6. Ruimtelijke_onderbouwing inclusief onderzoeken def
Tekst van het document
Relevante strategische hoofdlijnen zijn verbetering van het landschap aan de hand van het Landschapsperspectief, dat functioneert als raamwerk voor sanering, intensivering en uitbreiding van greenportbedrijven. Voorts is het tegengaan van verdergaande verrommeling van het landschap en deels behoud van graslanden en deels omzetting naar bollengrond van belang. Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt op de visiekaart in een gebied dat is aangemerkt als ‘Herstructurering naar vitale Greenport met landschapsverbetering en integratie wateropgaven, sanering, schaalvergroting en intensivering van het bollencomplex.
30
Uitsnede en legenda visiekaart ISG De gronden om het perceel zijn grotendeels als bollengrond in gebruik en dat blijft ook zo. Er wordt geen feitelijk als zodanig gebruikt bollengrondareaal 1e, 2e of 3e klasse onttrokken. Het functioneren van de bollensector als geheel binnen de regio wordt met het plan dus niet gehinderd. Daarnaast vindt landschappelijke verbetering plaats. Daarom past het plan binnen de ISG.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale structuurvisie Holland Rijnland 2020 Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. De Regionale Structuurvisie geeft de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 weer in de regio Holland Rijnland. Deze structuurvisie heeft geen formele juridische status maar is zelf bindend richting alle 15 gemeenten, bijvoorbeeld bij het opstellen van structuurvisies of bestemmingsplannen. Daarnaast biedt het een kader bij toetsing van en inbreng voor provinciale en nationale ruimtelijke plannen zoals de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit en nationale Structuurvisie Ruimte en Mobiliteit.
31
De gemeenten binnen de regio Holland Rijnland hebben deze visie samen ontwikkeld om gezamenlijk te werken aan de toekomst van de regio. De regio wil op de scharnierplek tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad een gebied zijn waar zij werken aan kwaliteit en waar het goed wonen, werken en recreëren is. De regio Holland Rijnland biedt een woonomgeving met een diversiteit aan woonmilieus in het hart van de Randstad, met woonlocaties als het duingebied bij Noordwijk en de binnenstad van Leiden. Holland Rijnland wil dit kenmerk benutten en verder uitbouwen, zodat de regio een topwoonregio in de Randstad wordt. De regio zet in op blijvende openheid van het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide. Bij de herstructurering van de Greenport Duin- en Bollenstreek blijft de hoeveelheid bollengrond gelijk. De agrarische sector blijft de drager van het landschap. Beoordeling en conclusie Er wordt geen bollengrond onttrokken en het landschap blijft onaangetast als gevolg van dit plan. Er is geen strijd met de regionale structuurvisie.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Teylingen 2023, Duurzaam bloeiend (2015) Het doel van de structuurvisie is een samenhangend ontwikkelingskader te bieden voor de gewenste ruimtelijke hoofdlijnen tot 2030. • • •
•
•
De voor dit plan relevante ruimtelijke opgaven zijn: Duurzaamheid: ambitie om tot een duurzame gemeente te komen. Ruimtelijke kwaliteit: gerichte duurzame verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter versterking van de eigen identiteit van de drie kernen en het karakter van het buitengebied tot 2030. Opgave is om tot een sterkere profilering te komen van de verschillende kernen en het buitengebied. Wonen: het op lange termijn bereiken van een duurzame en aantrekkelijke woonomgeving in complete vitale kernen. Er is een behoefte van 2100 woningen tot 2023 geformuleerd. Cultuurhistorie: een goede borging van cultuurlandschappelijke elementen en cultureel erfgoed met kansen voor behoud en ontwikkeling. Een ambitie is om cultuurhistorisch waardevolle kwaliteiten te behouden en waar mogelijk te verbeteren.
Daarbij werkt Teylingen volgens deze principes:
32
Hieronder is de visiekaart weergegeven. Het plangebied ligt binnen bollenteeltgebied, in de Loosterpolder.
Het bollengebied bepaalt voor een groot deel de identiteit van de gemeente. De sector als zodanig moet behouden en krachtig blijven. De schaalvergroting in de sector verdient aandacht en kan leiden tot verrommeling en afname van de biodiversiteit. Het ruimtelijk beleid voor de Loosterpolder is gericht op handhaving van het bollenteeltgebied met behoud en waar mogelijk verbetering van de openheid, zichtlijnen, slotenpatroon c.q. blokverkaveling. Beoordeling en conclusie Het plan draagt bij aan de leniging van de woningbehoefte, en voorziet in behoud en versterking van een cultuurhistorisch waardevol element. Het landschap blijft behouden, het slotenpatroon wordt niet veranderd en dat geldt ook voor de verkaveling. Er zal voorts een doorzicht naar het achterliggende land worden gerealiseerd. Duurzaamheid Voor de herbestemming van de Rijksmonumentale bollenschuur naar 10 wooneenheden wordt een duurzaamheidsambitie opgenomen in de exploitatieoverkomsten. Dat moet vooral resulteren in een lager energiegebruik en duurzaam ontworpen gebouw. • • • • •
Bij de 10 wooneenheden wordt voldaan aan de minimale Rc-waarde nieuwbouw; De wooneenheden worden allen gasloos verwarmd door middels een warmtepomp; Streven naar schone energie door de toepassing van zonnepanelen op het platte dak van het hoofdgebouw; Meerdere elementen uit het bestaande gebouw zullen circulair worden hergebruikt in het nieuwe ontwerp; Een deel van de constructie zal bestaan uit houten liggers met het FSC-keurmerk;
33
• •
De platte daken laagbouw zullen worden voorzien van een sedum- kruidendak; Door het ophangen van vogelhuisjes, vleermuiskasten en insectenhotels wordt een schuil- en broedplaats voor dieren gecreëerd en de biodiversiteit bevordert;
In het kader van duurzaam gebruik van de openbare ruimte worden parkeervakken gerealiseerd op een waterdoorlatende ondergrond door het gebruik van kiezelstenen. Aan de slootkant zal een geleidelijke overgang van nat naar droog in de vorm van een flauwe helling worden toepast om zo de biodiversiteit te verbeteren. Ook zal het grootste deel van de bestaande bomen behouden blijven en worden de tuinen voorzien van voldoende groen. Zodoende past het plan op meerdere manier binnen de structuurvisie.
34
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming ende Wet geluidhinder vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.
4.2
Milieu-aspecten
4.2.1
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder C of D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Het plan voorziet in de toevoeging van 10 woningen. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 2. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In dit plan neemt het verhard oppervlak niet in grote mate toe ten opzichte van de bestaande situatie en mede gezien de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject) en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk.
4.2.2
Bedrijven en milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van 2 ECLI:NL:RVS:2022:2394
35
de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Nieuwe situatie Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd, aldus de VNG-brochure. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
36
Milieucategorie
Richtafstand woonomgeving in meters
Richtafstand gemengd gebied in meters
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
In beginsel dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, er dient tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is3. Blijkens meerdere jurisprudentie mag echter ook uitgegaan worden van de representatieve mogelijkheden van het bestemmingsplan 4. De maximale mogelijkheden worden dan bepaald door de huidige, feitelijke situatie. Zo kan van het bestaand gebruik blijkens een uitspraak van de ABvRS worden uitgegaan als verandering van het bestaand agrarisch gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden5. In deze uitspraak van de Raad van State is er sprake van een melkveehouderij, ten behoeve waarvan recent nog een nieuwe ligboxenstal is gebouwd, en geen concreet voornemen kenbaar is gemaakt om de veehouderij te staken of de bedrijfsvoering ervan ingrijpend te wijzigen. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak van de ABvRS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, r.o. 36.2.
Daarmee wordt dus het huidig gebruik bepalend en hoeft niet gekeken te worden naar de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Er wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ook wordt in dit verband gewezen op een uitspraak van 4 april 2012, ABRS 4 april 2012, nr. 201004316/1/R1 welke betrekking heeft op een nieuw te realiseren bedrijventerrein. De ABvRS overweegt dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek uit is gegaan van een invulling van het bedrijventerrein met bedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2. Zij is van oordeel dat niet tevens rekening hoefde te worden gehouden met bedrijven in milieucategorie 4.1. Weliswaar kunnen volgens de Afdeling met ontheffing categorie 4.1-bedrijven op Distriport worden gerealiseerd, maar kunnen tevens bedrijven in een lagere milieucategorie dan 3.1 worden gevestigd. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden als uitgangspunt is genomen. Uit deze uitspraak tenslotte, volgt ook dat uitgegaan mag worden van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, zijnde de 3 ECLI:NL:RVS:2014:1173 4 ABRS 26 september 2012, nr. 201206937/1/R1 en 20120693/2/R1, r.o. 4.2. en Vz. ABRS 5
november 2010, nr. 201007744/2/R1, r.o. 2.7.5 5 ECLI:NL:RVS:2018:3131
37
feitelijke situatie in combinatie met concrete plannen, als het gaat om het beoordelen van de geluidseffecten van een bedrijventerrein in relatie tot woningbouwontwikkeling. I.c zijn de geluidseffecten van de feitelijke situatie van enkele bedrijven in milieucategorie 3.1 berekend, terwijl het bestemmingsplan maximaal milieucategorie 3.2 toestaat (ECLI:NL:RVS:2020:717). Beoordeling en conclusie Het gebied is als gemengd gebied te typeren. Relevant is met name het noordelijk gelegen agrarisch bedrijf P. van Reisen & zonen Export, gelegen op enkele meters van het plangebied. Het naast geleggen bollenbedrijf ligt op 18 meter van de nieuwe woningen. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter bij een gemengd gebied uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009”. Bovendien bevinden zich aan de zuidgevels van de bedrijfsopstallen geen ventilatoren, afzuiginstallaties e.d..De enige installatie bevindt zich aan de achterzijde van het gebouw en deze is niet hoorbaar vanuit de planlocatie. Bevoorrading vindt voorts plaats op het zuidelijk deel van de bedrijfslocatie, zie navolgende afbeelding. De afstand is hier ruim meer dan 50 m, voldoende om de conclusie te trekken dat hier geen ongewenste effecten zullen voordoen v.w.b geluid.
Daarbij wordt tevens de afweging betrokken dat de bevoorrading altijd overdag plaatsvindt en maximaal enkele keren per dag, gedurende het seizoen. De feitelijke situatie leidt vanwege dit bedrijf dus niet tot een onacceptabel woon- en leefklimaat. Bovendien kan gezien de aangehaalde jurisprudentie van de feitelijke situatie worden uitgegaan als representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan.
Situatie t.o.v. bollenbedrijf P. van Reisen & zonen Export Relevant is voorts het bedrijf Stokvis Group/ Elsto Drives aan de Loosterweg 7, gelegen op ca 54 m. Elsto is een bedrijf dat zich richt op bedrijven in de machinebouw. Ze leveren tal van tandwielkasten en andere technische onderdelen en adviseren bedrijven over productieprocessen en oplossingen. Hoofdtaak is met name het hebben van producten op voorraad en het slim combineren van de producten. Met andere woorden: Elsto is een voorraadhoudend en modificerend bedrijf. De huidige activiteiten val-
38
len van het bedrijf in milieucategorie 3.1, waarbij de richtafstand tot woningen 50 meter bedraagt. Aan deze afstand wordt voldaan. Bovendien worden de voorste delen van de gebouwen gebruikt als kantoor, waar geen overlast van uitgaat. De daadwerkelijke montagewerkzaamheden vinden daarachter plaats. Deze vinden dus niet alleen op een afstand plaats ruim meer dan 50 m, ze worden bovendien van het plangebied door het kantoor afgscheiden, dat een geluidwerend effect heeft. Er kan daarom gemotiveerd worden gesteld dat Elsto niet leidt tot een onacceptabel woon- en leefklimaat. Bovendien kan gezien de aangehaalde jurisprudentie van de feitelijke situatie worden uitgegaan als representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan.
Situatie ten opzichte van Elsto, Loosterweg 7 Andere (agrarische) bedrijven bevinden zich op meer dan 100 m en zijn niet van invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse. Omgekeerd gaat van woningen geen overlast uit. Drift van gewasbeschermingsmiddelen bollengronden Ten zuiden en oosten=n van de planlocatie is sprake van bollenteeltgronden (bestemming ‘bollenteelt-bollenzone 3’). In Nederland wonen veel mensen dicht bij landbouwgronden. Op deze gronden worden vaak bestrijdingsmiddelen gebruikt om ziekten en plagen te bestrijden. Vooral in de bollenteelt en in de fruitteelt is het gebruik hoog. Uit internationaal onderzoek komen aanwijzingen dat het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen gepaard kan gaan met gezondheidsschade bij mensen. In Nederland is een onderzoek blootstelling omwonenden (OBO) en een gezondheidsverkenning uitgevoerd. In het eerste onderzoek is aangetoond dat na neerwaartse bespuiting van bollenvelden damp van bestrijdingsmiddelen dagen later en tot op een afstand van 250 meter in de lucht kon worden gemeten. Over afstand is verder gebleken dat bestrijdingsmiddelen, bij neerwaarts spuiten, via drift tot op 50 meter van het veld terecht kunnen komen. Dat gebeurde ook bij het gebruik van drift reducerende spuitkoppen.
39
Andere typen teelten (fruit-/sierteelt) met zij- of opwaartse bespuiting, zijn niet onderzocht. Vermoedelijk is daar de verspreiding naar de omgeving groter. Daarnaast bleek dat mensen die op minder dan 250 meter afstand van de onderzochte bollenvelden wonen meer blootgesteld worden dan mensen die meer dan 500 meter verder weg wonen. Deze blootstelling kan afkomstig zijn van de bespuitingen op die nabije velden, maar het is nog onduidelijk hoe groot dat aandeel is in de totale blootstelling (blootstelling kan ook werkgerelateerd zijn, of afkomstig zijn van bijvoorbeeld voeding of particulier gebruik). Uit de gezondheidsverkenning en de recente update bleek dat mensen die wonen binnen 250 meter van landbouwpercelen, gemiddeld niet meer gezondheidsproblemen hebben dan mensen die geen of weinig landbouwpercelen in de buurt. De onderzoeken geven geen duidelijke aanwijzingen voor gezondheidseffecten, maar kunnen de ongerustheid ook niet wegnemen. Op korte termijn is niet te verwachten dat er meer duidelijkheid komt. Er is geen wet- en regelgeving wat betreft de minimaal te houden afstand tussen gronden met open teeltvormen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en woningen of andere gevoelige bestemmingen. Bij fruitteelt is het gebruikelijk om 50 meter afstand te hanteren tussen teelt en woningen.
Er is geen gezondheidskundige onderbouwing voor deze afstand, deze afstand is er op basis van jurisprudentie. Uit jurisprudentie is verder gebleken dat het erg lastig is om op basis van locatie specifiek onderzoek aan te tonen dat een kleinere afstand dan 50 meter voldoende is voor een goed woon- en leefklimaat. De rapporten met (model)berekeningen waar in eerdere zaken naar werd verwezen (PRI-2012, PRI 20156) zijn in december 2020 door de Raad van State beoordeeld als niet-deugdelijk als grondslag voor locatie specifiek onderzoek7. Op 19 oktober 2022 heeft de Raad van State in de casus Asdonk geoordeeld dat ook het EFSA model (eveneens) niet geschikt is om een veilige afstand tot aan omwonenden vast te stellen 8. Het plangebied bevindt zich binnen 50 meter afstand van bollengronden. De afstand bedraagt ca. 10 meter vanaf de grens van de bollengronden tot het beoogd erf/ de tuin. Aan de achterkant staat echter een haag die een afscheiding vormt tot het bollenland er achter. Hiermee kan drift worden voorkomen.
Daarnaast adviseert de GGD het volgende: Advies GGD ▪ Houd zo veel als mogelijk afstand tussen gevoelige bestemmingen en de bollen-/sierteelt ▪ Indien op korte afstand (kleiner dan 50 meter) van een teeltveld wordt gebouwd, neem dan uit voorzorg de volgende maatregelen: o Informeer toekomstige bewoners over de mogelijke risico’s en de handelingsperspectieven om uit voorzorg blootstelling tot een minimum te beperken: - Eet je groenten of fruit uit eigen tuin? Was de groente en het fruit dan extra goed voor je ze eet. - Is de boer bezig met bespuiten of heeft hij dat net gedaan? Sluit je ramen en blijf binnen. Houd ook je huisdieren binnen. Hang de was niet buiten te drogen als er wordt gespoten. - Doe je schoenen uit voordat je de woning binnenkomt. Meer informatie over bestrijdingsmiddelen en wat inwoners kunnen doen om blootstelling zoveel mogelijk te voorkomen 6 PRI-rapport 609 van de Wageningen University & Research (WUR), PRI – plant research in-
ternational uit mei 2015 7 ECLI:NL:RVS:2020:3018, Raad van State, 201806136/1/R1 en 201806358/1/R1 (recht-
spraak.nl) (11 t/m 14) 8 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@133394/202100769-1-r4/ . (19 t/m 26)
40
staat op: https://ggdleefomgeving.nl/schadelijke-stoffen/bestrijdingsmiddelen-en-gezondheid/wat-kun-je-zelf-doen/ . Met dit advies wordt rekening gehouden. Voorts wordt ter afscheiding van het plangebied ten opzichte van het plangebied een haag met een hoogte van tenminste 1,5 meter gerealiseerd. De haag moet in stand worden gehouden; dit wordt geborgd in de omgevingsvergunning. Het onderwerp spuitzonering werpt geen belemmeringen op voor het plan. Zodoende vormt bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor dit plan. 4.2.3
Bodem Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. Om vast te stellen of de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het gebruik van de bodem wordt getoetst aan de regels uit de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit is in het kader van een plan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld.
Beoordeling en conclusie Bodemkwaliteit is in het kader van een plan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Er is daarom bodemonderzoek verricht9. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt: • De bodemopbouw bestaat vanaf het maaiveld tot 2,0 m-mv uit zand. • In de bodem zijn op een deel van de locatie in de bovengrond bodemvreemde bijmengingen aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van eventuele bodemverontreinigingen. Daarnaast is deels op het maaiveld en deels onder een laagje zand, een beton pad aanwezig. • Op het maaiveld en in de opgeboorde grond is ter plaatse van ASB04 en ASB12 9 Verkennend bodem en asbestonderzoek Loosterweg 8 Voorhout, Adverbo, 13 november 2023
41
• •
•
• • • •
asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In grond zonder bodemvreemde bijmengingen is zintuiglijk en analytisch geen asbest gemeten. In de bovengrond met bodemvreemde bijmengingen is asbest in de fijne fractie gemeten. In combinatie met het asbest in de grove fractie (ASB04 en ASB12) maakt dat de restconcentratienorm van 100 mg/kg wordt overschreden. Hierdoor is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ingeschat wordt deze zich over een oppervlakte van ca 800 m2 uitstrekt. Met een verontreinigde laagdikte van 0,5m wordt ingeschat dat het geval een omvang van ca 400 m3 heeft. In de bovengrond is plaatselijk een matig verhoogd gehalte gemeten voor PAK. Voor de overige gemeten parameters ten hoogste licht verhoogde gehalten gemeten. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In het grondwater zijn ten hoogste een licht verhoogde concentraties gemeten. De bovengrond voldoet voor PFAS indicatief aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw / natuur’. De volledige baksteenlaag ter plaatse van ASB07 voldoet indicatief aan de samenstellingswaarden voor hergebruik zoals benoemd in bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit.
De milieuhygiënische bodemkwaliteit is middels voorliggend onderzoek in voldoende mate inzichtelijk gemaakt. Op een deel van de locatie (ca 800 m2) is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Het geval van ernstige bodemverontreiniging vormt een belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling. Deze dient verwijderd (gesaneerd) te worden voorafgaand aan de herontwikkeling. Deze sanering vindt nog plaats. De overige resultaten vormen, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen verdere belemmeringen. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 4.2.4
Geluid Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) moet wegverkeerslawaai in beschouwing worden genomen. De Wgh heeft geen betrekking op wegen binnen een woonerf ligt of op wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur of lager. De te beschouwen wegen kennen een geluidszone, dit is een aandachtsgebied waar binnen een akoestisch onderzoek moet plaats vinden. De omvang van een zone is afhankelijk van het aantal rijstroken van de weg en de typering van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Binnenstedelijk is het gebied binnen de bebouwde kom. Buitenstedelijk is het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied waar de zone van een autoweg of autosnelweg ligt. Op grond van artikel 82 van de Wgh bedraagt de voorkeursgrens-waarde 48 dB op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming. Artikel 83 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde vast te stellen. Bij een bestaande weg mag voor bestemmingen in buitenstedelijk gebied een hogere waarde van maximaal 53 dB worden vastgesteld, in binnenstedelijk gebied is deze waarde maximaal 63 dB.
42
Beoordeling en conclusie Het plan ligt aan de Loosterweg waar een 30km/h regime geldt. Verder weg geldt wel een 60km/h regime en ook ligt het gebied binnen de geluidzone van de N443. Er is daarom akoestisch onderzoek verricht10. De verkeersintensiteit op de Loosterweg zijn nl. dusdanig dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de Loosterweg. De hoogste geluidsbelasting bedraagt 60 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh van 5dB, afkomstig van de Loosterweg. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan het uitzonderingswaarde van 63 dB uit het gemeentelijke Geluidsbeleid voor stedelijk gebied. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit het gemeentelijke geluidsbeleid. Op grond van het gemeentelijke geluidsbeleid zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel. De ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van 10 woningen, hierdoor heeft de ontwikkeling beperkte omvang. Door deze beperkte omvang is de financiële ruimte om geluidsreducerende maatregelen te nemen in het bron- en overdrachtsgebied beperkt. Bij het treffen van maatregelen geldt een voorkeursvolgorde: bron en overdracht.
Ten opzichte van het bestaande dichte asfaltbeton is een geluidsreductie van 1,6 dB haalbaar door het toepassen van een dunne deklaag type A op de Loosterweg. Door het toepassen van dit wegdek wordt de ambitiewaarde van 48 dB nog steeds overschreden op de nieuwe woning door de Loosterweg. De hoogste geluidsbelasting bedraagt 58 dB door het toepassen van een dunne deklaag type A. Aangezien de bestaande monumentale bollenschuur wordt verbouwd tot woningen is niet mogelijk om de afstand tot de Loosterweg te vergroten. Het plaatsen van een effectief geluidsscherm langs de Loosterweg is niet gewenst vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt. Tevens zullen de kosten voor het plaatsen van een scherm dusdanig hoog zijn dat dit vanuit financieel oogpunt niet rendabel is voor het plan. Het aanleggen van een geluidswal is niet gewenst gezien het ruimtebeslag hiervan. Gezien de beperkte schaal van dit plan is het niet mogelijk of wenselijk om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Om de binnenwaarde van 33 dB uit het ‘Bouwbesluit 2012’ te kunnen garanderen kan extra geluidsisolatie noodzakelijk.
Bij de aanvraag van een ‘Omgevingsvergunning bouwen’ (voormalige bouwvergunning) kan door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek worden aangetoond dat de binnenwaarde van 33 dB wordt gehaald. Naast de modelmatige berekening is ook kennis aanwezig omtrent de praktijk. Deze wijst uit dat de aanwezige voorzieningen om de snelheid ook daadwerkelijk gelijkmatig op 30km/h te houden niet volstaan. De drempels zijn te laag en flauw zodat gemotoriseerd verkeer alsnog met hoge snelheden door de straat rijdt. Dit gegeven, in combinatie met optrekken na afname snelheid verhoogt de geluidbelasting alleen maar. Met verkeerstechnische oplossingen valt het geluidniveau te reduceren. Hierbij moet wel 10 Akoestisch onderzoek wegverkeer Loosterweg 8, Voorhout, De Milieuadviseur, 20 maart
2024
43
aandacht zijn voor de bestaande woningen. Eventuele versmalling, drempels of andere maatregelen moeten niet leiden tot een toename aan geluidbelasting of trillingen op de aanwezige woningen, die zeer dicht op de weg staan en ook kwetsbaar zijn gelet op de verouderdere status. Er dient derhalve een ‘slimme’ oplossing te komen, bij voorkeur uitgewerkt door een ter zake deskundig bureau. Dit valt evenwel buiten het bestek van dit plan. 4.2.5
Geurhinder Beleid en regelgeving In de Wet geurhinder en veehouderij en in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn regels gegeven om agrarische geurhinder te beperken. Beoordeling en conclusie In de omgeving zijn geen bedrijven gevestigd die geuroverlast veroorzaken.
4.2.6
Schiphol – 20 Ke-contour Op 1 januari 2018 is het nieuwe Luchthavenindelingsbesluit is in werking getreden. Er liggen beperkingen vanuit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) op het plangebied. Het gebied is evenwel niet gelegen in het beperkingengebied/luchthavengebied.
Beperkingengebied LIB
44
4.2.7
Luchtkwaliteit De hoofdlijnen van de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2, artikel 5.6 tot en met 5.24, van de Wet milieubeheer. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en Ministeriële Regelingen. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden uitgeoefend indien aannemelijk is gemaakt dat: 1 deze uitoefening niet leidt tot het overschrijden of waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde; 2 de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of 3 bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; 4 deze uitoefening niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; 5 deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven
in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is vastgesteld programma (NSL). Niet in betekenende mate In het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ‘Regeling Niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip ‘niet in betekende mate (NIBM)’. Projecten waarvan vastgesteld is dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De grens voor NIBM is sinds de inwerkingtreding van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in het Besluit gesteld op 3%, wat betekent dat de concentratie stikstofdioxide of fijn stof met maximaal 3% van de grenswaarde mag toenemen als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen die een besluit toestaat. Deze grenswaarde bedraagt 40 ug/m3 voor NO2 en PM10 en 25 ug/m3 voor PM2,5. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ is voor een aantal specifieke bouwprogramma’s vastgelegd wanneer er nog sprake is van "niet in betekenende mate". Dit is als het project betrekking heeft op maximaal 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoren (bij één ontsluitingsweg) of een combinatie van beiden. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in 10 woningen, ruim onder voornoemde NIBM grens. Het aspect luchtkwaliteit vormt dus geen belemmering.
45
4.2.8
Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als lpg en toxische gassen. De externe veiligheidsregelgeving voor inrichtingen ligt vast in het Besluit externe veiligheid voor inrichtingen (Bevi )en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). De externe veiligheidsrichtlijnen voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in de circulaire Risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Ministerie van V&W, 2004). Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met bijbehorende regeling (Revb). De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten.
Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is. Beoordeling en conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-06 contour dan wel het invloedsgebied van een inrichting of route gevaarlijke stoffen. Zie navolgende uitsnede van de Atlas voor de Leefomgeving. Zichtbaar is wel een buisleiding waar onder hoge druk gas wordt vervoerd (W-535-12, werkdruk 40bar). De kleinste afstand bedraagt 150 m. De locatie ligt dus binnen her invloedsgebied van deze leiding.
In het ‘Bestuurlijk kader Externe Veiligheid Holland Rijnland’ (een samenwerkingsverband tussen de Veiligheidregio Hollands Midden, de Omgevingsdienst West-Holland en enkele gemeenten opgesteld; d.d. februari 2014) is aangegeven dat door het bevoegd gezag een oordeel dient te worden gegeven over het bouwen van een kwetsbaar object binnen de 100% letaliteitscontour. Op basis hiervan dient
46
de gemeente Teylingen een oordeel te geven over het accepteren binnen de 100% letaliteitscontour van 40 meter langs de gasleiding. De nieuwe woning nabij de gasleiding zijn niet gelegen binnen de 100% letaliteitsgrens. In de nieuwe situatie gaat het om 10 appartementen, oftewel 24 personen die ter plaatse kunnen verblijven (op basis van kentallen is per woning 2,4 personen aanwezig). Er mag verdisconteerd worden met het gebruik als bollenbedrijf. Voor de bedrijfsbebouwing varieert van het laagseizoen tot hoogseizoen. Een inschatting is dat het gaat om 10 á 15 man personeel. Er is dus sprake van een kleine toename aan personen die ter plaatse kan verblijven. Omdat het om een kleine toename gaat en gezien de afstand tot de buisleiding, kan zonder berekening worden gesteld dat de toename van het groepsrisico minder is dan 10% en onder de 0.1 zal blijven. Volstaan kan worden in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid De nieuwe woningen zijn niet specifiek bestemd voor minder zelfredzame personen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen Het plangebied gebied kan in /zuidelijke westelijke richting van de gasleiding af verlaten worden. Bestrijdbaarheid Mocht er een calamiteit voordoen, dan is het van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen.
De werkzaamheden van de brandweer zullen met name gericht zijn op het voorkomen van uitbreiding van de brand. De leidingbeheerder dient de toevoer van het gas af te sluiten bij een incident, er zijn dus geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. Ten zuiden van het projectgebied op circa 190 meter afstand is de provinciale weg N443 aanwezig. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. De gevaarlijke transporten betreffen hier brandbare vloeistoffen en gassen. Conform de gegevens van de professionele risicokaart blijkt dat het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Uit gegevens van de risicokaart blijkt dat de stofgroepen LF1 (522 transporten), LF2 (142 transporten) en GF3 (24 transporten) over de Teylingerlaan (N443) wordt vervoerd. Het plangebied is gelegen binnen 200 meter van deze transportroute. Formeel dient bij een ruimtelijke ontwikkeling dient het groepsrisico te worden berekend. Het invloedsgebied van de vervoerde stofgroepen is 45 meter voor LF1 en LF2 en is 355 meter voor GF3. Het plangebied is gelegen binnen het invloed gebied van de stofgroep GF3. Om deze reden is hierna wel ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid voor de maatgevende rampenscenario’s voor het vervoer van brandbare stoffen. Zelfredzaamheid De nieuwe woningen worden op ongeveer 190 meter van Teylingerweg (N443) gerealiseerd.
Daarmee komen de nieuwe woningen te liggen in de zogenoemde 2e ring, waarmee schade aan bebouwing mogelijk is. Ongeveer een derde van het aantal personen die buiten verblijven komen op een dergelijke afstand te overlijden.
47
Via de openbare wegenstructuur, (Loosterweg), kan in noordelijke richting gevlucht worden. Deze route is haaks op de Teylingerlaan gelegen en vormt om die reden een vormen geschikte vluchtroutes. Bestrijdbaarheid Bestrijding van een dreigende BLEVE11 op de Teylingerlaan vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het koelen van de tankwagen. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Noodzakelijk voor het voorkomen van een (dreigende) warme BLEVE is: • Tijdige aankomst brandweer; • ijdige bereikbaarheid tankwagen; • Tijdige beschikbaarheid bluswater; • Inzet waterkanonnen voor tweezijdige koeling tankwagen. Indien de warme BLEVE niet voorkomen kan worden, is het relevant dat er voldoende bluswatervoorzieningen zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is. Voor effectief optreden na het plaatsvinden van een warme of koude BLEVE is het relevant dat: • Het gebied tweezijdig toegankelijk is; • Een effectieve bluswatervoorziening; • Er passende slagkracht is van de brandweer (in de omgeving).
Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving
Het aspect externe veiligheid vormt gelet op bovenstaande geen belemmering voor dit plan.
11 Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion van een tank. Een BLEVE bestaat uit een vuurbal
en een drukgolf. Slachtoffers vallen door de warmtestraling en de drukgolf, alsmede door rondvliegende brokstukken en glasscherven die zware schade kunnen aanbrengen aan personen en gebouwen. Een warme BLEVE treedt op bij een externe brand, een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het optredende effect en het moment van exploderen is afhankelijk van de inhoud van de tank.
48
4.3
Omgevingsaspecten
4.3.1
Ecologie Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Wet natuurbescherming aangewezen zijn als Natura 2000-gebied. Er geldt in dergelijke gebieden een verbod om handelingen of projecten te realiseren of te verrichten die, gelet op instandhoudingdoelstelling, de kwaliteit van deze richtlijngebieden kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten die in dit gebied leven. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Het enige Natura 2000-gebied dat in de directe omgeving van het plangebied ligt is ‘Kennemerland-Zuid’ dat op ongeveer 6 kilometer ten westen van het plangebied ligt. Met de ontwikkelingen in het plangebied is geen toename in stikstofdepositie op dit gebied te verwachten. Met een stikstofberekening is dit geverifieerd12 Er zijn daarom ook geen effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied.
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid (gele ster) 12
Stikstofberekening+rapportage Loosterweg 8 Voorhout, Ontwerpburo Veldhoven en partners, 11 april 2024
49
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet in NNN (of weidevogelleefgebied), maar wel vlakbij, zie afbeelding hieronder. Van een externe werking is bij NNN en weidevogelgebied evenwel geen sprake. Het plangebied is niet gelegen in de strategische reservering natuur. Ook liggen geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De genoemde beschermde gebieden veroorzaken geen planologische belemmeringen voor het plan. Tot slot ligt het plangebied ook niet in een gebied voor strategische reservering natuur en zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. De gebiedsbescherming levert zodoende geen belemmeringen op.
NNN in de omgeving plangebied, uitsnede provinciale ruimtelijke Omgevingsverordening Soortenbescherming Er wordt geen water gedempt of beplanting verwijderd. Wel worden ingrepen aan de bollenschuur voorzien. Er is daarom een quick scan natuur verricht 13. Op basis van deze Quickscan flora en fauna wordt voor het plangebied het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het gaat in plannen als deze vooral om huismus, gierzwaluw en vleermuizen, daarom wordt daar hierna op ingezoomd. Tijdens het veldonderzoek zijn in de bomen geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Het gebouw in het plangebied heeft een plat dak en geen openingen waar huismus of gierzwaluw in kunnen broeden. In het plangebied bevinden zich geen jaarrond beschermde nesten. Bij voorbaat wordt aanbevolen om de werkzaamheden geheel buiten het broedseizoen uit te voeren (half juli t/m half maart) of voorafgaand aan de werkzaamheden de omgeving nogmaals kort te controleren op de aanwezigheid van vogelnesten en te zorgen dat de werkzaamheden bui-
13 Ecologisch onderzoek Loosterweg 8 Voorhout, Adverbo, 5 april 2024
50
ten de verstoringsafstand van broedvogels plaatsvinden. Verder bestaat de mogelijkheid om voor het begin van het broedseizoen het plangebied ongeschikt te maken, en te houden, voor broedvogels. Indien tijdens de werkzaamheden een constante verstoringsfactor gewaarborgd wordt, worden nestplaatsen enkel buiten de voor de soort specifieke verstoringsafstand gekozen (het is echter zeer moeilijk een constante intensiteit van de werkzaamheden vast te houden). In de vrij jonge bomen in het plangebied zijn geen voor vleermuizen geschikte holtes aangetroffen. Het gebouw heeft geen spouwmuur. De ventilatie voegen hebben geen achterliggende gesloten ruimte, deze komen direct uit in de bollenschuur. In de bollenschuur is het kurkdroog. Ruimte in kieren of tussen de muur en kozijnen waar vleermuizen kunnen verblijven is niet aanwezig. Daarnaast heeft de brand uit 2019 mogelijk een slechte invloed gehad op de luchtkwaliteit in de bebouwing. De sloot achter het plangebied kan worden gebruikt als vliegroute. Het plangebied kan vanwege de aanwezige bomen dienstdoen als foerageergebied voor eventueel in de omgeving voorkomende vleermuizen. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen in bomen en gebouwen zijn effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten. Binnen de verstorende invloedsfeer zijn geen gebouwen aanwezig.
Een nader onderzoek naar het voorkomen van verblijven van vleermuizen wordt niet noodzakelijk geacht. Indien geen verlichting schijnt op de aangrenzende sloot in de periode half maart tot eind oktober én in de gebruiksfase, zal van een verstoring van een mogelijke vliegroute geen sprake zijn. Wanneer dit niet kan worden voorkomen is nader onderzoek naar een vliegroute van vleermuizen noodzakelijk. In het plangebied verblijven geen vleermuizen. Eventueel in de nabijheid van het plangebied verblijvende vleermuizen kunnen in het plangebied foerageren. Het plangebied heeft, vanwege de beperkte hoeveelheid groen en de aanwezigheid van groen in de omgeving, geen essentiële functie als foerageergebied. Geadviseerd wordt echter de bomen aan de waterkant te behouden, omdat deze de biodiversiteit vergroten. Onderstaande aanbevelingen kunnen bijdragen om het project binnen de kaders van de Wet natuurbescherming goed te laten verlopen: Vogels - Door buiten het vogelbroedseizoen te werken worden verstoring of schadende effecten op broedende vogels zoveel mogelijk beperkt. Om deze reden wordt geadviseerd om de werkzaamheden in de periode van 15 maart t/m half juli uit te voeren.
- Daarnaast moet(en) bij andere perioden: o Voorafgaand aan de werkzaamheden de omgeving nogmaals kort worden gecontroleerd op de aanwezigheid van vogelnesten en; de werkzaamheden buiten de verstoringsafstand van broedvogels plaatsvinden. o Verder is er de mogelijkheid om voor het begin van het broedseizoen het plangebied ongeschikt te maken en te houden voor broedvogels. Indien tijdens de werkzaamheden een constante verstoringsfactor gewaarborgd wordt, worden nestplaatsen enkel buiten de voor de soort specifieke verstoringsafstand gekozen (het is echter zeer moeilijk een constante intensiteit van de werkzaamheden vast te houden).
51
Zorgplicht zoogdieren Het wordt aangeraden de werkzaamheden overdag uit te voeren. Verder dient in elk geval één richting opgewerkt te worden, zodat vluchtroutes voor eender welk dier altijd mogelijk zijn. Hierbij dient niet richting dode hoeken gewerkt te worden, maar richting geschikt alternatief habitat, en geef verstoorde of vluchtende dieren hiertoe de ruimte. Als werkzaamheden langere tijd stil komen te liggen, (is het noodzakelijk het gebied gedurende de geplande ingrepen vrij te houden van waterplassen. Indien ondiepe oppervlaktewateren voor langere periodes aanwezig zijn,) moet voor het herstarten van werkzaamheden het gebied nogmaals geheel worden doorlopen door een erkend en kundig ecoloog, mogelijk hebben beschermde soorten zich intussen gevestigd. Mochten tijdens de werkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, zoals bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw, vleermuis of rugstreeppad dan dienen de werkzaamheden stilgelegd te worden en een ecoloog ingeschakeld te worden. Plaatselijk wordt mogelijk een watergang gekruist, de zorgplicht is van toepassing op voorkomende amfibieën en vissen. Werkzaamheden in de watergangen dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden in de maanden september en oktober (na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën).
Werkzaamheden in watergangen kunnen alleen plaatsvinden als zowel de watertemperatuur als de luchttemperatuur boven het vriespunt en beneden de 25°C liggen en wanneer er geen sprake is van ijsvorming. Bagger dat vrijkomt tijdens werkzaamheden dient gecontroleerd te worden op aanwezigheid van dieren (amfibieën en vissen). Indien dieren worden aangetroffen, dienen de soorten teruggeplaatst te worden in een geschikt leefgebied in de nabije omgeving, waar geen werkzaamheden zullen plaatsvinden. Met voornoemde adviezen wordt rekening gehouden. Het aspect natuur werpt zodoende geen belemmeringen op, zowel qua soorten- als gebiedsbescherming.
4.3.2
Water Nationaal Water Programma 2022–2027 Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur
52
Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven.
Provinciaal beleid De provincie Zuid-Holland heeft het rijksbeleid overgenomen in de herziening van de Nota Planbeoordeling. Een bestemmingsplan (lees: besluit art. 2.12, lid 1 onder a sub 1 Wabo als in onderhavig geval) zal inzicht moeten geven in aspecten als veiligheid en waterbeheer, de huidige situatie, de volgens het waterbeleid gewenste ontwikkelingen, de wijze waarop in het ruimtelijk beleid hiermee rekening wordt gehouden, de wijze waarop dit is vertaald naar verbeelding en planregels en het overleg met de waterbeheerders. Beleid Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) Goed waterbeheer is van levensbelang om in Rijnland te kunnen wonen, werken en genieten. Hoe pakken we dat aan en wat zijn de plannen voor de komende 6 jaar? Op deze website presenteert Rijnland zijn waterbeheerprogramma (WBP6) voor 2022 2028. Zie: Over WBP6 | Waterbeheerprogramma 6 (wbp6rijnland.nl). Blauwe lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is het Rapport Blauwe Lens (Rapport Blauwe Lens). De Blauwe Lens leert ons dat het gebied en het watersysteem veerkrachtiger en flexibeler moeten worden. Een belangrijk inzicht is dat we de problemen niet moeten afwentelen op onze omgeving, maar water juist moeten inzetten als ordenende kracht in ruimtelijke ontwikkeling.
Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water leidend te maken.
53
Keur van Rijnland 2020 Er zijn regels voor wat je als bewoner of bedrijf wel en niet mag doen in en bij water, dijken en gemalen. Zo houden we het watersysteem schoon en veilig. Voor water gerelateerde werkzaamheden zijn er regels vastgelegd in de Keur van Rijnland 2020 samen met bijbehorende uitvoeringsregels. De uitvoeringsregels kan een zorgplicht, een algemene regel en een beleidsregel/vergunningplicht bevatten. Rijnland is op dit moment bezig met het klimaatrobuuster maken van haar huidige regels. Op het moment van een eventuele vergunningaanvraag wordt getoetst aan de regels die op dat moment gelden. Waterparagraaf Keur en beleidsregels Rijnland heeft belangen om watergangen en waterkeringen in stand te houden, kwel tegen te gaan en te snelle afwatering te voorkomen. Om deze belangen te beschermen zijn onze beleidsregels opgesteld in de Keur. Eigendomstoestemming van Rijnland U wilt werkzaamheden uitvoeren in een water of op een perceel dat eigendom is van Rijnland. Daarvoor heeft u een huurovereenkomst nodig. Daarnaast betaalt u jaarlijks een huurtarief. Voor meer informatie zie: Rijnlands vastgoed. Ook kunt u contact opnemen met team Juridische zaken en Vastgoed via vastgoed@rijnland.net Klimaatadaptatie Nationale maatlat klimaatadaptatie De ontwikkeling van de maatlat duurt een half jaar en gebeurt samen met de (bouw)sector.
Naast de landelijke koepels van publieke en private sector worden decentrale overheden, bedrijven en experts betrokken via interviews en een klankbordgroep. Zij hebben namelijk al ervaring met ontwerpen, ontwikkelen, en bouwen van klimaatadaptieve gebieden en gebouwen. Zij brengen deze ervaringen in en denken mee over de invulling van de maatlat. De maatlat wordt binnenkort opgeleverd. Ontwikkeling van landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving gestart! - Klimaatadaptatie (klimaatadaptatienederland.nl). Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Bestuurlijke afspraken en een minimale programma van eisen (PvE) zijn vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief bouwen - Provincie Zuid-Holland. Rijnland is medeondertekenaar en spant zich daarom ook in het convenant te effectueren.
54
Drinkwater Het huidige watersysteem niet is ingericht op droogte, maar op water zo snel mogelijk afvoeren. Dit is een van de redenen waarom de drinkwatersector pleit voor een watertransitie gericht op het creëren van een klimaatrobuust systeem dat de waterbeschikbaarheid in de toekomst verzekert. De drinkwaterbedrijven willen daarom in hun regio’s vanaf het begin aan tafel zitten bij het plannen en realiseren van de grote woningbouwopgave. We adviseren daarom bij grote projecten om de drinkwatersector ook te betrekken bij het maken van plannen. Waterbewustzijn Om te zorgen dat ons gebied beter bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering is het noodzakelijk om de (gebouwde) omgeving hier op aan te passen middels technologische en praktisch maatregelen. Het betrekken van de (toekomstige) bewoners is net zo noodzakelijk. Er zijn verschillende reden waarom het betrekken van (toekomstige) bewoners en/of gebruikers zo belangrijk en waardevol is. Ten eerste is het belangrijk dat zij zich er (meer) van bewust zijn dat ook zij in hun dagelijkse leven te maken kunnen krijgen met klimaatproblemen, zoals wateroverlast en droogte. Wanneer deze context wordt geschept, groeit het draagvlak en begrip voor deze maatregelen en zal ook de relevantie en noodzaak voor een klimaat adaptieve inrichting toenamen. Het waterbewustzijn neemt toe.
(Toekomstige) Bewoners en/of gebruikers betrekken bij een project kan op verschillende manieren. Van belang is dat er altijd een informatieve basis verstrekt wordt waarop men het waterbewustzijn kan bouwen. De gemeente en/of projectontwikkelaar (in samenwerking met het waterschap) kan ook sturen op advisering van de (toekomstige) bewoners en/of gebruikers. Bijvoorbeeld over nemen van waterbesparende maatregelen binnenshuis (of hergebruik van water) of hoe men de tuin zo kan inrichten dat deze aantrekkelijk is voor diverse dieren. Wanneer de planning dit toe laat is het ook mogelijk om (toekomstige) bewoners en/of gebruikers te betrekken bij het ontwerpproces. Dit kan leiden tot meer creatieve besluitvorming, meer draagvlak en het gevoel van eigenaarschap. Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de waterhuishouding voldoende aandacht is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Navolgende tekst dient als watertoets (de opbouw en inhoud van de watertoets is vormvrij).
Beoordeling en conclusie Er is sprake van een toename van de verharding, die evenwel onder voornoemde grens van 500 m2 blijft (zie paragraaf 2.2), er hoeven daarom geen compenserende maatregelen uitgevoerd worden. In het plan is verder geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd. Voorts wordt niet ge-
55
bouwd in een beschermingszone van een waterkering en wordt er geen water gedempt. Er wordt tot slot niet gewerkt met uitloogbare materialen. Zodoende werpt het aspect water geen belemmeringen op. 4.3.3
Archeologie Wettelijk kader Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag van Malta in 1998 goedgekeurd. Het verdrag ziet toe op de bescherming van het Europees archeologisch erfgoed. Inmiddels is de Erfgoedwet in werking getreden. Een belangrijk uitgangspunt van het verdrag, en de nieuwe wet, is dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in de bodem (“in situ”) bewaard blijft. Alleen als het ongestoord bewaard blijven van de archeologische resten in de bodem niet mogelijk is, moet de in de bodem aanwezige informatie door middel van opgravingen worden veiliggesteld. Een belangrijk uitgangspunt van het verdrag is de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening. In de wet is onder meer opgenomen dat de gemeenteraad bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Voor zover deze verplichting voor de gemeente leidt tot kosten als gevolg van het doen van opgravingen, kunnen deze kosten worden verhaald op degenen ten behoeve van wie medewerking wordt verleend (“de-veroorzaker-betaalt”).