7.Bijlage III Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.pdf - Bijlage III Aanmeldnotitie mer-beoorde
Tekst van het document
Aanmeldnotitie mer-beoordeling MeerVAB B.V.
Opdrachtgever:
MeerVAB B.V. ’s Gravendamseweg 77 2215 TG Voorhout t: 0297 381777
Opdrachtnemer:
De Stuwdam 14 3815 KM Amersfoort
Versie: Datum: Projectnummer: Bestandsnaam: Copyright: Auteur:
Concept 21 oktober 2025 24812/JBOS 24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx © 2025, Bosmilieuadvies BV
Inhoudsopgave
1
Inleiding 1.1 Algemeen
3 3
2
Algemene gegevens 2.1 Inleiding 2.2 Gegevens inrichting 2.3 Locatie
4 4 4 4
3
Gegevens voorgenomen veranderingen/revisie 3.1 Inleiding en aanleiding revisie 3.2 Huidige vergunningssituatie 3.3 Benodigde vergunningen voornemen 3.4 Huidige en gewenste capaciteiten 3.5 Omschrijving voorgenomen activiteiten 3.6 Inzet materiaal en materieel
6 6 6 7 8 9 11
4
Milieueffecten 4.1 Inleiding 4.2 Bodem 4.3 Water 4.4 Geluid 4.5 Trillingen 4.6 Geur 4.7 Afvalstoffen 4.8 Energie 4.9 Visuele hinder 4.10 Omgevingsveiligheid 4.11 Stofhinder 4.12 Luchtkwaliteit 4.13 Natuur
12 12 12 13 14 15 16 17 17 17 18 19 19 19
5
Planologische inpasbaarheid 5.1 Vigerend omgevingsplan en huidige bestemming inrichting
21 21
6
Toets aan het Besluit m.e.r. 6.1 Welke m.e.r.-procedure is van toepassing 6.2 Doel van de m.e.r-beoordeling 6.3 Eisen aan de m.e.r.-beoordeling
22 22 23 23
7
Kenmerken van het project
25
8
Plaats van het project
27
9
Kenmerken van het potentiële effect
28
10
Conclusie
32
Bijlagen 1. Terreintekening; 2. Totaaloverzicht afvalstoffen; 3. Onderzoeksrapporten (separaat aanwezig)
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
2/32
1
Inleiding
1.1
Algemeen
Het vuilafvoerbedrijf “Duin- en Bollenstreek” te Voorhout (hierna: VAB) is een Gemeenschappelijke Regeling van vijf gemeenten in de Duin- en Bollenstreek (Het betreft de gemeenten Katwijk, Noordwijk, Hillegom, Lisse en Teylingen. Het VAB verzorgt voor deze vijf gemeenten de op- en overslag van huishoudelijk afval en daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval en heeft daarvoor een overslagstation gerealiseerd aan de ’s Gravendamseweg 77 te Voorhout in de gemeente Teylingen. De exploitatie van het overslagstation in Voorhout is in handen van Meerlanden Holding N.V. te Rijsenhout (hierna: Meerlanden). Het overslagstation is al sinds de jaren 70 in gebruik. Door het aflopen van contracten en de sterk verouderde gebouwen en installaties op het terrein, is besloten om het VAB-terrein opnieuw in te richten om een toekomstbestendig en innovatief overslagstation te realiseren. Tevens heeft de Omgevingsdienst West Holland (hierna: OD), als gevolg van de verouderde onoverzichtelijke vigerende vergunningen en het in 2016 vervallen van het aftransport per spoor, aangegeven dat de milieuvergunning gereviseerd dient te worden. Eind december 2023 is daarom een aanvraag tot revisie ingediend zodat, anno 2024, de aanvraag en vergunning onder de Wabo dient te worden afgerond in plaats van de Omgevingswet.
Echter na overleg met de OD is besloten om deze aanvraag in te trekken en om via een (niet verplicht) vooroverleg gezamenlijk te kijken welke informatie noodzakelijk is om te komen tot een goed en gedragen besluit op het verzoek waarvoor vergunningen verleend kunnen worden. Om dit project (met de daarbij behorende vergunningen) te kunnen realiseren en te exploiteren is een nieuwe besloten vennootschap MeerVAB B.V. (hierna: MeerVAB) door GR VAB en Meerlanden opgericht, waarbij iedere partij 50% eigenaar is. Voor het project geldt een milieueffectrapportage (hierna mer) -beoordelingsplicht. Ten behoeve hiervan dient een aanmeldnotitie opgesteld te worden. Op basis van een aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag beoordelen of een project aanzienlijke milieueffecten heeft en of hier een mer voor gemaakt zou moeten worden of niet. In dat kader is door Bosmilieuadvies BV in opdracht van MeerVAB de voorliggende aanmeldnotitie merbeoordeling opgesteld, waarin in grote lijnen het voornemen met bijbehorende milieueffecten wordt beschreven. Op basis van de beschreven milieueffecten kan het bevoegd gezag een besluit nemen of er al dan niet een MER nodig is. Dit besluit is noodzakelijk alvorens een besluit genomen kan worden over de revisie van de vigerende Omgevingsvergunning.
Het besluit zal dan ook onderdeel uitmaken van de aanvraag tot revisie van de vigerende Omgevingsvergunning Voorliggende aanmeldnotitie mer-beoordeling is tevens te beschouwen als de niet technische samenvatting bij de revisie van de Omgevingsvergunning.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
3/32
2
Algemene gegevens
2.1
Inleiding
Met het reviseren van de Omgevingsvergunning wil MeerVAB beter kunnen inspelen op de toekomstige en innovatieve ontwikkelingen. Hierna worden de algemene gegevens van de inrichting weergegeven, alsmede de locatie.
2.2
Gegevens inrichting
Naam vergunninghouder vigerende vergunning: Correspondentieadres: Postcode/ woonplaats: Postbus: Telefoon: Naam contactpersoon: E-mail contactpersoon:
Meerlanden Holding N.V. Aarbergerweg 41 1435 CA Rijsenhout Postbus 391, 1430 AJ Aalsmeer 0252-221969
Naam vergunninghouder nieuwe vergunning: Correspondentieadres: Postcode/ woonplaats: Telefoon: Naam contactpersoon: E-mail contactpersoon:
MeerVAB B.V. Postbus 123 2215 ZJ Voorhout 0252-213342
Locatieadres: Postcode/ woonplaats:
’s Gravendamseweg 77 2215 TG Voorhout
Kadastrale gegevens Gemeente: Sectie: Nummers:
Voorhout A 4752, 4753, 4754, 7114, 7121,7123 en 7125
2.3
Locatie
De VAB is gelegen aan de ’s Gravendamseweg 77 te Voorhout in de gemeente Teylingen en heeft een perceelgrootte van ongeveer 1,4 hectare. Het overslagstation is gesitueerd in een overwegend agrarisch polderachtig gebied, met verspreid liggende woningen en grenst aan de spoorverbinding tussen Haarlem en Den Haag. De dichtstbijzijnde woonbebouwing betreft een aantal woonboten op een afstand van circa 40 à 50 m van hal 1 met daartussen de spoorverbinding, alsmede de woning(en) aan de `s Gravendamseweg nabij de oprit naar het bedrijf. Op grotere afstand, circa 100 m, is sprake van lintbebouwing, bestaande uit woningen en bedrijfsgebouwen. In onderstaande afbeelding 2.1 is de huidige situatie weergegeven en met rood het terrein in eigendom danwel in beheer van het VAB met toegangsweg. De terreintekening van het voornemen is opgenomen in de bijlage 1.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
4/32
Afbeelding 2.1 Huidige situatie het terrein VAB inclusief toegangsweg (Google Maps)
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
5/32
3
Gegevens voorgenomen veranderingen/revisie
3.1
Inleiding en aanleiding revisie
Het VAB is een vuiloverslag bedrijf waarin ingezameld huishoudelijke afvalstoffen en vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen worden op- en overgeslagen Zoals reeds in paragraaf 2.1 is aangegeven, is o.a. door het aflopen van contracten en de levensduur van de gebouwen en installaties op het terrein, besloten om het terrein opnieuw in te richten om een toekomstbestendig en innovatief overslagstation te realiseren. In de afgelopen periode zijn er diverse bijeenkomsten geweest met stakeholders, waaronder overheden, adviesbureaus en omwonenden om tot een nieuwe optimale indeling van het terrein te komen. Tijdens deze bijeenkomsten is onder andere naar voren gekomen dat het gewenst is om: • de huidige vergunde op- en overslagcapaciteit van in totaal 119.500 ton te verlagen naar 100.000 ton; • voldoende parkeergelegenheid te realiseren voor de vrachtauto’s en personenauto’s; • de logistieke bewegingen op het terrein zo optimaal mogelijk in te regelen inclusief de weegbrugactiviteiten tbv (efficiëntie, veiligheid en geluidreductie); • het gehele externe aangezicht van de nieuwe situatie op het MeerVAB-terrein te verbeteren (meer afscherming door groen). Om de voorgenomen veranderingen te kunnen realiseren zal, tijdens het slopen van de opstallen en de nieuwbouw, de huidige bedrijfsvoering hinder kunnen ondervinden.
Deze hinder zal worden geminimaliseerd door ingezamelde GFT stromen voor een groot deel om te buigen naar de locatie van Meerlanden te Rijsenhout.
3.2
Huidige vergunningssituatie
De vigerende vergunningssituatie van het VAB op de locatie aan de ’s Gravendamseweg 77 te Voorhout bestaat uit een revisievergunning van 2002 met de bijbehorende veranderingsvergunningen van respectievelijk 2003, 2005 en 2015. Historie Bij besluit van 31 maart 1995 (kenmerk DWM/93649) is door de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (hierna: GS) aan het VAB een oprichtingsvergunning ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) verleend voor de op- en overslag van groente-, fruit- en tuinafval (GFT), restfracties uit het huishoudelijk afval en daaraan gelijk te stellen bedrijfsafvalstoffen. Tegen dit besluit is door het VAB destijds beroep ingesteld en gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Op 29 september 1995 heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een voorlopige voorziening getroffen, inhoudende dat het besluit van 31 maart 1995 werd geschorst voor wat betreft voorschrift 12.5. Dit had betrekking op de realisatie van een geluidsscherm. Op 19 oktober 1998 heeft de voorzitter de beroepen alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft de voorzitter Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (hierna: provincie) opgedragen een nieuw besluit te nemen voor de voorschriften 11.7, 12.1, 12.5 en 12.6. Gebleken was dat de opgenomen 50 dB(A) waarde niet gehaald kon worden voor de woningen aan de s’Gravendamse weg 73 en 75.
De provincie heeft hierop een eigen geluidsonderzoek laten verrichten. In dit akoestisch onderzoek van 18 december 1998 is opgenomen dat er een overschrijding van het geluid is geconstateerd op de woningen aan de ’sGravendamseweg 73 en 75. Het geluid bedraagt hier 58 dB(A). Verder is opgenomen dat er maatregelen zijn getroffen aan de gevel door vergunninghouder, omdat andere maatregelen geen mogelijkheid boden om het geluid op de gevels van de woningen te verlagen. Met deze maatregelen is geconstateerd dat er geen ontoelaatbaar hoog geluid aanwezig is in de woningen. De waarde in de woningen mag een waarde van 35 dB(A) niet overschrijden. Bij besluit van 17 februari 1999 heeft de provincie gevolg gegeven aan de Raad van state uitspraak. Vigerende vergunningen
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
6/32
Bij besluit van 22 april 2002 (kenmerk DGWM/2002/1602) is door GS aan het VAB een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning (revisievergunning) verleend. Dit naar aanleiding van het verzoek van het VAB om enkele afvalstromen extra te mogen op- en overslaan en de wens van het VAB om naast afvoer per spoor ook afvoer per as te mogen realiseren. Deze vergunning is in eerste instantie verleend voor een periode van tien jaar. Echter gelet op artikel 2.1, vijfde lid van de Invoeringswet Wabo geldt een voor inwerkingtreding van de Wabo verleende, onherroepelijke vergunning voor categorieën van inrichtingen waar afvalstoffen nuttig worden toegepast of verwijderd, van rechtswege voor onbepaalde tijd. Op grond van het bij de Wabo behorende overgangsrecht is deze vergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd. Op 8 april 2003 is onder nummer DGWM/2003/5022 een veranderingsvergunning verleend aan het VAB. De verandering betreft een wijziging van de registratie en weging van af te voeren afvalstromen per spoor. Op 25 februari 2005 is onder nummer DGWM/2005/103 een veranderingsvergunning verleend. Naast verandering van de tenaamstelling van de vergunning (van VAB naar De Meerlanden Holding NV) is tevens een wijziging in het luchtafzuigsysteem en het daarmee verband houdende luchtafvoerdebiet doorgevoerd.
Bij besluit van 27 januari 2015 met nummer 2014029776 is een aangevraagde milieu-neutrale wijziging van de revisievergunning van 2002 geaccepteerd. De aanvraag had betrekking op het op- en overslaan van Plastic verpakkingsafval, blik en drankenverpakkingen (hierna:PBD). Afvoer afvalstoffen Bij besluit van 22 april 2002 is het toegestaan om een gedeelte van de afvalstoffen ook per as te mogen afvoeren. Op 12 december 2017 is door de Omgevingsdienst West-Holland (hierna; ODWH) geconstateerd dat alle afvalstoffen sinds 2016 per as werden afgevoerd. In de brief van de ODWH werd gevraagd om meer informatie te geven over de beweegredenen waarom voor de afvoer van de afvalstoffen per vrachtwagen was gekozen. Hierop heeft Meerlanden bij brief van 17 januari 2018 een en ander toegelicht. In 2012 heeft de GR-VAB het transport en de op- en overslag van het afval opnieuw aanbesteed, omdat het bestaande contract op 1 juli 2016 afliep. Bij de gunning is bepaald dat het transport van dit afval per as zou plaatsvinden. In de brief van de ODWH van 15 maart 2018, is aangegeven dat de ODWH op 17 januari 2018 de documenten heeft ontvangen met betrekking tot de beweegredenen voor de afvoer van de afvalstoffen per as. De ODWH geeft aan dat hiermee is voldaan aan hun verzoek voor het uiteenzetten van de beweegredenen voor het afvoeren van de afvalstoffen per as.
3.3
Benodigde vergunningen voornemen
Voor het voornemen zijn vergunningen/besluiten/meldingen nodig voor: • Slopen; • Ruimtelijk Bouwen; • Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA); • Technisch Bouwen; • Op- en overslag en shredderen afval met milieu effecten; • Natura 2000-activiteit (ten behoeve stikstofdepositie Natura 2000-gebieden); • Verandering lozing van (afval)water en watercompensatie terrein; • Flora- en fauna veranderingsactiviteiten; • Werkzaamheden nabij het spoor.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
7/32
3.4
Huidige en gewenste capaciteiten
Het overslagstation is al sinds de jaren 70 in gebruik voor het op- en overslaan van groente-, fruit- en tuinafval (GFT), restfracties uit het huishoudelijk afval en daaraan gelijk te stellen bedrijfsafvalstoffen. In onderstaande tabel 3.1 staan de reeds vergunde tonnages aangegeven met een totaal van 119.500 ton per jaar. De hoofdactiviteit van het op- en overslaan van diverse afvalstoffen zal hetzelfde blijven. Echter zullen de activiteiten met de afvalstoffen conform de best beschikbare technieken1(hierna: BBT) geheel afgesloten gaan plaatsvinden in een nieuw te realiseren grondstoffenhal zie terreintekening in bijlage 1 In onderstaande tabel 3.1 staan de reeds vergunde tonnages vermeld en in tabel 3.2 zijn de gewenste tonnages opgenomen voor de nieuwe situatie. !""#$%&'()"*+( H-*&.%"$( P.*3*1)9-%(76(1% !"#"$#"$%F%G(G)*+%*,%-(+./, A;@)2;/@3*1)9-%(76(1%*,% !"#"$#"!%F%01(2% 2//+.0*1)9-%K*3+)972(76(18% !"#"$#$"%F%-1*3),0 ),3@2.+)**1%(76(1%*,%(76(1% !"#"$#$$%F%.*4.)*1 6(,%),2.*11),0*,E%),G1@2)*7% !"#"$#!5%F%6*+78%),-.8%1)9:%*,%;(+2%3)*%0**,% 0*2G;*)3*,%),0*I(:*13*% 0*6((+1)9-*%2./77*,%K*6(..*, 7+(G.)*2 !"#"$#=>?%F%;/@.%3(.%0*6((+1)9-*%2./77*,% K*6(.
!"#"$#=5%F%,)*.%/,3*+%!"#"$#=>?%6(11*,3%;/@.% ABCM%;/@.E !"#"$#=F%F%-@,2.2./77*,%A;(+3*%-@,2.2./77*,% *,%G)*G2G;@):E !"#"$#H"%F%:*.(1*,%,/,%7*++/E !"#"$#FF%F%,)*.%*13*+2%0*,/*:3%(76(1% A:(.+(22*,E !"#"!#"=%F%/6*+)0%,)*.%K)/1/0)2G;% (7K+**-K((+%(76(1 !"#"=#"$%F%0*:*,03%2.*3*1)9-%(76(18%I/(12% K6#%(70*-*@+3*%2.+/:*,%.*4.)*18%JKL%*,% MNO%(12:*3*%A0*:*,03E%;@)2;/@3*1)9-*% *,%;@)2;/@3*1)9-*%+*2.2.+/:*,% !"#"=#"!%F%:(+-.(76(1 !"#"=#">%F%0+/76@)1 M)/1/0)2G;%(7K+**-K((+% "!#"$#"=%F%(76(1%6(,%G1(,.((+3)0*%Q**72*12 :(.*+)((1 "!#"$#">%F%(76(1%6(,%3*%K/2K/@Q !"#"$#"5%F%K)/1/0)2G;%(7K+**-K((+%-*@-*,F% *,%-(,.),*(76(1 !"#"!#"$%F%K)/1/0)2G;%(7K+**-K((+%(76(1 RSO !"#"=#"$%F%0*:*,03%2.*3*1)9-%(76(1 MMO $P#"$#"$%F%G(G)*+*,%*,%-(+./,,*,% 6*+G(--),0 $P#"$#"!%F%-@,2.2./76*+G(--),0 $P#"$#"=%F%;/@.*,%6*+G(--),0 $P#"$#"H%F%:*.(1*,%6*+G(--),0 $P#"$#"P%F%G/:G/2)*.6*+G(--),0 $P#"$#"T%F%0*:*,03*%6*+G(--),0 M/@QF%*,%21//G(76(1 $>#"$#">%F%,)*.%/,3*+%$>#"$#"T?%6(11*,3*% :*,02*12%6(,%K*./,8%2.*,*,8%.*0*12%/7% -*+(:)2G;*%G+/3@G.*,%AG@),E $>#"!#"$%F%;/@.
$>#"!#"!%F%01(2 $>#"!#"=%F%-@,2.2./7 $>#"5#"!%F%,)*.%/,3*+%$>#"5#"$?%6(11*,3% 0)G2;/@3*,3%K/@Q:(.*+)((1 U**06@)1 !"#"=#"=%F6**06@)1 N*.(1*, $>#"H#"$%F%-/G*+8%K+/,2%*,%:*22),0 $>#"H#"!%F%(1@:),)@: $>#"H#"=%F%1//3 $>#"H#"H%F%I),$>#"H#"P%F%)9I*+%*,%2.((1 $>#"H#"T%F%.), $>#"H#">%F%0*:*,03*%:*.(1*, B2K*2.%A-1*),2G;(1)0E $T#"!#$!?%F%(70*3(,-.*%(GG(+(.@@+%3)*%6+)9*% (2K*2.6*I*12%K*6(. $>#"T#"$?%F%(2K*2.;/@3*,3% )2/1(.)*:(.*+)((1 $>#"T#"P?%F%(2K*2.;/@3*,3*% K/@Q:(.*+)(1*, M+@),F%*,%Q).0/*38%BVVB !"#"$#=T%F%,)*.%/,3*+%!"%"$%!$8%!"%"$%!=%*,% !"%"$%=P%6(11*,3*%(70*3(,-.*%*1*-.+)2G;*% *,%*1*-.+/,)2G;*%(GG(+(.@@+ J*6((+1)9-%(76(1 $T#"P#"H?%F%0(22*,%),%3+@-;/@3*+2% A),G1@2)*7%;(1/,*,E%3)*%0*6((+1)9-*%2./77*,% K*6(..*,%A1(G;0(2E /5/67H8
/"00&)(12(*)-0$
/"00&)(1)(3(04'
=$#>!P P=#PP"
!"" H$#>!P !"" !#""" !>#""" $>#P"" >#P""
$>#"!P
T#PP"
$=#"""
>#P""
>#P""
H#P""
$""
F
$#"""
!P
!""
>P
>P
F
P"
99:;<==
99:;<==
Tabel 3.1 Vergund 1
Voor naleving van BBT-conclusies (best beschikbare technieken) is gebruik gemaakt van het Uitvoeringsbesluit EU 2018/1146 van de Europese Commissie van 10 augustus 2018 tot vaststelling van BBT-conclusies voor afvalbehandeling.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
8/32
Tabel 3.2 gewenste tonnages
In bijlage 2 is een totaaloverzicht opgenomen van de te accepteren afvalstoffen.
3.5
Omschrijving voorgenomen activiteiten
Aanleg/bouwfase Voordat de nieuwe hal in gebruik kan worden genomen, moet deze gebouwd worden. Tijdens de aanlegfase blijft MeerVAB nog wel in bedrijf, maar wordt een beperktere hoeveelheid afval (54.000 ton) per jaar overgeslagen. Een groot deel van de ingezamelde GFT-afvalstoom zal, waar mogelijk, direct na inzameling op de locatie van Meerlanden in Rijsenhout worden afgeleverd. Door het “ombuigen” van de GFT-afvalstroom zullen minder transportbewegingen op het VAB terrein plaatsvinden waardoor de veiligheid op het terrein wordt gewaarborgd. Mogelijk zullen tijdens bepaalde fasen van de tijdelijke sloop-en bouwwerkzaamheden nog andere ingezamelde afvalstromen direct op de locatie van Meerlanden in Rijsenhout moeten worden afgeleverd. Een en ander is afhankelijk van de vorderingen van de sloop- en bouwwerkzaamheden. Het slopen van de aanwezige hallen zal gefaseerd gebeuren. Hierbij zal in eerste instantie hal 2 (zie afbeelding 2.1) worden afgebroken en zal hal 1, inclusief de afzuiginstallatie en het biofilter, in werking blijven. De mogelijke
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
9/32
geurcomponenten in de afgezogen lucht zullen dus blijvend in het biofilter worden geneutraliseerd. Behalve de nieuwe hal wordt ook een nieuw beheerdersgebouw gebouwd en verandert de terreininrichting. Tot slot wordt ook de voorste hal, hal 1, gesloopt. Tijdens de sloop-en bouwfase worden verschillende mobiele werktuigen gebruikt. Gedurende deze werkzaamheden is een tijdelijk nabij gelegen terrein in gebruik, gelegen aan de s’Gravendamseweg 65 dat via een verharde weg in verbinding staat met de toegangsweg van de grondstoffen hal. Dit terrein wordt gebruikt voor het parkeren en stallen van auto’s en voertuigen en bouwmaterialen.
Afbeelding 3.1 Huidige situatie terrein VAB en tijdelijke ‘aannemers’ terrein (Google Maps)
Grondstoffenhal De huidige overslag vindt plaats in twee hallen. Deze hallen zullen gefaseerd worden gesloopt. Daarvoor in de plaats komt een nieuwe grondstoffenhal van circa 3340 m2, zoals aangeven op de terreintekening in bijlage 1. Hierdoor zal tevens de interne logistiek verder worden geoptimaliseerd. De lucht uit deze hal zal worden gezuiverd via stoffilters en via een actief koolfilter voor de afbraak van mogelijke geurcomponenten. In de hal zijn geen kolommen en tussenwanden voorzien, waardoor met behulp van stapelbare betonblokken binnen in de hal een maximale flexibiliteit zal ontstaan voor wat betreft de indeling. Het lossen van de afvalstoffen gebeurt in de aanwezige vakken, danwel worden door de shovel en de mobiele grijperkraan in het daartoe bestemde opslagvak gebracht. De afvalstoffen worden visueel gecontroleerd. Aangetroffen (lach)gascilinders en andere stoorstoffen worden apart en in doelmatige opslagvoorzieningen opgeslagen (rekken en containers). Aangetroffen grote stukken plastic in bijvoorbeeld het huishoudelijk afval of GFT (groente, fruit en tuin)-afval worden bij de PBD (plastic, blik en drankkartonnen)-afvalstroom gevoegd. Aangetroffen asbest wordt in de asbestcontainer geplaatst. Het huishoudelijk afval (restafval en vergelijkbaar afval als KWD) zal in verband met de mogelijke aanwezigheid van lachgascilinders worden geshredderd.
Door het shredderen zullen de eventueel aanwezige lachgascilinders in stukken worden gesneden, waardoor de druk van het eventueel nog aanwezige lachgas verdwijnt en deze geen schade meer kan aanrichten in de verbrandingsoven; de eindverwerkingstap voor het huishoudelijke afval. Een bijkomend voordeel van het shredderen van huishoudelijk afval is, dat het huishoudelijk afval compacter gemaakt wordt, waardoor er per trailer voertuig meer en sneller, afgevoerd kan worden Opslag containers Naast lossen in de opslagvakken vindt eveneens inpandig lossen van afvalstoffen plaats in containers. Deze containers (en mogelijk reeds aangevoerde volle containers) kunnen tijdelijk op het buitenterrein geplaatst worden. Op het terrein zal een gedeelte worden ingericht voor de opslag van enkele containers in afwachting van transport. Weegbrug De weegbrug is het logistieke hart op het terrein van MeerVAB. Alle in- en uitgaande afvalstromen worden momenteel gewogen bij een enkele weegbrug. Gezien de hoeveelheid wegingen en een betere routing op het
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
10/32
terrein, is het voor de toekomst wenselijk om een dubbele weegbrug te realiseren waardoor de in- en uitgaande transporten separaat van elkaar kunnen worden gewogen. Werkplaats De huidige werkplaats is geschikt voor het uitvoeren van kleine reparaties. In de nieuwe situatie blijft het wenselijk om zelf te beschikken over een werkplaats waar kleine reparaties kunnen worden uitgevoerd. Ook voor het benodigde onderhoud van het terreinmaterieel (shovel en kraan) is dit wenselijk. Een kleine werkplaats zal worden gerealiseerd in het beheerdersgebouw.
3.6
Inzet materiaal en materieel
De activiteiten vinden plaats met behulp van divers materieel en materiaal waaronder: vrachtwagens, een shovel, een mobiele kraan en een shredder. In het ‘Totaaloverzicht MeerVAB’ (zie bijlage 2) is aangegeven welk materieel wordt ingezet bij welke afvalstoffenstroom. In de onderliggende onderzoeksrapportages (ten aanzien van onder andere geluid, geur en stikstof) is dit verder uitgewerkt. Op het terrein is een tank plaats aanwezig inclusief opslag van diesel (10.000 liter) en AdBlue (1000 liter), werkplaats en wordt een dubbele weegbrug gerealiseerd. Op het terrein vindt verder stalling plaats van containers en rijdend materieel. Na het lossen van de afvalstoffen zullen de vrachtwagens inpandig worden afgespoten indien nodig. Het afspuiten van de voertuigen met de hogedrukreiniger gebeurt inpandig. Op het terrein zullen 2 weegbruggen worden aangelegd naast het te realiseren beheerdersgebouw. Verkeer rijdt in één richting over het terrein. Een afvalstoffen-inzamelvoertuig (vrachtauto) komt langs de weegbrug bij het beheerdersgebouw en rijdt langs de grondstoffenhal naar het achter terrein en draait vervolgens de grondstoffenhal in. Na het verlaten van de grondstoffenhal rijdt de afvalwagen langs de tweede weegbrug en vervolgens het terrein af. De logistieke gegevensverwerking is volledig digitaal. Inrit en uitrit zijn gecombineerd.
In onderstaande afbeelding is de rijrichting weergegeven.
Afbeelding 3.2 logistieke situatie
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
11/32
4
Milieueffecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de te verwachten milieueffecten van de gewenste revisie van de inrichting kort besproken.
4.2
Bodem
De bodemkwaliteit op het terrein is in beeld gebracht door middel van de volgende onderzoeken: vooronderzoek NEN 5725, 19 juni 2024; verkennend bodemonderzoek, 17 oktober 2024; asfalt- en fundatieonderzoek 17 oktober 2024; notitie Vanadium 7 mei 2025; verkennend asbest bodemonderzoek 25 juni 2025.
Afbeelding 4.1 Overzichtstekening milieukundig bodemonderzoek
Voor de verschillende deelgebieden zijn de resultaten in tabel 4.1 weergegeven. De onderzochte stoffen betreft het standaard NEN (grond)water pakket (hierna NEN) en op de deelgebieden B en F is dit pakket uitgebreid met per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) en/of organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). De kwaliteit van de bodem/grond en waar het toepasbaar is wordt weergegeven als: Achtergrondwaarde (AW), waarbij ≤ AW, Vrij toepasbaar overal (“schoon”); Klasse Wonen, waarbij ≤ ½ (AW + I), Toepasbaar in gebieden voor wonen, industrie, wegen; Klasse Industrie, waarbij > ½ (AW + I) en < I, Alleen toepasbaar in industriegebied; Interventiewaarde (I), waarbij ≥ I, Ernstige verontreiniging, sanering nodig.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
12/32
Tabel 4.1 Overzicht onderzoeksresultaten verkennen en aanvullend bodemonderzoek
Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat voor de meeste deellocaties de grond toepasbaar is in gebieden voor de industrie danwel, behoudens enkele boorlocaties, voor wonen, industrie, wegen. Op enkele boorlocaties: in deelgebied D voor koper en deelgebied F voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en barium, zijn waarden aangetroffen boven de interventiewaarde. Dit betekent dat de bodem ter plaatse van deze locaties dient te worden gesaneerd. De grond zal worden afgevoerd naar een verwerker en kan niet worden hergebruikt. Op basis van de resultaten van aanvullend onderzoek naar vanadium en asbest kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden niet werden overschreden. Dit betekent dat op basis van deze stoffen de grond vrij toepasbaar is en hun kan worden hergebruikt binnen het terrein. Tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden zal rekening gehouden worden met de aanwezige bodemverontreiniging op enkele deellokaties binnen het terrein. In het door Witteveen en Bos (hierna W&B) opgestelde Veiligheids- en gezondheidsplan ontwerpfase rapport van 19 september 2025 is het resultaat van de tijdens het ontwerpproces uitgevoerde risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) vastgelegd. In dit rapport is de aanwezige bodemverontreiniging aangegeven. Het rapport maakt deel uit van de aanbestedingsstukken.
De uitvoerende partij die is aangewezen voor de coördinatie ten aanzien van de veiligheid en de gezondheid (V&G) moet een V&G-coördinator uitvoeringsfase (VGCU) aanstellen. Deze bepaalt onder andere op basis van de resterende gevaren en een eigen risico-inventarisatie van de werkzaamheden de te nemen veiligheidsmaatregelen, waaronder ook voor wat betreft de grondwerkzaamheden. Geconcludeerd kan worden dat op het terrein verontreinigingen zijn aangetroffen. Dat deze verontreinigingen goed in kaart zijn gebracht in de verschillende onderzoeksrapportages en dat deze verontreinigingen op basis de uitgevoerde RI&E verplicht aandacht krijgen in de op te stellen V&G rapporten van de uitvoerende bedrijven te tijde van de sloop- en bouwwerkzaamheden. Milieueffecten zijn, zoals tevens is aangegeven in het Veiligheids- en gezondheidsplan ontwerpfase rapport van 19 september 2025 van Witteveen en Bos, mogelijke morsingen van verontreinigde grond tijdens transport. Deze milieueffecten zijn goed beheersbaar te maken door het stellen van duidelijke werkinstructies.
4.3
Water
Wateraspecten zijn in beeld gebracht in het rapport Weging van het waterbelang van 19 september 2025 van W&B. Ten aanzien van water is het bedrijf gelegen binnen het beheersgebied van de Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR). Bepaalde activiteiten kunnen vergunningsplichtig, meldplichtig of zorgplichtig zijn conform de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur. In de opgestelde rapportage ‘Weging van het waterbelang’ zijn de volgende conclusies geformuleerd: • het planvoornemen behelst het realiseren van een nieuwe grondstoffenhal aan de ’s- Gravendamseweg 77 in Voorhout. Het plan ligt in de buitenbeschermingszone van de regionale waterkering. Het planvoornemen levert geen negatief effect op de waterkering; • het plangebied grenst aan een poldersloot. De poldersloot wordt verbreed met 1 à 2 m in het planvoornemen; • het plan resulteert in een toename van het verhard oppervlak met 1.639 m2. Echter, het afwaterend oppervlak neemt toe met 2.446 m2 omdat halfverharding plaatsmaakt voor asfaltverharding. Doordat er een
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
13/32
•
• • • •
toename is van meer dan 500 m2 en het watersysteem daardoor bij piekneerslag zwaarder wordt belast, eist het Hoogheemraadschap Rijnland dat er watercompensatie wordt aangelegd. Hierbij geeft HHR de voorkeur aan het aanleggen van nieuw oppervlaktewater met een minimaal oppervlak van 15 % van de toename in verhard oppervlak. In het planvoornemen wordt de aangrenzende poldersloot verbreed, wat resulteert in een toename van oppervlaktewater met 383 m2. Dit komt overeen met 15,7 % van de toename in afwaterend verhard oppervlak. De watercompensatie-eisen van HHR worden hiermee nageleefd; de wijze van waterberging is van belang voor de vergunningsprocedure. De waterberging wordt gerealiseerd door het verbreden van de bestaande watergang. Er is geen vergunning vereist. Dit komt doordat de watergang valt onder de categorie 'overig' en niet in een kwetsbaar kwelgebied ligt. Er is wel een melding vereist voor de uitbreiding van verharding; de bestaande duiker ten zuidwesten van het plangebied blijft gehandhaafd. De afvoer naar deze duiker neemt door het plan toe. Mogelijk dient de afvoercapaciteit in een volgende fase te worden geverifieerd. Het hoogheemraadschap draagt zorg voor voldoende afvoercapaciteit; er zijn geen bemalingen tijdens werkzaamheden gepland.
Het plan heeft geen invloed op het grondwater; de boezemwateren in de buurt van het plangebied vallen onder de Kaderrichtlijnwater (KRW). De voorgenomen plannen in het projectgebied zullen geen negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van het boezemwater; er wordt op dit moment een kleine toename in vuilwaterafvoer voorzien. In overleg met de gemeente moet worden vastgesteld of er voldoende capaciteit is in het drukriool. Binnen het bedrijfsterrein zijn er drie waterstromen te onderscheiden: Hemelwater (HW), van daken en schoon terrein; Bedrijfsafvalwater (BW), vanuit de hal en de tankplaats; Huishoudelijk afvalwater (HHW), afkomstig van o.a. toiletten, douches etc. HW zal vrij afstromen naar onder en omliggend terrein, waaronder de wadi en watergangen. BW is afkomstig van een wasplaats voor vrachtwagen in de hal. In de hal ligt tevens een molgoot om vloeistof op te vangen dat uit het afval kan treden (lekkende pakken vla, etc.). Tevens is het BW afkomstig van de, nabij het beheerdersgebouw gelegen, vloeistof dichte tankplaats (10.000 liter tank diesel inclusief 1000 liter AdBlue) en opstelplaats voor mobiele kraan, shovel, Rangeerauto en Veegwagen. Het BW wordt via een Olie- en Benzineafscheider (OBAS) op het gemeentelijk vuilwater riool geloosd. HHW wort op het gemeentelijk vuilwaterriool geloosd
Geconcludeerd kan worden dat, door het toepassen van waterdoorlatende verharding op de parkeerplaatsen voor personenauto’s, de bestaande sloot te verbreden en tevens een ondiep gedeelte langs deze sloot te graven ten behoeve van ecologie met een totale watercompensatie van 383 m², voldaan wordt aan de compensatie-eis. Daarnaast zal het verontreinigde water, als bedrijfsafvalwater en huishoudelijk afvalwater gecontroleerd afgevoerd worden via het bestaande vuilwaterriool van de gemeente Teylingen. Hiermee zijn milieueffecten tot een minimum beperkt.
4.4
Geluid
Op het plangebied is op grond van het bestemmingsplan geen zonering ten aanzien van geluid van toepassing. Het voornemen is akoestisch onderzocht. De resultaten zijn verwerkt in het akoestisch onderzoek van 24 september 2025 van W&B. De conclusies daaruit zijn als volgt: De waarden uit de vigerende vergunning voor de avond- en nachtperiode zijn dermate laag dat enkel omgevingsgeluid al een overschrijding zal geven van de genoemde waarden. Daarbij is het geluid van het aanwezige wegverkeer (N443 en de Leidsevaart) en het railverkeer hoger dan de waarden uit de vigerende vergunning2. De omgevingsdienst West-Holland (ODWH) heeft aangegeven dat het geluid op de gevel bij voorkeur zoveel mogelijk wordt verminderd. Wel wordt hierbij aangegeven dat 1 tot 5 dB(A) boven de standaardwaarde doorgaans wel als aanvaardbaar wordt geacht. Het streven is dan ook om het geluid naar de omgeving zo veel mogelijk te beperken. Omdat de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 direct naast de toegangsweg liggen, is de
2
In de ‘Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting’ wordt geadviseerd een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximale grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde te hanteren.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
14/32
standaardwaarde van 50 dB(A) ook met maatregelen niet haalbaar. Getoetst is daarom aan de aanvaardbare waarde van 55 dB(A). Hierbij wordt opgemerkt dat het geluid in de dagperiode op dit moment 58 dB(A) bedraagt. Langtijdgemiddelde niveau De overschrijdingen op deze woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 bedragen 4 dB(A) in de dagperiode. De woning op nummer 75 is in eigendom van MeerVAB en wordt niet bewoond. In deze situatie kan worden gesteld dat de overschrijding bij deze woning geen nadelige gevolgen heeft. De overschrijding wordt veroorzaakt door de langsrijdende voertuigen. In de andere perioden wordt aan de standaardwaarde of de vergunde waarde voldaan. Maximale geluidniveaus Uit de berekeningsresultaten voor het maximale geluidniveau blijkt dat alleen ter plaatse van de 's Gravendamseweg 75 een overschrijding is van de standaardwaarde. Deze woning eigendom is van MeerVAB en wordt niet bewoond, waardoor de overschrijding geen nadelige gevolgen heeft. Ter plaatse van de overige woningen wordt voldaan aan het omgevingsplan. Indirecte hinder Uit de berekeningen voor indirecte hinder blijkt dat op meerdere woningen de standaardwaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 65 dB(A) wordt niet overschreden. Het geluid bedraagt ten hoogste 52 dB(A). Met een gevelwering van 17 dB wordt het binnenniveau van 35 dB(A) gewaarborgd.
Uitgamgspunt is dat de gevelwering voor woningen in een goede staat van onderhoud gelijk aan of hoger is dan deze 17 dB. Gevelweringsonderzoek Cauberg & Huijgen 11/2/2025 In opdracht van MeerVAB B.V. heeft Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel verricht van de woning aan de ’s-Gravendamseweg 75. Hierbij is rekening gehouden met met de vergunde capaciteit van 119,500 ton per jaar en het akoestisch onderzoek uit 1998 door de provincie, waarin een geluidbelasting van 58 dB is geconstateerd bij de woning aan de ’s-Gravendamseweg 75. Daarom zijn in de woning akoestische voorzieningen getroffen om aan het gewenste geluidniveau van 35 dB(A) binnen de woning te voldoen. Uitgaande van dezelfde isolatie bij nummer 73 is de belasting voor de woning nr 73 berekend. Op basis van de bestaande gevels van de woningen kan ook met een 59 dB(A) en 60 dB(A)) voor resp. woning 73 en woning 75 voldaan worden aan de gestelde grenswaarden voor het binnen niveau 35 dB(A) in de woningen. Doorgerekende maatregelen Om de overschrijdingen tegen te gaan zijn er vijf verschillende maatregelmodellen doorgerekend.
Uit deze berekeningen is gebleken dat met de verlaagde capaciteit van 100.000 ton per jaar, enkel met het plaatsen van een geluidscherm van 2,75 m hoog en het verdelen van de werkzaamheden over 6 werkdagen in plaats van 5, kan worden voldaan aan de waarde van 55 dB(A). Geconcludeerd kan worden dat de milieueffecten van het langsrijdende verkeer acceptabel zijn voor het binnenniveau van de woningen aan de s’Gravendamseweg 73 en 75 en dat de etmaal periode aan de 55 dB(A) op de gevel, waarbij de grenswaarde voor het binnen niveau van 35 dB(A) ruim wordt gehaald, kan worden voldaan met het treffen van de volgende maatregelen: - verlaging van de vergunde capaciteit van 119500 ton naar 100.00 ton per jaar; - eerder gekozen 5 daagse werkweek te vervangen door de 6 daagse werkweek; - een geluidsscherm van 2,75 meter hoog voor de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75; - snelheidsbeperking vrachtwagens; - goed onderhouden asfalt.
4.5
Trillingen
In het rapport ‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving’van 24 september 2025 van W&B is in paragraaf 4.4 een trillingsonderzoek opgenomen. Hierin is aangegeven dat trilling kan onder andere worden veroorzaakt door nabij spoorverkeer, wegverkeer of industriële activiteiten. De inrichting betreft geen trillinggevoelige ruimte (conform artikel 5.81 Bkl) of gebouw (artikel 5.80 Bkl). Beoordeling van de effecten van de nabijgelegen trillingsbron (spoorweg) op de inrichting is niet nodig. Resteren de effecten van de trillingen van aan- en afrijdend vrachtverkeer op de nabijgelegen woningen en de effecten van de trillingen tijdens bouw van de grondstoffenloods op het spoor. Hiervoor is een trillingsonderzoek uitgevoerd, waarin het volgende is aangegeven: Bij geluid worden trillingen via de lucht overgedragen, maar trillingen kunnen zich ook via de grond verspreiden. Wanneer vrachtwagens bijvoorbeeld dicht langs bestaande woningen rijden, kunnen dit voelbare grondtrillingen veroorzaken. Ervaringen met soortgelijke situaties tonen aan dat de voelbaarheid van deze trillingen beperkt blijft
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
15/32
tot een afstand van maximaal 50 m. Buiten deze afstand worden grondtrillingen door vrachtwagens en andere zware voertuigen niet meer door het menselijk lichaam waargenomen. Binnen een straal van 50 m van de in- en uitrit van het bedrijf bevinden zich enkele woningen, waaronder die aan de 's-Gravendamseweg 73 en 75, die op ongeveer 7 m van de in- en uitrit liggen. Vanwege de lage snelheid van de vrachtwagens (15 km/u) op het terrein en het type wegdek (asfalt) langs de woningen, wordt geen aanzienlijke hinder verwacht, mits het wegdek vlak en goed onderhouden is. Ten opzichte van de huidige situatie zullen de trillingen niet veranderen. Concluderend kan gesteld worden dat, ondanks de nabijheid van enkele woningen, er geen significante verandering in trillingen wordt verwacht vanwege de lage snelheid van vrachtwagens en het goed onderhouden asfalt. De trillingen blijven binnen aanvaardbare grenzen en vormen geen hinder voor de bewoners.
4.6
Geur
Sinds 1 januari 2024 bij het ingaan van de Omgevingswet dient geur van milieubelastende activiteiten lokaal geregeld te worden in het Omgevingsplan. De gemeente Voorhout heeft, zover bekend, nog geen lokaal geurbeleid vastgesteld, daardoor is er geen officieel kader om de onderliggende situatie aan te toetsen. In de vigerende vergunning is een norm van 6 geureenheden (ge) per m3 opgenomen, wat tegenwoordig 3 odour units european (ouE) per m3 betekent, als 98-percentiel opgenomen. Bij de beoordeling van de geurbelasting wordt daarnaast gekeken naar het geurbeleid van de provincie Zuid-Holland. Analoog aan het landelijk geurhinderbeleid is in ZuidHolland bij nieuwe situaties het voorkómen van nieuwe hinder het uitgangspunt. De hindergrens betreft: • 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel; • 2,5 ouE/m3 als 99,99-percentiel. Deze normen zijn echter in eerste instantie het uitgangspunt waaraan moet worden voldaan voor nieuwe situaties. Echter is hier geen sprake van een nieuwe situatie, aangezien volgens het provinciaal beleid alleen sprake is van een nieuwe activiteit als de productiecapaciteit van een bestaande installatie met meer dan 50 % wordt uitgebreid. Met het voornemen van MeerVAB is hiervan geen sprake. De geurrelevante activiteiten als het op- en overslaan wijzigen niet.
Wel wordt in het voornemen een deel van het huishoudelijk afval en het vergelijkbaar afval: kantoor, winkel en diensten (KWD)-afval geshredderd. Hiervoor is een worst case aanname gedaan in de berekeningen. De activiteiten gaan plaatsvinden in een volledig afgesloten hal conform BBT volgens de europese regelgeving vastgelegd in de BBT conclusies afvalbehandeling van 2018. De lucht in de hal wordt alvorens deze op 16 meter hoogte wordt geëmitteerd geleid door een luchtbehandelingskast bestaande uit onder andere koolfiltratie. Tevens wordt in plaats van de vergunde 119.500 ton, 100.000 ton afval per jaar geaccepteerd.
* In totaal wordt 40.125 ton huishoudelijk afval verwerkt, maar enkel het gemengd stedelijk afval (Euralcode: 20.03.01) en het marktafval aandeel (Euralcode: 20.03.02) stoten geur uit. Stromen als papier, glas, textiel, grof vuil en hout dragen niet bij aan de geuruitstoot en zijn daarom niet meegenomen in deze tabel. Tabel 4.2 Overzicht geurrelevante afvalstromen
Uit het uitgevoerde geuronderzoek van 19 september 2025 van W&B is gebleken dat de geurbelasting op geen van de geurgevoelige locaties hoger is dan 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel. Dit is onder de hindergrens van 0,5 ouE/m3 volgens het provinciale beleid. Hiermee wordt voldaan aan het provinciale geurhinderbeleid voor nieuwe situaties. De 99,99 percentielwaarden zijn maximaal 1,2 ouE/m3. Deze waarden liggen lager dan de hindergrens van 2,0 ouE/m3. De berekende geurbelasting voldoet aan het Zuid-Hollandse geurhinderbeleid Concluderend kan worden gesteld dat de milieueffecten op het gebied van geur zeer beperkt zijn en ruim voldoen aan de geldende hindergrenzen.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
16/32
4.7
Afvalstoffen
In het overzicht (zie bijlage 2) zijn de te accepteren afvalstoffen opgenomen. Het bedrijf betreft een afvaloverslagbedrijf met deels bewerking van huishoudelijk restafval en vergelijkbaar KWD afval. De activiteiten zijn erop gericht om kwalitatief goede afvalstromen af te voeren, die in aanmerking komen voor hergebruik, danwel verdere verwerking ten behoeve van nuttige toepassing. Dit betekent dat afvalstromen goed gescheiden worden gehouden en dat stoorstoffen als matrassen, hout, asbest naar soort apart worden opgeslagen en afgevoerd voor verdere verwerking. Vooral de PBD afvalstroom wordt vanwege de kritische specificaties ten behoeve van verdere verwerking extra scherp gecontroleerd. De door eigen werkzaamheden in het kantoor danwel in de werkplaats ontstane afvalstoffen zullen eveneens gescheiden naar soort worden opgeslagen en afgevoerd naar erkende verwerkers. De afvalstoffen worden aan en afgevoerd in afgesloten vrachtwagens. Alle werkzaamheden met afval vinden plaats in een volledig afgesloten hal op een vloeistof dichte vloer. Afval dat tijdelijk buiten wordt opgeslagen in afwachting van transport, bevindt zich in afgesloten vloeistof dichte containers. De lucht uit de hal wordt zodanig afgezogen, dat een onderdruk situatie in de hal wordt gecreëerd. Hierdoor worden diffuse emissies voorkomen en kan de lucht via 1 punt op het dak worden geëmitteerd.
De lucht passeert een luchtbehandelingskast (LBK), bestaande uit actief kool ten behoeve van geur en vervolgens stoffilters (M5(stof PM10) en F7-(fijnstof PM2,5) filterelementen), alvorens deze wordt geëmitteerd. De installatie zal tevens zo veel mogelijk lucht recirculeren. In de te accepteren afvalstromen zullen zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) aanwezig zijn. Deze stoffen kunnen via de stofdeeltjes danwel via het lekwater vanuit de afvalstoffen in de lucht danwel de bodem terecht komen. Door de getroffen maatregelen, waarbij de afvalstoffen niet in aanraking komen met hemelwater, afvalwater via een OBAS en het vuilwaterriool naar een rwzi wordt afgevoerd, de lucht via een LBK wordt gereinigd en de geaccepteerde monostromen onderworpen worden aan een kwalitatieve controle ten behoeve van hergebruik dan wel nuttige toepassing bij een verwerker, is het risico voor blootstelling aan ZZS voor mens en milieu tot een minimum beperkt. Concluderend kan gesteld worden dat de milieueffecten die gepaard gaan met het onderwerp afvalstoffen tot een minimum zijn beperkt.
4.8
Energie
Binnen het bedrijf zijn de navolgende significante energieverbruikers aanwezig: • Luchtbehandelingskast (LBK); • Weegbruggen; • (Kantoor)aangelegenheden als ventilatie, stookinstallatie, verlichting; • Shredderinstallatie; • Vrachtwagens/vuilniswagens. In het ontwerp van de grondstoffenhal, beheerdersgebouw en omliggend terrein is rekening gehouden met BBT. Systemen als energie zuinige installaties en voertuigen, verlichting op tijdschakelaars en sensoren, zonnepanelen, laadpunten voor elektrisch materieel, hoogwaardige isolatie, efficiënte interne logistiek, recirculatie van de afgezogen hallucht ten behoeve van behoud van warmte worden toegepast. Concluderend kan gesteld worden dat qua milieueffecten op het gebied van energieverbruik het bedrijf voornemens is diverse maatregelen te treffen om het verbruik tot een minimum te beperken.
4.9
Visuele hinder
Ondank dat het bedrijf zich binnen een gebied bevind waar minimale welstandseisen gelden, waarmee tijdens het ontwerp rekening is gehouden, is aandacht geschonken aan het aangezicht en de landelijke inpasbaarheid. Hiermee wordt, zoals ook is aangegeven in paragraaf 3.1, mede rekening gehouden met de wensen om het gehele externe aangezicht van de nieuwe situatie op het MeerVAB-terrein te verbeteren door het geheel meer af te
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
17/32
schermen met groen. Zo is ook in het rapport Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (GoFlo) van 24 september 2024 van W&B, aangegeven onder paragraaf 3.3.1 ‘Het nieuwe vuiloverslagstation biedt ruimte om afvalstromen efficiënt en circulair te verwerken, wat bijdraagt aan minder transportbewegingen voor dezelfde hoeveelheid afval en daardoor minder CO₂-uitstoot. Op het terrein zijn groenstructuren en waterpartijen voor onder andere de rugstreeppad ingepast en worden voor diverse soorten vogels nestkasten voorzien om de ecologische kwaliteit en biodiversiteit te bevorderen. Zo creëert het project mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik, waarbij groenvoorziening en afvalverwerking elkaar aanvullen in plaats van verdringen.’ In het definitieve ontwerp Landschapsplan & Terreininrichting van 19 september 2025 van W&B is een uitwerking opgenomen van het landschap en de daarin te plaatsen bomen en heesters In het rapport ‘Ontwerptoelichting en BBL toets van 19 september 2025 van W&B wordt inzicht geboden in het ontwerp en plaatst dit binnen de ruimtelijke context. Hiermee wordt de visie, doelstelling en de achterliggende ontwerpgedachten van de architect verduidelijkt. Tevens wordt toegelicht hoe het ontwerp voldoet aan de geldende welstandcriteria en Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL).
Voor de nieuw te bouwen gebouwen wordt, mede voor de natuurlijke inpasbaarheid in de omgeving gebruik gemaakt van biobased, hergebruikte en gerecyclede materialen. Dit betekent dat voor het beheerdersgebouw onder andere dat accoya gevelbekleding, houten dakliggers, houtskeletbouw gevels en houtvezelisolatie gevel wordt toegepast. Voor de grondstoffenhal wordt onder andere accoya gevelbekleding met nestkasten toegepast. De grondstoffenhal wordt circa 2 meter lager dan de bestaande 2 gebouwen en de overgang van dak naar zijgevels zijn zo ontworpen dat schaduwwerking op woningen tot een minimum wordt beperkt. Concluderend kan gesteld worden dat qua visuele hinder diverse maatregelen worden getroffen om de hinder tot een minimum te beperken en de gebouwen en terreininrichting zo goed als mogelijk inpasbaar te laten zijn in de omgeving.
4.10
Omgevingsveiligheid
De inrichting zelf is geen risicobron en ook geen kwetsbaar object of locatie. Er zijn drie risicobronnen in de omgeving van de inrichting, namelijk het spoor, buisleidingen met gevaarlijke stoffen en een gasontvangstation aan de overkant van de Leidsevaart.
Afbeelding 4.2: uitsnede kaart Atlas Leefomgeving
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
18/32
Het spoor heeft geen risicocontouren, waardoor de activiteiten van de inrichting hier niet aan getoetst hoeven te worden. Binnen het brandaandachtsgebied van het gasontvangstation (met een gasleiding) bevinden zich in de nieuwe situatie de grondstoffenhal, waar de aanwezigheid van personen ondergeschikt is. Verdere toetsing aan het brandaandachtsgebied hoeft dan ook niet plaats te vinden. Hierdoor zijn er vanuit omgevingsveiligheid geen aspecten die de verandering van de inrichting belemmeren. Concluderend kan gesteld worden dat qua omgevingsveiligheid de nieuwbouw en terreinaanpassing geen invloed zal hebben op de reeds aanwezige risicobronnen en zal het bedrijf zelf ook geen risicobron ten aanzien van omgevingsveiligheid worden.
4.11
Stofhinder
Zoals reeds in paragraaf 4.7 is verwoord wordt de lucht in de afgesloten grondstoffenhal afgezogen. Deze lucht wordt zodanig afgezogen, dat een onderdruk situatie in de hal wordt gecreëerd. Hierdoor worden diffuse stofemissies voorkomen en kan de lucht via 1 punt op het dak worden geëmitteerd. De lucht passeert een luchtbehandelingskast (LBK), bestaande actief kool en stoffilters (M5- (stof PM10) en F7-(fijnstof PM2,5) filterelementen), alvorens deze wordt geëmitteerd. De installatie zal tevens zo veel mogelijk lucht recirculeren. Stofhinder van het verharde buitenterrein wordt zoveel als mogelijk voorkomen door (indien noodzakelijk) regelmatig het wegdek te besproeien. Concluderen kan worden gesteld dat een milieueffect ten aanzien van stof naar de omgeving door de genomen maatregelen niet tot nauwelijks optreedt
4.12
Luchtkwaliteit
Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen voor bepaalde activiteiten opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Het BKL geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram per m3. De huidige achtergrondconcentraties op de projectlocatie voor NO2 liggen tussen de 13 en 14 microgram per m3 en voor PM10 tussen de 16 en 17 microgram per m3 (bron: RIVM via Atlasleefomgeving) en hiermee ruim beneden de wettelijke grenswaarde. Ook met de voorgenomen ontwikkeling blijven de achtergrondconcentraties NO2 en PM10 ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3. Concluderend kan gesteld worden dat met het voornemen op het gebied van emissie van stikstofdioxide en fijnstof geen nadelige effecten zijn te verwachten.
4.13
Natuur
Bescherming van planten en dieren Door Staring Advies is onderzoek uitgevoerd ten aanzien van flora en fauna. In onderstaande tabel zijn de verschillende onderzoeksrapporten weergegeven
Tabel 4.3 overzicht onderzoeksrapporten flora en fauna
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
19/32
Er is aanvullende onderzoek uitgevoerd ten aanzien van vleermuizen en de rugstreeppad. Het aanvullend onderzoek concludeert dat door de geplande activiteiten resterende effecten worden verwacht ondanks de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen. Een omgevingsvergunning voor een Flora- en faunaactiviteit dient daarom aangevraagd te worden. Ten aanzien van vleermuizen zijn geen belemmeringen mits aan een aantal mitigerende maatregelen wordt gehouden gedurende de activiteiten. Bescherming van Natura2000-gebieden Op basis van de resultaten van het stikstofonderzoek van 18 september 2025 van W&B kan niet op voorhand uitgesloten worden dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden ten gevolge van stikstofdepositie. Voor de aanlegfase en de gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Uit de berekening voor zowel de beoogde situatie als de aanlegfase blijkt een toename in stikstofdepositie op drie Natura 2000-gebieden, namelijk Kennemerland-Zuid, Meijendel & Berkheide en Coepelduynen. Maximale stikstofdepositietoename bedraagt 0,06 mol N/ha/jaar. Op basis van deze resultaten kan niet op voorhand uitgesloten worden dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden ten gevolge van stikstofdepositie. Uit een (nog uit te voeren) ecologische voortoets moet blijken of voor dit project een natuurvergunning nodig is.
Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 20 bomen). Er vindt geen bomenkap plaats en de werkzaamheden liggen buiten de contour voor houtkap. Concluderend kan gesteld worden dat door het voornemen effecten aanwezig zijn op bepaalde soorten vleermuizen en de rugstreeppad. Hiervoor worden mitigerende en compenserende maatregelen genomen en wordt een omgevingsvergunning flora en fauna aangevraagd. Tevens zal een ecologische voortoets worden uitgevoerd ten aanzien van de effectbepaling als gevolg van stikstofdepositie op drie Natura 2000-gebieden, namelijk Kennemerland-Zuid, Meijendel & Berkheide en Coepelduynen.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
20/32
5
Planologische inpasbaarheid
5.1
Vigerend omgevingsplan en huidige bestemming inrichting
In het rapport Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (GoFlo) van 24 september 2025 van W&B is aangegeven dat het overslagstation is gelegen binnen bestemmingsplan ‘Buitengebied Teylingen’ (geheel onherroepelijk in werking per 30 april 2015) en bestemmingsplan Buitengebied Teylingen, 1e herziening (vastgesteld 19 december 2019), welke van rechtswege onderdeel zijn van het (tijdelijke) omgevingsplan gemeente Teylingen
Afbeelding 5.1 Uitsnede kaart omgevingsplan Teylingen De volgende functies zijn van toepassing op de locatie van het overslagstation: - conform bestemmingsplan ‘Buitengebied Teylingen’: 1 bedrijf; 2 specifieke vorm van bedrijf - vuilafvoerbedrijf; 3 bouwvlak (witte onderbroken lijn op afbeelding 1.3); 4 waarde - archeologie 3 (vervallen - vervangen door waarde - archeologie 8); - conform bestemmingsplan Buitengebied Teylingen, 1e herziening: 5 waarde - archeologie 8. Samenvattend is er sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) op grond van de volgende artikelen van het bestemmingsplan Buitengebied Teylingen/ tijdelijke omgevingsplan Teylingen: - voor de definitieve situatie: · artikel 15.1 onder a. en g. van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Teylingen’, nieuwe activiteiten strijdig met bestemming met bijbehorende aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vuilafvoerbedrijf’; · artikel 15.2 onder a. beschreven bouwregels t.a.v. bouwvlak, nieuwe grondstoffenhal grotendeels en containers worden geheel buiten bouwvlak gebouwd respectievelijk geplaatst; · artikel 15.2 onder c. beschreven bouwregels, de nieuw te bouwen gebouwen overschrijden het maximum oppervlak per bouwvlak en de maximum goot- en bouwhoogte. - voor de tijdelijke situatie: · artikel 15.1 onder r.
van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Teylingen’, tijdelijke activiteiten strijdig met de bestemming met bijbehorende aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – bedrijfsverzamelgebouw. Concluderend is met het voornemen strijdigheid met het vigerende omgevingsplan. Hiervoor wordt een omgevingvergunning BOPA aangevraagd.
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
21/32
6
Toets aan het Besluit m.e.r.
6.1
Welke m.e.r.-procedure is van toepassing
In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is bepaald voor welke activiteiten de milieueffecten beoordeeld moeten worden. In het besluit wordt onderscheid gemaakt in: 1) Activiteiten waarvoor een m.e.r.-plicht geldt; 2) Activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Voor de activiteiten geldt dat, indien deze onder de drempelwaarde vallen, een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is toetsten aan de regels omtrent milieueffectrapportage. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 16.4.2 van het Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Op grond van deze bepalingen moet worden beoordeeld of de activiteit m.e.r.-plichtig is of een m.e.r.-beoordeling is vereist. De activiteit is mer-beoordelingsplichtig wanneer het opgenomen staat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft een nadere onderbouwing hiervan. Een op- en overslag locatie voor (afval) stoffen staat niet specifiek opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan echter wel de navolgende activiteiten genoemd welke van toepassing zijn op onderhavige verandering.
De aanwezigheid van een shredder, waarmee een deel van het afval bewerkt wordt, maakt het overslagstation tot een IPPC-installatie op grond van categorie 5.3 van bijlage I bij de Rie (24 april 2024). Er is sprake van: a) de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van: · iii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; - b) nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van: · ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding. Op grond van artikel 3.78 lid 1 onder b. van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) betreft het ook een milieubelastende activiteit: ‘het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen’, bedoeld in categorie 5.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies (RIE).
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
22/32
De plaatsing van een shredder op het overslagstation leidt er dus toe dat het overslagstation wordt aangemerkt als een IPPC-installatie in de zin van categorie 5.3 genoemd in bijlage I van deRIE. Daarmee is sprake van een vergunningplichtige milieubelastende activiteit op grond van artikel 3.78 lid 1 onder b van het Bal en geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht conform bijlage V van het Omgevingsbesluit.
6.2
Doel van de m.e.r-beoordeling
De m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij het initiatief belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In dit kader wordt een aanmeldnotitie opgesteld waarin op objectieve wijze informatie verzameld en gepresenteerd wordt waarmee een afweging gemaakt kan worden of voor initiatief belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. Op basis van deze aanmeldnotitie beslist het bevoegd gezag of een m.e.r.-procedure noodzakelijk is.
6.3
Eisen aan de m.e.r.-beoordeling
Bij het opstellen van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsnotitie dient qua inhoud aandacht besteed te worden aan onderstaande criteria zoals benoemd in de Europese Richtlijn 2014/52/EU van 15 mei 2014 (wijzigingen t.o.v. de versie uit 2011 zijn vetgedrukt): 1. KENMERKEN VAN DE PROJECTEN Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de omvang en het ontwerp van het project; b) de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen (land, bodem, water en biodiversiteit); d) de productie van afvalstoffen; e) verontreiniging en hinder; f) risico van zware ongevallen, en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis g) de risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling)
24812_d2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Voorhout.docx CONCEPT
23/32
2. PLAATS VAN DE PROJECTEN Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) het bestaande en goedgekeurde landgebruik; b) de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en de ondergrond ervan; c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i) wetlands, oeverformaties, riviermondingen; ii) kustgebieden en het maritieme milieu; iii) berg- en bosgebieden; iv) reservaten en natuurparken; v) gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; vi) gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; vii) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; viii) landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.