hun nesten bouwen onder dakpannen en in andere nauwe holtes. Bebouwing in het plangebied is aanwezig op het VAB-terrein en in de vorm van een woonhuis aan de 's-Gravendamseweg 65. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte nestplaatsen voor de gierzwaluw op het VABterrein aan de gevels of de dakconstructie van de te slopen bedrijfspanden en installaties aangetroffen. Aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats (nestplaats) van de gierzwaluw kan hier worden uitgesloten. Het woonhuis aan de 's-Gravendamseweg 65 is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor de gierzwaluw. Hier zijn voldoende invliegopeningen aanwezig. Het woonhuis is gelegen in het buitengebied van de woonkernen Voorhout en Noordwijkerhout, welke niet past in het typerende broedhabitat van de gierzwaluw (stedelijk gebied). Aanwezigheid van de gierzwaluw kan hier echter niet worden uitgesloten. Huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoort bekend. Deze soort is tijdens het veldbezoek niet in het plangebied of in de directe omgeving vastgesteld.
Bebouwing in het plangebied is aanwezig op het VAB-terrein en in de vorm van een woonhuis aan de 's-Gravendamseweg 65. Door het ontbreken van geschikte ruimtes onder het dak en overige nissen in de gevels zijn de het VAB-terrein aanwezige bedrijfspanden en installaties ongeschikt als verblijfplaats voor de huismus. Aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats (nestplaats) van de huismus kan hier worden uitgesloten. Incidenteel gebruik van het VAB-terrein door een rustende of foeragerende huismus is niet uit te sluiten. Door de aanwezigheid van voldoende (alternatief) leefgebied rondom het VAB-terrein zijn er hier geen (essentiële) onderdelen van de functionele leefomgeving te verwachten. Het woonhuis aan de 's-Gravendamseweg 65 is geschikt als verblijfplaats voor de huismus. Hier zijn voldoende invliegopeningen, nissen en ruimtes onder het dak aanwezig. Daarnaast zijn lokaal ook in het plangebied (essentiële) onderdelen van de functionele leefomgeving als tuinbeplanting (rust- en schuilmogelijkheden), zandbaden en grazige en ruderale vegetatie (foerageerplekken) aanwezig. Er is hier mogelijk sprake van essentieel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus. Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond
Pagina 20
beschermde vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen. Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. In het plangebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart. Incidenteel kan in het plangebied rustend exemplaar worden waargenomen, maar van een essentieel leefgebied is geen sprake. Ooievaar Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaars aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is niet geschikt als nestlocatie voor deze soort. Sporadisch kan een overvliegend of rustend exemplaar in de omgeving van het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden. Categorie 5 De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied diverse categorie 5-soorten. In het plangebied is geschikte nestgelegenheid voor een enkele categorie 5-soort aanwezig. Op de gebouwen, in een enkele boom en in de ruderale vegetatie van het plangebied kunnen enkele categorie 5-soorten broeden.
Het betreft met name algemene en weinig kritische soorten als ekster, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw, zwarte kraai en zwarte roodstaart. Voor dergelijke soorten die in de omgeving kunnen broeden geldt dat door de aard en beperkte omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten voor deze soorten uitgesloten. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied een aantal Rode Lijst soorten. In een enkele boom en in de ruderale vegetatie is geschikte nestgelegenheid voor een enkele Rode lijstsoort als kneu, nachtegaal en spotvogel te verwachten. De agrarische percelen worden intensief bewerkt en zijn ongeschikt als nestlocatie voor meer kritische akker- en weidevogels als graspieper, grutto, tureluur en veldleeuwerik. Lokaal is in een slootkant een enkele broedende gele kwikstaart niet volledig uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen van algemene soorten muizen (holletjes) aangetroffen in het plangebied. Mogelijk gebruiken bunzing, egel, haas, konijn en een enkele (algemene) muizensoort als bosmuis en rosse woelmuis het plangebied als leef- en foerageergebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. De NDFF maakt ook melding van de niet vrijgestelde beschermde boommarter en damhert voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1).
Pagina 21
VAB-terrein, landbouwgronden en opslagterrein met woonhuis Boommarter Overdag gebruiken boommarters verschillende type slaapplaatsen: boomholtes, roofvogelnesten, heksenbezems, (brede) takken en holen onder de grond van vos, das of konijn. De boomholtes die gebruikt worden zijn uitgehakt door de zwarte of groene specht of door inrotting ontstaan. Soms zitten boommarters ook in huizen of schuren in of in de directe omgeving van bos. Tijdens het veldbezoek zijn geen boommarters en/of sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. De in het plangebied aanwezige bomen herbergen geen geschikte holten, welke als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Op basis van de inspectie zijn ook in de randzone van het plangebied geen geschikte bomen als oude, forse beuken en eiken met (oude zwarte spechten-)holen aangetroffen. Gelet op het ontbreken van sporen en de afwezigheid van bomen met holten kan worden gesteld dat het plangebied, en de direct aangrenzende delen, niet in gebruik zijn door de boommarter. Incidenteel kan wel een rondzwervend exemplaar het plangebied doorkruisen. Van een essentieel leefgebied is echter geen sprake. Damhert Er zijn enkele waarnemingen van deze beschermde soort uit de ruime omgeving van het plangebied bekend (bron: NDFF).
Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren en sporen van het damhert in het plangebied aangetroffen. Door de afstand van het plangebied tot de grote duin- en boscomplexen (Amsterdamse Waterleidingduinen), waar populaties damherten aanwezig zijn, en door de ligging nabij de bebouwde kom van Noordwijkerhout en Voorhout is het gebruik van het plangebied door bijvoorbeeld een rondzwervend exemplaar van het damhert uit te sluiten. Overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen vaste verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen. Het bronnenonderzoek bevestigt daarnaast de afwezigheid van overige beschermde grondgebonden zoogdieren voor de wijde omgeving van het plangebied. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de aanwezigheid van de Rode Lijst soorten haas en konijn. Haas en konijn Voor haas en konijn is geschikt leefgebied in het plangebied aanwezig. Geschikte rust- en verblijfplaatsen voor konijn zijn met name in de verruigde delen van het VAB-terrein voorhanden. De agrarische percelen vormen voornamelijk voor haas geschikt leefgebied. Door de geplande werkzaamheden zijn negatieve effecten op zowel haas als konijn niet uitgesloten.
Pagina 22
Overige grondgebonden zoogdiersoorten die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). VAB-terrein, landbouwgronden en opslagterrein met woonhuis Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen De grote loodsen zijn grotendeels opgetrokken uit stalen wanden, maar aan de onderzijde zijn stenen muren. Waar de stenen muren overgaan naar staal zijn diverse kieren aangetroffen die mogelijk toegang bieden tot geschikte ruimten voor vleermuizen. Deze gebouwen zijn voornamelijk geschikt als verblijfplaats voor een weinig kritische soort als gewone dwergvleermuis. Een verblijfplaats van de meer kritische laatvlieger wordt niet snel verwacht, maar is ook niet met zekerheid uit te sluiten. In het te slopen woonhuis zijn ruimtes in enkele kieren bij de aanwezige dakranden en dak en op enkele plaatsen achter loodflappen en goten geschikt voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en eventueel laatvlieger.
Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied bevinden zich geen bomen met geschikte holten die kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten, zoals rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Een verblijfplaats van een boombewonende soort is uit te sluiten. Vliegroutes en foerageergebied(en) Het plangebied is door zijn openheid beperkt geschikt als foerageergebied. Door het ontbreken van opgaande groenstructuren in de vorm van brede houtsingels, laanbomen en bosschages is er geen sprake van potentieel essentieel foerageergebied of eventueel een vliegroute voor vleermuizen. De geplande ontwikkeling heeft geen significant negatief effect op (essentiële) foerageergebieden en vliegroutes. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de volgende Rode Lijst soort: laatvlieger. Deze soort is reeds behandeld. Overige vleermuissoorten die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving.
Pagina 23
Amfibieën en vissen Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad. Voor deze soorten, met uitzondering van de rugstreeppad, geldt in ZuidHolland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de internationaal beschermde rugstreeppad. Rugstreeppad De internationaal beschermde rugstreeppad is voor zijn voortplanting afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt zijn. Rugstreeppadden zijn pioniers. Op opgespoten land verschijnt de rugstreeppad vaak al snel. De soort is een bewoner van zandachtige streken (bijvoorbeeld rivier- en zeeduinen en stuifzandheuvels) en ruderale gebieden zoals bouw-, industrie- en opgespoten terreinen en vuilstortplaatsen. VAB-terrein Het VAB-terrein is, door de aanwezigheid van ruderaal terrein in de vorm van kale zandbodems en een spoorbed (stenen) van een ongebruikte spoorlijn, potentieel geschikt als habitat voor de rugstreeppad. Voortplantingswateren in de vorm van ondiepe, snel opwarmende, wateren waren tijdens het veldbezoek niet in het plangebied voorhanden.
Echter door aanwezigheid van diverse (aangrenzende) sloten is voortplanting van de rugstreeppad hier niet uit te sluiten. Daarnaast is het niet uit te sluiten dat na perioden van langdurige regenval ook lokaal ondiepe, tijdelijke wateren ontstaan. Deze kunnen dan ook als voortplantingswater gebruikt worden. Landbouwgronden De landbouwgronden zijn, door de afwezigheid van ruderaal terrein in de vorm van kale zandbodems, niet geschikt als landhabitat voor de rugstreeppad. Voortplantingswateren in de vorm van ondiepe, snel opwarmende, wateren waren tijdens het veldbezoek ook niet in het plangebied voorhanden. Echter door aanwezigheid van diverse sloten is voortplanting van de rugstreeppad hier niet uit te sluiten. Daarnaast is het niet uit te sluiten dat na perioden van langdurige regenval op het aangrenzende VAB-terrein en op het opslagterrein lokaal ondiepe, tijdelijke wateren ontstaan. Deze kunnen dan ook als voortplantingswater gebruikt worden. Opslagterrein met woonhuis Het opslagterrein is, door de aanwezigheid van ruderaal terrein in de vorm van kale zandbodems, potentieel geschikt als habitat voor de rugstreeppad. Voortplantingswateren in de vorm van ondiepe, snel opwarmende, wateren waren tijdens het veldbezoek niet in het plangebied voorhanden. Echter door aanwezigheid van diverse (aangrenzende) sloten is voortplanting van de rugstreeppad hier niet uit te sluiten.
Daarnaast is het niet uit te sluiten
Pagina 24
dat na perioden van langdurige regenval ook lokaal ondiepe, tijdelijke wateren ontstaan. Deze kunnen dan ook als voortplantingswater gebruikt worden. Overige algemene amfibieën Op het VAB-terrein en op het opslagterrein ontbreken wateren in de vorm van sloten, poelen en vijvers. Voortplanting van de in de NDFF vermelde vrijgestelde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker is hier dan ook uit te sluiten. Incidenteel gebruik door een rondzwervend of rustend exemplaar is mogelijk. Geschikt leefgebied in de vorm van voortplantingswateren (watervoerende sloten) en landhabitat (oeverzones met riet en oeverplanten) is lokaal in de landbouwgronden te vinden. Aanwezigheid van enkele algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker is hier niet uit te sluiten. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de volgende Rode Lijst soort: rugstreeppad. Deze soort is reeds behandeld. Overige soorten amfibieën die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen, maar de meeste soorten zijn echter op het moment van onderzoek (half oktober) ook grotendeels niet meer actief.
De NDFF maakt geen melding van reptielen voor de omgeving van het plangebied (bron: NDFF). Door het ontbreken van geschikt habitat is de aanwezigheid van reptielen hier uit te sluiten. Vissen In de sloten langs de landbouwgronden worden uitsluitend algemene, niet beschermde vissoorten als baars, blankvoorn, brasem, ruisvoorn en snoek verwacht. De aanwezigheid van een strikt beschermde vissoort als de grote modderkruiper of houting is hier uit te sluiten. De NDFF maakt ook geen melding van beschermde vissoorten als de grote modderkruiper of houting voor de omgeving van het plangebied (bron: NDFF). Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen, maar de meeste soorten zijn echter op het moment van onderzoek (half oktober) ook grotendeels niet meer actief. De NDFF vermeldt het voorkomen van de internationaal beschermde platte schijfhoren voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1).
Pagina 25
Platte schijfhoren In de omgeving van het plangebied is een enkele waarneming van deze beschermde weekdiersoort bekend (bron: NDFF). De platte schijfhoren wordt voornamelijk aangetroffen in stilstaande of zeer zwak stromende, zoete wateren. Milieufactoren als diepte, breedte en isolatie van het water lijken op het voorkomen weinig of geen invloed te hebben. De soort komt vooral voor in laagveengebieden, zowel in plassengebieden als in sloten, met name in wateren met een veenbodem. In intensief beheerde veenweidengebieden, waar sloten intensief worden geschoond, komt de platte schijfhoren indien aanwezig, voor in wateren met een gevarieerde vegetatie. In de iets voedselarmere sloten wordt de soort vaak met brede waterpest en gewoon kranswier aangetroffen. Sloten die het rijkst zijn qua onderwatervegetatie, bieden ook de beste leefomstandigheden voor de platte schijfhoren. Op basis van de ecologie van de platte schijfhoren en de aanwezigheid van geschikt biotoop in de vorm van diverse waterhoudende sloten langs de agrarische percelen is de aanwezigheid van de platte schijfhoren niet uit te sluiten. Rode Lijst De NDFF noemt het voorkomen van de Rode Lijstsoorten bruin blauwtje en wijngaardslak voor de omgeving van het plangebied. Bruin blauwtje komt voor op ruderale terreinen. Dit leefgebied is op het VAB-terrein en deels ook op het opslagterrein aanwezig.
Kalkrijke bossen, duinen en parken met rijke plantengroei vormen het leefgebied van de wijngaardslak. Dit leefgebied is niet in het plangebied aanwezig en de aanwezigheid van de grootste inheemse huisjesslak van Nederland is uitgesloten. Overige soorten ongewervelden die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving.
4.3
Consequenties soortenbescherming
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel soorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen (zie bijlage 2). In deze paragraaf worden de nadelige effecten van de flora-en faunactiviteit op beschermde soorten, flora- en faunasoorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats besproken. Er is sprake van een vergunningsplichtig geval als schadelijke handelingen2 plaatsvinden met betrekking tot
2 De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes
uit de Wet natuurbescherming, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen.
Pagina 26
beschermde soorten. Om dit vast te kunnen stellen is mogelijk aanvullend onderzoek noodzakelijk. Hierover wordt in dit hoofdstuk geadviseerd. Tevens wordt in dit hoofdstuk in het kader van de specifieke zorgplicht aangegeven of er door de activiteit nadelige gevolgen zijn voor flora en fauna soorten, die opgenomen staan op de Rode Lijsten en de voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als nadelige gevolgen worden verwacht dan wordt aangegeven hoe deze voorkomen kunnen worden, beperkt kunnen worden of ongedaan gemaakt kunnen worden. Tijdens en na het verrichten van de activiteit moet nagegaan worden of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. Flora Wettelijk: Beschermde soorten Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en het aanvragen van een omgevingsvergunning is dan ook niet noodzakelijk. Specifieke zorgplicht: Soorten Rode Lijst Het treffen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht is niet noodzakelijk. In het plangebied en de directe omgeving worden geen Rode Lijstsoorten verwacht door het ontbreken van geschikte natuurlijke groeiplaatsen. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Omgevingswet (Vogelrichtlijn).
Het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep is niet toegestaan. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Werkzaamheden mogen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden. Wettelijk: Beschermde soorten Gierzwaluw en huismus In het woonhuis aan de 's-Gravendamseweg 65 bevinden zich mogelijk geschikte nestlocaties voor deze gebouwbewonende soorten, waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Het woonhuis en de omliggende tuin zijn niet in eigendom van het VAB. Er vindt hier geen sloop plaats en de aanwezige tuinbeplanting, welke mogelijk als rust- en schuilmogelijkheden voor de huismus kunnen functioneren, blijft gehandhaafd. De op het opslagterrein aanwezige (potentiele) onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus, in de vorm van zandbaden en grazige en ruderale vegetatie (foerageerplekken),
Pagina 27
kunnen mogelijk worden aangetast. Echter door de aard, beperkte omvang van de werkzaamheden en doordat de directe omgeving voldoende alternatieven biedt zijn negatieve effecten voor de huismus uitgesloten. Verder wordt dit terrein enkel (deels) gebruikt voor de aannemer als ketenpark, opslagplaats voor bouwmaterialen en parkeerplaats. Overige soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) In het plangebied ontbreekt geschikt broedbiotoop voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. In de (ruime) omgeving van het plangebied kunnen soorten als boomvalk, buizerd, havik, sperwer en wespendief broeden. Gezien de fysieke afstand tot mogelijke nestlocaties van deze soorten en de aard van de geplande activiteiten zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet is niet noodzakelijk voor de boomvalk, buizerd, havik, sperwer en wespendief. Categorie 5 soorten In het plangebied is geschikt broedbiotoop voor enkele categorie 5-soorten voorhanden. Onder meer de gebouwen, een enkele boom en de ruderale vegetaties, bieden geschikt broedbiotoop voor een enkele categorie 5-soort als ekster, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw, zwarte kraai en zwarte roodstaart.